• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage X – 2.3. De tuchtrechtspraak

    2.3. De tuchtrechtspraak

    2.3.1. Inleiding

    In haar boek over het advocatentuchtrecht merkt Boekman op dat
    de opinirende functie een belangrijke waarde van het tuchtrecht is.
    Het tuchtrecht zou de discussie omtrent de wezenlijke vragen binnen
    de beroepsgroep levend houden. Dit zou een gunstige invloed hebben
    op de goedwillende advocaten. Voor echte schurken, als die er zijn,
    helpt het niets en ook niet voor degenen die uit laksheid de
    kantjes er van af lopen. Als wij mogen aannemen dat de goedwillende
    advocaten het merendeel van de Nederlandse orde uitmaken, ligt daar
    het nut van de formele tuchtrechtspraak (Boekman 1993, p. 136).

    lees meer

    Bijlage X – 10.3. Girale verplaatsingen

    10.3. Girale verplaatsingen

    10.3.1. Ondergronds bankieren

    Een van de mogelijkheden om geld over te maken zonder een
    papieren spoor achter te laten, wordt geboden door ondergrondse
    banken (o.a. Robinson, 1994, pp. 16-18). Sinds de officile banken
    gehouden zijn betere controle uit te oefenen op financile
    transacties, hebben deze banken de wind mee gekregen. Het
    ondergrondse bankieren heeft in verschillende culturen
    verschillende namen: Hawalla banking (India), Hundi (Midden
    Oosten), Chiti (Azi), Stash House (VS, Latijns Amerika). Hundi
    staat voor vertrouwen en vertrouwen is de pijler waarop het
    ondergrondse bankieren berust. Want het voordeel van ondergronds
    bankieren, althans voor crimineel gebruik, is voor westerlingen
    tegelijkertijd de achilleshiel: de afwezigheid van schriftelijke
    overeenkomsten en bewijsstukken die juridische geldingskracht
    hebben. Ondergronds bankieren is een systeem waarbij een persoon in
    het ene land geld of geldwaarde overbrengt naar een begunstigde in
    een ander land zonder dat de autoriteiten daarvan in beide landen
    ook maar enige kennis of bewijsmateriaal bezitten. Ondergronds
    bankieren trekt, zoals gesteld, een zware wissel op het onderlinge
    vertrouwen. Vermoedelijk om deze reden vindt ondergronds bankieren
    meestal plaats binnen familiale of langs etnische lijnen
    samengestelde netwerken. Maar hieraan moet worden toegevoegd dat
    deze centrale pijler van vertrouwen ook geschraagd wordt door angst
    voor represailles (Squires, 1987, p. 4).

    lees meer

    Bijlage XI – 4.6. Tot besluit

    4.6. Tot besluit

    Het besluit van deze rondgang door vier voor ons onderzoek zeer
    relevante economische branches kan betrekkelijk kort zijn. In drie
    van de vier sectoren vallen er geen sporen van georganiseerde
    criminaliteit te ontdekken. In n sector daarentegen – die van de
    horeca en het gokwezen – is volgens de politie en andere
    overheidsdiensten kennelijk een hele bedenkelijke ontwikkeling aan
    de gang. Hier zijn enkele criminele groepen, hoogstwaarschijnlijk
    door middel van geld dat vooral via de drugshandel is verdiend,
    monopolies aan het opbouwen die de gewone economische orde in een
    sector als deze in het gedrang brengen. En dit laatste niet alleen
    langs financile weg – door concurrenten gewoonweg uit de markt te
    prijzen -, maar ook door de toepassing van intimidatie. Deze
    ontwikkeling beantwoordt nog wel niet helemaal aan het model van
    racketeering, zoals we dat in Amerikaanse grootsteden
    kennen, maar zij is er niet veel minder discutabel om. Niet alleen
    op grond van principile overwegingen betreffende de relatie tussen
    vrije economie en democratische rechtsstaat, maar ook op grond van
    meer beleidsmatige overwegingen. Immers, criminele groepen die
    belangrijke delen van de horeca in een stad als Amsterdam in handen
    hebben, beschikken meteen ook over de nodige infrastructuur om
    allerhande (andere) criminele activiteiten te ontplooien – juist
    ook die activiteiten waaruit de geldmiddelen zijn voortgevloeid om
    zich in de horeca in te kopen: drugshandel, uitbuiting van
    prostitutie, illegale praktijken in verband met speelautomaten,
    koop en verkoop van gestolen goederen, witwassen van criminele
    gelden, ontduiking van belastingen en sociale premies, enzovoort.
    Deze vaststelling impliceert de erkenning dat ook in een stad als
    Amsterdam de georganiseerde criminaliteit niet als vanzelf beperkt
    blijft tot de (illegale) levering van (illegale) goederen en
    diensten, maar ook hier in n (of meer) economische sectoren vormen
    kan aannemen die gewoonlijk worden geassocieerd met steden waar
    deze criminaliteit algemeen als een ernstig maatschappelijk
    probleem wordt gekwalificeerd. Dit is dus niet per definitie
    uitgesloten. Wie nog meent dat dit wel zo is, strooit zichzelf zand
    in de ogen. De hiervoor beschreven ontwikkeling in de horeca toont
    naar onze mening in elk geval aan dat een dergelijk negatief
    scenario beslist tot de rele mogelijkheden behoort. En dus is het
    zaak om een ontwikkeling als deze scherp in het oog te houden.
    Speciaal ook om op langere termijn te kunnen bezien of zij toch ook
    niet de voorbode vormt van een veel bredere evolutie die de
    georganiseerde criminaliteit in de stad doormaakt, namelijk een
    evolutie waarbij vooral de drugshandelaren van vroeger zich (ook)
    ontpoppen als quasi-legale ondernemers, juist ook buiten de sector
    van de horeca.

    lees meer

    Bijlage XI – 2. OPZET VAN DE LOKALE STUDIES

    2. OPZET VAN DE LOKALE STUDIES

    In de diverse deelrapporten is gepoogd het landelijke beeld van
    de georganiseerde criminaliteit te schetsen vanuit verschillende
    gezichtspunten. Men kan starten vanuit de rol van georganiseerde
    misdaad op illegale markten maar ook vanuit de illegale
    activiteiten van criminele groepen in legale economische branches.
    Dezelfde benadering is als strategie voor deze lokale studie
    toegepast. Wij hebben nadrukkelijk geprobeerd de drie steden zo
    veel mogelijk met dezelfde gegevensbronnen te bestuderen om in
    ieder geval vergelijkingen tussen de drie mogelijk te maken.
    Hierbij is de politie als uitvalsbasis gebruikt. Hoewel het gebruik
    van politile gegevens uiteraard beperkingen heeft, beschikt de
    politie relatief gezien over de meeste informatie van de
    georganiseerde criminaliteit in een stad. Overigens zijn wij, zoals
    nog wordt toegelicht, niet geheel afgegaan op politiegegevens.

    lees meer

    Bijlage I – 7.2 De eindrapportage

    7.2 De eindrapportage

    De bouwstenen voor de eindrapportage van de commissie werden
    gedurende het gehele onderzoek aangeleverd. Uiteindelijk heeft de
    commissie over een overweldigende hoeveelheid informatie kunnen
    beschikken, zoals: de gegevens van de Werkgroep vooronderzoek
    opsporingsmethoden; verzamelde literatuur, jurisprudentie en
    documenten; gegevens uit interviews; rapporten van interne
    stafonderzoeken; rapporten van de externe onderzoeken; gegevens op
    basis van binnen- en buitenlandse werkbezoeken, stages en
    presentaties; gegevens uit de gesprekken; de verslagen van de
    openbare verhoren.

    lees meer

    Bijlage V – Hugo

    Hugo

    HR 2 november 1993, nr. 94.851 en DD 24 (1994) 94.110 (94.851)
    p. 306-308 (ook wel fronstore Mertrans) In het kader van een
    onderzoek naar een internationaal vanuit Colombia opererende groep
    Zuidamerikanen, die zich op grote schaal zou bezig houden met het
    vervoer van grote hoeveelheden cocane en marihuana naar
    West-Europa, is door het Bundeskriminalamt te Wiesbaden Duitsland
    (BKA) een transport- en opslagonderneming genaamd Mertrans
    opgericht. Deze onderneming werd gedreven door politie-ambtenaren
    van het BKA, met name A 253 en A 256, welke laatste als eigenaar
    van de onderneming te boek stond. De reden van oprichting was
    gelegen in de mogelijkheid cocane en marihuana, in afwachting van
    verdere distributie naar diverse Europese landen (waaronder
    Nederland), op te slaan en zodoende de afnemers van verdovende
    middelen te achterhalen.

    lees meer

    Bijlage V – Illegaal gokken

    Illegaal gokken

    HR 4 januari 1994, NJ 1994, 294 (DD 24 (1994) 94.185 (95. 607 E)
    p. 430.
    (Artt.1a en 30b Wet op de Kansspelen)
    Verbalisanten (politile infiltranten A 119 en A 127) mengden zich
    in het spelende publiek in een casino en deden zelf mee aan de
    spellen om illegale gokactiviteiten te kunnen gadeslaan en
    opsporen.. Rechtsvraag:

    lees meer

    Bijlage V – 6.3 Juridische grondslag

    6.3 Juridische grondslag

    Voor informatie-inwinning door de politie bestaat geen
    expliciete wettelijke regeling. Er wordt wel vanuit gegaan dat het
    de politie vrijstaat aan een ieder vragen te stellen, maar niet
    iedereen is het daar ongeclausuleerd mee eens.

    lees meer

    Bijlage VI – 10.5 Conclusies

    10.5 Conclusies

    1. De functie van rechter-commissaris staat binnen de
    rechterlijke macht veel meer dan vroeger in aanzien. Het vervullen
    van de functie van rechter-commissaris draagt bij aan de
    rechterlijke carrire. 2. Van een gemeenschappelijk strafrechtelijk
    beleid kan binnen de kabinetten van de rechters-commissarissen niet
    worden gesproken. Een dergelijk beleid wordt binnen de zittende
    magistratuur in het algemeen niet wenselijk geacht in verband met
    de onafhankelijkheid van de rechter.

    lees meer

    Bijlage VI – 5.2 Organisatie ondersteunende diensten

    5.2 Organisatie ondersteunende diensten

    5.2.1 Algemeen

    De taak en organisatie van deze diensten zijn in de 25
    regiokorpsen niet altijd dezelfde. Zelfs de naamgeving verschilt.
    Toch zijn enkele algemene opmerkingen vooraf te maken.
    De taken van de ondersteunende diensten worden gekenmerkt door
    enerzijds een vereiste van expertise, specialisatie en anderzijds
    door het geheime karakter van een aantal gehanteerde methoden. Dit
    laatste kenmerkt wordt nu verder behandeld. Zaken betreffende het
    kenmerk expertise en specialisatie komen in de volgende
    deelparagrafen aan de orde.

    lees meer

    9.5.1 De minister van Justitie

    9.5.1 De minister van Justitie Noot

    De traditionele rolverdeling waarbij het OM is belast met
    concrete strafrechtelijke onderzoeken en de minister van Justitie
    met beleidsaangelegenheden heeft in de loop der jaren veranderingen
    ondergaan. Het OM voert ook zelf beleid en dat vergt afstemming met
    het ministerie.

    lees meer

    Bijlage VII – VI.1. Inleiding

    VI. BRUGFUNCTIES IN DE GEORGANISEERDE
    CRIMINALITEIT

    VI.1. Inleiding

    Zoals in het vorige hoofdstuk naar voren is gekomen, opereert de
    georganiseerde criminaliteit niet in een maatschappelijk vacum.
    Criminele groepen onderhouden tal van parasitaire en symbiotische
    relaties met legale sectoren van de samenleving. In deze zin is de
    wettige wereld een levensvoorwaarde voor de georganiseerde
    criminaliteit. Ook in dit hoofdstuk wordt de aandacht gevestigd op
    de verbindingen tussen de georganiseerde criminaliteit en de
    conventionele samenleving. De nadruk ligt hier op de manier waarop
    de wettige wereld zich leent voor het leveren van hand- en
    spandiensten aan de georganiseerde criminaliteit. Als gevolg
    hiervan worden niet alleen de gepleegde misdrijven, maar ook de
    illegaal verkregen opbrengsten effectief afgeschermd van de
    politie, justitie en fiscus.

    lees meer

    Bijlage VIII – 5.4. Tot besluit

    5.4. Tot besluit

    Tot besluit kan in de eerste plaats worden gesteld dat er in de
    regio Midden- en West-Brabant meer autochtone criminele groepen,
    groepjes en individuen actief zijn dan in Groningen (Rotterdam
    wordt om de reden, eerder vermeld in de tekst, hier even buiten
    beschouwing gelaten). Zeker wanneer deze indruk, bij nader
    onderzoek, juist zou blijken te zijn, roept deze vaststelling de
    vraag op naar de achtergronden en oorzaken van dit verschil. In
    aansluiting op deze kwantitatief georinteerde vergelijking tussen
    beide gebieden kan voorzichtig een kwalitatief georinteerde
    vergelijking worden gemaakt. Die leidt onmiskenbaar tot de
    vaststelling dat in Groningen eigenlijk geen criminele groepen of
    criminele figuren opereren die een belangrijke rol spelen in
    (interprovinciale) bovenlokale netwerken, of die aansluiting hebben
    bij de top van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. In
    Middenen West-Brabant zijn die er duidelijk wel. De Rotterdamse
    zaken vormen een geval apart, maar er valt – ook in vergelijking
    met de zaken uit de beide andere regio’s – toch wel iets over te
    zeggen. Ten eerste dat men in de Rotterdamse regio groepen
    beroepsmisdadigers aantreft die qua werkwijzen in de twee andere
    regio’s blijkbaar niet voorkomen. Ten tweede zijn in het
    Rotterdamse, in de drugshandel, enkele groepen actief zijn die niet
    alleen tot de regionale bovenlaag van de georganiseerde
    criminaliteit moeten worden gerekend, maar die ook kunnen worden
    gekoppeld aan de landelijke (sub)top van de georganiseerde
    criminaliteit. Waar men in Rotterdam de georganiseerde
    criminaliteit dus van top tot basis aantreft, daar is dat in
    Midden- en West-Brabant al veel minder het geval, en in Groningen
    eigenlijk helemaal niet.

    lees meer

    Bijlage VIII – I.1. Het beeld in buitenlandse en binnenlandse rapporten

    I.1. Het beeld in buitenlandse en binnenlandse
    rapporten

    Het ligt voor de hand te veronderstellen dat ten minste een deel
    van de allochtone criminaliteitsproblematiek in Westerse,
    stedelijke democratien die veel immigratie hebben gekend,
    overeenkomst vertoont met die van Nederland. Aan de ene kant zijn
    dit rijke landen en daar is door internationale criminele
    organisaties veel te verdienen. We hoeven alleen maar te denken aan
    de omvangrijke gebruikersmarkt voor drugs die zich daar bevindt.
    Aan de andere kant kan het verschijnsel georganiseerde misdaad zich
    gemakkelijk ontwikkelen in de boezem van daar gevestigde, maar
    sociaal achtergestelde en nog niet gentegreerde etnische
    minderheden. Wat kunnen wij leren uit de rapporten van
    overheidsinstanties over dit vraagstuk die zijn vervaardigd in
    landen die ons zijn voorgegaan? We benaderen ons onderwerp indirect
    door deze in eerste instantie te raadplegen.

    lees meer

    Bijlage VIII – IX.4. Enkele concrete voorbeelden van de Nederlands-Russische criminele betrekkingen

    IX.4. Enkele concrete voorbeelden van de Nederlands-Russische
    criminele betrekkingen

    Uit het vorenstaande moge duidelijk zijn geworden dat er nog
    niet teveel gevallen zijn waarin onomstotelijk is vastgesteld dat
    de Russische mafia op Nederlands grondgebied opereert. Die gevallen
    zijn er wel. En we hebben ze hiervoor ook aangeduid. Maar zij zijn
    tot nu toe meer de uitzondering dan de regel in de
    Nederlands-Russische betrekkingen op crimineel gebied. De regel is
    nog steeds dat Nederlandse misdaadondernemers meer of minder
    georganiseerd illegale zaken doen met collega’s uit de voormalige
    Sovjet-Unie.

    lees meer

    << oudere artikelen