• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Justitie en Veiligheid

  • Nieuwsblog

  • Openbaarheid

  • Nationaal Veiligheidsarchief

  • Publicaties

  • Crisis en Onveiligheid

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Bijlage X – 4.1. Kerngegevens

    4. ACCOUNTANCY

    4.1. Kerngegevens

    4.1.1. De accountant als vertrouwenspersoon van onderneming en
    publiek

    De accountant stelt de betrouwbaarheid van financile gegevens
    vast. Deze controlerende taak kan hij uitoefenen in dienst van een
    bedrijf ten behoeve van dit bedrijf (interne accountant), als
    accountant-administratieconsulent of als openbaar accountant,
    veelal in dienst van een van de accountantskantoren. In deze
    laatste functie heeft hij de exclusieve bevoegdheid de jaarrekening
    van een onderneming van een verklaring te voorzien, die gebruikt
    mag worden in het maatschappelijke verkeer. Dit houdt in dat derden
    op de betrouwbaarheid van deze verklaring af moeten kunnen gaan en
    dat derhalve hoge eisen worden gesteld aan de onafhankelijkheid van
    de openbaar accountant.

    lees meer

    Bijlage X – 6.5. Recapitulatie

    6.5. Recapitulatie

    Het schatten van de omvang van de schade die frauduleuze
    praktijken teweegbrengen, is om uiteenlopende redenen een
    moeilijke, en ten aanzien van een aantal fraudevormen zelfs een
    onmogelijke opgave. Niettemin kan op basis van de beschikbare
    gegevens worden geconcludeerd dat georganiseerde fraude diep
    ingrijpt in het economische verkeer, waarbij in het geval van
    fraudes met een symbiotische component niet alleen gedacht moet
    worden aan de materile schade die teweeg wordt gebracht, maar ook
    aan de verstoorde concurrentieverhoudingen die door toedoen van de
    fraudeurs ontstaan. Hoewel dit op basis van het empirische
    materiaal moeilijk in harde cijfers is uit te drukken, staat ook de
    winstgevendheid van frauduleuze praktijken buiten kijf. In
    combinatie met de relatief geringe pakkans in dit type van zaken –
    aan fraudebestrijding wordt, zoals is uiteengezet in hoofdstuk 2,
    geen hoge prioriteit toegekend – mag worden verondersteld dat het
    (brede) fraudeterrein onverminderd aantrekkingskracht op criminele
    groepen – en op legale bedrijven in het kader van
    organisatiecriminaliteit – zal blijven uitoefenen.

    lees meer

    Bijlage XI – WOORD VOORAF

    WOORD VOORAF

    Deze studie bevat een analyse van de georganiseerde
    criminaliteit in Amsterdam. Zij vormt een van de rapporten die in
    opdracht van de Parlementaire Enqute-commissie Opsporingsmethoden
    zijn vervaardigd omtrent de aard, ernst, omvang en ontwikkeling van
    de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het onderzoek waarop
    deze analyse berust, werd uitgevoerd in de periode 8 mei – 8 juli
    1995. Aan dit rapport werd rond 20 augustus 1995 de laatste hand
    gelegd, nadat het concept op 11 augustus 1995 uitvoerig was
    besproken met een aantal vertegenwoordigers van politie en justitie
    in Amsterdam. Deze bespreking stond natuurlijk geenszins in het
    teken van enige fiattering van dit rapport. Zij had bovenal tot
    doel na te gaan of bepaalde gebeurtenissen wel juist zijn
    genterpreteerd, belangrijke ontwikkelingen wel naar waarde zijn
    ingeschat, sommige conclusies niet overijld zijn getrokken. Het
    spreekt dan ook vanzelf dat alle feilen die dit rapport ook nu nog
    vertoont, geheel voor onze rekening komen.

    lees meer

    Bijlage XI – 2.3. De reorganisatie van het Amsterdamse politiekorps

    2.3. De reorganisatie van het Amsterdamse politiekorps

    Bij de bespreking van de waarde van de politiebronnen die door
    ons zijn geraadpleegd, werd er al op gewezen dat de informatie die
    zij bevatten, niet alleen veel zegt over de georganiseerde
    criminaliteit in de stad, maar zeker ook over het politile beleid
    dat ten aanzien van deze criminaliteit is gevoerd. Hierom past het
    om in dit hoofdstuk over de historische context van de actuele
    ontwikkelingen ook stil te staan bij de reorganisatie van het
    Amsterdamse politiekorps in de voorbije jaren, althans voorzover
    die raakt aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
    Immers, de mate waarin haar bestrijding tot prioriteit is verheven
    en ook in de organisatie van het korps tot uitdrukking is gebracht,
    is in hoge mate bepalend voor het politile beeld van de
    georganiseerde criminaliteit in Amsterdam.

    lees meer

    Bijlage I – 4.1 Interne onderzoeken

    HOOFDSTUK 4 HET ONDERZOEK

    Bij het inrichten van haar onderzoek koos de commissie voor twee
    – parallel lopende – onderzoekstrajecten: de interne en externe
    onderzoeken. De interne onderzoeken werden door de commissie en
    haar staf uitgevoerd; de externe onderzoeken werd uitbesteed aan
    wetenschappers.

    lees meer

    Bijlage V – 10.3 Informatie-uitwisseling

    10.3 Informatie-uitwisseling

    10.3.1 Algemeen

    Informatie-uitwisseling via de formele weg verloopt traag. De
    inwilliging van rechtshulpverzoeken verloopt (te) langzaam, zowel
    door Nederland als door het buitenland. Doorgaans moet een
    rechtshulpverzoek in het buitenland eerst naar een centrale
    autoriteit en door deze autoriteit in handen worden gesteld aan een
    uitvoeringsinstantie. Er bestaan overigens wel grote verschillen.
    In Nederland scheelt dit van regio tot regio; in sommige
    arrondissementen zijn mensen voor internationale assistentie
    speciaal vrijgesteld. Wat betreft uitgaande verzoeken kan van de
    diverse vreemde staten hetzelfde worden gezegd; in het algemeen
    zijn de Europese landen het snelst.

    lees meer

    Bijlage V – Edwards

    Edwards

    EHRM 16 december 1992, NJCM Bulletin 1993, p. 449-453 met
    commentaar Myer (Art. 6 EVRM)
    De veroordeling van Edwards was hoofdzakelijk gebaseerd op door de
    politie verzameld bewijsmateriaal. Edwards bestreed dat hij het
    plegen van de tenlastegelegde delicten (one count of robbery and
    two counts of burglary) zou hebben bekend. Vervolgens kwam aan het
    licht dat bepaalde feiten niet door de politie aan de verdediging
    bekend waren gemaakt, zodat het voor de verdediging niet mogelijk
    was de geloofwaardigheid en juistheid van de politieverklaringen
    aan te vechten.

    lees meer

    Bijlage V – 4.5 Tegenprestaties voor informatie

    4.5 Tegenprestaties voor informatie: geld en deals

    De tegenprestaties kunnen worden geleverd in geld of andere
    prestaties. Er dient hier op te worden gewezen dat tegenover
    geleverde inlichtingen niet steeds een tegenprestatie behoeft te
    staan. Te denken valt bijvoorbeeld aan incidentele tipgevers uit de
    bovenwereld die hun informatie om niet ter beschikking van de
    politie stellen. Maar ook criminele informanten stellen soms hun
    informatie ter beschikking van de politie zonder dat het hen (in de
    eerste plaats) gaat om het geld dat er mee te verdienen is. Ze
    hebben bijvoorbeeld de verwachting dat het hen wat zal opleveren
    als ze worden aangehouden voor een gepleegd strafbaar feit;

    lees meer

    Bijlage V – 8.3 Beheer van registers, sturing en controle

    8.3 Beheer van registers, sturing en controle

    8.3.1 Politieregisters

    Beheer, sturing en controle houden in de eerste plaats in
    voorafgaand toezicht, aanwijzing van de met uitvoering belaste
    functionarissen, reguliere en incidentele controle, uitoefening van
    het gezag en de uitoefening van rechten door de registreerden.

    lees meer

    Bijlage VI – 3.2 Organisatie CID

    3.2 Organisatie CID

    3.2.1 Taak

    Taakomschrijving CID

    lees meer

    Bijlage VI – 7.6 Het Milieubijstandsteam

    7.6 Het Milieubijstandsteam

    7.6.1 De organisatie

    Het Milieubijstandsteam (MBT) valt onder de Inspectie
    milieuhygine die een onderdeel is van het Directoraat-generaal
    milieubeheer van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
    Ordening en Milieubeheer (VROM). Het MBT is opgericht in 1985. De
    Inspectie milieuhygine bestaat uit een hoofdinspectie en negen
    regionale inspecties. De hoofdinspectie bestaat onder meer uit de
    Hoofdafdeling handhaving milieuwetgeving die is belast met de
    centrale cordinatie van toezicht- en opsporingsactiviteiten van
    alle inspecties. Deze hoofdafdeling bestaat onder meer uit de
    Afdeling toezicht afvalstoffen, de Afdeling toezicht straling,
    stoffen en produkten en de Afdeling milieudelicten. Het hoofd van
    deze laatste afdeling is tevens hoofd van het MBT.
    Noot

    lees meer

    Bijlage VII – IV.2. De handel in drugs

    IV.2. De handel in drugs

    IV.2.1. De overheersende rol van de drugshandel in de
    georganiseerde criminaliteit

    De ontwikkeling van de georganiseerde criminaliteit in Nederland
    vanaf het begin van de jaren zeventig is nauw verbonden met de
    opkomst van een omvangrijke nationale en internationale
    consumentenmarkt in drugs en met de introductie van commercile
    handel, distributie en verkoop van verdovende middelen. Het lijdt
    geen
    twijfel of de handel in drugs heeft andere vormen van zware
    criminaliteit voor een belangrijk deel verdrongen en grote
    zuigkracht uitgeoefend op de onderwereld en de individuele personen
    die daar hun inkomsten verwerven. Vergeleken met het overwinnen van
    de obstakels op de burgerlijke weg die leidt tot maatschappelijk en
    economisch succes is de drempel voor toetreding in de drugshandel
    laag. Formele diploma’s en gespecialiseerde kennis worden hier niet
    gevraagd. De pakkans bij de uitvoering van criminele projecten is
    gering en dat geldt zeker voor de jaren zeventig en tachtig toen de
    politie de import en handel van cannabis vrijwel ongemoeid liet.
    Het simpele verschil tussen de prijzen van inkoop en verkoop van
    drugs is zo groot dat handelaren de vangst van n of enkele partijen
    contrabande gemakkelijk kunnen overleven. De vervangingswaarde van
    de inbeslaggenomen kapitaalgoederen die nodig zijn voor de
    produktie, het transport en de distributie van drugs, is naar
    verhouding tot de waarde van het produkt zelf zo laag dat men het
    verlies wel kan velen. Sommige onconventionele eigenschappen
    strekken wel tot aanbeveling om in deze handel te floreren.
    Drugshandelaren moeten over voldoende lef en koelbloedigheid
    beschikken om in deze (niet door de overheid gereglementeerde en
    beheerste) markt geweld te gebruiken om hun belangen te verdedigen
    als dat nodig is of om daar althans effectief mee te dreigen, en
    zij moeten voldoende sluwheid aan de dag kunnen leggen om het
    voortdurende gevaar om door de handelspartner of de concurrent te
    worden bedrogen, het hoofd te kunnen bieden. Verder is het vooral
    een kwestie van het voorhanden hebben van vrij besteedbaar kapitaal
    om de smokkel van grote partijen te financieren. Wie bezaten die
    lef en arglistigheid en wie hadden de beschikking over zo’n grote
    hoeveelheid onbelast kapitaal om de groothandel in drugs van de
    grond te krijgen?

    lees meer

    Bijlage VIII – 3.1. Het verhaal achter de feiten

    3.1. Het verhaal achter de feiten

    De autochtone georganiseerde criminaliteit van dit moment is
    hoofdzakelijk een kwestie van grootschalige drugshandel.
    Groothandel in hash, althans op het eerste oog, is daarbij het
    grootst, dan groothandel in zowel hard drugs (cocane, herone) als
    in amphetamine- en XTC-preparaten, en tot slot wellicht (een deel
    van) de handel in nederwiet. (Hierbij zij wel aangetekend dat H.
    van de Bunt in het kader van dit onderzoek speciaal een aantal
    belangrijke fraude-gevallen heeft geanalyseerd.) Natuurlijk doet
    deze vaststelling, die hierna wordt onderbouwd, de vraag rijzen hoe
    het komt dat Nederlandse criminele groepen, met name in de
    hashhandel, ook internationaal gezien, een sterke positie hebben
    kunnen opbouwen. Deze vraag is minder gemakkelijk te beantwoorden
    dan het lijkt maar er zijn wel enkele aanzetten te geven dankzij de
    informatie van enkele politiemensen en officieren van justitie die
    in de voorbije jaren van zr nabij de drugshandel hebben
    gevolgd.

    lees meer

    Bijlage VIII – III.2. De mafia’s van Turkije

    III.2. De mafia’s van Turkije

    Het is niet eenvoudig om goed zicht te krijgen op het
    uitgestrekte panorama van de georganiseerde misdaad in Turkije.
    Anders dan over vele andere drugsexporterende landen bestaat er
    weinig wetenschappelijke literatuur over en zeker niet in een
    Europese taal. Het verslag dat de NRC-journalist R. van der Roer
    (1989) over de toenmalige Turkse mafia in Nederland samenstelde op
    grond van mededelingen van de Nederlandse politie en justitie,
    behoort nog tot de beste stukken. Hij beschrijft de toestand in de
    jaren tachtig. Voor de politie is de grote moeilijkheid om uit te
    vinden met welke mafiafamilies in Turkije de organisaties in
    West-Europa handel drijven. De organisaties zijn redelijk goed
    afgeschermd en Turkse verdachten zijn weinig mededeelzaam. Aan de
    andere kant manifesteren de Turkse peetvaders (baba’s of de
    aga’s) van de georganiseerde misdaad zich in Turkije
    openlijker dan waar ook ter wereld! Zij geven interviews aan
    journalisten en laten zich onbekommerd ondervragen voor de
    televisie. Zij gebruiken de media om een image op te bouwen van
    mannen van eer en weldoeners der mensheid. Turken in West-Europa
    kunnen dat sedert de introductie van de schotelantenne goed volgen
    en als gespreksonderwerp is het even populair als de mafia dat is
    in Amerika. De vrijheid die journalisten met betrekking tot dit
    onderwerp genieten is ongekend. Bij het interviewen van de
    peetvaders maken zij met succes gebruik van hun verschoningsrecht.
    Een aantal hunner loopt de politiebureaus en gerechtsgebouwen
    onbekommerd in en uit. In hun reportages gedragen zich als
    aasgieren. De gruwelijke details van de onderlinge strijd worden de
    lezers en kijkers niet bespaard, in tegendeel, er wordt veel geld
    voor geboden. De foto’s van de drie afgesneden en verbrande hoofden
    die in 1992 in het Brielse Meer zijn aangetroffen (waarover
    hieronder meer) zijn niet aan de Nederlandse media verstrekt, maar
    ze hebben (zonder twijfel na te zijn afgestaan door de Turkse
    politie die men uit Rotterdam een serie had gestuurd) wel in kleur
    de voorpagina’s van de Turkse dagbladen gehaald.

    lees meer

    Bijlage VIII – VII.2. De razendsnelle opkomst van de Colombiaanse kartels

    VII.2. De razendsnelle opkomst van de Colombiaanse
    kartels

    De opkomst van de drugskartels volgt logisch op de groei van de
    vraag naar dit verdovende middel. In de jaren zestig en zeventig
    was het witte poeder het genotmiddel van de avant-garde en
    culturele elite en in tegenstelling tot de onbeschaafde herone was
    het de champagne onder de drugs. In de tweede helft van de jaren
    zeventig zonk dit cultuurgoed naar lagere welstandsklassen en in de
    Verenigde Staten werd het tegenwoordig niet enkel meer gesnoven,
    maar ook gerookt (free-basen) en gebruikt in de vorm van crack.
    Crack is de rookbare variant van cocane HCL. In de Verenigde Staten
    wordt het zuur vermengd met bakpoeder, in Nederland met ammonia.
    Crack is in Nederland moeilijk te vinden (nochtans bleken bij
    cocanemonsters in 1994 in Rotterdam wel degelijk crack of freebase
    voor te komen, NRC/Handelsblad, 12.11.1994), de zwarte getto’s van
    de Verenigde Staten zijn er verschrikkelijk door getroffen.
    Coca-bladeren werden in Zuid-Amerika door plaatselijke bevolkingen
    wel gebruikt om op te kauwen en daardoor het werk langer vol te
    houden. De mijnwerkers in Peru konden het werk niet aan zonder hun
    coca-pruim en zij werden voor een gedeelte van hun loon ook in coca
    uitbetaald. Het verhaal van de wereldwijde opkomst van coke is
    veelvuldig beschreven: de vraag steeg reusachtig en het moderne
    transport maakte het mogelijk aan een toenemende vraag te voldoen.
    Alvorens poeder of de cocanebase uit te kunnen voeren moeten de
    bladeren in keukens of laboratoria worden gekookt (met behulp van
    onder andere petroleum) en de zo gewonnen pasta wordt vervolgens
    geraffineerd (met behulp van onder andere ether en aceton) en tot
    poeder gemaakt (dat is het zuur cocanehydrochloride). Die laatste
    bewerking kan ook elders plaatsvinden, want de pasta is voldoende
    geconcentreerd om in kleine exporthoeveelheden toch nog veel op te
    brengen. Vandaar de suggestie dat in het doorvoerland Suriname zelf
    cocane zou worden geraffineerd. Overigens is ook in Europa en in
    Nederland al cocanebase aangetroffen. Colombia is voor de genoemde
    chemische hulpvloeistoffen afhankelijk van het Westen en sinds de
    export daarvan is verboden, zit men soms zonder.

    lees meer

    << oudere artikelen