Tevens zal het advies met de daarbij ter Inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 januari 2000, nr 7
Teneinde de betrouwbaarheid van de apparatuur te waarborgen, worden op basis van artikel 12de van het Wetboek van Strafvordering in het onderhavige besluit technische eisen gesteld aan de bedoelde hulpmiddelen. Daarnaast worden regels gesteld omtrent de controle op de naleving van die eisen, alsmede omtrent de opslag, de verstrekking en de plaatsing van de technische hulpmiddelen. Voorts worden voorschriften gegeven omtrent de bewerking van de geregistreerde signalen.
Aangezien een bevel tot observatie met een technisch hulpmiddel zowel door opsporingsambtenaren van de politie, als door opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee en van bijzondere opsporingsdiensten kan worden uitgevoerd, richt dit besluit zich, voor wat betreft de technische hulpmiddelen voor observatie, tot al deze opsporingsambtenaren. Een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie daarentegen kan ingevolge de wet uitsluitend door de politie worden uitgevoerd. Regels met betrekking tot technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie zijn derhalve primair van belang voor opsporingsambtenaren van de politie.
a. alle technische hulpmiddelen die worden ingezet ter uitvoering van een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie (artikelen 1261, eerste lid, en 126s, eerste lid, van hot Wetboek van Strafvordering), en
b. de technische hulpmiddelen die worden ingezet ter uitvoering van een bevel tot stelselmatige observatie van personen, voorzover deze middelen signalen registreren (artikelen 126g, derde lid, en 126c, derde lid, van het wetboek van strafvordering
Aangezien de wet niet toestaat dat opsporingsambtenaren met behulp van een technisch middel kennisnemen van vertrouwelijke communicatie zonder dat deze communicatie voorafgaand aan de kennisneming of gelijktijdig met de kennisneming wordt opgeslagen, heeft dit besluit betrekking op alle technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Een bevel tot stelselmatige observatie van personen kan ~er ook worden uitgevoerd met technische hulpmiddelen die geen signalen registreren, bijvoorbeeld een verrekijker of een camera die uitsluitend als monitor wordt gebruikt. Deze technische middelen vallen buiten de reikwijdte van het onderhavige besluit omdat deze middelen geen vastgelegde waarnemingen opleveren die als bewijs kunnen dienen en ten aanzien waarvan de herkomst en betrouwbaarheid onomstotelijk vast dient te staan. De technische hulpmiddelen voor andere dan bovenomschreven doelen vallen eveneens buiten het bereik van dit besluit. Zo ziet het besluit niet op technische hulpmiddelen die worden geplaatst teneinde uitsluitend de aanwezigheid of de verplaatsing van een goed te kunnen vaststellen, zoals oen peilbaken op een container. Het besluit heeft immers betrekking op technische hulpmiddelen voor observatie van personen. Wanneer echter de observatie van het goed zozeer is verbonden met de observatie van een persoon, dat zij daar niet los van kan worden gezien, is wel sprake van observatie van een persoon in de zin van artikel 1269 en 126o Wetboek van Strafvordering. (kamerstukken 11, 19W197, 25 403, nr. 3, blz. 28). In dat geval is onderhevig besluit dan ook van toepassing. Voorbeeld hiervan is een pelibaken aanbracht op een auto van een te observeren persoon. Voorts vallen camera's ten behoeve van verkeerstoezicht (trajectcontrote) of ten behoeve van het handhaven van de openbare orde buiten het bereik van dit besluit. Het gebruik van ~gelijke camera's vindt niet plaats in het kader van de bijzondere opsporingsbevoegdheid tot observatie. zoals bedoeld in de artikelen 126g en 126o van het Wetboek van Strafvordering.
Voor dit besluit Is van belang vast te stellen dat de hierboven genoemde functionaliteiten van detectie, transmissie en registratie in voet gevallen niet in één apparaat zullen zijn verenigd. Een technisch hulpmiddel zal in veel gevallen zijn opgebouwd uit diverse apparaten die met elkaar verbonden zijn. Als voorbeeld het volgende: een technisch hulpmiddel voor stelselmatige observatie kan zijn opgebouwd uit verschillende onderdelen (componenten) zoals een camera, een apparaat dat de signalen codeert, een zender, een ontvanger, een apparaat dat de signalen decodeert en een (band)recorder. Afhankelijk van de omstandigheden, zal dan ook van verschillende combinaties van componenten, dus van verschillende configuraties, gebruik kunnen worden gemaakt. Zo zal de ene keer een minicamera worden ingezet die gemakkelijk verstopt kan worden, de andere keer kan het noodzakelijk zijn gebruikte maken van een camera met een grote lens, gegeven de grote afstand waarop gefilmd wordt. Er zullen dus verschillende configuraties gebruikt worden, waarbij bepaalde combinaties van componenten vaak voorkomen en als standaardconfiguratie kunnen worden aangemerkt.
Welke eisen worden nu gesteld? Datum- en tijdregistratie dienen automatisch te worden vastgelegd op het moment dat de signalen worden geregistreerd. Aldus is te herleiden op welk moment de desbetreffende geregistreerde gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Er dient een uniek gegeven met de gedetecteerde signalen te worden meegezonden om de oorsprong van de ontvangen signalen vast te stellen. Voorts dient het transport van de signalen zodanig plaats te vinden dat er geen veranderingen plaatsvinden in de inhoud van de gedetecteerde signalen. Daarnaast wordt als eis aan de registratie van de signalen gesteld dat dit zodanig moet gebeuren dat, indien veranderingen in de geregistreerde signalen zijn aangebracht of geregistreerde signalen zijn gewist, dit achteraf is vast te stellen. Dit is onder andere van belang met het oog op een eventueel beroep van de verdediging op ontlastend bewijsmateriaal.
Voor wat betreft het opnemen van vertrouwelijke communicatie geldt voorts als belangrijke eis dat het desbetreffende technische hulpmiddel zo moet zijn opgebouwd dat het niet mogelijk is met dit apparaat een gesprek of te luisteren zonder dat het wordt opgenomen (zie ook paragraaf 1 van deze toelichting).
De keuringsdienst houdt, mede ten behoeve van alle politiekorpsen en elders werkende opsporingsambtenaren die kunnen worden belast met de uitvoering van een bevel tot stelselmatige observatie met een technisch hulpmiddel een lijst op van goedgekeurde standaardconfiguraties bij (artikel 6, derde lid). Daarbij kunnen technische specificaties worden aangeven die als voorwaarde gelden voor de goedkeuring. Iedere opsporingsambtenaar bevoegd tot liet inzetten van technische hulpmiddelen voor observatie kan vervolgens gebruik maken van een technisch hulpmiddel dat behoort tot een van de goedgekeurde standaardconfiguraties. Het moet dan dus gaan om een technisch hulpmiddel dat is opgebouwd uit componenten die behoren tot hetzelfde merk en hetzelfde type als de componenten waaruit de standaardconfiguratie is opgebouwd. Voorafgaand aan de daadwerkelijke inzet controleert een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar of de standaardconfiguratie in dat specifieke geval voldoet aan de in artikel 2 of artikel 3 gestelde eisen. Zie artikel 4. Zo wordt voorkomen dat een component wordt ingezet die defecten vertoont. Ook na afloop van de inzet vindt een controle plaats om vast te kunnen stellen of de gebruikte apparatuur nog steeds aan de vereisten voldoet.
In het proces-verbaal dat wordt opgemaakt van de inzet van het technische hulpmiddel wordt vervolgens aangegeven van welke goedgekeurde standaardconfiguratie gebruik is gemaakt en de uitslag van voornoemde test. Om te voorkomen dat in de openbaarheid komt van welke apparatuur exact gebruikt is gemaakt~ kunnen de goedgekeurde standaardconfiguraties met een door de keuringsdienst aangegeven code worden omschreven en de gebruikte componenten met een identificatienummer, Dit proces-verbaal wordt gezonden aan de officier van justitie zodat bij invulling kan geven aan zijn verantwoordelijkheid voor een juiste toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden.
Een technisch hulpmiddel dat niet behoort tot een van de goedgekeurde standoordconfiguraties moet afzonderlijk ter keuring worden voorgelegd aan de keuringsdienst. Dit zal het geval kunnen zijn wanneer oen technisch hulpmiddel of een onderdeel daarvan door het desbetreffende korps zelf is ontwikkeld of wanneer gebruik wordt gemaakt van een ongebruikelijke configuratie of component. De keuringsdienst keurt ook in die gevallen het technische hulpmiddel aan de eisen als gesteld in artikel 2 of artikel 3, Indien het middel wordt goedgekeurd, stelt de keuringsdienst een verklaring op waaruit de goedkeuring blijkt, onder vermelding van de periode gedurende welke het middel naar redelijke verwachting zal blijven voldoen aan die eisen.
De bevoegdheid tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie verschilt van de bevoegdheid tot observatie omdat eerstgenoemde bevoegdheid dieper in de persoonlijke levenssfeer Ingrijpt. Daarom worden in do wet bijzondere opsporingsbevoegdheden strenge voorwaarden gesteld aan do toepassing van deze bevoegdheid. Dit brengt met zich mee dat ook de uitvoeringsaspecten van deze bevoegdheid moeten worden omgeven met de grootst mogelijke zorgvuldigheid. Dit is in het bijzonder het geval wanneer vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen in een woning. Daarbij komt dat het een nieuwe bevoegdheid betreft waarmee nog geen ervaring is opgedaan. Daarom is ervoor gekozen een groot deel van de uitvoeringsaspecten bij het Korps landelijke politiediensten onder te brengen. Zo vindt de opslag en verstrekking van technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie plaats door het KLPD, alsmede het betreden van woningen en andere besloten plaatsen en het plaatsen van deze middelen aldaar.
Teneinde het onafhankelijke karakter van de keuring van deze middelen te waarborgen worden zij door een externe keuringsdienst gekeurd en niet door een onderdeel van het KLPD. Niettemin geldt ook hiervoor dat indien een stendaardconfiguratie voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie wordt ontwikkeld en deze als zodanig goedgekeurd wordt, deze configuratie niet iedere keer voorafgaand aan de inzet opnieuw gekeurd hoeft te worden. Wet dient, evenals het geval is bij technische hulpmiddelen voor observatie, voorafgaand aan en na afloop van iedere Inzet het technisch hulpmiddel door een daartoe aangewezen ambtenaar te worden getest. Deze tests worden wat betreft de hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie uitgevoerd door hm Korps landelijke politlediensten.
Artikel 6 maakt voor uitzonderlijke gevallen een uitzondering op de eis dat uitsluitend vooraf goedgekeurde technische hulpmiddelen of technische hulpmiddelen die behoren tot de categorie van goedgekeurde standaardconfiguraties mogen worden ingezet. De situatie ken zich voordoen dat voor een bepaalde actie een bijzonder technisch hulpmiddel is vereist dat bij een van de opsporingsdiensten beschikbaar is, doch niet behoort tot een vooraf goedgekeurde standaardconfigurotie en op zeer korte termijn moet worden ingezet Indien in die gevallen keuring vooraf onmogelijk is maar het belang van het onderzoek de inzet van het technische hulpmiddel dringend vordert, kan de officier van justitie bepalen dat het technische hulpmiddel zonder voorafgaande goedkeuring wordt ingezet. Na afloop dient het middel alsnog door de keuringsdienst te worden gekeurd. Deze uitzondering geldt alleen voor observatiemiddelen.
Voorts geeft artikel 6 een tweede uitzondering op de keuringseis die van toepassing is op zowel observatieapparatuur als op apparatuur voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Het gaat dan om technische hulpmiddelen die in gebruik zijn bij de Binnenlandse veiligheidsdienst en die worden uitgeleend ten behoeve van de opsporing. In dat geval wordt de desbetreffende apparatuur noch vooraf, noch achteraf door de op basis van dit besluit aangewezen keuringsdienst gekeurd.
Een andere uitzondering op de regel dat alleen goedgekeurde apparatuur mag worden ingezet is opgenomen in artikel 7. Het gaat hier de uitvoering van Internationale rechtshulpverzoeken ten behoeve van een buitenlands opsporingsonderzoek. In het bijzonder gaat het om de situatie dat ten behoeve van een buitenlands onderzoek een auto in het buitenland door de buitenlandse autoriteiten is voorzien van observatie of afluisterapparatuur. Indien deze in het buitenland geprepareerde auto richting de Nederlandse grens rijdt, kunnen de buitenlandse autoriteiten een rechtshulpverzoek aan Nederland richten teneinde de observatie of het afluisteren op Nederlands grondgebied to laten voortzetten. In dat geval dient de Nederlandse officier van justitie een bevel tot observatie of het opnemen van vertrouwelijke communicatie te geven. Aangezien de technische hulpmiddelen echter in het buitenland door de buitenlandse autoriteiten in de auto zijn aangebracht ten behoeve van het buitenlandse onderzoek, zullen deze waarschijnlijk niet door de Nederlandse keuringsdienst vooraf zijn goedgekeurd. In dat geval kan de officier van justitie bepalen dat de vereisten, genoemd in artikel 2 of artikel 3, niet van toepassing zijn. Hij dient hiervan melding te maken in het bevel.
De verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de juiste toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden komt onder andere tot uitdrukking in het feit dat het proces-verbaal van controle van het technisch hulpmiddel voorafgaand aan de inzet aan hem moet worden toegezonden. Aldus kan de officier van justitie zich ervan vergewissen dat de ingezette middelen aan de technische eisen voldoen. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de personen die zijn belast met de inzet en de controle van de technische hulpmiddelen ter zake deskundig zijn. Hij wijst de personen, belast met de controle, aan.
In paragraaf 5 van de toelichting is al gesteld dat, gelet op de bijzondere waarborgen die gelden voor deze middelen, de opslag en verstrekking van technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie centraal plaatsvindt bij het Korps landelijke politiediensten.
Plaatsing van technische hulpmiddelen ter uitvoering van het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie in een woning of andere besloten plaats dient ingevolge artikel 11 te gebeuren door daartoe aangewezen ambtenaren van het Korps landelijke politiediensten die voldoen aan de door de Minister van Justitie te stellen eisen. Deze eisen worden neergelegd in een ministeriële regeling op basis van artikel 38, derde lid, van de Politiewet. Zoals reeds in paragraaf 5 van deze toelichting is aangegeven betreft dit een bevoegdheid die zeer diep in de persoonlijke levenssfeer kan ingrijpen. Daarom dient ook bij de uitvoering van deze bevoegdheid de grootst mogelijke zorgvuldigheid te worden betracht. Voor het plaatsen van de geavanceerde apparatuur is een grote mate van expertise vereist. Aangezien het een nieuwe bevoegdheid betreft is hiermee nog geen ervaring opgedaan. Dit heeft geleid tot het standpunt dat do bevoegdheid tot het plaatsen van technische hulpmiddelen in woningen en andere besloten plaatsen wordt opgedragen aan daartoe aangewezen en opgeleide ambtenaren van het Korps landelijke politiediensten. Een en ander sluit niet uit dat in do toekomst de kennis en vaardigheden die hiervoor zijn vereist worden overgedragen aan de regiokorpsen, opdat deze tevens kunnen worden belast met het betreden van besloten plaatsen en het aldaar plaatsen van technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Mocht dit het geval zijn dan zal te zijner tijd wijziging van het onderhavige besluit plaatsvinden. Voorts worden in artikel 12 van deze regeling waarborgen geschapen omtrent het technisch bewerken van geregistreerde signalen. Indien de oorspronkelijk geregistreerde signalen niet ~ waarneembaar zijn. kunnen in bepaalde gevallen die signalen technisch worden bewerkt zodat de waarneembaarheld wordt verbeterd. Technische bewerking van op een gegevensdrager geregistreerde signalen dient te allen tijde plaats te vinden met behulp van een kopie van de originele gegevensdrager en volgens een vast te stellen protocol. De stappen in het proces van bewerking dienen zodanig te worden vastgelegd dat achteraf volledig controleerbaar is welke technische bewerkingen de gegevensdrager heeft ondergaan. in geval van een verzoek om contra-expertise door de verdediging in een strafzaak, is aldus een reconstructie mogelijk van de bewerking en kan worden vastgesteld dat de geregistreerde signalen op de gegevensdrager zijn bewerkt in overeenstemming met de oorspronkelijk vastgelegde waarnemingen respectievelijk worden uitgesloten dat manipulatie van de oorspronkelijke waarnemingen heeft plaatsgevonden. De technische bewerking van signalen die onderdeel uitmaken van vertrouwelijke communicatie mag uitsluitend worden uitgevoerd door een daartoe aangewezen en ter zake deskundig onderdeel van het Korps landelijke politiediensten; de technische bewerking van gegevens verkregen door observatie kan ook door daartoe aangewezen en ter zake deskundige ambtenaren van de regiokorpsen en opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten gebeuren. De desbetreffende korpsbeheerder respectievelijke de werkgever van deze opsporingsambtenaren ziet erop toe dat alleen ter zake kundige ambtenaren worden betast met het technisch bewerken van de observatiesignalen. De officier van justitie kan bepalen dat een bewerking door een deskundige derde wordt uitgevoerd. bijvoorbeeld het Gerechtelijk Laboratorium. Bij het geven van een dergelijke opdracht dient er wei altijd rekening mee te worden gehouden dat contra-expertise mogelijk moet blijven bij de instantie die niet bij het onderzoek is betrokken, voor het geval dat de verdodging daarom zou verzoeken.
De bepaling in artikel 4 betreffende de test voorafgaand aan de inzet van het middel sluit aan bij de huidige praktijk. Ook de bepalingen omtrent de opslag en verstrekking en de daarbij behorende registratie (artikel 8) geven een weerslag van de huidige praktijk bij de meeste politiekorpsen.
De invoering van de bepalingen ten aanzien van technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie zal weinig of geen problemen opleveren aangezien dit een nieuwe bevoegdheid is en derhalve nog geen sprake is van in gebruik zijnde apparatuur.
Hoewel uit het advies van het openbaar ministerie blijkt dat men ten aanzien van het plaatsen van technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie in woningen en andere besloten plaatsen geen bezwaar heeft tegen het concentreren van de toepassing van deze bevoegdheid bij het KLPD in de beginperiode, zou men graag in de regeling de mogelijkheid tot toepassing van deze bevoegdheid reeds toebedeeld zien aan de regiokorpsen. In de toelichting zou kunnen worden aangegeven dat voor de beginperiode toepassing van deze bevoegdheid alleen bestaat voor het KLPD. Teneinde onduidelijkheid te voorkomen omtrent de vraag wie bevoegd is deze middelen te plaatsen in woningen en andere besloten plaatsen is er voor gekozen de huidige redactie van artikel 11 te handhaven. Dit noemt echter niet weg. zoals in paragraaf 7 van de toelichting is aangegeven, dat na enkele jaren, wanneer voldoende kennis en ervaring is opgedaan met dit middel en opleidingen zijn ontwikkeld, deze bevoegdheid mogelijk ook wordt toebedeeld aan de regiokorpsen. In dat geval zal wijziging van het onderhavige besluit plaatsvinden. Voorts is naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie de verantwoordelijkheid van de officier van justitie voor de juiste toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden in het kader van de inzet van technische hulpmiddelen in paragraaf 5 van de toelichting verduidelijkt.
Het advies van het Platform bijzondere opsporingsdiensten heeft geleid tot een verduidelijking in de toelichting omtrent de toepasselijkheid van het besluit op de bijzondere opsporingsdiensten. Daarnaast zijn naar aanleiding van dit advies en het advies van het ministerie van Defensie de bevoegdheden tot het betreden van besloten plaatsen, niet zijnde woningen voor het plaatsen van observatieapparatuur (artikel 10) en tot het technisch bewerken van bij de uitvoering van een bevel tot observatie geregistreerde signalen (artikel 12, vierde lid) uitgebreid tot opsporingsambtenaren als bedoeld in de artikelen 141, onderdeel c, en 142 van het Wetboek van Strafvordering. Voorwaarde voor beide bevoegdheden is dat de desbetreffende opsporingsambtenaar is aangewezen door zijn werkgever op grond van zijn kennis en deskundigheid die benodigd is voor de uitvoering van de bevoegdheid.
Tot slot de vereiste notificatie in Brussel. Het ontwerpbesluit is op
9 juli 1999 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter
voldoening aan artikel 8, eerste lid van de richtlijn 98134/EG betreffende
een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften
en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (WbEG 1998
L 204, zoals gewijzigd bij richtlijn nr 98148/EG, PbEG 1998 L217) (noOficationummer:
9910337/NL). De notificatie heeft niet geleid tot opmerkingen van de Europese
Commissie en van andere lidstaten.
Onder gegevensdrager wordt bijvoorbeeld verstaan een cassette- of videoband, maar ook digitale gegevensdragers, zoals een diskette of cd-rom.
Onderdeel b
Een technisch hulpmiddel voor observatie of het opnemen van vertrouwelijke communicatie kan zijn opgebouwd uit verschillende componenten. Bij observatie ken bijvoorbeeld sprake zijn van een videocamera en een videorecorder. Bij het opnemen van vertrouwelijke communicatie kan sprake zijn van een microfoon die de geluidssignalen opvangt (detecteert), apparatuur die de signalen transporteert~ en opnameapparatuur Het samenstel van deze componenten (de configuratie), dat het mogelijk maakt te observeren of vertrouwelijke communicatie op te nemen, wordt aangemerkt als een technisch hulpmiddel.
De componenten waaruit het technische hulpmiddel bestaat, kunnen zijn aangeschaft bij een derde of door de betrokken dienst zelf zijn ontwikkeld. Daarnaast kan bij het samenstellen van een technisch hulpmiddel gebruik worden gemaakt van reeds bij derden aanwezige componenten. Zo kan bijvoorbeeld voor het transport van de signalen gebruik worden gemaakt van een kabel die reeds in de grond ligt, of kan voor het activeren van een camera gebruik worden gemaakt van een lichtschakelaar die reeds in een ruimte was de camera is gemonteerd, aanwezig is.
Onderdeel c
Een standaardconfiguratie is een technisch hulpmiddel dat bestaat uit een vaste combinatie van onderdelen (componenten). Bijvoorbeeld een camera van het merk X type 1, een cryptokastje van het merk Y, type 2, en een recorder van het mark Z, type 3. Indien een bepaalde combinatie vaak of in verschillende regio's wordt gehanteerd, zal de keuringsdienst deze combinatie na goedkeuring kunnen aanwijzen als standaardconfiguratie.
Onderdeel d
Het betreft hier alleen technische hulpmiddelen voor observatie, in de zin van do onder genoemde wet Inzake bijzondere opsporingsbevoegdheden. Dat wil zeggen, technische hulpmiddelen die worden ingezet voor het stelselmatig volgen van een persoon of het stelselmatig waarnemen van do aanwezigheid of het gedrag van die persoon. Het gaat dus niet om technische hulpmiddelen waan-nee do aanwezigheid of verplaatsing van een goed ken worden vastgesteld. bijvoorbeeld van een container. Camera's die do politie inzet in het kader van do controle en het toezicht die door hoor worden uitgeoefend vallen eveneens buiten deze regeling.
Onderdeel g
Teneinde de objectiviteit van de keuring van technische hulpmiddelen zo veel mogelijk te waarborgen, wordt de keuring van alle technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie en de hulpmiddelen voor observatie voor zover ontwikkeld door het Korps landelijke politiediensten, opgedragen aan een onafhankelijke derde.
Tweede lid,
onderdeel a
De datum en tijd waarop de opname start en waarop de opname eindigt dienen automatisch op de gegevensdrager te worden geregistreerd. Tussentijds dient de tijdregistratie «mee te lopen-», bijvoorbeeld in de vorm van een secondeteller die meeloopt gedurende de opname. Zo ken worden vastgesteld op welk tijdstip de vastgelegde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Daarnaast kan, in het geval dat een gedeelte van de opgenomen beelden achteraf van de gegevensdrager zou worden gewist, aan de hand van de in dat geval niet meer doorlopende secondeteller worden vastgesteld dat een gedeelte van de opgenomen beelden ontbreekt.
Onderdeel b
Wit vereiste Is met name von belang wanneer de registratieapparatuur,
bijvoorbeeld de videorecorder, zich op een andere lokatie bevindt dan de
camera. In dat geval zullen de gedetecteerde signalen moeten worden getransporteerd
naar de plaats waar zich de registratieapparatuur bevindt. Daarbij is het
van belang dat kan worden vastgesteld dat de signalen die worden geregistreerd
dezelfde signalen zijn als de signalen die elders door de camera zijn gedetectoerd.
Teneinde dit te waarborgen dienen de gedetecteerde signalen die worden
verzonden naar de registratieapparatuur te zijn voorzien van een uniek
gegeven dat wordt herkend door de registratieapparatuur. Wanneer het meegezonden
unieke gegeven niet wordt herkend door de registratieapparatuur, kan dat
betekenen dat de getransporteerde signalen niet afkomstig zijn van de desbetreffende
camera.
Het unieke gegeven kan een apart aan de gedetecteerde signalen toegevoegd
gegeven zijn, bijvoorbeeld een gedigitaliseerde indentificatiecode.
Het ken echter ook worden gerealiseerd door de gedetecteerde signalen
versleuteld te verzenden. In dat opval kan
de sleutel als uniek gegeven worden aangemerkt.
Onderdeel c
Dit vereiste is met name van belang wanneer het transport van de gedetecteerde signalen plaatsvindt via bij derden aanwezige componenten. Wanneer bijvoorbeeld signalen worden verzonden over de telefoonkabel en via een bestaand relais-station of via een satelliet, dan dient de transmissie «één op één» plaats te vinden en zal de inhoud van de gedetecteerde signalen gedurende de transmissie ongewijzigd moeten blijven. Degene die het technische hulpmiddel wil inzetten, dient zich, voorafgaand aan de inzet daarvan, ervan te vergewissen dat dit het geval is. Voorts dient te worden opgemerkt dat, wanneer gebruik wordt gemaakt van versleuteling van signalen of de signalen gecomprimeerd worden verzonden, slechts de vorm waarin de signalen worden getransporteerd wijzigt, doch niet de inhoud ervan.
Onderdeel d
Dit vereiste ziet op de waarborg dat niet onopgemerkt wijzigingen kunnen worden aangebracht in de geregistreerde signalen en de vastgelegde datum- en tijdregistratie. Met name wanneer de signalen digitaal zijn geregistreerd is het van belang dat de gegevensdrager na registratie wordt beveiligd. De wijziging van analoog geregistreerde signalen, bijvoorbeeld op een magneetband, is vaak redelijk gemakkelijk vast te stellen. Bij digitale registratie is dat anders. Daarom zal de digitale gegevensdrager moeten worden beveiligd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een digitale handtekening (zgn. «hash»). De kenmerken van de digitale handtekening dienen dan bij proces-verbaal te worden vastgelegd.
Onderdeel e
In beginsel dienen de componenten waaruit het technische hulpmiddel is opgebouwd te worden beveiligd tegen het onbevoegd aanbrengen van veranderingen. Dit kan bijvoorbeeld door op de component een zegel aan te brengen. Wanneer bijvoorbeeld na afloop van de inzet van de component blijkt dat het zegel is verbroken, kan worden vastgesteld dat het apparaat is opengemaakt. Zie ook artikel 8, zesde lid. In dat geval moet worden nagegaan of er geen veranderingen zijn aangebracht. waardoor het apparaat mogelijk niet meer voldoet aan de gestelde eisen en derhalve de goedkeuring dient te vervallen. Indien gebruik wordt gemaakt van een standaardconfiguratie zal de dienst die het apparaat inzet ervoor moeten zorgen dat de componenten worden beveiligd.
De bepaling spreekt over «voorzover mogelijk». In de volgende gevallen kan eventueel het aanbrengen van een dergelijke beveiliging achterwege blijven. Ten eerste in het geval dat de desbetreffende component zodanig klein is, dat het fysiek niet mogelijk is hierop een beveiliging aan te brengen. Ten tweede in het geval dat gebruik wordt gemaakt van een bestaande component die reeds aanwezig is bij een derde. In die gevallen zal het niet altijd mogelijk zijn de vereiste beveiliging aan te brengen.
Derde lid
Bij observatie met een technisch hulpmiddel wordt in sommige gevallen gebruik gemaakt van een schakelaar die ervoor zorgt dat uitsluitend onder bepaalde omstandigheden de gedetecteerde signalen worden geregistreerd. Niet alleen uit het oogpunt ven efficiency wordt een dergelijke schakelaar toegepast~ ook de bescherming van de privacy is ermee gebaat. Het wordt weinig zinvol geacht een camera vierentwintig uur per dag beelden op te laten nemen van bijvoorbeeld een gesloten deur, terwijl men geinteresseerd is in wie de desbetreffende deur in of uit gaat. In dat geval kan een schakelaar ervoor zorgen dat alleen signalen worden geregistreerd wanneer de desbetreffende deur opengaat. Zo wordt voorkomen dat onschuldige voorbijgangers op een videoband worden vastgelegd, waarmee hun privacy kan worden geschonden. Het gebruik van een dergelijke schakelaar is toegestaan, doch het selectlecriterium dat wordt gehanteerd, bijv. het opengaan van de desbetreffende deur, moet worden vastgelegd bij proces-verbaal. Met het oog op de objectiviteit van de selectie, mogen signalen uitsluitend worden geselecteerd door een technische component en niet handmatig door een opsporingsambtenaar. Hierdoor kan iedere discussie worden vermeden dat ontlastend materiaal met opzet niet is geregistreerd, terwijl het mogelijk wet is waargenomen door een opsporingsambtenaar.
Onderdeel d
Een belangrijke eis die wordt gesteld aan een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie is dat het technische hulpmiddel de mogelijkheid uitsluit dat een gesprek of een deel van een gesprek wordt afgeluisterd of onderschept zonder dat hot wordt opgenomen. Dat zou onrechtmatig zijn aangezien de wet alleen de bevoegdheid kent tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Reden hiervoor is de uitoefening van deze bevoegdheid achteraf controleerbaar te maken. Zie hiervoor ook de memorie van toelichting bij de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (kamerstukken 11, 1996-1997, 25 403, nr. 3, W 37). Het technische hulpmiddel moet dan ook zo zijn opgebouwd dat het uitluisterpunt zich achter het registratiepunt bevindt. Dat wil zeggen dat het niet mogelijk is te luisteren naar een gesprek zonder dat het gesprek wordt opgenomen. Uit brengt onder andere met zich mee dat bij een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie geen gebruik mag worden gemaakt van een schakelaar als omschreven in artikel 2, derde lid, anders dan een schakelaar die de registratie van de signalen activeert op het moment dat enige vorm van communicatie plaatsvindt. In het geval van het opnemen van gesprekken (audio) betekent dit dat registratie dient plaats te vinden zodra geluid van enige betekenis wordt gedetecteerd.
Na afloop van de inzet dient vervolgens gecontroleerd te worden of het middel nog steeds aan de eisen voldoet. Wanneer dit het geval is en geen veranderingen aan de apparatuur zijn aangebracht, mag er in beginsel vanuit worden gegaan dat het middel ook gedurende de inzet goed heeft gefunctioneerd.
De controle wordt uitgevoerd door een opsporingsambtenaar die daartoe is aangewezen door de korpsbeheerder respectievelijk de desbetreffende werkgever. Deze korpsbeheerder of werkgever ziet erop toe dat de controlerend ambtenaar beschikt over de voor de controle benodigde deskundigheid.
Eerste lid
Ten aanzien van technische hulpmiddelen voor observatie worden de tests uitgevoerd door een door de korpsbeheerder aangewezen en daartoe opgeleide ambtenaar van politie. Indien de technische hulpmiddelen voor observatie in gebruik zijn bij de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst, wordt de persoon, belast met de controle, aangewezen door de werkgever. Het begrip werkgever sluit aan bij de terminologie van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (artikel 1, eerste lid, onderdeel b van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar). Voor wat betreft de KMA kan hierbij worden gedacht aan de desbetreffende districtscommandant.
Tweede lid
De technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie worden opgeslagen bij het Korps landelijke politiediensten. Voordat het KLPD een technisch hulpmiddel aan een regiokorps ter beschikking stelt, zal een door de korpsbeheerder aangewezen ambtenaar van het KLPD de bedoelde controle uitvoeren. Zo ook na afloop van de inzet van dit middel.
Derde lid
Zowel van de controle vooraf, ais van de controle achteraf wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal kan deel uitmaken van het proces-verbaal dat wordt opgemaakt van de inzet van het desbetreffende technische hulpmiddel of de desbetreffende standaardconfiguratie. Het desbetreffende proces-verbaal wordt gezonden aan de officier van justitie.
De goedkeuring vervalt indien veranderingen zijn aangebracht aan het technische hulpmiddel, tenzij aanstonds duidelijk is dat het technische hulpmiddel nog steeds voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
De officier van justitie kan bepalen dat een dergelijk niet vooraf gekeurd technisch hulpmiddel wordt ingezet. Het moet dan gaan om situaties waarin het belang van het onderzoek de inzet van het desbetreffende technische hulpmiddel dringend vordert en waarin keuring vooraf niet mogelijk is. Wanneer de officier van justitie hiertoe besluit, dient keuring van de desbetreffende component achteraf plaats te vinden. De keuringsdienst legt zijn bevindingen schriftelijk vast en stelt de officier van justitie hiervan in kennis.
Derde lid
De wet bijzondere opsporingsbevoegdheden geeft expliciet de bevoegdheid technische hulpmiddelen in te zetten ten behoeve van observatie en het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Daartoe dienen deze bevoegde opsporingsinstanties ervoor zorg te dragen dat een toereikende arsenaal aan goedgekeurde technische hulpmiddelen beschikbaar is. Meer geavanceerde apparatuur kan door een aantal regio's gezamenlijk worden aangeschaft of is beschikbaar bij het Korps landelijke politiediensten.
In een uitzonderlijk geval, kan zich echter de situatie voordoen dat voor een specifieke actie bijvoorbeeld een zeer geavanceerd technisch hulpmiddel noodzakelijk Is, waarover de opsporingsinstanties niet beschikken, doch de Binnenlandse Veiligheidsdienst wel. Wanneer het onderzoek dit dringend vordert. kan de officier van justitie de minister van Justitie verzoeken zijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties schriftelijk te verzoeken technische ondersteuning te leveren bij de uitvoering van het bevel tot observatie of tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Vergelijk het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19.. (kamerstukken 11, 19971%, 25 877, nrs 1-2>, artikel 58, eerste lid. Het zet dan veelal gaan om een technisch hulpmiddel dat niet is- goedgekeurd op de wijze als in dit besluit omschreven. Dit betekent dat de waarborgen die dit besluit biedt ten aanzien van de opsporing van strafbare feiten met behulp van technische hulpmiddelen in een dergelijk gevel niet op dezelfde wijze in acht kunnen worden genomen. Daarom moeten de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van bij de BVD in gebruik zijnde middelen, en waarin dus wordt afgeweken van M voor de opsporing geldende waarborgen, worden beperkt tot die gevallen waarin de inzet dringend gevorderd wordt door het belang van het onderzoek en de desbetreffende opsporingsdiensten niet de beschikking hebben over het noodzakelijke hulpmiddel. Artikel 6, derde lid voorziet daarin. Daarbij is in procedurele zin aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald in artikel 58,eerste lid, jo. 53, derde lid, van het voorstel van wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zo ut de inzet van een bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst voorhanden zijnde technisch hulpmiddel voor observatie of het opnemen van vertrouwelijke communicatie slechts kunnen plaatsvinden op basis van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek ondertekend door de Minister van Justitie en gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het voorschrift dat het verzoek moet zijn ondertekend door de Minister van Justitie houdt In dit verband in dat deze bevoegdheid, gelet op zijn aard, niet kan worden gemandateerd. Indien de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op basis van dit verzoek toestemming heeft verleend, kan het middel worden Ingezet ten behoeve van de opsporing. De officier van justitie vermeldt In dat geval in het bevel dat toepassing is gegeven aan artikel 6, derde lid, van dit besluit Voor de goede orde wordt opgemerkt dat in het geval een technisch hulpmiddel van de BVD wordt ingezet, anders dan met betrekking tot do inzet van een technisch hulpmiddel voor observatie als bedoeld in het eerste lid, geen keuring achteraf als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt. De feitelijke inzet van het desbetreffende technische hulpmiddel vindt vervolgens plaats onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie <vergelijk artikel 53. derde lid, van het wetsvoorstel inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Vijfde lid
Wanneer het bevel tot observatie dan wel het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie dat ten grondslag ligt aan het verzoek tot verstrekking van de voor de uitvoering van dat bevel benodigde technische hulpmiddelen wordt verlengd, zendt de officier van justitie een kopie van de verlenging van het bevel aan de hiervoor genoemde dienst van het Korps landelijke politiediensten.
Zesde lid
Met de officier van justitie wordt bedoeld de officier van justitie die het bevel tot observatie, of het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie dat ten grondslag ligt aan het verzoek tot verstrekking van de benodigde technisch hulpmiddelen, heeft gegeven.
Aangezien het opnemen van vertrouwelijke communicatie een nieuwe bevoegdheid is, die apparatuur vereist die op dit moment als geavanceerd en kostbaar kan worden aangemerkt, worden deze technische hulpmiddelen opgeslagen en verstrekt door de DTOO.
Deze bevoegdheid kan worden uitgevoerd door opsporingsambtenaren van de politie, de Koninklijke marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten. Voorwaarde is dat met het betreden ven de besloten plaats en het plaatsen van de observatieapparatuur uitsluitend opsporingsambtenaren worden belast die ter zake deskundig zijn. Het betreden van besloten plaatsen zonder toestemming van de rechtshebbende vergt immers specifieke vaardigheden. De korpsbeheerder respectievelijk de werkgever van de desbetreffende opsporingsambtenaar ziet erop toe dat deze ambtenaar beschikt over de benodigde deskundigheid en wijst hem op grond daarvan aan als opsporingsambtenaren die met de uitvoering van deze bevoegdheid kan worden betast.
Tweede lid
Het proces-verbaal wordt toegezonden een de officier van justitie die het bevel tot het betreden van de plaats heeft gegeven.
Op verzoek van de Tweede Kamer is in het toenmalige wetsvoorstel Inzake bijzondere opsporingsbevoegdheden de bevoegdheid opgenomen tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie in cm woning. Aangezien het hier gaat om een bevoegdheid die een zeer grote inbreuk op de privacy maakt en een grote mate van expertise verlangt, is de uitvoering van deze bevoegdheid bij uitsluiting opgedragen aan een daartoe aangewezen onderdeel van het Korps landelijke politiediensten. De ambtenaren van dit onderdeel zijn hiertoe opgeleid en beschikken over de benodigde hulpmiddelen om de woning ongemerkt te betreden.
Ook de plaatsing in andere besloten plaatsen van technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie wordt opgedragen aan ambtenaren van het Korps landelijke politiediensten. Het betreft immers een nieuwe techniek, waarvan het zinvol wordt geacht deze centraal te ontwikkelen, waarbij niet is uitgesloten dat in de toekomst de techniek wordt overgedragen aan de regionale politiekorpsen. Deze ontwikkeling heeft zich In het verleden voorgedaan bij het plaatsen van peilbakens. Werden deze oorspronkelijk uitsluitend door het Korps landelijke politiediensten geplaatst thans is de kennis en vaardigheid ter zake overgebracht op de regiokorpsen, die nu zelf dergelijke technische hulpmiddelen kunnen plaatsen.
Tweede lid
Het proces-verbaal dat wordt opgemaakt van de betreding van de woning of andere besloten plaats en de plaatsing van het middel, wordt gezonden aan de officier van justitie die het bevel heeft gegeven dat ten grondslag ligt aan de betreding en de plaatsing.
Vierde lid
De signalen geregistreerd op een gegevensdrager bij de uitvoering van een bevel tot observatie met een technisch hulpmiddel kunnen worden bewerkt door opsporingsambtenaren van de politie, de Koninklijke marechaussee of een bijzondere opsporingsdienst. De korpsbeheerder respectievelijk de werkgever draagt er zorg voor dat de met de technische bewerking belaste persoon ter zake deskundig is. Hij dient kennis te hebben van de bediening van de apparatuur die nodig is voor de bewerking. Ook dient hij op de hoogte te zijn van de voorschriften en procedures die gelden voor de bewerking van de signalen, zoals neergelegd in dit besluit.
Vijfde lid
Gegevensdragers die signalen bevatten verkregen bij het opnemen van vertrouwelijke communicatie mogen alleen door daartoe door de korpsbeheerder aangewezen ambtenaren van het KLPD worden bewerkt. Deze ambtenaren dienen te voldoen aan de eisen ter zake van kennis en vaardigheden op dit terrein, die door de Minister van Justitie bij ministeriële regeling worden vastgelegd.
Zevende lid
Hierin wordt bepaald dat de officier van justitie in bepaalde gevallen
een persoon of instituut, niet behorende tot de politie, kan inschakelen
voor het bewerken van de gegevensdrager. Gedacht kan worden aan het Gerechtelijk
Laboratorium of de Nederlandsche centrale organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk
Onderzoek (TNO). Hierbij dient wet altijd rekening te worden gehouden met
de mogelijkheid dat de verdediging verzoekt om contra-expertise. Het recht
daartoe mag niet illusoir worden doordat de instanties die daarvoor in
aanmerking kunnen komen, reeds betrokken zijn bij het opsporingsonderzoek.
De Minister van Justitie, A. H. Korthals
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Jaargang 1999
547