• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage X – LITERATUUR

    LITERATUUR

    Berends, M.,
    NL Law. De dagelijkse gang van zaken,
    Justitile Verkenningen, jrg. 18, nr. 6, 1992, pp. 64-75
    Boekman, S.,
    Het huidige advocatentuchtrecht,
    Zwolle, Tjeenk Willink, 1993
    Bruinsma, F., N. J. H. Huls,
    De top-7 in de commercile advocatuur,
    NJB 1990, pp, 851-859
    Bijzondere Gedragscode NOB,
    1995
    Dijk, K. E. J.,
    De notaris en de frauduleuze vennootschap,
    SEC 1994, pp. 28-32
    Domburg, P. J. M. van,
    Over de grenzen van het verschoningsrecht,
    Den Haag, VUGA 1994
    Dubbeld, C. en F. A. van Schaik,
    Accountants kiezen voor zelfregulering bij
    fraudemelding
    ,
    NJB, afl. 42, 25 november 1994, pp. 1445-1449
    Emanuels, J. A.,
    Overwegingen van accountants bij beslissingen in
    conflictsituaties
    , Den Haag, SDU, 1995
    Gortemaker, J. C. A.,
    Fraude in de Jaarrekening,
    Dossier, 1992, nr. 9, pp. 162-165
    Groot-Van Leeuwen de, L. E.,
    De advocaat tussen clint en samenleving,
    Justitile Verkenningen 1995, 4, pp. 107-118
    Handleiding voor accountants bij de Verordening op de
    Fraudemelding,
    NIVRA,
    1994 Hassel, W. G.,
    Wat de advocaat betaamt,
    Advocatenblad, 7 oktober 1992, pp. 509-513
    Hogenboom, A. B., V. Mul, A. Wielinga,
    Financile integriteit. Normafwijkend gedrag en (zelf)regulering
    binnen het financile stelsel
    , Gouda Quint, Arnhem, 1995
    Jacobs, F.,
    Rechterlijke terughoudendheid bij een eerloze advocaat,
    Trema 1995, no 4, pp. 118-120
    Kwartaalbericht Rechtsbescherming en Veiligheid,
    CBS, Den Haag, 1994/2
    Klijn, A, J. G. C. Kester en F. W. M. Huls,
    Advocatuur in Nederland 1952-1992,
    Justitile verkenningen, jrg 18, nr 6, 1992, pp. 10-44
    KPMG,
    Kosten en opbrengsten van het notariaat,
    Amstelveen 1994
    Maurik, M. J. A. van,
    De essentialia van het notarisambt,
    NJB 19 mei 1995, pp. 731-737
    Metselaar, F. J.,
    De Federatie-belastingadviseur en criminaliteit,
    NJB, afl. 42, 25 november 1994, pp. 1454-1456
    Meurs, R. van,
    De accountant wordt steeds kreukbaarder,
    Vrij Nederland, 16 oktober 1993, pp. 42-47
    Minkjan, E. E.,
    Veertig jaar Nederlandse orde; vijftien dekens en hun
    redes
    ,
    Justitile verkenningen, jrg 18, nr 6, 1992, pp. 45-63
    Moleveld, W. P.,
    Fraudemelding door accountants. Een overzicht van gebeurtenissen
    vanaf 1987 tot heden
    , De Accountant, nr. 8, april 1992, pp.
    459-462
    Muis, J. W.,
    Fraude en Accountant,
    Dossier, 1992, nr. 7, pp. 135-142 NIVRA-Jaarverslagen, 1990/1991,
    1991/1992, 1992/1993, 1993/1994
    NIVRA,
    Verordening Gedrags- en Beroepsregels
    Registeraccountants
    ,
    1994
    NOvAA,
    Verslag van de Werkzaamheden,
    1994
    Quant, L. H. A. J. M.,
    Advocaat en ethiek. Een inleidende beschouwing,
    Advocatenblad, 6 januari 1995a, pp. 17-20.
    Quant, L. H. A. J. M.,
    Advocaat en criminaliteit,
    Trema, nr. 6, 1995b, pp. 183-186
    Regoort, C. J., A. Schilder, E. Boom,

    lees meer

    Bijlage X – 8.2. De rol van tussenpersonen

    8.2. De rol van tussenpersonen

    Zoals aangegeven in het vorige hoofdstuk, is er sprake van een
    levendige handel in rechtspersonen. Die handel moet zeker niet
    alleen worden gezien als een vorm van dienstverlening aan criminele
    groepen. Ook wettige deelnemers aan het economische verkeer kunnen
    baat hebben bij het afstoten van BV’s en/of het kopen van een
    plank-BV. De particuliere handelaar A, die in dit hoofdstuk
    centraal staat, kwam op de volgende wijze tegemoet aan de wensen
    van zijn bonafide clinten.

    lees meer

    Bijlage XI – 4.1. Inleiding

    4. GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT:

    OOK IN LEGALE BRANCHES?

    4.1. Inleiding

    Het belang van de rol die georganiseerde criminaliteit in een
    samenleving speelt, kan aan meer worden afgemeten dan aan het
    niveau van geweldgebruik, de omvang van zwarte markten en de
    (on)leefbaarheid van bepaalde buurten. Dit belang wordt, algemeen,
    namelijk ook afgemeten aan de mate waarin criminele groepen de
    inkomsten die zij via illegale handel hebben verworven, ook uit
    winstbejag omzetten in illegale, of toch op zijn minst
    bedenkelijke, vormen van controle over op zichzelf hele reguliere,
    legale sectoren van het economische leven. Is dit namelijk in
    verregaande mate het geval, dan is er niet langer sprake van de
    ontplooiing van zomaar illegale activiteiten, maar van de
    afschaffing van een zo vrij mogelijke economische orde in die
    sectoren, en dus van de opheffing van n van de basisbeginselen van
    de maatschappij die wij kennen. En dit temeer omdat criminele
    groepen die een dergelijke economische machtspositie hebben weten
    uit te bouwen, veelal bereid zijn om hun monopolie in de
    desbetreffende branches niet alleen met corruptie, maar
    uiteindelijk ook met geweld – tegen wie dan ook – te verdedigen. De
    voorbeelden van deze situatie liggen in Itali, in Japan, in de
    Verenigde Staten en elders voor het oprapen! In een studie als deze
    is het dus ook van groot belang om na te gaan of een dergelijke
    situatie ook in Amsterdam is ontstaan, of aan het ontstaan is. Zou
    zij hier inderdaad bestaan, dan zou het probleem van de
    georganiseerde criminaliteit veel ernstiger zijn dan menigeen
    momenteel denkt. Zou ze hier helemaal niet bestaan, dan betekent
    dit dat er nog altijd een zr groot verschil is tussen het probleem
    van die criminaliteit in steden als Tokyo, Kobe, Palermo, Napels en
    New York, en dat in de hoofdstad van Nederland. Of ligt het niet zo
    zwart-wit? Om deze vraag te kunnen
    beantwoorden, hebben wij de liggende informatie over
    (georganiseerde) criminaliteit in vier branches bij elkaar
    gebracht: de horeca en het gokwezen, de textielnijverheid, de
    bouwnijverheid en het particuliere vervoer. De keuze van deze
    branches is zeker enigermate bepaald door het feit dat er reeds
    enig onderzoek is verricht naar de mogelijke criminele kanten van
    deze branches. Anderzijds is zij vooral ingegeven door wat
    buitenlands onderzoek op dit gebied heeft opgeleverd. En dit is dat
    ook de onderhavige branches om uiteenlopende redenen nogal vatbaar
    zijn voor penetratie van criminele groepen. Met andere woorden: als
    het probleem van de georganiseerde criminaliteit in Amsterdam – in
    economisch opzicht – veel groter is dan gewoonlijk wordt gedacht,
    dan moet dit aan de criminaliteit in de bedoelde branches te zien
    zijn. Overigens moeten de beschrijvingen van de Amsterdamse
    situatie die hierna worden gepresenteerd, worden bezien in relatie
    tot de landelijke rapporten die over de desbetreffende branches
    zijn geschreven.

    lees meer

    Bijlage XI – 6.1. Benvloeding van de overheid en vrije-beroepsbeoefenaars

    6. DE INVLOED VAN DE GEORGANISEERDE MISDAAD OP DE
    STAD

    6.1. Benvloeding van de overheid en
    vrije-beroepsbeoefenaars

    In welke mate wordt de integriteit van het overheidsgezag en van de
    vrije-beroepsbeoefenaars in de drie steden bedreigd? Welke
    aanwijzingen zijn er dat criminele organisaties pogen informatie te
    verkrijgen waarmee zij hun voordeel kunnen doen of zelfs
    beslissingen ten gunste van zichzelf kunnen benvloeden? Wij zullen
    bij het beschrijven van de gesignaleerde gevallen overigens geen
    onderscheid naar stad maken. Een tweede opmerking vooraf is dat de
    meeste gevallen zich bij de politie afspeelden. Alle gevallen
    hebben zich afgespeeld in de periode 1990-1994.

    lees meer

    Bijlage I – 6.2 Het verloop van de verhoren

    6.2 Het verloop van de verhoren

    6.2.1 Aanvang verhoren

    De commissie besloot voorafgaand aan iedere verhoordag in de
    persoon van de voorzitter een persbriefing te geven. Tijdens deze
    briefing konden vragen worden gesteld over de voorafgaande dag en
    werden de getuigen van de volgende verhoordag en de met hen te
    bespreken onderwerpen gentroduceerd. Op woensdag 6 september 1995
    om 10.00 uur werd in de plenaire vergaderzaal van de Eerste Kamer
    een aanvang gemaakt met de openbare verhoren. Als eerste werd
    verhoord prof. dr C. Fijnaut, leider van de onderzoeksgroep die in
    opdracht van de commissie onderzoek deed naar de aard, omvang en
    ernst van de zware, georganiseerde criminaliteit in Nederland.

    lees meer

    Bijlage V – 11.3 Inventarisatie van opsporingsmethoden in Duitsland

    11.3 Inventarisatie van opsporingsmethoden in
    Duitsland

    11.3.1 De georganiseerde misdaad in Duitsland

    lees meer

    Bijlage V – Inlichtingen PTT

    Inlichtingen PTT

    HR 8 november 1994, (nr. 97.639) NJB 27 januari 1995, nr. 15 p.
    54-55
    (Artt. 11 lid 3 Wet Persoonsregistratie en 6 en 8 EVRM)
    1. Het verstrekken van inlichtingen over telefoonnummers en
    tenaamstellingen van telefoonaansluitingen valt niet onder bereik
    van art. 125f (oud) Sv en levert een inbreuk op de privacy (art 8
    EVRM). Hoge Raad:

    lees meer

    Bijlage V – 5.4 Feitelijk gebruik

    5.4 Feitelijk gebruik

    5.4.1 Kwantitatieve gegevens

    De mate waarin infiltratie voorkomt blijkt moeilijk vast te
    stellen. Gebruik is gemaakt voor wat de politile infiltratie
    betreft van het rapport De Wit, van de ministerile doorlichting en
    van de aanmeldingsformulieren die de Centrale Toetsingscommissie
    hebben bereikt. De uit die rapporten te distilleren cijfers
    verdienen echter kritische aandacht: enkele grote Nederlandse
    infiltratie-projecten konden niet worden teruggevonden in de
    doorlichting. Bovendien relativeert de inhoud van gesprekken met
    personen die zich met politie-infiltratie hebben beziggehouden de
    kwantiteit.

    lees meer

    Bijlage V – 9.5 Conclusies

    9.5 Conclusies

    9.5.1 Belangrijkste bevindingen

    In dit hoofdstuk zijn enkele bijzondere opsporingsmethoden
    onderzocht en is met name aandacht besteed aan de vraag welke
    mogelijke corruptie-risico’s aan het gebruik van deze methoden
    verbonden kunnen zijn. In Figuur 1 worden deze risico’s
    gellustreerd aan de hand van een aantal voorbeelden uit de
    bestudeerde casus.

    lees meer

    Bijlage VI – 4.4 Samenwerking

    4.4 Samenwerking

    4.4.1 Samenwerking tactische recherche-eenheden van
    verschillende regiokorpsen

    De regionalisering van de politie lijkt goeddeels een einde te
    hebben gemaakt aan de veelvuldige ad hoc verbanden waarin
    recherche-afdelingen van verschillende korpsen onderzoeken
    aanpakten. Onderzoeken door gecombineerde teams van centrale
    tactische recherche-afdelingen uit verschillende regiokorpsen zijn
    minder noodzakelijk dan vroeger. De regionale rechercheteams zijn
    van een behoorlijke omvang en kunnen meestal ook nog putten uit
    recherchecapaciteit bij de districten. Voor grote,
    regio-overschrijdende onderzoeken zijn bovendien kernteams
    werkzaam.

    lees meer

    Bijlage VI – 8.6 Conclusies

    8.6 Conclusies

    1 De BVD verricht niet op eigen initiatief onderzoek naar
    strafbare feiten. 2 De BVD beschikt niet over een inventarisatie
    van gevallen waarin de georganiseerde criminaliteit de integriteit
    van de overheid bedreigt.

    lees meer

    Bijlage VII – V.3. Het transport over de weg, over zee en via de lucht

    V.3. Het transport over de weg, over zee en via de
    lucht

    De geografische ligging van Nederland heeft gevolgen voor de
    aard en de omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.
    De uitstekende transportverbindingen en de aanwezigheid van enkele
    vitale transportknooppunten van diverse internationale
    handelsroutes, de haven Rotterdam en de luchthaven Schiphol, bieden
    internationale smokkelaars de mogelijkheid hun illegale waar naar
    de gewenste plaatsen te vervoeren. De smokkelwaar, waaronder drugs,
    wapens, gestolen auto’s, gevaarlijk afval, bedreigde dieren- en
    plantensoorten, is verstopt in de massale goederenstromen die over
    de weg of via beide havens dagelijks Nederland binnen worden
    gebracht. Er wordt door de (inter)nationale georganiseerde
    criminaliteit gewoon geprofiteerd van de aanwezige infrastructuur
    in ons land.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.3. De Hells Angels

    4.3. De Hells Angels: een netwerk apart

    Hierboven – bij de beschrijving van twee netwerken die actief
    zijn in de produktie van synthetische drugs – kwam al naar voren
    dat n van deze netwerken een deel van de amphetamine verkocht aan
    Hells Angels in Amsterdam, die dat dan weer onmiddellijk
    doorverkochten naar Engeland. Wat bij de bespreking van het andere
    netwerk niet werd aangestipt, maar hier wel moet worden gemeld, is
    dat een bepaalde hoeveelheid van de illegaal ingevoerde
    grondstoffen, via omwegen in Brabant, ook terecht kwam bij de Hells
    Angels in de hoofdstad. Geconfronteerd met zulke feiten, moet men
    zich wel de vraag stellen wat de rol van de Angels in de
    georganiseerde criminaliteit is.

    lees meer

    Bijlage VIII – IV.1. Uit de hete schaduw van de Islam

    IV. MAROKKAANSE GROEPEN IN NEDERLAND

    IV.1. Uit de hete schaduw van de Islam

    Geen land in de wereld is in de afgelopen vijf of tien jaar zo
    snel omhooggeschoten aan het firmament van drugs-exporterende
    landen als Marokko. Naast de Gouden Driehoek (Birma, Laos en
    Thailand), de Gouden Sikkel (Irak, Pakistan en Afghanistan) en de
    Gouden Ruit (Venezuela, Peru, Colombia, Bolivia en Brazili) is
    Marokko thans bezig met een illegale drugseconomische opmars uit de
    hete schaduw van de Islam (om met de ondertitel van een bekende
    beschrijving van het Marokkaanse land en volk te zeggen;
    Heinemeijer, 1960). Naar schatting is nu reeds tweederde van de
    inkomsten van de export of tien procent van de inkomsten van het
    land afkomstig van de drugshandel. Omdat het land zich, gemeten
    naar de maatstaven van de formele en legale economie, in een
    langdurige economische crisis bevindt mag men niet anders
    verwachten dan dat de houding van de koning en de overheid in de
    oorlog tegen de drugs die zij op instigatie van het Westen vanaf
    oktober 1992 voeren, op zijn minst ambivalent is. De minister van
    Binnenlandse Zaken van Marokko stelde in 1994 publiekelijk vast dat
    ruim 100.000 gezinnen er voor hun inkomsten van afhankelijk zijn.
    Sommige Marokkaanse intellectuelen en ook de politieke oppositie
    (vergelijk De Volkskrant, 1.7.1995) maken zich ernstige zorgen om
    de corrumperende invloed die uitgaat van de groeiende macht van de
    georganiseerde misdaad in wiens handen deze handel is gevallen. De
    onafhankelijke onderzoeksinstelling Observatoire Gopolitique des
    Drogues
    te Parijs onder leiding van Professor Alain Labrousse
    aarzelt niet om in haar recente landenoverzicht van 1994 Marokko in
    te delen bij de Narco-staten, dat wil zeggen dat de
    georganiseerde misdaad, gelieerd aan de drugshandel, in alle
    staatsinstellingen macht uitoefent. Over de opkomst van de
    drugshandel in Marokko is veel geschreven door beoefenaren van de
    wetenschap en er is veel te vinden in (Franse en Arabisch-talige)
    kranten. Deze zijn voor ons ontsloten door enkele intellectuelen
    uit de Marokkaanse gemeenschap, die overigens als gesprekspartner
    veel waardevolle informatie hebben verschaft. Dat zij anoniem
    willen blijven, vormt op zichzelf een illustratie van het probleem
    van de beheersing van Marokkaanse emigranten door de Marokkaanse
    staat. Zij zijn bevreesd hun Marokkaanse staatsburgerschap kwijt te
    raken omdat alle Marokkanen geacht worden loyaal te zijn aan de
    islamitische godsdienst, de koning en het vaderland. Verder lopen
    zij het risico strafrechtelijk te worden vervolgd wegens
    hoogverraad. De Amsterdamse sociaal-geograaf Paolo De Mas heeft
    zich al meer dan tien jaar ontpopt als Marokko-watcher en van zijn
    informatie is hier dan ook dankbaar gebruik gemaakt. Tenslotte
    berust dit hoofdstuk op wetenschappelijke literatuur en op
    informatiebronnen van de politie als alle andere. De zeer
    omvangrijke
    literatuur over Marokkaanse criminaliteit in Nederland is slechts
    beperkt bruikbaar, omdat deze gaat over de oorzaken van de
    Marokkaanse jeugdcriminaliteit en nauwelijks over georganiseerde
    misdaad.

    lees meer

    Bijlage VIII – VIII.2. De situatie in Nederland

    VIII.2. De situatie in Nederland

    Hoe de toestand in Nederland ligt, valt eigenlijk ook niet te
    beoordelen, gewoon door het gebrek aan gericht onderzoek, zowel op
    lokaal als op nationaal niveau. Niettemin is het voor alles van
    belang om iets te zeggen over de grootte van de Nigeriaanse en
    Ghanese gemeenschappen in Nederland. Met name ook omdat de
    uitspraken van de Amsterdamse hoofdcommissaris hierover, alweer
    enkele jaren geleden, voor veel commotie hebben gezorgd. Volgens de
    officile cijfers liepen de aantallen Nigerianen en Ghanezen in ons
    land op het einde van de jaren tachtig en in het begin van de jaren
    negentig snel op. Het aantal Nigeriaanse asielzoekers bedroeg in
    1987 nog slechts 167, in 1990 was het 901 en in 1991.740. Dat van
    de Ghanese asielzoekers wisselde nog sterker: in 1987 was het
    2.515, in 1990.715 en in 1991.465. In totaal in de periode
    1987-1991 bedroeg het aantal Nigeriaanse en Ghanese asielzoekers
    2.356 respectievelijk 5.427. Per 1 januari 1993
    verbleven er 9.385 mensen van Ghanese herkomst in ons land, en
    2.407 van Nigeriaanse herkomst. Waarbij natuurlijk direct moet
    worden aangetekend dat hiermee nog niets is gezegd over het aantal
    Nigerianen respectievelijk Ghanezen dat toen en nu illegaal in ons
    land verbleef/verblijft. Maar enigermate betrouwbare landelijke
    schattingen van hun aantal zijn niet voorhanden. Wij onthouden ons
    dan ook van elke uitspraak op dit punt (Muus, 1994). De grootste
    concentratie van Ghanezen en Nigerianen wordt, hoe dan ook,
    aangetroffen in Amsterdam, in het bijzonder in Zuidoost
    (Bijlmermeer). Hun maatschappelijke situatie ziet er in het
    algemeen niet rooskleurig uit. Tezamen met het feit dat velen de
    Nederlandse taal niet machtig zijn en (ook hierom) hun eigen
    cultuur blijven koesteren, is hun integratie in de Nederlandse
    samenleving bepaald niet vanzelfsprekend (Nimako, 1993). Ofschoon
    deze groepen nog maar weinig aansluiting hebben gevonden bij
    Nederlanders, bestaan er wel contacten met (creoolse)
    Surinamers.

    lees meer

    << oudere artikelen