• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Justitie en Veiligheid

  • Inlichtingen en Terrorisme

  • Nieuwsblog

  • Openbaarheid

  • Nationaal Veiligheidsarchief

  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Bijlage X – 3.5. De voorvallen

    3.5. De voorvallen

    3.5.1. Inleiding

    Evenals bij de advocaat kan de verwijtbare betrokkenheid van de
    notaris bij georganiseerde misdaad eruit bestaan dat hij specifieke
    kennis (informatie, e.d.) levert en afscherming biedt. Als
    bijzonder kenmerk van de notaris komt erbij dat zijn tussenkomst
    wettelijk is voorgeschreven voor het kunnen verrichten van
    rechtshandelingen.

    lees meer

    Bijlage X – 6.3. Wederrechtelijk verkregen voordeel

    6.3. Wederrechtelijk verkregen voordeel

    Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachten kan
    vanzelfsprekend niet op n lijn worden gesteld met de toegebrachte
    economische schade. Afgezien van sommige vormen van parasitaire
    fraude – in het bijzonder die waarvoor een minimum aan logistieke
    handelingen nodig is – ontlopen het schade- en het winstbedrag
    elkaar meestal aanzienlijk. De investeringen die moeten worden
    gedaan alvorens berhaupt tot het plegen van de strafbare feiten
    over te kunnen gaan, de personeelskosten, enzovoort, zijn van
    invloed op de uiteindelijk te behalen nettowinst. Die winst zal
    vervolgens ook moeten worden gedeeld met eventuele medeverdachten.
    Casus 11 vormt een goede illustratie van de wijze waarop het
    brutovoordeel over alle bij de betreffende fraude betrokkenen kan
    worden verdeeld.

    lees meer

    Bijlage X – 3.4. Recapitulatie

    3.4. Recapitulatie

    In dit hoofdstuk is een aantal verschijningsvormen van fraude
    beschreven. Daarbij is een onderscheid aangebracht tussen
    fraudevormen waarin de actoren op de wettige markt primair als
    slachtoffers moeten worden aangemerkt en fraudevormen waarin ook
    sprake is van verwijtbare betrokkenheid van (een deel van) de
    wettige nijverheid.

    lees meer

    Bijlage XI – 2.1. De grootstedelijke context

    2. AMSTERDAM IN DE KERING

    2.1. De grootstedelijke context

    In de grote stad beginnen alle sociale veranderingen eerder en
    ze openbaren zich hier vaak ook heftiger dan daarbuiten. Sommige
    verschijnselen doen zich ook alleen maar in de grote stad voor, of
    komen hier op een schaal voor die buiten een stedelijk verband
    ondenkbaar is. Als er in Nederland sprake is van georganiseerde
    criminaliteit, mogen we verwachten dat die in Amsterdam begint, dat
    zij er omvangrijker is dan elders in het land en dat zij hier
    gedaanten aanneemt die elders niet worden waargenomen. In dit
    hoofdstuk willen we een aantal kenmerken van de grote stad noemen
    en ontwikkelingen en trends laten zien die ruimte geven voor de
    ontwikkeling van georganiseerde criminaliteit. We behandelen kort
    de volgende aspecten: de topografie van de georganiseerde
    criminaliteit in Amsterdam, de demografische en economische
    ontwikkelingen die de stad in de voorbije decennia heeft ondergaan,
    en haar culturele metamorfose sinds de jaren zestig.

    lees meer

    Bijlage I – 3.3 Huisvesting

    3.3 Huisvesting

    De aard van het te verrichten onderzoek noopte de commissie te
    zoeken naar werk- en vergaderruimten die aan een aantal eisen
    moesten voldoen. Deze ruimten moesten optimaal beveiligd kunnen
    worden. Voorts noodzaakte de omvang van de staf van de commissie
    tot een ruim onderkomen. Daarnaast moest de commissie in staat zijn
    haar werkzaamheden in relatieve afzondering te verrichten.

    lees meer

    Bijlage V – 10.1 Inleiding

    10 INTERNATIONALE OPSPORING

    10.1 Inleiding

    In dit hoofdstuk wordt de internationale samenwerking en
    gegevensuitwisseling ter bestrijding van de grensoverschrijdende
    (georganiseerde) misdaad beschreven. Tevens komt het functioneren
    van buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland en dat van
    Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland aan de orde.
    Samenwerking en gegevensuitwisseling kunnen diverse vormen
    aannemen. Hier staan de internationale assistentieverzoeken
    centraal waarin bijzondere opsporingsmethoden zoals
    (grensoverschrijdende) observatie, gecontroleerde aflevering,
    pseudo-koop en infiltratie worden gehanteerd. Deze
    assistentieverzoeken doen zich tegenwoordig met grotere regelmaat
    voor, omdat het aantal internationaal gecordineerde
    opsporingsonderzoeken, alsmede het aantal internationaal opererende
    criminele groepen is toegenomen. In .10.2 wordt ingegaan op
    justitile en politile rechtshulp in het algemeen. Hoewel het
    juridisch van belang is of het daarbij gaat om hulp door Nederland
    aan het buitenland, of vice versa blijkt dit onderscheid in de
    praktijk soms moeilijk te maken, omdat dikwijls sprake is van een
    intensieve samenwerking. Daarom is in de opzet in .10.3 gekozen
    voor de samenvattende term informatie-uitwisseling, al vertroebelt
    deze enigszins het juridisch relevante onderscheid. De
    daaropvolgende paragrafen betreffen het gebruik van niet-wettelijk
    geregelde opsporingsmethoden in internationaal verband: in .10.4
    wordt ingegaan op de uitvoering van buitenlandse
    assistentieverzoeken door Nederland en .10.5 de uitvoering van
    Nederlandse assistentieverzoeken in het buitenland. De laatste
    paragrafen gaan over het optreden van opsporingsambtenaren buiten
    de landsgrenzen: .10.6 betreft Nederlandse opsporingsambtenaren in
    het buitenland en .10.7 de buitenlandse opsporingsambtenaren in
    Nederland. Afgesloten wordt met enkele conclusies.

    lees meer

    Bijlage V – De zaak Charles Z.

    De zaak Charles Z.

    Gerechthof Amsterdam, 10 januari 1995, NJ 1995, 254
    (Artt. 47, 56, 57, 140 Sr, 3 en 11 Opiumwet)
    De beschrijving van deze zaak zal als volgt plaatsvinden: Per
    aangevoerd verweer (1 t/m 9) zal een korte inhoud van dat verweer
    gegeven worden, waarna gelijk (veelal door middel van een
    samenvatting) de overweging en beslissing op dit punt door het hof
    zal volgen. Bij het eerste verweer worden de inleidende opmerkingen
    van het hof, gemaakt voor de behandeling van de verweren, vermeld.
    1. Verweer onvolledig proces-verbaal: Het proces-verbaal van de
    hoofdinspecteur van politie, Woelders, voldoet niet aan opdracht
    van het hof aan de procureur-generaal een volledige rapportgage met
    betrekking tot de gehanteerde opsporingsmethoden te
    verstrekken.

    lees meer

    Bijlage V – 4.3 Juridische grondslag

    4.3 Juridische grondslag

    4.3.1 Wettelijke regeling

    Een afzonderlijke (formeel) wettelijke basis voor de
    inlichtingeninwinning door middel van informanten ontbreekt. Of een
    dergelijke basis noodzakelijk is, is een punt van discussie. Voor
    zover de gedachte wordt aangehangen dat de politie al datgene mag
    doen, wat ook gewone burgers mogen, is een wettelijke regeling voor
    het passief ontvangen van informatie wellicht niet noodzakelijk.
    Voor zover de gedachte wordt aangehangen dat elk overheidsoptreden
    moet zijn gebaseerd op een wettelijke bepaling, kan aanknoping
    worden gezocht bij enkele algemene – doorgaans als taakstellend
    aangeduide – wettelijke bepalingen. In dat perspectief kan
    inlichtingeninwinning worden beschouwd als een normale politietaak
    die, evenals het leggen en onderhouden van contacten met andere
    burgers, is te baseren op artikel 2 Politiewet 1993. Aangezien het
    hier gaat om inlichtingeninwinning met het oog op de opsporing van
    strafbare feiten, is ook verdedigbaar deze activiteit te baseren op
    andere taakstellende artikelen, zoals de artikelen 141 en 142 Sv.
    Op deze plaats kan vooralsnog in het midden blijven welk van beide
    standpunten wordt ingenomen – dat wil zeggen of men geen wettelijke
    basis noodzakelijk acht dan wel een taakstellend artikel
    noodzakelijk en voldoende acht. Voor beide opvattingen geldt immers
    dat een nadere wettelijke basis noodzakelijk is, indien (en/of voor
    zover) inbreuk wordt gemaakt op grondrechten van burgers en indien
    (en/of voor zover) andere redenen bestaan welke daartoe nopen.

    lees meer

    Bijlage V – 8.1 Inleiding

    8 INFORMATIEHUISHOUDING

    8.1 Inleiding

    8.1.1 Omschrijving informatiehuishouding

    Het kenmerk van elke opsporingsmethode is het verzamelen van
    informatie. Informatiehuishouding heeft betrekking op de opslag,
    het beheer en de verstrekking van politiegegevens, ongeacht de
    wijze van vergaring. Politiegegevens zijn bovenal tot een persoon
    herleidbare gegevens.

    lees meer

    Bijlage VI – 2.5 Afsluiting

    2.5 Afsluiting

    De wettelijke organisatie van de opsporing is complex. In de
    navolgende hoofdstukken geeft de commissie een overzicht van de
    activiteiten van de organisaties die een rol spelen bij de
    opsporing van georganiseerde criminaliteit.

    lees meer

    Bijlage VI – 7.4 De Economische Controle Dienst

    7.4 De Economische Controle Dienst

    7.4.1 De organisatie

    De ECD heeft als centrale taakstelling de preventie en
    bestrijding van economische (bedrijfs)criminaliteit die van een
    zodanige omvang is, dat daardoor sprake is van een belemmering van
    gezonde economische groei en van aantoonbare schade voor de
    overheid, het bedrijfsleven en/of consumenten. Noot In
    totaal werken er 202 mensen bij de ECD, waarvan 156 in de functie
    van rechercheur. De ECD organiseert samen met de AID, DRZ-VROM en
    Milieu een cursus voor de opleiding tot controleur en buitengewoon
    opsporingsambtenaar. De dienst bestaat na de laatste reorganisatie
    in 1993 uit drie hoofdafdelingen, te weten: de Economische
    Ordeningsrecherche (EOR, 60 formatieplaatsen), de Internationale
    Economische Recherche (IER, 62 formatieplaatsen) en de Financieel
    Economische Recherche (FER, 34 formatieplaatsen). Daarnaast is er
    de Centrale inlichtingen- en analysedienst, een pseudo CID. Voor
    1995 waren in totaal bijna 7000 opsporingsonderzoeken gepland.
    Noot

    lees meer

    Bijlage VII – III.6. Besluit

    III.6. Besluit

    Uit de bovenstaande beschrijving van de gehanteerde
    onderzoeksmethoden, de geraadpleegde bronnen en de uitgevoerde
    onderzoeken blijkt wel dat de onderhavige studies er voornamelijk
    op gericht zijn om de aard van de georganiseerde criminaliteit te
    kunnen beschrijven. Dit wil niet zeggen dat in de deelrapporten
    alln de aard van de georganiseerde criminaliteit aan bod is
    gekomen. Er is wel geprobeerd, zoveel als dat wetenschappelijk
    verantwoord en mogelijk was, bepaalde ontwikkelingen, bijvoorbeeld
    die van de liquidaties, te kwantificeren.

    lees meer

    Bijlage VIII – 2.6. Tot besluit

    2.6. Tot besluit

    De geschiedenis van de georganiseerde criminaliteit is nog
    slechts gebrekkig onderzocht. Hierom is het niet mogelijk om het
    verleden in dit opzicht naadloos te laten aansluiten op het heden.
    Desalniettemin is het belangrijk om hier expressis verbis
    vast te stellen dat die aansluiting er wel is. Want zij impliceert
    de conclusie dat georganiseerde criminaliteit ook in Nederland geen
    probleem is dat van vandaag of gisteren dateert. En tevens de
    conclusie dat zij geen probleem vormt dat recent door buitenlanders
    of allochtonen naar Nederland is gebracht. Ook in Nederland heeft
    de georganiseerde criminaliteit voor een stuk diepgaande wortels in
    de samenleving. Vroeger werd in Nederland de term georganiseerde
    criminaliteit niet veel gebruikt, maar dit neemt niet weg dat –
    retrospectief – kan worden vastgesteld dat zich ook hier vroeger al
    ontwikkelingen in het criminele voordeden die door Amerikaanse
    onderzoekers zonder meer als uitingsvormen van georganiseerde
    criminaliteit zouden worden betiteld. Hierbij kan zowel worden
    gedacht aan de ontwikkeling van het bendewezen in Oss in de jaren
    dertig, als aan de na-oorlogse smokkelpraktijken aan de Belgische
    grens. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat in het volgende
    hoofdstuk een relatie wordt gelegd tussen de mensen die bij deze
    smokkelpraktijken waren betrokken en de mensen die in de jaren
    zestig en zeventig in de
    grootschalige drugshandel (hashhandel) stapten.

    lees meer

    Bijlage VIII – II.8. Conclusie

    II.8. Conclusie

    De sociologische gegevens die voorhanden zijn over de
    ontwikkeling van de maatschappelijke positie van Surinamers in
    Nederland, laten er geen twijfel over bestaan dat een ruime
    meerderheid zijn weg in de Nederlandse samenleving heel goed heeft
    gevonden. Dat geldt ook voor Antillianen en Arubanen. Over die
    meerderheid gaat het hier niet. In de afgelopen twintig jaar is er
    echter tegelijkertijd een categorie Carabische immigranten ontstaan
    die in allerlei opzichten het risico loopt om verzeild te raken in
    criminaliteit. Hoe groot die categorie precies is, valt niet met
    zekerheid te zeggen maar de dertig veertig procent langdurig
    werklozen zijn kandidaat voor de vorming van een bijzondere
    Carabische onderklasse op langere termijn. De sociale
    omstandigheden die tot de vorming van deze onderklasse leiden, zijn
    wel min of meer duidelijk: deze categorie heeft weinig onderwijs
    doorlopen; ze is slecht voorbereid op de eisen die op de
    Nederlandse arbeidsmarkt worden gesteld; deze groep is gearriveerd
    in de jaren zeventig en tachtig toen er geen werkgelegenheid voor
    nieuwkomers bijkwam; gekleurde immigranten lopen op verschillende
    fronten aan tegen rassendiscriminatie.

    lees meer

    Bijlage VIII – VI.5. Conclusie

    VI.5. Conclusie

    Het staat dus buiten kijf dat de Italiaanse mafia, en in het
    bijzonder de camorra, op Nederlands grondgebied opereert, en dat
    haar optreden hier als het ware de harde kern vormt van veel
    ruimere criminele betrekkingen tussen Nederland en Itali. Met deze
    constatering is helemaal niet gezegd dat er in Nederland ook
    Italiaanse toestanden zouden heersen. Want, ook voorzover het om de
    mafia-groepen gaat, is het zo dat zij Nederland vr alles nog
    beschouwen als een marktplaats waar tegen betrekkelijk geringe
    kosten illegale goederen, en speciaal dan drugs, kunnen worden
    ingekocht. In de mate dat zij zich in Nederland zelf organiseren –
    horecabedrijven opkopen, makelaars uitsturen – gaat het dan ook
    grotendeels om het treffen van logistieke voorzieningen die een
    adequate uitgangspositie op die markt garanderen.

    lees meer

    << oudere artikelen