• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Justitie en Veiligheid

    • NRC factcheckt zichzelf, de krant checkt zichzelf over; de kroongetuige en een vage semi-overheidsinstantie het RIEC, de semi-wetenschapper en semi-rekenmeester: conclusie waar (18-05-18).
    • Kogels, handgranaten en een raket: politie lost niets op, daad - geen verdachte - dreiging - geen dreiging - oplossing - niets opgelost (12-02-18).
    • Name and shame, geen verdachte - wel media, want de politie weet altijd wie het gedaan heeft zonder enig bewijs (23-04-18).
    • Oproer in de Oostvaardersplassen, demonstreren bij de Oostvaardersplassen in Nederland betekent SGBO Oostvaardersplassen waarbij alle politieeenheden aanwezig zijn (16-04-18).
  • Inlichtingen en Terrorisme

    • Interesse AIVD voor Marokkaanse solidariteitsnetwerken, Vanwege zijn betrokkenheid bij netwerken die in Nederland protestacties organiseren uit steun voor onderdrukte Marokkanen in het land van herkomst, werd ‘Daan’ diverse keren door de AIVD benaderd. (01-03-18).
    • Bulk gegevens verzamelen is van alle tijden; Hield de BVD in de jaren tachtig mensen die op de Centrum Partij stemden in de gaten? (28-02-18).
    • Novichok, de pittige slaolie uit … Rusland, over de vele vormen van Novichok, het gif dat gebruikt zou zijn in de aanslag op Sergei en Yulia Skripal, maar ook de geheimzinnigheid en kennis die er al dan niet is bij Amerikaanse, Engelse en misschien Nederlandse inlichtingendiensten (17-05-18).
  • Nieuwsblog

  • Nationaal Veiligheidsarchief

  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Bijlage VII – VIII.2. Een aantal zorgelijke kwesties

    VIII.2. Een aantal zorgelijke kwesties

    Het feit dat het op dit moment moeilijk, en in bepaalde
    opzichten zelfs onmogelijk, is om in algemene zin de ernst van de
    situatie op een adequate manier precies te bepalen, impliceert
    geenszins dat er niets zou kunnen worden gezegd over een aantal
    aspecten van de (aard van de) tegenwoordige georganiseerde
    criminaliteit in Nederland die als zorgwekkend betiteld kunnen
    worden. Uitgaande van de hier gehanteerde definitie van
    georganiseerde criminaliteit is dit namelijk heel goed mogelijk.
    Want waar gaat het volgens deze definitie in essentie om bij
    georganiseerde criminaliteit? Uiteindelijk om de vreedzaamheid van
    een maatschappij, om de integriteit van de democratische
    rechtsstaat, de vrijheid van het economisch leven en de rechten van
    individuele burgers. En dus kan worden nagegaan of zich momenteel
    in de sfeer van de georganiseerde criminaliteit ontwikkelingen
    voordoen die deze algemene waarden in het gedrang brengen of zouden
    kunnen brengen. De kwesties waarover men zich op grond van het
    onderhavige onderzoek zorgen over moet maken, kunnen – conform de
    opeenvolgende componenten van de definitie van georganiseerde
    criminaliteit – als volgt worden samengevat.

    lees meer

    Bijlage VIII – Woord vooraf

    Woord vooraf

    Over de vraag in hoeverre gevestigde etnische minderheden met
    politie en justitie in aanraking komen, is sedert de opheffing van
    de samenzwering van zwijgzaamheid naar aanleiding van de discussie
    over een Amsterdams rapport over Marokkaanse straatroof in 1989
    zeer veel geschreven, maar in die literatuur wordt geen aparte
    aandacht besteed aan de mate waarin etnische minderheden betrokken
    zijn bij de zware en georganiseerde criminaliteit. Komt de
    lucratieve georganiseerde misdaad in deze kring eigenlijk wel voor
    of bevinden de allochtonen zich ook in dit opzicht onder aan de
    criminele ladder aangezien zij vooral worden aangehouden voor
    lichte en niet winstgevende vergrijpen? Zijn op Nederlands
    grondgebied transnationale criminele organisaties actief (vergelijk
    de mafia) die in zoverre van uitheemse herkomst zijn dat zij vanaf
    elders worden aangestuurd? Politie en justitie weten hier naar
    verhouding weinig van af en dat komt onder andere doordat deze
    groepen moeilijk benaderbaar zijn en ook omdat zij geneigd kunnen
    zijn hun geschillen af te doen in de beslotenheid van hun eigen
    milieu. Voor zover zij er iets over weten, leggen hun
    vertegenwoordigers een zekere terughoudendheid aan de dag, omdat
    het taboe dat er op dit type misdaad rust nog grotendeels intact is
    en niemand dat graag doorbreekt. Ook ingeburgerde immigranten die
    ons erover zouden kunnen berichten weten soms maar weinig over hun
    onderwerelden af en voor zover zij ervan weten, bestaat bij hen de
    begrijpelijke angst dat openhartigheid hun hele groep in diskrediet
    kan brengen. Zonder deskundig commentaar uit deze kring zou het
    evenwel niet eenvoudig zijn geweest om de grote hoeveelheid
    feitelijk materiaal die wel bij de politie aanwezig is en die wij
    hier, net als bij alle rapporten over aard, omvang en ontwikkeling
    van de georganiseerde misdaad ten behoeve van de Enqutecommissie,
    tot uitgangspunt nemen van onze analyse, in volle omvang te
    doorgronden. Uitingen van georganiseerde misdaad in allochtone
    gemeenschappen in Nederland zijn moeilijk te begrijpen zonder dat
    insiders iets vertellen over de politieke context waarbinnen deze
    criminaliteit tot bloei kwam in het land van herkomst, over de
    economische belangen die ermee zijn gemoeid en over de manifestatie
    ervan binnen de etnische gemeenschap hier te lande.

    lees meer

    Bijlage VIII – VI. DE ITALIAANSE MAFIA

    VI. DE ITALIAANSE MAFIA:

    HAAR AANWEZIGHEID OP NEDERLANDSE BODEM

    In de voorbije jaren is bij herhaling de vraag opgeworpen of er
    sprake is van penetratie van de Italiaanse mafia

    lees meer

    Bijlage VIII – Bibliografie Hoofdstuk II

    Bibliografie Hoofdstuk II:

    De Surinaamse connectie

    Amersfoort, J. M. M. van, Surinamers in de lage landen,
    Staatsuitgeverij, ‘s-Gravenhage, 1968.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 11.1 Documenten

    11.1 Documenten

    Binnen de EU rijden wagens doorgaans op de zogenaamde
    T-documenten (=Transit). Deze documenten bestaan uit vijf
    bladzijden en bij vertrek uit Nederland wordt het eerste blad bij
    de douane achtergelaten. Deze formulieren zijn alleen geldig binnen
    de EU en bij overschrijding van een buitengrens moeten nieuwe
    vervoersdocumenten worden opgemaakt. Bovendien stuurt de douanepost
    aan de EU-buitengrens het laatste blad van het formulier op naar de
    Nederlandse douane, zodat bewezen is dat de vracht de EU heeft
    verlaten. Een lading kan vervoerd worden onder status 1 of status
    2. Een T1-status betekent dat de EU-belasting over de vracht
    nog niet is afgedragen. Tijdens doorvoer, wanneer de vracht binnen
    de EU blijft, hoeft deze heffing niet te worden betaald. Pas bij
    het verlaten van de EU houdt de fiscus de hand op. Een
    T2-status betekent dat de heffingen en belastingen over de
    lading al zijn afgedragen, of ze in het geheel niet hoeven te
    worden betaald, omdat de goederen binnen de EU blijven.

    lees meer

    IX – De zeehaven Rotterdam en de luchthaven Schiphol – 4.3. De luchthaven Schiphol

    4.3. De luchthaven Schiphol

    4.3.1. De aard en omvang van smokkel van drugs

    Om het opsporen van drugsdelicten in de passagierslijn beter te
    organiseren is een samenwerkingsverband met de naam Schipholteam
    opgericht bestaande uit leden van de Marechaussee en de douane post
    surveillance Hoofddorp. Dit team heeft ook tot taak de nationale en
    internationale opsporingsinstanties assistentie te verlenen. Het
    team bestaat uit twee teamleiders, twee cordinatoren en 24
    rechercheurs. De hoeveelheden onderschepte drugs zijn op Schiphol
    beduidend lager dan in Rotterdam, voornamelijk in verband met het
    feit dat containersmokkel in grotere hoeveelheden plaatsvindt. Werd
    in Rotterdam in 1994
    ruim 188.000 kilo aangetroffen, in Schiphol werd ruim 2.000 kilo
    drugs onderschept. Kijken wij naar de soorten drugs die worden
    ontdekt dan komt het volgende beeld naar voren.
    Op Schiphol werd in het jaar 1994 ruim 705 kilogram
    marihuana in beslag genomen (in 1993: 1.068) kg. Vergeleken
    met de enorme hoeveelheden die in de Rotterdamse haven in
    containers worden aangetroffen vallen deze kilo’s in het niet. Dit
    bevestigt de veronderstelling dat in geval van marihuana, mede door
    de omvang, vervoer over zee de meest gekozen vervoersvorm is. De
    aangetroffen marihuana is afkomstig van landen als Nigeria en
    Jamaica. In 1994 waren in 51 van de 66 smokkelzaken met betrekking
    tot marihuana vluchten uit Nigeria betrokken. De meeste
    aanhoudingen vinden plaats in de maanden april/mei en oktober en
    december. In totaal zijn 35 (in 1993: 77) personen aangehouden
    waarvan 12 Engelsen, 8 Nigerianen, 7 Nederlanders en 2 Jamaicanen.
    De hashsmokkel via Schiphol kan worden vergeleken met die
    van marihuana. In 1994 werd 496 kilo in beslag genomen (in 1993:
    1.543 kg). De landen waarvan de hash afkomstig is, zijn Marokko,
    India en Pakistan. Er zijn in 1994 59 (in 1993: 69) verdachten
    aangehouden: uit Duitsland (11), Engeland (11), Marokko (10) en
    Nederland (5).

    lees meer

    IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 2.3. De economische toestand van de autobranche

    2.3. De economische toestand van de autobranche

    In de totale personenautobranche wordt ongeveer 41 miljard
    gulden per jaar omgezet (excl. BTW). Hiervan nemen de dealers
    ongeveer 35 miljard voor hun rekening en de universeelbedrijven
    ongeveer vier miljard. De winstmarges bij de verkoop van nieuwe
    auto’s (433.000) zijn niet erg groot. De meeste verdiensten worden
    voornamelijk verkregen door de handel in gebruikte auto’s en in de
    reparatieherstelwerkzaamheden. Een bekend verliesrisico voor elke
    garage of dealer is een verkeerd voorraadbeheer van gebruikte
    auto’s. Wanneer de handelsvoorraad geen goede omloopsnelheid kent
    of te veel groeit, wordt veel renteverlies geleden en treedt
    kapitaalverlies op. Vaak is elke garage gedwongen telkens weer
    gebruikte auto’s aan te schaffen omdat anders de klanten naar de
    concurrent zullen gaan om daar een nieuwe auto aan te schaffen. Ook
    kan om dezelfde reden niet een al te lage prijs voor een inruilauto
    worden geboden.

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 7.4. Clustering en concentratie-vorming

    7.4. Clustering en concentratie-vorming

    Er zijn redenen om aan te nemen dat automatenhandelaren
    bepaalden districten bezetten; in bepaalde uitgaansgebieden staan
    veel automaten van eenzelfde bedrijf opgesteld; een soort van
    clustering. Uit het al eerder genoemde onderzoek van het HIT-team
    bleek dat 70 % van alle gokkasten in de Amsterdamse binnenstad in
    handen is van vijf bedrijven. Over de hele stad gemeten, beheerde
    deze handvol ondernemingen vijftig procent van alle opgesteld
    speelautomaten. In totaal zijn er bijna 150 automatenhandelaren in
    deze regio actief. Ook het recherchebureau Hoffman maakt melding
    van concentratievorming door automatenhandelaren.

    lees meer

    IX – De bouwnijverheid – 2.1. De vakbonden in de bouwnijverheid

    2.1. De vakbonden in de bouwnijverheid

    In New York hebben de vakbonden in de bouwnijverheid zich in de
    loop der jaren een zeer machtige positie kunnen verwerven tegenover
    de werkgevers. Deze grote macht is tot stand gekomen (1) doordat de
    vakbonden het monopolie hebben van de opleiding van geschoold
    personeel in de bouwindustrie. Hierdoor zijn er nauwelijks meer
    geschoolde niet-vakbondsleden in de bouwnijverheid van die stad te
    vinden; (2) doordat de politieke steun voor georganiseerde arbeid
    traditioneel gezien altijd groot is geweest; (3) doordat werknemers
    wel lid van een vakbond moesten worden om aan de slag te kunnen
    komen. Alle grote bouwprojecten werden en worden uitsluitend door
    vakbondsleden bevolkt. In tegenstelling tot het werk in andere
    branches is de werkgelegenheid in de bouwindustrie dus in handen
    van de vakbonden, niet in de handen van de werkgevers. De machtige
    positie van de bonden in de bouwnijverheid kende ook een
    schaduwzijde. Zij werden een aantrekkelijk doelwit voor de
    georganiseerde criminaliteit. Via het onder controle hebben van de
    vakbonden kan namelijk de gehele bouwnijverheid (of andere legale
    branches) worden beheerst. Door de medewerking van de vakbonden
    kunnen aannemers rekenen op de beschikbaarheid, de betrouwbaarheid
    en het vakmanschap van werknemers. Georganiseerde misdaad heeft in
    de loop der historie van de USA van alles ondernomen om de
    vakbonden daar in hun greep te krijgen.

    lees meer

    IX – De verzekeringsbranche – 2.1. Aard en omvang van de verzekeringsbranche

    2. DE VERZEKERINGSBRANCHE

    2.1. Aard en omvang van de verzekeringsbranche

    Dankzij het Nederlandse verzekeringswezen worden wij in staat
    gesteld een onzekere kans op mogelijk niet te dragen financile of
    persoonlijke risico’s in te ruilen tegen de zekerheid van
    premiebetaling (Welwezen, 1995, p. 3). Dit principe wordt
    verzekeren genoemd: een vorm van onderlinge risicodeling waarbij
    essentile kenmerken de toekomstige onzekere gebeurtenis, de
    risico-overdracht en een bepaalde mate van solidariteit zijn.
    Verzekeraars verplichten zich door middel van een
    verzekeringsovereenkomst tot het geheel of gedeeltelijk overnemen
    van de financile risico’s die samenhangen met het (al dan niet)
    optreden van zo’n onzekere gebeurtenis. Sociale verzekeringen
    (zoals de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeldverzekering,
    en ouderdomsverzekering) hebben een verplichtend karakter,
    particuliere verzekeringen kunnen vrijwillig worden aangegaan. In
    het eerste geval is de prijs van de verzekering meestal afhankelijk
    van de hoogte van het inkomen, in het tweede geval is de prijs van
    de verzekering afgeleid van de hoogte van het risico (Welwezen,
    1995, p. 5). In beide instanties treedt de verzekeraar op als
    producent van diensten. De verzekeraar is daarmee een belangrijke
    schakel in het Nederlandse stelsel van sociale voorzieningen.
    Tegelijkertijd zijn verzekeraars echter ook risicodrager: de
    verzekeringnemer neemt het risico van een toekomstige onzekere
    gebeurtenis over (Assurantie Jaarboek, 1994, p. 5).

    lees meer

    Advies mr. J.K. Franx d.d. 20-10-1994 oververschoningsrechten (29/31)

    112

    Kamerstukken 24072, nrs. 1 tot en met 9, 1994-1995 en debrief van de commissie van 24-8-1994 (2/26)

    144

    Eindrapport – 2.9 Fraude, misbruik legale constructies en witwassen

    2.9 Fraude, misbruik legale constructies en witwassen

    2.9.1 Aanleiding onderzoek

    Onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit beperkt zich
    veelal tot de traditionele vormen van georganiseerde criminaliteit:
    drugshandel, wapenhandel, vrouwenhandel en andere vormen van handel
    in illegale goederen en diensten. Maar ook bij
    financieel-economische criminaliteit (fraude, witwassen, misbruik
    van legale constructies) kan sprake zijn van georganiseerde
    criminaliteit. Bevindingen over de aard en omvang van deze
    financieel-economische georganiseerde criminaliteit bieden inzicht
    in de aard, omvang en ernst van
    de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

    lees meer

    Eindrapport – 7.2 Bevindingen

    7.2 Bevindingen

    7.2.1 Informatie-inwinning bij derden

    De politie wint allerlei informatie in bij andere organisaties voor
    en tijdens een opsporingsonderzoek. Het gaat daarbij deels om
    openbare informatie zoals gegevens van de Kamers van koophandel.
    Daarnaast vraagt de politie aan derden informatie die valt onder de
    bescherming van de privacy, zoals bepaald in de Grondwet (artikel
    10) en de daaruit voortvloeiende Wet persoonsregistraties (WPR), of
    die anderszins (meer) vertrouwelijk is, zoals bijvoorbeeld gegevens
    van banken. De commissie heeft geconstateerd dat daarbij veelal
    niet de formele weg wordt bewandeld. Formele strafvorderlijke wegen
    om informatie van derden te krijgen zijn onder meer het oproepen
    van de derde als getuige in het kader van een gerechtelijk
    vooronderzoek en, wanneer het gaat om op gegevensdragers
    vastgelegde informatie, is er de huiszoeking, onderzoek in
    computers of het bevel tot uitlevering van stukken. Daarnaast
    vraagt de politie informatie, die valt onder de bescherming van de
    WPR, aan derden. In overeenstemming met artikel 11 WPR beoordeelt
    de houder van een register in de private sector het verzoek
    gegevens te verstrekken. Een probleem hierbij is dat het voor de
    houder van een register feitelijk vrijwel onmogelijk is om bij de
    beslissing tot verstrekking van gegevens de wettelijk
    voorgeschreven afweging (artikel 11, lid 2 WPR) te maken tussen de
    dwingende en gewichtige reden (van opsporing) en de mate waarin de
    persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde door verstrekking
    wordt geschaad. Voor verstrekking uit registers van de
    (semi)publieke sector aan een persoon of instantie met een
    publiekrechtelijke taak (zoals de politie) geldt niet de eis van
    een dringende en gewichtige reden, de vrager moet deze gegevens
    nodig hebben voor de uitvoering van zijn taak en de persoonlijke
    levenssfeer van de geregistreerde mag door verstrekking niet
    onevenredig worden geschaad. In de praktijk hanteert de politie bij
    de meeste vormen van informatie-inwinning het uitgangspunt dat als
    derden (al dan niet) op een (informele) vraag van de politie
    beslissen vrijwillig informatie te verstrekken, zij die informatie
    mag gebruiken. Deze vrijwillige verstrekking aan politie-ambtenaren
    en het gebruik van de verkregen gegevens is gezien de hiervoor
    genoemde formele weg en op zijn minst omstreden.

    De voorzitter:
    Als ik opbel naar een bank en vraag wat op de rekening van
    de heer Willems staat, dan wordt gezegd: ga fietsen, je hebt er
    niets mee te maken.
    De heer Willems:
    Ik vind dat ze dat ook tegen een politieman moeten zeggen.
    Ik vind dat daar een beschermd recht ligt.
    De voorzitter:
    H?
    De heer Willems:
    Ik vind dat de burger er aanspraak op heeft om niet zo maar
    zijn bankgegevens meegedeeld te krijgen aan iemand die daarom
    vraagt.
    De voorzitter:
    Het is misschien wel rechtens als wij kijken naar de Wet
    persoonsregistratie.
    De heer Willems:
    In die fase en met het oog op de mogelijke verdenking die je
    gaat koesteren, vraag ik mij af of dat inderdaad de positie
    is.
    De voorzitter:
    Dat zou nieuw licht werpen op de vraag of in de proactieve
    fase de politie dit soort dingen kan doen.
    De heer Willems:
    Ik heb daar wel vraagtekens bij. Ik heb begrepen dat er vrij
    intensief onderzoek is gedaan bij banken. Ik meen dat dit niet
    zonder meer vrij kan staan. Je kunt beginnen met de formulering,
    dat de politie mag wat een burger mag. U zegt terecht dat de
    politie toch niet de gewone burger is. Als de politie het doet,
    gebeurt dat op een manier en een schaal, waaraan je nooit toekomt
    in de gedachte van wat de burger mag. U moet mij niet vragen hoe ik
    dat precies moet definiren.
    Noot

    In de praktijk komt het bijvoorbeeld voor dat
    politiefunctionarissen bij bankmedewerkers informeel vragen of een
    bepaald persoon een rekening heeft bij die bank en welk bedrag
    hierop staat of welke financile handelingen recent zijn verricht.
    Indien daar een voor de politie positief antwoord op volgt en de
    informatie noodzakelijk lijkt voor het bewijs, wordt alsnog de
    formele procedure gevolgd. Zo ook in het financile traject in de
    zaak Charles Z.: In 1991 heeft het team die de zaak Charles Z.
    onderzocht contact gelegd met de toenmalige ABN bank om te vragen
    naar een hypotheek die verstrekt was voor het woonverblijf van
    Charles Z. Later is, aan de NMB bank dit keer, gevraagd naar een
    rekening van een bedrijf Investment cars B.V. die in relatie stond
    met Charles Z. Tevens is gevraagd of het onderzoekssubject aldaar
    een rekening hield. Dit was het geval. Bovendien meldde de bank dat
    zij nog een oninbare vordering had van ruim acht ton op betrokkene.
    Van de kant van de politie is vervolgens aan de veiligheidsdienst
    van de NMB aangegeven dat een beruchte wisselaar van criminele
    gelden in dienst was bij een van de vestigingen. De
    veiligheidsdienst ontdekte daarop een aantal verdachte
    wisseltransacties op het betreffende kantoor welke zijn gemeld aan
    het onderzoeksteam. Deze informeel verkregen informatie tijden de
    diverse bankbezoeken is later formeel opgevraagd met machtigingen
    van de rechter-commissaris. Zo is het team in oktober 1993 op
    bezoek geweest bij de ING bank waar een afschrift van het
    klantendossier van het bedrijf Investment Cars B.V. is opgevraagd.
    Noot In het openbaar verhoor van Van Gemert is het
    volgende gezegd over deze zaak:

    De voorzitter:
    In de zaak-Z is het toch wel gebeurd?
    De heer Van Gemert:
    In de zaak-Z is er inderdaad contact met een bank geweest en
    is informatie opgevraagd, maar de manier waarop het gebeurd is, is
    een andere geweest dan u net schetste.
    De voorzitter:
    Hoe dan?
    De heer Van Gemert:
    (…) Een derde mogelijkheid is dat in een groot onderzoek –
    ik praat dan over een opsporingsonderzoek, zoals in de zaak-Z – in
    een contact met de bank wordt aangegeven dat een
    opsporingsonderzoek gaande is en dat de vraag wordt gesteld of er
    van politiezijde behoefte is aan informatie. In bedoeld geval is
    dat gebeurd en heeft de bank een afweging gemaakt en heeft zij
    besloten, informatie aan de politie te verstrekken.
    De voorzitter:
    Zij gaf u dus die informatie vrijwillig.
    De heer Van Gemert:
    Ja. (…)
    De heer Van Gemert:
    Er was nog geen GVO.
    De voorzitter:
    Was er al een verdachte?
    De heer Van Gemert:
    In mijn beleving was er al een verdachte. (…)
    De voorzitter:
    Ik wil helder hebben of u in de manier waarop u informatie
    verzamelt onderscheid maakt tussen gevallen waarin er een verdachte
    is en gevallen waarin die er niet is.
    De heer Van Gemert:
    Daar maken wij onderscheid tussen. Ik zal u proberen uit te
    leggen waarom ik zo’n moeite heb met het antwoord op de vraag: ja
    of nee? Er was een situatie waarin besloten was een onderzoek te
    verrichten naar bepaald activiteiten van de heer Zwolsman. Er waren
    allerlei aanleidingen om dat te doen. Wij waren bezig met het
    verzamelen van informatie, er was sprake van een opsporingsfase,
    waarin ook open bronnen werden benaderd en er waren contacten met
    de belastingdienst. Op enig moment is er contact met een bank
    geweest. Toen hebben wij om informatie gevraagd en hebben wij die
    verkregen.
    De voorzitter:
    Dus in het opsporingsonderzoek?
    De heer Van Gemert:
    Ja.
    De voorzitter:
    Moet er voor een opsporingsonderzoek sprake zijn van een
    verdachte of kan er ook sprake zijn van zo’n onderzoek zonder dat
    er een verdachte of een verdenking is?
    De heer Van Gemert:
    Als u denkt aan het benoemen van een verdachte, zoals
    weergegeven in artikel 27 Strafvordering, moet ik zeggen dat er
    sprake kan zijn van een fase waarin je dat wellicht nog niet exact
    kan. Maar dan is er wel sprake van een opsporingsfase. Dat
    probeerde ik aan te geven toen ik het had over het arrest in de
    zaak-Zwolsman.
    Noot

    In deze zaak is bovendien niet alleen sprake van
    informatie-inwinning bij verschillende banken, maar ook van
    informatie-verstrekking aan een bank.
    Inmiddels zijn met banken nadere afspraken gemaakt over de wijze
    waarop
    politiefunctionarissen informatie kunnen verkrijgen.
    Noot Men streeft naar het vinden van een minder
    omslachtige weg om informatie op te vragen en te verstrekken.

    De heer Koekkoek:
    Maakt u in uw huidige onderzoeken ook gebruik van het vragen
    van informatie bij banken?
    De heer Dros:
    Wij hebben dat tot voor kort gedaan. Toen ik begonnen ben
    als teamleider op 1 april 1994 hebben wij hier uitputtend over
    gesproken met het openbaar ministerie en wij zijn met elkaar tot de
    conclusie gekomen dat het juridisch verantwoord kan, mits de
    resultaten van de vrijwillige medewerking van een bank niet leiden
    tot bewijzen in het dossier. Daarmee zou je namelijk mensen in de
    problemen kunnen brengen die hieraan meewerken. Wij hebben dit
    gedaan uit de optiek dat het bijzonder moeilijk is om zicht te
    krijgen op geldstromen. Het is, meen ik, hier verschillende malen
    aan de orde geweest dat het verstandig is om de financile
    deskundigheid bij de politie te vergroten. In mijn optiek is dat
    niet het grootste probleem, want die deskundigheid begint zo
    langzamerhand wel op orde te komen. Het grootste probleem is om de
    losse uiteinden te vinden van geldstromen en
    witwas-constructies.
    Noot

    Dezelfde wijze van informatie-inwinning heeft de commissie
    aangetroffen bij creditcardmaatschappijen en andere financile
    instellingen dan banken. Politiefunctionarissen benadrukken dat het
    hier gaat om een volkomen geaccepteerde vorm van informatie-
    inwinning. Vragen staat vrij.

    7.2.2 Misdaadanalyse

    Onder misdaadanalyse verstaat de commissie het opsporen en
    inzichtelijk maken van verbanden tussen criminaliteitsgegevens
    onderling en andere mogelijk relevante gegevens met het oog op de
    praktijk van politie en justitie. Noot Misdaadanalyse
    kan enerzijds gericht zijn op direct toepasbare resultaten voor de
    opsporings- en vervolgingspraktijk, dit is operationele
    misdaadanalyse. Dit kan onder meer resulteren in relatie-, familie-
    of handelsactiviteitenschema’s. Anderzijds kan de analyse een rol
    spelen in de bepaling van beleid, dit is strategische
    misdaadanalyse. Niet altijd is er een duidelijke scheiding tussen
    deze twee vormen. Bij operationele misdaadanalyse wordt met name
    gewerkt met reeds beschikbare gegevens uit opsporingsonderzoeken.
    Incidenteel wordt ter complementering informatie bij derden, ook
    van buitenlandse instanties, ingewonnen. Deze vorm van
    misdaadanalyse, en dan met name de relatieschema’s, wordt
    veelvuldig gebruikt in het kader van de bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit.

    lees meer

    fort2_105

    169 Zo raakten we aan de praat en we spraken af dat we alle informatie eens bij elkaar zouden leggen en dat hebben we dus gedaan. Wij wilden gewoon weten of we voorbeelden zouden vinden van parallel-importen.” Van Stormbroek nam vanaf dit moment deel aan de activiteiten van het “team-Snijders”. In een notitie d.d. 20 september 1997 van Snijders aan Van Brummen werden de achtergrond en het doel van een dienstreis naar Zuid-Amerika nader toegelicht. Snijders riep daarbij in herinnering dat zijn  voornaamste  opdracht  bestond  uit  het  exploitabel  maken  van  beschikbare  CID-informatie  voor diverse  onderzoeken.  Daarnaast  rekende  hij  het  tot  zijn  taak  –  als  afgeleide  van  spoor  2  –  om  te onderzoeken  welke  informatie  over  corruptie  van  overheidsambtenaren  beschikbaar  kon  komen  van de inlichtingendienst van de rijksrecherche.378 Hiermee sloot hij in zekere zin aan op het standpunt dat Pijl, de directeur rijksrecherche, in verband met de afbouw van spoor 2 had verwoord in een brief aan Steenhuis  betreffende  het  belang  van  corruptie-onderzoek  door  zijn  inlichtingendienst.379  Pijl  liet  zich in deze brief nogal negatief uit over het veelsoortig en ondoorzichtig geheel van opsporingsactiviteiten om  de  vragen  over  het  handelen  van  overheidsfunctionarissen  in  het  begin  van  de  jaren  negentig  op te   helderen.   Hij   wilde   bij   een   eventuele   hernieuwde   betrokkenheid   van   de   rijksrecherche   meer helderheid over het doel en de inhoud van de opdracht. Zijn uitgangspunt was dat alleen vraagpunten respectievelijk   onopgehelderde   kwesties   uit   het   verleden   moesten   worden   onderzocht   die   een doorwerking  hadden  op  de  integriteit  van  het  overheidshandelen  anno  1997.  Naast  zijn  voorstel  om het onderzoek naar vuurwapenbezit/handel van FIOD-medewerker De J. onder te brengen in het 060- onderzoek  van  het  LRT,  wees  hij  op  twee  ID-trajecten  die  interessante  informatie  konden  opleveren over  de  betrokkenheid  van  overheidsfunctionarissen  bij  drugstransporten  en  over  corruptie  van  een magistraat.    Het    was    in    dit    verband    nadrukkelijk    de    bedoeling    om    samen    te    werken    met reguliere CID’en, aldus Pijl. De activiteiten zouden worden verricht onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie te Haarlem. Om   de   bedoelde   inlichtingentrajecten   nader   vorm   te   geven   kwam   op   23   september   1997   een “denktank”  samen  waarin  het  parket  Haarlem,  de  rijksrecherche  en  de  CRI  participeerden.380   De aanwezigheid    van    Schouten    en    Van    Stormbroek    in    deze    denktank    bracht    met    zich    dat    de problematiek van de zogenaamde parallel-importen hoog op de agenda kwam te staan. Op   24   september   1997   werd   door   Snijders   aan   Schouten   en   Van   Stormbroek   de   opdracht verstrekt om een analyse van de parallel-importen te maken. De opdracht luidde381: “Onderzoek  of  er  in  Nederland  gelijktijdig  importen  van  grote  partijen  verdovende  middelen hebben plaatsgevonden middels op schepen aangevoerde containers (zogenaamde parallel- importen) en onderzoek een eventuele systematiek daarin.” Bij de analyse werd gebruik gemaakt van de volgende bronnen: A. Het   Interim   Informatie   Processen   Systeem   (IIPS)   van   de   CRI.   Dit   is   een   geautomatiseerd systeem  waarin  onder  andere  het  register  van  de  Nationale  Criminele  Inlichtingen  Dienst  (NCID) is ondergebracht. IIPS bevat onder anderen informatie over: – lopende en afgeronde politieonderzoeken in Nederland en Europa; – inbeslagnemingen van drugs in Nederland en Europa;                                                 378 Notitie J. Snijders d.d. 20 september 1997 aan H. van Brummen (D21). 379 Brief D. Pijl d.d. 12 september 1997 aan D. Steenhuis (B1). 380 Notitie J. Snijders d.d. 20 september 1997 aan H. van Brummen (D21) 381 Proces-verbaal d.d. 10 juli 1998 door A. van Stormbroek en P. Schouten (parallel-pv) (D5).

    << oudere artikelen