• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Nieuwsblog

  • Justitie en Veiligheid

  • Openbaarheid

  • Nationaal Veiligheidsarchief

  • Publicaties

  • Crisis en Onveiligheid

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Eindrapport – 2.11 Contra-strategien

    2.11 Contra-strategien

    2.11.1 Aanleiding onderzoek

    Uit het onderzoek door de onderzoeksgroep Fijnaut blijkt dat
    contra-strategien door criminele organisaties tegen politie en
    justitie een wezenlijk onderdeel vormen van de hedendaagse
    georganiseerde criminaliteit. Onder contra-strategien worden
    verstaan: observatie door criminele organisaties van politieen
    justitiefunctionarissen, intimidatie en bedreiging van politie en
    justitie door leden van criminele organisaties, corruptie bij
    politie en justitie waarbij de georganiseerde criminaliteit een rol
    speelt en oneigenlijke benvloeding van de media. Contra-strategien
    door criminele organisaties vormen een nieuw verschijnsel waarmee
    politie en justitie in het verleden nauwelijks geconfronteerd
    werden.

    lees meer

    Eindrapport – 5.5 Beoordeling

    5.5 Beoordeling

    Het runnen van informanten heeft geen afzonderlijke (formele)
    wettelijke basis. De CID regeling 1995 spreekt niet van
    informanten. Politie, justitie en rechterlijke macht hebben het
    runnen van informanten en het geven van informatie door informanten
    volledig geaccepteerd. Informatie van informanten vormt een
    wezenlijk onderdeel van de meeste opsporingsonderzoeken bij de
    georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat voor
    het runnen van informanten door de politie een wettelijke basis
    noodzakelijk is. Het verwerven van informatie door informanten kan
    een beperking van de persoonlijke levenssfeer van burgers inhouden.
    Daarnaast blijkt het runnen van informanten dermate complex te zijn
    dat een duidelijke wettelijke regeling zowel vanuit het perspectief
    van politie en justitie als vanuit de optiek van informanten,
    CID-subjecten en verdachten wenselijk is.

    lees meer

    fort1_14

    6 Het  plan  van  aanpak  en  de  besprekingen  hierover  in  de  beide  vergaderingen  gingen  voorbij  aan een aantal punten van kritiek en zorg die in de boezem van het LRT waren gerezen en die naderhand inderdaad voor grote problemen zouden gaan zorgen. In de eerste plaats bestond er bij de leiding van het   LRT   van   meet   af   aan   kritiek   op   de   tweesporen-aanpak.   Men   vreesde   dat   de   beide   sporen gemakkelijk in elkaars vaarwater terecht zouden kunnen komen, omdat de onderlinge afbakening niet duidelijk was. In de tweede plaats bestond er binnen het LRT-spoor zelf onzekerheid over het doel (de doelwitten)   van   het   strafrechtelijke   onderzoek.   De   presentaties   van   de   CRI-analisten   en   van   de rijksrecherche over de resultaten van het Fort-onderzoek hadden niet veel houvast gegeven. Wat was er  waar  van  de  parallelimporten  en  zou  de  strafrechtelijke  aanpak  van  de  vermeende  groei-informant daar  licht  op  kunnen  werpen  of  zou  de  aanpak  betrekking  moeten  hebben  op  “nieuwe”  feiten  (na 1994)?  Over  eventuele  andere  verdachten  bestond  bij  het  LRT  nog  grotere  onzekerheid.  Mogelijk zouden  ook  enkele  overheidsfunctionarissen  in  het  opsporingsonderzoek  betrokken  kunnen  worden. Mogelijk, omdat nog vastgesteld moest worden of deze ambtenaren strafbare feiten hadden gepleegd. Achteraf moet dan ook worden vastgesteld dat in het plan van aanpak dat op 4 september 1996 werd goedgekeurd door het college onvoldoende aandacht is besteed aan enkele belangrijke risico’s en problemen, bijvoorbeeld inzake de onderbouwing van de concrete verdenkingen, de bruikbaarheid van het Fort-materiaal en de tweesporen-aanpak. II.2 De start van de beide sporen (oktober 1996 tot april 1997) Spoor 1 van start (oktober 1996 tot april 1997) Begin  oktober  1996  kwam  het  opsporingsteam  van  het  LRT  op  sterkte.  Het  begon  onder  leiding  van Noordhoek   “blanco”.   Dat   was   een   voordeel.   Men   kon   immers   niet   worden   beticht   van   enige vooringenomenheid  in  de  strijd  tussen  Amsterdam  en  Haarlem.  Maar  het  was  ook  een  nadeel.  Het team  moest  zich  de  materie  nog  helemaal  eigen  maken.  Naast  het  regelen  van  allerhande  logistieke voorzieningen  was  het  doornemen  van  het  Fortmateriaal  de  belangrijkste  werkzaamheid  in  de  eerste maanden.  Vervolgens  werd  toegewerkt  naar  een  projectplan  dat  de  basis  zou  gaan  vormen  voor  het opsporingsonderzoek.   Na   enkele   maanden   lezen   werd   besloten   om   van   zes   subjecten,   die   de potentiële   targets   van   het   onderzoek   zouden   kunnen   gaan   worden,   afzonderlijke   rapportages   te maken. De    subjectrapporten,    die    in    maart    1997    gereed    kwamen,    waren    hoofdzakelijk    op    het Fortmateriaal  gebaseerd.  De  conclusie  was  dat  de  aanpak  van  J.  en  Van  V.  het  meeste  perspectief bood waar het ging om mogelijk gepleegde strafbare feiten. Het college stemde enkele weken later in met dit vervolg van het 060-onderzoek, zoals spoor 1 inmiddels werd genoemd. Spoor 2 van start (oktober 1996 tot april 1997) Ongeveer  tezelfdertijd  ging  spoor  2  onder  leiding  van  Zwerwer  van  start.  Het  team  was  nog  niet  op sterkte en zou ook nooit op de beoogde sterkte van circa 11 fte’s uitkomen. In zekere zin was dit spoor de  voortzetting  van  het  Fort-onderzoek.  Immers  het  had  als  opdracht  mee  gekregen  om  verder  te gaan  met  de  beantwoording  van  enkele  vragen  die  aan  het  einde  van  het  Fort-onderzoek  nog  open stonden.  Ook  in  personele  zin  was  er  een  link.  Zowel  Zwerwer  als  een  groot  deel  van  de  beoogde teamleden   hadden   deel   uit   gemaakt   van   het   Fort-team.   Zo   zou   de   rijksrecherche,   die   het   Fort- onderzoek grotendeels voor haar rekening had genomen, een belangrijke bijdrage (4 fte’s) aan spoor 2  leveren.  Maar  op  dit  punt  liepen  de  plannen  spaak.  De  directeur  rijksrecherche  kon  zich  er  niet  in vinden   dat   de   rijksrechercheurs   onder   de   verantwoordelijkheid   zouden   moeten   werken   van   een teamleider  die  niet  tot  de  rijksrecherche  behoorde.  Hij  was  van  mening  dat  dit  de  bijzondere  positie van de rijksrecherche, de “rijksrecherche-identiteit en –entiteit”, kon aantasten. Uiteindelijk zouden de vier betrokken rijksrechercheurs uit het team van spoor 2 worden teruggetrokken. Een   steeds   terugkerend   probleem   bij   spoor   2   was   dat   de   doelstelling   niet   duidelijk   was. Ogenschijnlijk  was  het  duidelijk:  “beginnen  waar  het  Fort-team  geëindigd  is”,  maar  in  de  dagelijkse

    fort2_21

    85 verwijt  zou  blijven  klinken  dat  politie  en  justitie  onrechtmatig  van  de  verklaringen  gebruik  hadden gemaakt. 2.     Tijdsverloop  en  publiciteit.  Omdat  er  geen  overschakeling  had  plaatsgevonden  van  “fact-finding naar een strafrechtelijk onderzoek” en de verdachten door alle publicaties op de hoogte waren van de  kennis  van  politie  en  justitie,  was  teruggaan  in  de  tijd  bij  een  nieuw  onderzoek  moeilijk  omdat de kans op het vinden van relevante bewijsstukken miniem was geworden. 3.     Spreiding  (deel)onderzoeken.  Aan  de  ene  kant  werd  bij  dit  punt  opgevoerd  dat  er  al  diverse instanties  met  aanverwante  onderzoeken  bezig  waren  (het  CID-matige  onderzoek  te  Den  Bosch en  het  meineedonderzoek  in  Den  Haag)  en  dat  het  oppakken  van  een  vervolgonderzoek  dus vroeg om verregaande afstemming en tevens zou moeten leiden tot het stopzetten van individuele of afzonderlijke activiteiten. Aan de andere kant werd onverbloemd gesteld dat het voornemen om naar     aanleiding     van     de     rapportage     van     de     rijksrecherche     onder     leiding     van     Zwerwer vervolgonderzoek    te    doen    plaatsvinden    –    gelet    op    de    onwenselijkheid    van    gescheiden onderzoekstrajecten  –  diende  te  worden  heroverwogen.  In  aansluiting  hierop  werd  gesteld  dat “volledige  openheid  van  zaken”,  ook  inzake  alle  gegevens  die  onder  het  staatsgeheim  vielen, noodzakelijk  was  voor  een  goede  projectvoorbereiding;  hieromtrent  dienden  nadere  afspraken  te worden gemaakt. 4.     Relatieve   competentie.   Vooralsnog   werd   de   betrokkenheid   van   bepaalde   parketten   –   namen werden    niet    genoemd    –    niet    wenselijk    geacht;    er    zou    moeten    worden    gepoogd    om aanknopingspunten te vinden voor onderbrenging van de zaak bij een (kernteam)parket buiten de Randstad. 5.     Loyaliteit.  Gezien  de  achtergrond  van  sommige  betrokkenen  zou  de  informatie-inwinning  over criminele  subjecten  bij  de  CID’en  met  de  grootste  voorzichtigheid  moeten  gebeuren:  “Er  lijkt  een substantieel collusiegevaar te zijn”. 6.     Beeldvorming.  Een  dergelijk  onderzoek  door  het  LRT  zou  door  de  politie  worden  gezien  als  een onderzoek tegen collega’s en kon mogelijk dus een negatieve uitstraling hebben in de zin van het niet  of  niet  volledig  verstrekken  van  alle  informatie;  dit  kon  ook  een  nadelige  invloed  hebben  op andere  onderzoeken  van  het  LRT.  Daarnaast  zou  het  LRT  ook  het  stempel  kunnen  krijgen  van een justitiële politie of van een tweede rijksrecherche. Verder kwam, zo vonden de opstellers van de  notitie,  het  moment  waarop  invulling  werd  gegeven  aan  de  derde  taak  van  het  LRT  wel  erg vroeg:  ”Het  LRT  en  gedeeltelijk  ook  het  LBOM  heeft  nog  onvoldoende  tijd  gehad  om  haar  eigen positie   volledig   te   kunnen   waarmaken.   Het   afbreukrisico   voor   beide   diensten   wordt   hiermee vergroot”. 7.     Mediabelangstelling.  Het  onderzoek  zou  kunnen  leiden  tot  verhoogde  belangstelling  van  de  pers voor het LRT en het LBOM. Een doordacht voorlichtingsbeleid en ook extra (beveiligings)maatregelen waren dus noodzakelijk. 8.     Voortgang    overige    LRT-onderzoeken.    Gelet    op    de    beschikbare    capaciteit    zou    een    nieuw onderzoek gevolgen hebben voor de voortgang van de (geplande) onderzoeken en tevens nopen tot projectmatige samenwerking met derden. Gelet op wat zou komen was de belangrijkste conclusie die Van der Burg en Van Gemert trokken dat vooralsnog  onduidelijkheid  bestond  over  de  hoofddoelstelling  van  een  vervolgonderzoek.  Zij  wierpen de  vraag  op  wanneer  het  onderzoek  in  de  ogen  van  de  opdrachtgevers  als  succesvol  kon  worden bestempeld. Was daarbij de vervolging van de mogelijke groei-informant maatgevend of ging het (ook) om  een  strafrechtelijk  onderzoek  tegen  de  twee  betrokken  politiemensen  en  hun  eventuele  rol  in  de organisatie? Met een verwijzing naar de hierboven geformuleerde risicofactoren stelden Van der Burg en    Van    Gemert    voor    om    de    werkopdracht    voorlopig    te    beperken    tot    het    uitvoeren    van    het strafrechtelijk  vervolgonderzoek  gericht  op  de  gedragingen  van  de  in  de  analyse  genoemde  burger, aanvangende  op  een  tijdstip  in  1995.  De  analyse  van  het  Fort-onderzoek  zou  hierbij  slechts  als sturingsinfo  worden  gebruikt.  Volgens  hen  was  op  voorhand  niet  met  zekerheid  te  zeggen  of  de

    fort2_50

    114 aangekeken   kan   evenwel   worden   opgemaakt   uit   hun   mutaties   in   de   respectievelijke   journaals. Alvorens hun persoonlijke indrukken weer te geven moet evenwel worden opgemerkt dat “Amsterdam” –    dat    vertegenwoordigd    zou    worden    door    Teeven    –    de    vergadering    niet    bijwoonde.    Wel vertegenwoordigd   waren   het   LBOM,   het   parket   Haarlem,   het   parket   Den   Haag   en   het   parket Rotterdam. Noordhoek tekende in het journaal aan dat de betrokkenen het er allen over eens waren dat al de genoemde onderzoeken raakvlakken met elkaar konden hebben. Of er nog andere onderzoeken door hen  werden  opgevoerd  is  niet  duidelijk:  Noordhoek  schrijft  van  niet,  Zwerwer  van  wel.  Hoe  dan  ook, volgens  Noordhoek  was  de  vergadering  in  een  positieve  sfeer  verlopen:  “Allen  zijn  zeer  positief  over het  afstemmingsinitiatief  (een  van  de  aanwezigen  noemde  het  zelfs  “een  historische  bijeenkomst”, rapp.).  Zij  zien  daar  de  toegevoegde  waarde  van  in  en  hebben  zich  bereid  verklaard  tot  het  aangaan van bilaterale contacten teneinde te komen tot afstemming van de onderzoeken en de uitwisseling van info. Door een aantal genodigden is toegezegd dat op korte termijn een delegatie vanuit het team 060 welkom is teneinde te komen tot een daadwerkelijke uitwisseling van informatie”.181 Zwerwer  van  zijn  kant  noteerde:   “Commitment   gevraagd   en   gekregen   van   de   collegae.   We kunnen  in  overleg  met  de  aanwezige  collegae  personen  binnen  het  openbaar  ministerie  interviewen. Indruk  van  de  bijeenkomst  is  zeer  positief”.  Hij  maakte  hierbij  wel  de  kanttekening  dat  hij  nog  met Holthuis zou bespreken hoe Amsterdam zou worden benaderd.182 Dit  laatste  was  in  zekere  zin  niet  meer  nodig  omdat  de  leiding  van  spoor  1  onmiddellijk  door Teeven werd uitgenodigd voor afstemmingsoverleg in Amsterdam. Op 4 december zaten daar – naast Teeven – rond de tafel: de politiële leiding van het kernteam Amsterdam enerzijds en Noordhoek, Van Gemert  en  Van  Slobbe,  het  hoofd  van  de  CID-sectie  van  het  LRT,  anderzijds.  Uit  het  memo  dat Noordhoek   omtrent   de   afloop   van   deze   vergadering   schreef   aan   Holthuis   blijkt   duidelijk   dat   het buitengewoon   moeilijk   was   om   afspraken   te   maken   over   onderlinge   samenwerking.   Het   parket Amsterdam  nam  volgens  dit  document  het  standpunt  in  dat  het  al  zoveel  wist  over  enkele  subjecten van  spoor  1  dat  het,  als  het  wat  aanvullende  informatie  van  andere  parketten  zou  krijgen,  op  korte termijn in staat zou zijn aanhoudingen te verrichten. “Amsterdam” zou slechts bereid zijn informatie ter beschikking   te   stellen   van   060   als   men   volledige   inzage   kreeg   in   en   eventueel   verstrekking   van informatie  binnen  het  voorlopig  register  060;  voor  het  probleem  dat  de  informatie  in  dit  register  was geclassificeerd   als   staatsgeheim   had   Teeven   wel   begrip   maar   dat   verstrekkingen   hieruit   slechts konden  gebeuren  op  grond  van  gerichte  vragen  werd  door  hem  “als  volstrekt  onvoldoende  ervaren aangezien zij volledige toegang wilden hebben tot het voorlopige register 060”. Van  de  kant  van  de  teamleiding  060  spoor  1  werd  vervolgens  het  voorstel  gedaan  om  –  in  ruil voor   de   verstrekking   “onder   embargo”   van   de   Amsterdamse   informatie   –   vanuit   het   kernteam Amsterdam  een  liaison  te  plaatsen  bij  het  060  onderzoek  die  zou  kunnen  worden  geautoriseerd  om volledig  kennis  te  nemen  van  de  informatie  in  het  betrokken  register  en  zo  zou  kunnen  bezien  welke informatie  voor  Amsterdam  van  belang  zou  kunnen  zijn;  vervolgens  zou  dan  onder  ogen  moeten worden   gezien   op   welke   wijze   deze   informatie   ter   beschikking   zou   kunnen   worden   gesteld   van Amsterdam.  Deze  optie  was  volgens  het  memo  voor  Amsterdam  “zonder  de  terugkoppeling  van  de Amsterdamse  liaison  tijdens  de  uitvoering  van  zijn  werkzaamheden”  naar  Teeven  en  de  leiding  van het  kernteam  echter  “onacceptabel”.  Zou  er  wel  rechtstreekse  terugkoppeling  kunnen  plaatsvinden, dan  was  de  plaatsing  van  een  liaison  “voor  een  aantal  aanwezigen  eventueel  bespreekbaar”.  Met  de aantekening   aan   het   adres   van   Amsterdam   dat   men   “niet   bijzonder   gecharmeerd”   was   van   haar opstelling    “dat    hun    informatie    alleen    ter    beschikking    zou    komen    mits    de    als    “staatsgeheim” geclassificeerde informatie volledig aan hen ter beschikking zou worden gesteld”. Afgesproken   werd   dat   beide   delegaties   zouden   nadenken   over   de   liaison-optie   en   dat   het probleem  zou  worden  voorgelegd  aan  de  respectieve  hoofdofficieren  die  dan  maar  samen  met  het                                                 181 Zie Dagrapport, mutatie d.d. 3 december 1996 (C6). 182 Journaal “Argus team”, mutatie d.d. 2 december 1996 (F7).

    fort2_8

    72 analyse  van  de  CRI  van  de  uitkomsten  van  het  Fort-onderzoek.  Er  zou,  zo  werd  medegedeeld,  een startverbaal  worden  opgemaakt  en  een  plan  van  aanpak  worden  opgesteld.  Het  college  besliste  dit onderwerp  voor  zijn  vergadering  op  29  mei  opnieuw  te  agenderen.  Welke  analyse  door  de  CRI  was vervaardigd  kan  overigens  niet  uit  de  notulen  worden  opgemaakt.  Er  is  in  elk  geval  ook  geen  stuk bijgevoegd  dat  de  neerslag  van  deze  analyse  zou  bevatten.47  Van  belang  is  verder  dat  Ficq  in  deze vergadering te berde bracht dat hem in de loop van zijn doorlichting van het openbaar ministerie in het bijzonder   was   opgevallen   dat   de   interregionale   samenwerking   vaak   (was)   misgegaan   doordat   er onduidelijkheid  bestond  over  de  verantwoordelijkheidsverdeling.  In  de  notulen  werd  hier  wat  laconiek aan toegevoegd dat het college het gewenst (achtte) dat er snel duidelijkheid kwam over dit punt. Het koppelde hieraan wel de beslissing dat waar het ging om de overdracht van informanten of infiltranten nog  in  juni  1996  zou  worden  gesproken  over  de  handleiding  die  dienaangaande  door  het  Landelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (LBOM) was vervaardigd.48 In februari 1999 maakte de CRI een zogenaamde “tijdlijn” met betrekking tot de activiteiten die zij vanaf    het    begin    had    geleverd    aan    de    post-Fort-vervolgonderzoeken,    ten    behoeve    van    een bijeenkomst met Steenhuis op de 17e  van  die  maand.  In  deze  nota  beantwoordden  de  (onbekende) auteurs  eerst  de  vraag  waarom  juist  hun  dienst  zo  nauw  was  betrokken  bij  deze  onderzoeken.  Hun beknopte  antwoord  was:  “de  vanaf  het  begin  opgedane  kennis  en  het  geconfronteerd  worden  vanuit de functie NCID (de nationale component van de criminele inlichtingen diensten die is ondergebracht bij   de   CRI,   rapporteurs)   met   gegevens   uit   landelijke   registraties”.   Verder   werd   er   in   de   tijdlijn aangestipt  dat  de  dienst  –  concreet  De  Wit  en  Schouten  –  op  16  mei  1996  een  presentatie  had gegeven voor Gonsalves en Holthuis.49 Hierin waren volgens dit document de volgende onderwerpen aan de orde gekomen: — “Mot-meldingen J.; — Rol J./Van V./L.; — Transporten cocaïne met marihuana (parallel); — Verdiensten info’s/regie minimaal 100.000.000,- voor alleen al containertraject (marihuana)”. Blijkens  deze  zelfde  tijdlijn  werd  een  soortgelijke  presentatie  op  29  mei  1996  gehouden  voor  de procureurs-generaal.  Wie  van  hen  hier  daadwerkelijk  bij  aanwezig  was  vermeldt  dit  document  niet.50 Uit andere stukken kan evenwel worden opgemaakt dat deze presentatie – in het bijzijn van Holthuis – is  gehouden  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  op  die  dag.  Op  de  agenda stond toen onder meer de stand van zaken betreffende het plan van aanpak inzake de strafrechtelijke onderzoeken  naar  aanleiding  van  de  Commissie-Van  Traa  en  het  rijksrecherche-onderzoek  naar  de CID Kennemerland. Deze  presentatie  was  kennelijk  vooral  gebaseerd  op  CID-berichten  en  op  transportdocumenten en   verklaringen   over   vervoers-   en   reisbewegingen.   Zij   werd   gegeven   aan   de   hand   van   enkele summiere  schriftelijke  analyses  van  de  beschikbare  informatie  en  van  een  aantal  analyseschema’s. Een   samenhangende   en   indringende   rapportage   over   de   mogelijke   toedracht   van   de   betrokken drugshandel is er – in die tijd – dus niet gemaakt.51 Holthuis bekeek deze presentaties/analyses zo52:                                                 47 Een   dergelijk   stuk   is   overigens   in   het   geheel   niet   aangetroffen   in   de   dossiers   die   door   ons   zijn   geraadpleegd. P. Schouten heeft ons achteraf evenwel de stukken overhandigd die werden gebruikt bij de presentaties die later in mei door hem en J. de Wit werden verzorgd voor (het college van) procureurs-generaal en H. Holthuis. 48 Uittreksel collegevergadering d.d. 15 mei 1996 (B7). 49 In andere bronnen is sprake van 14 mei 1996 in plaats van 16 mei 1996. 50 Tijdlijn  van  de  Divisie  Centrale  Recherche  Informatie  (februari  1999;  precieze  datum  onbekend)  (B1).  Hier  zij  bij vermeld   dat   F.   Teeven   en   J.   Valente   in   een   nota   van   4   juli   1995   aan   J.   Vrakking   over   de   voortgang   van   het rijksrechercheonderzoek  (bedoeld  is  het  Fort-onderzoek,  want  de  nota  werd  geschreven  naar  aanleiding  van  overleg met  Zwerwer  en  Pijl)  en  de  lopende  onderzoeken  te  Amsterdam,  schreven  dat  het  noodzakelijk  was  om  onder  meer onderzoek te doen naar de “bankrekening(en) van de familie J.” (E1). 51 De onderhavige stukken zijn ons door P. Schouten ter inzage gegeven. 52 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.

    fort3_19

    207 gebaseerd   op   de   in   het   proces-verbaal   omschreven   negen   parallel-importen.   Het   rapport   is   met andere woorden een uittreksel van het proces-verbaal. De   bevindingen   in   de   eindrapportage   kwamen   in   hoofdlijnen   overeen   met   de   voorlopige bevindingen. Het feit dat tussen beide rapportages een half jaar verstreek, werd door Van Stormbroek als volgt verklaard458: “Peter  Snijders  vond  dat  we  beter  even  konden  wachten  met  het  insteken  van  het  proces- verbaal, omdat het er naar uitzag dat het LRT er voorlopig toch niets mee wilde doen.” Volgens Schouten lag er nog een andere reden aan het tijdsverloop ten grondslag459: “Dat  er  zoveel  tijd  tussen  het  interim-rapport  en  de  definitieve  versie  zat,  had  gewoon  te maken  met  het  feit  dat  we  ook  met  andere  dingen  bezig  waren.  De  logistieke  operatie rondom  de  getuigenverklaring  van  NN1  nam  bijvoorbeeld  veel  tijd  in  beslag.  Veel  van  de dingen die we deden, moesten in de avonduren of in het weekend gebeuren.” 9.5.1 Methode van onderzoek Zoals  reeds  vermeld  is  in  paragraaf  7.4.2,  werd  bij  de  analyse  van  de  parallel-importen  uitsluitend gebruik  gemaakt  van  de  bronnen  waartoe  Van  Stormbroek  en  Schouten  toegang  hadden,  zoals  het Fort-dossier,  delen  van  het  IRT-dossier,  het  IIPS460  en  een  aantal  open  bronnen.  Allerhande  externe bronnen, zoals douanebestanden, bleven om veiligheidsredenen buiten beschouwing.461 Een  cruciaal  punt  ten  aanzien  van  de  analyse  betrof  de  –  ook  later  regelmatig  terugkerende  – vraag wat nu eigenlijk onder een parallel-import moest worden verstaan. Van Stormbroek en Schouten onderscheidden in dit verband twee varianten: 1.     Het in één container invoeren in Nederland van hard en soft drugs op één en hetzelfde schip; 2.     Het  met  twee  of  meer  containers  invoeren  van  verdovende  middelen,  waarbij  de  containers  op hetzelfde schip staan. In de voortgangsrapportage van de minister van Justitie van 31 mei 2000 aan de Tweede Kamer over de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie Kalsbeek speelt deze definitiekwestie ook een belangrijke  rol.  De  minister  onderscheidt  in  dit  stuk  een  ruime  en  een  enge  definitie  van  het  begrip parallel-import.   De   enge   variant   veronderstelt   het   bestaan   van   een   regeling   tussen   criminelen, waaronder  de  groei-informant,  en  overheidsdienaren;  in  de  ruime  variant  is  corruptie  geen  conditio sine qua non.462 In het parallel-proces-verbaal wordt uitgegaan van de   ruime  variant.  In  het  stuk  wordt  corruptie van overheidsdienaren althans niet als noodzakelijk bestanddeel van de beschreven parallel-importen beschouwd.  Zoals  we  reeds  hebben  gezien  –  bij  de  presentatie  aan  het  college  van  procureurs- generaal van november 1997; zie hoofdstuk 8 – en nog zullen zien – met betrekking tot de presentatie bij datzelfde college in oktober 1998; zie hoofdstuk 12 – werd tijdens de diverse presentaties over de parallel-importen  echter  de    enge   variant   over   het   voetlicht   gebracht.   Het   corruptie-element   werd daarbij in één adem genoemd met de parallel-importen. Daarbij moet uiteraard worden bedacht dat de presentaties   niet   alleen   gebaseerd   waren   op   het   parallel-proces-verbaal,   maar   dat   daaraan   ook andere bronnen, zoals de NN-verklaringen, ten grondslag lagen.                                                 458 Interview A. van Stormbroek d.d. 23 januari 2001. 459 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 460 Het Interim Informatie Processen Systeem (IIPS) van de CRI is een geautomatiseerd systeem waarin onder andere het register van de Nationale Criminele Inlichtingen Dienst (NCID) is ondergebracht. 461 Interview A. van Stormbroek d.d. 23 januari 2001. 462 Kamerstukken II, vergaderjaar 1999-2000, 26269, nr. 29.

    fort3_48

    236 olifant in beeld te brengen”. Om op deze beeldspraak voort te bouwen: het 060-team trok hard aan de achterpoten, Snijders c.s. hingen aan de voorpoten, terwijl Teeven een ruk gaf aan de slurf. Deze   metafoor   laat   zich   als   volgt   verstaan.   Het   060-onderzoek   was,   zoals   uiteengezet   is   in hoofdstuk   9,   gericht   op   het   inzichtelijk   maken   en   versterken   van   de   bewijsvoering   terzake   van mogelijke   actuele   strafbare   feiten,   zoals   gepleegd   door   respectievelijk   de   verdachte   J.   en   de “Taartman”.   De   verwachting   bestond   dat   de   verdachten   met   het   vooruitzicht   van   een   langdurige vrijheidsstraf bereid zouden zijn een boekje open te doen over de gang van zaken in het IRT-tijdperk en de betrokkenheid van anderen – in het bijzonder overheidsfunctionarissen – daarbij. Waar    het    LRT    dus    van    achteren    naar    voren    rechercheerde    en    bij    het    vergaren    van bewijsmateriaal    nauwelijks    gericht    was    op    het    IRT-tijdperk    zelf,    probeerden    Snijders    c.s.    via getuigenverklaringen, het parallel-proces-verbaal, maar ook bijvoorbeeld via het nieuw leven inblazen van het onderzoek naar het XTC-traject naar Engeland, strafrechtelijke bouwstenen aan te dragen die juist  wel  rechtstreeks  betrekking  hadden  op  de  bewuste  periode.  Hoewel  de  parallel-importen  vanuit Zuid-Amerika en de XTC-handel op het oog niets met elkaar van doen hadden, waren er volgens het team  van  Snijders  wel  degelijk  enkele  treffende  gelijkenissen:  in  beide  trajecten  zou  mogelijk  een informant   hebben   geopereerd,   die   met   medeweten   van,   ja   zelfs   misschien   wel   op   instigatie   van personen  uit  het  criminele  milieu,  dubbelspel  had  gespeeld.  De  verdachtengroep  in  beide  trajecten vertoonde bovendien een zekere overlap. Teeven  ten  slotte  koos  voor  de  meest  directe  weg:  nadat  het  onderzoek  naar  de  moord  op Swennen  onvoldoende  aanknopingspunten  had  opgeleverd  en  de  onderzoeken  naar  de  grondstoffen dumping in het XTC-traject en naar de moord op van der Heiden als gevolg van (een door Amsterdam gepercipieerd)  gebrek  aan  medewerking  vanuit  de  parketten  Alkmaar  en  Haarlem  niet  van  de  grond gekomen was, verkende hij de mogelijkheden van een deal met K. De keuze van Amsterdam om de XTC-zaak en het onderzoek naar de moord op Van der Heiden niet   op   te   pakken   legt   een   ander   belangrijk   probleempunt   bloot.   Het   betreft   de   neiging   van   de betrokken  partijen  om  gemaakte  afspraken  bijzonder  eng  te  interpreteren.  In  het  onderhavige  geval ging  het  om  de  verstrekking  van  informatie  uit  het  besmette  “IRT-dossier”  door   CID-officier  Snijders aan  zaaksofficier  Teeven.  Laatstgenoemde,  die  in  1997  naar  aanleiding  van  de  bedreiging  van  een officier van justitie samen met Snijders dit materiaal had verkend en dus heel goed wist wat er in het IRT-dossier aan informatie zat, rekende op verstrekking uit eigen beweging door Haarlem. Tegenover deze  “pro-actieve”  interpretatie  van  Amsterdam  stond  de  reactieve  opstelling  van  Haarlem.  Snijders beriep zich op de clausule in de in augustus 1997 gemaakte afspraken dat verstrekking van informatie alleen plaats zou vinden op basis van aanvullende vragen van de leider van het onderzoek. De  controverse  tussen  Haarlem  en  Amsterdam  omtrent  de  voorwaarden  waaronder  informatie wordt  verstrekt,  respectievelijk  kan  worden  opgevraagd,  staat  niet  op  zichzelf.  De  overeenkomsten met  het  in  hoofdstuk  9  beschreven  conflict  omtrent  de  verstrekking  van  CID-informatie  door  Haarlem aan    het    LRT    zijn    treffend.    In    beide    gevallen    bleven    partijen,    onder    verwijzing    naar    formele argumenten, als een kloek op de eigen informatie zitten. Het  feit  dat  de  verhoudingen   tussen   Teeven   en   Snijders   in   de   loop   van   1998   aantoonbaar verslechterden,  had  mede  tot  gevolg  dat  Teeven  de  banden  opnieuw  aanhaalde  met  Noordhoek.  De in  hoofdstuk  9  beschreven  externe  impuls  van  Teeven  aan  het  060-onderzoek  in  de  vorm  van  de verstrekking   medio   1998   van   een   CID-bericht   van   de   regio   Amsterdam-Amstelland,   alsmede   de woede   van   Snijders   daaromtrent,   berustten   dan   ook   allesbehalve   op   toeval.   Deze   voorvallen onderstrepen  het  feit  dat  er  lopende  het  post-Fort-traject  geen  sprake  was  van  duurzame  coalities tussen partijen, maar veeleer van combines die bij tijd en wijlen van samenstelling wisselden. De pre- deal  die  Teeven  sloot  met  K.  was  het  sluitstuk  van  een  proces  van  afkalvend  vertrouwen  tussen Haarlem en Amsterdam. In het jaar dat nog zou volgen, zou die breuk onherstelbaar blijken te zijn. De  vraag  of  en  hoe  van  hogerhand  getracht  is  om  een  bemiddelende  rol  te  spelen  in  deze conflictueuze situatie en hoe de hoofdofficieren en het college van procureurs-generaal het post-Fort- proces in de bewuste periode hebben gestuurd, komt in het volgende hoofdstuk aan bod.

    fort3_77

    265 14.2 Het plan van aanpak en advies Onder druk van het college van procureurs-generaal stelde Van der Burg op 13 januari 1999 een plan van aanpak ter beschikking van de hoofdofficier van het landelijk parket.606 Van der Burg stelde daarin een  gefaseerde  aanpak  voor.  Het  stuk  had  uitsluitend  betrekking  op  de  eerste  fase,  waarvan  de looptijd  werd  ingeschat  op  maximaal  twee  maanden.  Deze  periode  achtte  Van  der  Burg  noodzakelijk om  de  strafvorderlijke  haalbaarheid  van  de  vervolging  van  een  aantal  als  verdachten  aangemerkte personen – onder wie P. – te beoordelen. Fase  1  richtte  zich  met  andere  woorden  op  het  in  kaart  brengen  van  de  risicofactoren.  Van  der Burg wees in dit verband op drie cruciale elementen: 1.     De  verklaringen  van  Van  T.,  afgelegd  in  1998.  Deze  vormden  de  start  van  het  onderzoek  en waren zeer belastend voor de verdachten. Nader onderzoek naar risicofactoren in de sfeer van de ontvankelijkheid  van  het  openbaar  ministerie  en/of  de  rechtmatigheid  van  bewijs  werd  van  groot belang geacht. Daarbij moest gedacht worden aan onderzoek naar de eventuele aanwezigheid en aard  en  inhoud  van  afspraken  met  Van  T.,  de  aanleiding  tot  het  afleggen  van  de  verklaringen, eventuele eerdere soortgelijke verklaringen en de veiligheidsrisico’s voor Van T. 2.     De “status” van de verdachten ten tijde van het plegen van de strafbare feiten in 1993. Een eerste bestudering  van  een  gedeelte  van  het  dossier  liet  volgens  Van  der  Burg  een  groot  aantal  vragen open.   Een   nader   onderzoek   naar   de   positie   van   de   verdachten   achtte   hij   van   groot   belang, aangezien duidelijkheid geschapen moest worden in hoeverre zij bij de uitvoering van de strafbare feiten   “onder   regie”   van   de   politie   en/of   het   openbaar   ministerie   opereerden,   dan   wel   dat   er toezeggingen waren gedaan omtrent niet-vervolging. 3.     De overeenkomst die in 1994 was gesloten door de Staat met P. Vast moest komen te staan dat een  vorm  van  “strafrechtelijke  immuniteit”  terzake  van  de  door  de  informant  eventueel  gepleegde strafbare feiten geen deel uitmaakte van die overeenkomst. Op 26 januari 1999 liet Van Daalen telefonisch weten akkoord te zijn met de voorgestelde fasering in het   plan   van   aanpak.   Bovendien   maande   hij   Van   der   Burg   nogmaals   aan   tot   een   voortvarende aanpak.  Van  der  Burg  van  zijn  kant  gaf  tijdens  dit  telefoongesprek  aan  reeds  bezig  te  zijn  met  het derde onderdeel. Conform het voorstel in het plan van aanpak zou Snijders het eerste onderdeel voor zijn  rekening  nemen  in  de  vorm  van  het  concipiëren  van  een  zogenaamd  “startverbaal”.  Over  het tweede onderdeel maakte Van der Burg zich de meeste zorgen. Hij deed de toezegging de door hem gesignaleerde problemen systematisch op een rij te zetten. Op  17  februari  1999  kreeg  het  063-traject  een  vervolg  in  de  vorm  van  een  advies  van  Van  der Burg  aan  het  college  van  procureurs-generaal.607  Dit  advies  had  in  het  bijzonder  betrekking  op  het tweede,  als  meest  problematische  gekenschetste,  onderdeel.  Van  der  Burg  kwam  tot  de  slotsom  dat de   overheid   er   het   beste   aan   zou   doen   om   af   te   zien   van   vervolging   van   de   verdachten.   De toenmalige  CID-officier  Van  der  Veen  bleek  namelijk  in  tenminste  vier  van  de  zes  XTC-transporten toestemming    voor    gecontroleerde    doorlevering    te    hebben    gegeven.    Politie    en    justitie    wisten daarenboven, dan wel hadden kunnen weten, dat P. deel uitmaakte van de criminele organisatie. Men wist  ook  van  de  betrokkenheid  van  andere  verdachten,  maar  had  destijds  bewust  nagelaten  hen  te vervolgen.  Daarmee  was  volgens  Van  der  Burg  het  recht  op  vervolging  verspeeld.  De  kans  op  niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie achtte hij groot. Van der Burg’s negatieve advies was echter niet absoluut, integendeel. In een begeleidend schrijven beklemtoonde   hij   dat   het   advies   uitsluitend   betrekking   had   op   de   verdachten   die   Van   T.   in   zijn verklaringen had genoemd. Anders gezegd, Van der Burg verzette zich tegen het vooruitzicht van een te  beperkt  opgezet  063-onderzoek.  Verbreding  van  de  kring  van  verdachten  tot  de  bij  het  XTC-traject                                                 606 Plan van aanpak 063, G. van de Burg d.d. 13 januari 1999 (D18). 607 Advies onderzoek 063 van G. van de Burg d.d. 17 februari 1999 aan het college van procureurs-generaal (B1).

    Overige methoden

    2.5 Overige methoden

    De parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden heeft
    in beperkte mate aandacht besteed aan verschillende aspecten van
    het omgaan met informatie in het algemeen. De commissie heeft op
    basis daarvan besloten in haar evaluatie- onderzoek beperkt
    aandacht te besteden aan het verkennend onderzoek, bestuurlijke
    rechtshandhaving en financieel rechercheren. Tevens heeft de
    commissie besloten aandacht te besteden aan de door
    opsporingsinstanties noodzakelijk geachte informatie-uitwisseling.
    Daarbij waren de volgende onderzoeksvragen leidend:
    a.Hoe krijgt bestuurlijke rechtshandhaving vorm in de praktijk van
    de
    opsporing?
    b.Wat zijn de resultaten van financieel rechercheren?
    c.Hoe krijgt financieel rechercheren in de praktijk van de
    opsporing
    vorm?
    d.In hoeverre vindt er nog informele informatie-uitwisseling plaats
    via
    zogenoemde «U-bochten»?

    lees meer

    Verhoren – mr. R.A. Gonsalves

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 4

    6 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    woensdag 6 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. R.A. Gonsalves
    Aanvang 16.30 uur

    lees meer

    Verhoren – mevrouw mr. A. Rutten-Roos

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 36

    29 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    vrijdag 29 september 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mevrouw mr. A. Rutten-Roos
    Aanvang 16.30 uur

    lees meer

    Verhoren – mr. J.H.M. Willems

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 68

    23 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    maandag 23 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt mr.
    J.H.M. Willems
    Aanvang 11.30 uur

    lees meer

    Bijlage X – Voorwoord

    Henk van de Bunt (VU/WODC)
    Hans Nelen (WODC)

    Voorwoord

    Tal van personen zijn van onschatbare betekenis geweest bij de
    gegevensverzameling ten behoeve van deze studie. Wij zijn veel dank
    verschuldigd aan de personen en diensten die in bijlage 1 staan
    vermeld. Onze speciale dank gaat uit naar Frank Erkens van de
    afdeling forensische accountancy van de CRI die vele waardevolle
    suggesties voor het derde deel van het rapport heeft gedaan.

    lees meer

    Bijlage X – 11.1. Inleiding

    11. WITWASSEN

    11.1. Inleiding

    Witwassen, zo werd in hoofdstuk 9 gesteld, is het omzetten van
    de verborgen, niet te verantwoorden herkomst van inkomsten in een
    wel te verantwoorden herkomst. In het vorige hoofdstuk is duidelijk
    geworden dat misdaadgeld in een land zonder financile, fiscale of
    strafrechtelijke controle op de herkomst van geld, gemakkelijk
    genvesteerd kan worden in de legale economie. Wanneer een criminele
    organisatie misdaadgeld dat in Nederland is verdiend, wil
    investeren in een dergelijk land is het voldoende dat het geld
    verplaatst wordt. Aangezien veel misdaadgeld wordt verdiend met de
    handel in herone en cocane door Turkse en Zuidamerikaanse
    organisaties (zie het rapport over de allochtone groepen), die
    nauwelijks in ons land investeren, komt het verplaatsen van
    misdaadgeld veel vaker voor dan de andere fasen in het
    witwasproces.

    lees meer

    << oudere artikelen