• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Justitie en Veiligheid

    • NRC factcheckt zichzelf, de krant checkt zichzelf over; de kroongetuige en een vage semi-overheidsinstantie het RIEC, de semi-wetenschapper en semi-rekenmeester: conclusie waar (18-05-18).
    • Kogels, handgranaten en een raket: politie lost niets op, daad - geen verdachte - dreiging - geen dreiging - oplossing - niets opgelost (12-02-18).
    • Name and shame, geen verdachte - wel media, want de politie weet altijd wie het gedaan heeft zonder enig bewijs (23-04-18).
    • Oproer in de Oostvaardersplassen, demonstreren bij de Oostvaardersplassen in Nederland betekent SGBO Oostvaardersplassen waarbij alle politieeenheden aanwezig zijn (16-04-18).
  • Inlichtingen en Terrorisme

    • Interesse AIVD voor Marokkaanse solidariteitsnetwerken, Vanwege zijn betrokkenheid bij netwerken die in Nederland protestacties organiseren uit steun voor onderdrukte Marokkanen in het land van herkomst, werd ‘Daan’ diverse keren door de AIVD benaderd. (01-03-18).
    • Bulk gegevens verzamelen is van alle tijden; Hield de BVD in de jaren tachtig mensen die op de Centrum Partij stemden in de gaten? (28-02-18).
    • Novichok, de pittige slaolie uit … Rusland, over de vele vormen van Novichok, het gif dat gebruikt zou zijn in de aanslag op Sergei en Yulia Skripal, maar ook de geheimzinnigheid en kennis die er al dan niet is bij Amerikaanse, Engelse en misschien Nederlandse inlichtingendiensten (17-05-18).
  • Nieuwsblog

  • Nationaal Veiligheidsarchief

  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Bijlage X – 3.3. De tuchtrechtspraak

    3.3. De tuchtrechtspraak

    3.3.1. Twee vormen van tuchtrecht

    Het notariaat kent twee vormen van tuchtrecht: het wettelijke
    tuchtrecht en het verenigingstuchtrecht. Het verenigingstuchtrecht
    is in het kader van deze bespreking niet van belang. Via deze
    procedure worden de relatief mineure klachten over de
    beroepsuitoefening van de notaris behandeld. Het betreffen klachten
    over bijvoorbeeld het gebrek aan snelheid in het notarile optreden
    of over de hoogte van de declaratie. De uitspraken van het
    scheidsgerecht (eerste aanleg) en het college van beroep zijn
    bindend. Zo kan de uitspraak luiden dat de notaris zijn declaratie
    moet verlagen.

    lees meer

    Bijlage X – 6.1. Inleiding

    6. SCHADE, OPBRENGSTEN EN BESTEDINGEN

    6.1. Inleiding

    Het laatste hoofdstuk van deel 1 staat in het teken van het door
    de criminele groepen gegenereerde wederrechtelijk verkregen
    voordeel en de wijze waarop dit besteed wordt. Deze vragen behoren
    tot de moeilijkste uit het onderhavige onderzoek, aangezien in een
    niet gering aantal fraudegevallen een duidelijk inzicht in de winst
    en vermogenspositie van de betrokkenen ontbrak. Dit gebrek aan
    kennis kan niet los worden gezien van het feit dat het concept van
    financieel rechercheren – dat kort gezegd inhoudt dat behalve de
    goederenstromen ook de geldstromen in beeld gebracht worden – pas
    recentelijk ingang heeft gevonden bij de opsporingsinstanties en
    het OM. Ook de wetgeving ter verruiming van de mogelijkheden tot
    toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk
    verkregen voordeel en andere vermogenssancties – die populair ook
    wel wordt aangeduid als Plukze-wetgeving – vigeert pas sinds 1
    maart 1993. Het nieuwe instrumentarium om criminele winsten af te
    romen en de opsporing en vervolging van strafbare feiten gepaard te
    laten gaan met een meer buitgerichte aanpak, is derhalve nog
    slechts in beperkte mate beproefd.

    lees meer

    Bijlage X – 3.2. Parasitaire fraudevormen

    3.2. Parasitaire fraudevormen

    Zoals in paragraaf 1.1 is vermeld, is de essentie van fraude dat
    er misbruik wordt gemaakt van het vertrouwen van de reguliere
    marktpartijen. De komende paragrafen geven enig inzicht in de
    verschillende gedaanten waarop bedoelde misleiding gestalte kan
    krijgen. De eerste verschijningsvorm van parasitaire fraude die we
    in deze paragraaf zullen behandelen, betreft het opkopen en
    leegplunderen van slecht lopende bedrijven. Zoals het voorbeeld
    laat zien, beperken fraudeurs zich daarbij meestal niet tot deze
    hoofdactiviteit, maar wordt een scala van nevenactiviteiten
    ontplooid waarmee verscheidene partijen worden benadeeld. CASUS
    1

    lees meer

    Bijlage XI – 8. BIBLIOGRAFIE

    8. BIBLIOGRAFIE

    Aalberts, M.M.J. en Dijkhof, N., Illegale vreemdelingen,
    vreemdelingenbewaring en uitzetting, in Justitile
    Verkenningen
    , jaargang 8, 1992, p. 8-29.
    Altink, S., Dossier vrouwenhandel; De feiten, de verhalen, de
    ervaringen
    , Sua, Amsterdam, 1993. Amerongen, A. van, Boris en
    de mafia, in De Groene Amsterdammer, 3 mei 1995. Amersfoort,
    J.M.M. van, De Antillianen, in H. Verwey-Jonker (red.), Allochtonen
    in Nederland, Ministerie van Cultuur, Recreatie en
    Maatschappelijk Werk, ‘s-Gravenhage, 1971.

    lees meer

    Bijlage I – 3.1 De begroting

    HOOFDSTUK 3 ORGANISATIE EN FINANCIN

    3.1 De begroting

    In het voorstel van het Presidium aan de Kamer werden de kosten
    van de enqute voor het jaar 1995 op f.3,27 mln + PM geraamd
    Noot , conform de opgave van de enqutecommissie. De
    raming werd verwerkt in de suppletoire begroting 1995 samenhangend
    met de Voorjaarsnota 1995. De PM-post werd bij de suppletoire
    begroting samenhangend met de Najaarsnota nader ingevuld en bedroeg
    f.0,4 mln. Toen begin november bleek dat de enqutecommissie niet in
    staat zou zijn binnen de haar toegestane termijn verslag uit te
    brengen, werd een aanvullende raming ingediend. Deze aanvulling
    wordt in de suppletoire begroting samenhangend met de Voorjaarsnota
    1996 opgenomen.

    lees meer

    Inhoud Bijlage IV

    Bijlage IV – Verhoren 60-93

    60. mr. T. de Waard
    61. de heer K. Kuijper
    62. drs. E.E. Nordholt
    63. mevrouw mr. E.M.A. Schmitz
    64. mr. Th.U. Hiddema
    65. de heer H. Wierenga
    66. mr. E.F.G.M. Gelderman
    67. mevrouw mr. J.M.E. in ‘t Velt-Meijer
    68. mr. J.H.M. Willems
    69. de heer J.L. Brand
    70. mr. H.P. Wooldrik en mr. A.
    Zwanenburg

    71. de heer F. van der Putten
    72. mr. J.M. Valente
    73. mr. J. Koers
    74. mr. J. Wortel
    75. mr. R.W.M. Craemer
    76. de heer K. Langendoen
    77. de heer J. van Vondel
    78. mr. L.A.J.M. de Wit
    79. mr. C.V. van der Voort
    80. mr. J.A. Blok
    81. mr. E.M. d’Hondt
    82. mr. J.J.H. Suyver
    83. mr. A.W.H. Docters van Leeuwen
    84. mr. A.H. Korthals
    85. mr. A. Patijn
    86. mr. drs. G.J. Wolffensperger
    87. drs. E. van Thijn
    88. mr. drs. L.C. Brinkman
    89. mr. P.R. Stoffelen
    90. mr. dr. V.A.M. van der Burg
    91. prof. mr. E.M.H. Hirsch Ballin
    92. mevrouw mr. W. Sorgdrager
    93. de heer H.F. Dijkstal

    lees meer

    Bijlage V – Sinis

    Sinis

    HR 31 mei 1994, NJ 1995, 29 m.nt. Kn
    (Artt. 120, 152 Sv, 9 Opiumwet)
    In eerste aanleg is door de rechtbank geconstateerd dat er tijdens
    het politie-onderzoek van het Sinis-team, voorafgaand aan de
    huiszoekingen en de aanhoudingen op 9 april 1991 een inkijkoperatie
    is uitgevoerd in een loods. De officier van justitie was hiervan
    niet op de hoogte, evenmin is de rechter-commissaris in het
    onderzoek betrokken, zoals bij een formele huiszoeking. Bij deze
    kijkoperatie is geen bewijs aan het licht gekomen voor de
    tenlastegelegde feiten: in plaats van de verwachte handelsvoorraad
    drugs (hashish) werd een speedboot aangetroffen.

    lees meer

    Bijlage V – 4.1 Inleiding

    4 HET GEBRUIK VAN INFORMANTEN

    4.1 Inleiding

    Indien een proces-verbaal begint met de zin Uit bij de criminele
    inlichtingendienst binnengekomen informatie is het volgende
    gebleken, is de niet genoemde bron veelal een informant. Deze heeft
    zijn informatie op basis van vertrouwelijkheid aan een Criminele
    inlichtingendienst (CID) verschaft. Daarmee onderscheidt de
    informant zich van de gewone aangever en de gewone getuige. Het is
    weliswaar theoretisch mogelijk dat de informant op zeker moment als
    bedreigde getuige, of als anonieme getuige wordt gehoord, maar
    gebruikelijk is dat hij op geen enkele wijze in het strafproces wil
    worden gemengd.

    lees meer

    Bijlage V – 7.8 Beveronderzoek Rotterdam

    7.8 Beveronderzoek Rotterdam

    In de zomer van 1992 werd in Rotterdam het
    Haveninformatieproject gestart. Het doel van het project was de
    informatie van verschillende diensten over de georganiseerde
    criminaliteit in de haven bij elkaar te brengen. Uit het
    Haveninformatieproject bleek dat een aantal personen zich in
    georganiseerd verband bezig hield met strafbare feiten. De
    Rotterdamse recherche en CID startten mede naar aanleiding hiervan
    een onderzoek tegen een handelaar in verdovende middelen die al
    meermalen veroordeeld was. Onder de codenaam Bever werd zodoende
    eind 1993 een onderzoek gestart door het kernteam
    Rotterdam-Rijnmond. De RCID Rotterdam had contact met de RCID
    Kennemerland. Uit dit contact bleek dat de RCID Kennemerland een
    informant runde die voor het Beveronderzoek belangrijke informatie
    zou kunnen bieden (hier verder informant 3 genoemd).Omdat de
    organisatie van het onderzoekssubject zeer gesloten was en
    professioneel te werk ging, was de inschatting dat het zeer
    moeilijk zou zijn een goede informatiepositie te verkrijgen in dit
    onderzoek. De mededeling van de RCID Kennemerland kwam derhalve
    voor het onderzoek van het kernteam op een buitengewoon goed
    moment. Noot

    lees meer

    Bijlage VI – 2.3 Andere aan de opsporing verwante instanties

    2.3 Andere aan de opsporing verwante instanties

    2.3.1 Binnenlandse veiligheidsdienst

    De taak van de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) is geregeld
    in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV).
    Noot In artikel 8, tweede lid, wordt de taak van de BVD
    als volgt geformuleerd: a. het verzamelen van gegevens omtrent
    organisaties en personen welke door de doelen die zij nastreven,
    dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige
    vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de
    democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid van de of voor
    andere gewichtige belangen van de Staat;

    lees meer

    Bijlage VI – 7.2 De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD)

    7.2 De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst
    (FIOD)

    7.2.1 De organisatie

    De FIOD valt onder het Directoraat-generaal der belastingen van
    het ministerie van Financin, en in het bijzonder onder de Directie
    algemene fiscale zaken. Bij de FIOD zijn 750 personen werkzaam,
    verdeeld over de Fiscale recherche met elf regionale teams en n
    centraal team, de Douanerecherche met zes regionale teams en twee
    centrale teams, de Inlichtingendienst, alsmede twee stafafdelingen.
    In de nabije toekomst zal een reorganisatie plaatsvinden. Er komen
    drie resultaatgebieden: documentatie, informatie en opsporing.
    Binnen het resultaatgebied opsporing wordt geen onderscheid meer
    gemaakt in aparte afdelingen douanerecherche en fiscale
    recherche.

    lees meer

    Bijlage VII – III.4. De landelijke onderzoeken

    III.4. De landelijke onderzoeken

    Er zijn op landelijk niveau vijf verschillende onderzoeken
    uitgevoerd. Twee onderzoeken zijn geschreven vanuit het perspectief
    van de autochtone, allochtone en buitenlandse groepen, n onderzoek
    vanuit het perspectief van een aantal branches. Verder is er op dit
    niveau n onderzoek uitgevoerd naar de betrokkenheid van de
    beoefenaren van de vrije beroepen bij georganiseerde criminaliteit,
    en een ander naar belangrijke vormen van fraude en van witwassen.
    Hoe al deze onderzoeken precies zijn uitgevoerd kan in elk
    deelrapport worden nagelezen. Hier moet met een algemene kenschets
    worden volstaan.

    lees meer

    Bijlage VIII – Voorwoord

    Voorwoord

    Dit rapport voor de Parlementaire Enqutecommissie
    Opsporingsmethoden vormt het eerste deel in de reeks van rapporten
    die voor deze Enqutecommissie zijn vervaardigd over de aard, ernst
    en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het
    heeft betrekking op de rol die autochtone groepen spelen in dit
    soort van criminaliteit. Het rapport dat door Frank Bovenkerk en
    ondergetekende werd geschreven over de rol van buitenlandse en
    allochtone groepen vormt als het ware het complement van dit
    rapport. De lezer van het onderhavige rapport doet er dus goed aan
    dat andere rapport – en natuurlijk ook het eindrapport – te
    betrekken in zijn beschouwingen over het onderzoek dat aan al deze
    rapporten ten grondslag ligt. Ook voor de vervaardiging van dit
    rapport werd niet tevergeefs een beroep gedaan op een heel aantal
    mensen. Bij de Divisie Centrale Recherche Informatie (CRI): B.
    Barendregt, H. Theeuwes, M. van der Plas, P. Groenhout, L. Weeda,
    N. Nierop, N. van de Ven, M. Ribberink en H. Hagen. Verder bedank
    ik ook A. Middendorp en H. Brombeeck (regiopolitie
    Brabant-Zuid-Oost), C. van Doorn, J. van de Wetering en J. van den
    Biggelaar (regiopolitie Brabant-Noord), en R. van Vught
    (regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Yvonne de Adelhart Toorop en
    Marjolein Ribberink, CRI, leverden ook deze keer de onontbeerlijke
    administratieve ondersteuning.

    lees meer

    Bijlage VIII – II.6. Corruptie onder Nederlandse overheidsdienaren van Surinaamse afkomst

    II.6. Corruptie onder Nederlandse overheidsdienaren van
    Surinaamse afkomst

    Aan het einde van de jaren tachtig bereikte de politie de eerste
    mededeling over een marechaussee die dienst deed op luchthaven
    Schiphol en die aan de Surinaamse kant uitstekende betrekkingen
    onderhield met een manager bij de Surinaamse Luchtvaart
    Maatschappij die betrokken was bij de handel in drugs, en aan de
    Nederlandse kant met een grote Hindoestaans-Surinaamse importfirma.
    Het bericht luidde dat de marechaussee drugskoeriers opving en
    doorsluisde en dat hij via een dienstvoertuig partijen cocane
    overdroeg aan zijn zakenvriend. Over een ambtenaar in dienst van
    een Amsterdamse deelraad kwam informatie binnen dat deze zich bezig
    hield met fraude van gesloten cheques en handelde in Nederlandse
    paspoorten. Haar positie stelde haar in staat de afgegeven
    paspoorten in het register van de burgelijke stand te registreren.
    Er kwamen berichten binnen over verschillende corrupte Surinaamse
    agenten in dienst van de regiopolitie te Amsterdam. Ook zij zouden
    met paspoortfraude te maken hebben, met heling, met het omkatten
    van gestolen auto’s en met het doorspelen van strafrechtelijke
    onderzoeksinformatie naar criminele organisaties. Voor ambtenaren
    van de rijksrecherche die deze informatie verwerken, is het
    aanleiding om in 1991 te vragen om justitieel onderzoek. Het
    onderwerp lag politiek uiterst gevoelig: was er werkelijk reden om
    te veronderstellen dat er speciaal met Surinamers in
    overheidsdienst iets niet in orde zou zijn? In 1990 kwam een hele
    groep Surinaamse politiemensen naar Nederland toe nadat Herman
    Gooding was vermoord. Zij vertelden dat ze van de militaire politie
    gevaar te duchten hadden en boden zich in Nederland aan om in
    politiedienst te gaan. De Nederlandse politie was juist op dat
    moment volop bezig om in het kader van haar positieve-actie-beleid
    Surinamers te werven en getrainde collega’s kon men op zichzelf
    goed gebruiken. Het was jammer dat hun antecedenten niet konden
    worden nagetrokken omdat er geen formele contacten bestonden tussen
    de Nederlandse en de Surinaamse politie. Nadat een aantal van hen
    in dienst was genomen, rees ten aanzien van sommige agenten de
    twijfel dat het vluchtverhaal was verzonnen en dat het om
    politiemensen ging die in Suriname zelf wegens wangedrag uit het
    korps waren gezet en die met uitdrukkelijk medeweten van de
    Surinaamse legerleider in Nederland waren geplant. De functionaris
    die toen bij de Amsterdamse politie het minderhedenbeleid
    cordineerde, heeft in de instroom van de Surinaamse politiemensen
    een actief aandeel gehad. Dit deel van het verhaal wordt in ons
    rapport over de georganiseerde misdaad in de hoofdstad in detail
    verteld. Hier volstaan we met de constatering dat een rapport,
    opgemaakt door de BVD over de betrekkingen die deze functionaris
    met Bouterse onderhield, voor de burgemeester en de korpschef reden
    was hem onmiddellijk te ontslaan. Het had onder andere bevreemding
    gewekt dat de betrokkene in de periode dat hij nog over een
    connectie bij de Surinaamse politie beschikte via welke hij de
    antecedenten van sollicitanten kon natrekken, geen alarm had
    geslagen bij een notoir geval. Rijksrechercheurs verzamelden de
    namen van Surinaamse agenten die op deze verdachte manier waren
    aangenomen en verzochten de procureur-generaal in Amsterdam om
    nader onderzoek. In 1993 werd een nieuwe groep Surinaamse
    werknemers op Schiphol aangetroffen die hand- en spandiensten
    verichtten voor drugssmokkelaars. Er kwamen meer berichten binnen
    over Surinaamse ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam, de
    sociale dienst en bij de huisvestingsdienst die corrupt waren. De
    Amsterdamse politie had inmiddels zelf onderzoek ingesteld en vier
    agenten van Surinaamse afkomst
    ontslagen. Een daarvan werkte in een andere stad als portier bij
    een discotheek en trad op als priv-chauffeur van n van de grotere
    autochtone drugshandelaren van Nederland. Ook in drie andere steden
    (onder andere Utrecht) worden corrupte Surinaamse politiemensen
    ontslagen. Een agent deed opvallend veel moeite om te kunnen werken
    als vertaler bij van de telefoon afgeluisterde gesprekken en was
    daarbij succesvol. Toen bleek dat hij nauwe contacten onderhield
    met een Surinaamse drugshandelaar. Er rezen verdenkingen tegen vier
    Surinamers die in opleiding waren bij verschillende korpsen en van
    nog eens vier afgewezen sollicitanten was van meet af aan duidelijk
    dat zij een groot risico op zouden leveren. Ook onder het
    bewakingspersoneel in een penitentiaire inrichting zou zich zo
    iemand bevinden, die een indrukwekkende carrire als sadist in
    dienst van de Surinaamse politie achter de rug had. In 1994 bedroeg
    het aantal verdenkingen tegen corrupte marechaussees op Schiphol al
    vijf. Het was moeilijk om werkelijk corruptieve handelingen te
    bewijzen, maar de connecties (familie, vrienden) met tal van
    bekende drugshandelaren waren evident. Een marechaussee die ten
    onrechte iemands paspoort van een toelatingsstempel voorzag,
    verontschuldigde zich bij ontdekking met de (waarschijnlijk juiste)
    mededeling vriendendienst! Van al deze verdenkingen kwam maar
    weinig naar buiten, maar het verlamde op verschillende plaatsen het
    politiewerk, omdat politiemensen niet wensten samen te werken met
    enkele collega’s die oorspronkelijk uit Suriname afkomstig waren.
    Ruim 15 jaar geleden interviewde Bovenkerk alle gekleurde
    politiemensen die Nederland rijk was. Het waren er toen op de kop
    af twintig en hij publiceerde daarover in een door de Federatie van
    Surinaamse Welzijnsinstellingen uitgegeven boekje met de titel: Als
    ze allemaal zo waren als jij! (Bovenkerk en Luning, 1979). Die
    titel sloeg op het vooroordeel van blanke politieagenten tegenover
    Surinamers in het algemeen. De genterviewden vertelden bij die
    gelegenheid hoe moeilijk het was om je als Surinamer (of
    Antilliaan) te onttrekken aan de aanspraken uit eigen etnische
    kring. Hun gemeenschappen waren klein en iedereen had in zijn
    familie of kennissenkring wel mensen die met politie en justitie in
    aanraking waren gekomen en die aanklopten om hulp. Je kon je
    natuurlijk helemaal losmaken van je etnische groep, maar dat
    betekende niet enkel een persoonlijke tragedie, het potentile
    voordeel voor de politie om zulke mensen in dienst te hebben, zou
    er mee verloren gaan. Het werd moeilijk afwegen waar de grens lag
    van de loyaliteit van familie, etnische groep en nationale afkomst.
    Ze vertelden dat zij met dit dilemma in een maatschappelijk
    krachtenveld moesten opereren dat fundamenteel anders was dan dat
    van hun Hollandse collega’s. Dat hun positie ook corruptiegevoelig
    zou kunnen zijn kwam bij de onderzoekers in 1979 niet eens op en
    daar hebben ze toen ook niet naar gevraagd (wat trouwens toch niet
    veel zou hebben opgeleverd). Thans mag de Nederlandse politie zich
    gelukkig prijzen met vele honderden Surinamers, Antillianen en
    Arubanen (en leden van andere etnische groepen) in haar dienst. Het
    verstevigt haar informatiepositie en legitimeert het korps als
    geheel bij het Surinaamse volksdeel. Positieve actie is nergens
    populair, maar bij de politie is zij goed aangeslagen. Het
    geschetste loyaliteitsdilemma heeft echter een corruptieprobleem
    opgeleverd, in elk geval bij de politie. De aanwijzingen die
    hierboven zijn genoemd, zijn zo overtuigend dat we gerust mogen
    zeggen dat het een echt probleem is en geen kunstmatig produkt van
    racistische waarneming of selectieve aandacht. Een Amsterdamse
    advocaat die zeer veel grote drugszaken in Surinaamse kring doet,
    beweert dat de Nederlandse overheid lek is. Zijn clinten hebben hem
    laten weten goede connecties bij de politie te hebben, zegt hij, en
    als er iets nodig is voor de verdediging, moest hij het maar laten
    weten. In de tijd dat er over ethische normen in de advocatuur nog
    niet zo veel werd gediscussieerd als thans kon hij, volgens eigen
    zeggen, over het uitgewerkte plan voor de pro-actieve fase van een
    groot politieonderzoek beschikken.

    lees meer

    Bijlage VIII – VI.3. De Italiaanse gemeenschap in Nederland

    VI.3. De Italiaanse gemeenschap in Nederland

    Ofschoon zowel in Duitse als in Franse rapporten sporadisch
    wordt gewezen op activiteiten van de Italiaanse mafia in Nederland,
    is haar (eventuele) optreden hier zeker geen thema in de
    internationale literatuur. Of dit terecht is of niet, zal in de
    volgende paragraaf uit de doeken worden gedaan. Tot goed begrip van
    de bevindingen waartoe ons eigen onderzoek in deze heeft geleid, is
    het van belang eerst iets te zeggen over de geschiedenis, de
    samenstelling en de bedrijvigheid van de Italiaanse gemeenschap in
    Nederland. Want, zoals eerder werd aangegeven, de aanwezigheid van
    zulk een gemeenschap vormt gewoonlijk een strategische voorwaarde
    voor de ontplooiing van mafia-activiteiten.

    lees meer

    << oudere artikelen