• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VII – VII. CONTRA DE NEDERLANDSE OVERHEID

    VII. CONTRA DE NEDERLANDSE OVERHEID

    Met name in hoofdstuk IV, waarin de actuele verschijningsvormen
    van traditionele georganiseerde criminaliteit zijn besproken, is
    bij herhaling gewezen op de talrijke manieren waarop criminele
    groepen hun illegale optreden niet alleen proberen te beveiligen
    tegen concurrerende groepen, tegen rippers enzovoort, maar
    ook proberen af te schermen tegen de overheid. De maatregelen die
    hiertoe worden getroffen variren van de voortdurende wisseling van
    auto’s om mogelijke politile observatie te bemoeilijken tot de
    intimidatie van medestanders om tegen te gaan dat zij informanten
    van de politie zouden worden. Al zulke modi operandi kunnen
    algemeen als defensieve voorzorgsmaatregelen worden
    gekenschetst. Het zijn maatregelen die moeten bewerkstelligen dat
    de betrokken illegale activiteiten zoveel mogelijk geheim blijven
    voor de overheid. Typisch voor veel georganiseerde criminaliteit is
    nu echter dat de activiteiten in kwestie welhaast per definitie
    niet geheim kunnen blijven, omdat de goederen en diensten waarom
    het gaat, op enig moment op de markt moeten worden gebracht – het
    weze drugs, het weze vrouwen, het weze wapens. In tegenstelling tot
    wat vaak wordt gedacht, is ook georganiseerde criminaliteit in
    bepaalde opzichten dus zeer zichtbare criminaliteit. En om de grote
    risico’s die haar zichtbaarheid oplevert, te neutraliseren zijn
    groepen die deze criminaliteit bedrijven, steeds enigermate
    genoodzaakt om hun beveiliging op te voeren door in aanvulling op
    defensieve tegenmaatregelen ook offensieve tegenmaatregelen
    te treffen, zeker op momenten waarop de kans toeneemt dat de
    overheid effectief tegen hen in het geweer komt. Dan gaat het niet
    meer om maatregelen die worden getroffen om het eigen optreden voor
    de overheid te verheimelijken, maar om maatregelen die worden
    getroffen om het optreden van de overheid te bestrijden. Mede
    hierom is in de definitie van georganiseerde criminaliteit die in
    dit onderzoek is gehanteerd, ook zo’n belangrijke plaats toegekend
    aan deze maatregelen, die verder als contrastrategien worden
    aangeduid (zie hoofdstuk II).

    lees meer

    Bijlage VIII – 1.2. De verdere opbouw van deze studie

    1.2. De verdere opbouw van deze studie

    Om een beeld te geven van de rol die autochtone criminele
    groepen spelen in de georganiseerde criminaliteit in Nederland, is
    deze studie als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt, zoals al
    eerder werd aangegeven, ingegaan op de geschiedenis van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland. De reden hiervan is niet
    ver te zoeken. Niet alleen de georganiseerde criminaliteit van
    buitenlandse groepen en binnen etnische gemeenschappen heeft een
    geschiedenis, maar ook de georganiseerde criminaliteit die door
    autochtone groepen wordt bedreven. En het is belangrijk om,
    voorzover mogelijk, haar geschiedenis hier te releveren, met name
    om de xenofobe gedachte tegen te gaan dat de criminaliteit in
    kwestie hier de voorbije decennia door vreemdelingen en
    buitenlanders is gemporteerd. Hoofdstuk 3 bevat een analyse van de
    top van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Deze analyse
    komt neer op een beschrijving – zoveel mogelijk conform het
    analyse-schema dat algemeen in dit onderzoeksproject wordt
    gehanteerd – van een klein aantal criminele groepen die in
    Nederland tot de meest belangrijke worden gerekend. Dit hoofdstuk
    biedt dus geen kwantitatief inzicht in de samenstelling van die
    top, maar een kwalitatief inzicht. Mede omdat de onderlinge
    verhoudingen aan de top niet duidelijk zijn, worden, ook bij wijze
    van overgang naar hoofdstuk 5, in hoofdstuk 4 enkele criminele
    netwerken beschreven die functioneren op het midden-niveau van de
    georganiseerde
    criminaliteit. Ogenschijnlijk gaat het hier slechts om een
    wanordelijk samenstel van lokale cliques die interregionaal
    opereren, maar bij nader onderzoek is er op hoger niveau,
    top-niveau, (waarschijnlijk) meer verband dan men zo vermoedt. In
    dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de rol van de Hells Angels, als
    landelijke groepering, in de Nederlandse georganiseerde
    criminaliteit. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de basis van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland. Deze basis wordt gevormd
    door de honderden lokaal en regionaal opererende criminele groepen
    en criminele figuren, die op zichzelf niet kunnen worden gerekend
    tot wat ook in dit onderzoeksproject de georganiseerde
    criminaliteit wordt genoemd, maar zij bij tijd en wijle allerlei
    hand- en spandiensten verlenen aan de belangrijke autochtone
    criminele groepen, en dat zij ook onophoudelijk zorgen voor hun
    nieuwe aanwas. De top van de georganiseerde criminaliteit in een
    land kan niet bestaan zonder een basis.

    lees meer

    Bijlage VIII – V. DE CHINESE GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT IN NEDERLAND

    V. DE CHINESE GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT IN
    NEDERLAND

    In het verleden werd Nederland bij tijd en wijle nadrukkelijk
    geconfronteerd met de gewelddadige gevolgen van de oorlogen die
    Chinese criminele groepen tegen elkaar voerden om de macht in
    bepaalde sectoren van hun illegale bedrijvigheid. In 1918 kwamen er
    drie Chinezen in deze stad om als gevolg van een conflict tussen
    een geheim Chinees genootschap en zijn slachtoffers. En in 1922
    vielen hier opnieuw verschillende doden en gewonden, ditmaal bij de
    strijd om de macht tussen de groepen Sam Tin en de Po-on. Beter in
    het geheugen liggen de moorden die in 1975-1976 in deze stad
    plaatsvonden. Eerst werd – op 3 maart 1975 – Chung Mon, de grote
    baas (tai lo) van de 14K-triade, doodgeschoten door moordenaars van
    de Wo Lee Kwan. Een jaar later – op 3 maart 1976 onderging zijn
    opvolger, Chan Yuen Muk, het zelfde lot: huurmoordenaars schoten
    hem dood op de Geldersekade. Ook in de jaren tachtig hing er
    oorlogsdreiging in de lucht. Ditmaal vooral tussen de Tai Huen Chai
    enerzijds en de 14K en Ah Kong anderzijds. Tot een regelrechte
    ontlading van de spanningen kwam het niet. Die bleven, zoals uit
    allerhande incidenten bleek, maar voortzinderen. Ondertussen
    manifesteerden zich echter nieuwe fenomenen: gewelddadige
    overvallen op Chinese restaurants, moorden op Chinezen in hun
    priv-woning, systematische afpersing van Chinese zakenlieden. Dit
    gebeurde niet alleen in Amsterdam, maar ook in de rest van
    Nederland. Deze hausse van geweld was in juni 1994 aanleiding tot
    de oprichting van het ZOA (Zuid-Oost-Azi)-project bij de CRI.
    Voorzover hierna de hedendaagse situatie in Nederland ter sprake
    wordt gebracht, berust haar beschrijving voor een groot deel op de
    gegevens die in het kader van dit project zijn verzameld. Daarnaast
    is onbeschroomd gebruik gemaakt van een aantal rapportages over het
    probleem afkomstig uit ettelijke regionale politiekorpsen. En dit
    alles is aangevuld met gesprekken met diverse politiespecialisten.
    Met het oog op een goed begrip van de situatie in ons land wordt
    hierna echter eerst de herkomst van de Chinese georganiseerde
    criminaliteit belicht, en vervolgens de wijze waarop zij in andere,
    ook omringende, landen wordt bedreven en verder hoe zij, door
    analisten, wordt genterpreteerd (Van Straten, 1976; Van der Roer,
    1989).

    lees meer

    Bijlage VIII – X.1. Joegoslavi

    X.1. Joegoslavi: permanent toneel van geweld

    Joegoslavi staat niet bekend als een land dat van oudsher
    bepaalde vormen van georganiseerde criminaliteit heeft gekend. En
    ook in de criminologische literatuur zijn van een dergelijke
    traditie geen sporen te ontdekken. Hierom zou men kunnen denken dat
    er geen reden is om nog langer stil te staan bij het verleden van
    het voormalige Joegoslavi. Maar dit is een misvatting. Zeker om de
    ongehoorde gewelddadigheid van de Joegoslavische bendes te kunnen
    begrijpen, is het van groot belang voortdurend te beseffen dat ook
    het Joegoslavische deel van de Balkan al eeuwen geen vreedzaam
    gebied is. Integendeel, het is een deel van Europa waar bijna
    onophoudelijk oorlog is gevoerd, was het niet tussen de
    opeenvolgende Europese grootmachten zelf, dan wel tussen de staten
    en de volkeren die hier waren gevestigd of daar waren
    neergestreken. Het valt buiten het bestek van dit rapport om de
    geschiedenis van deze haast permanente strijd in herinnering te
    roepen, maar – met het oog op een goed begrip van het optreden van
    Joegoslavische bendes in Nederland – is het wel van belang een paar
    punten aan te stippen (Detrez, 1993; Weithmann, 1993). Ten eerste
    dat deze gewelddadige geschiedenis niet zonder gevolgen is gebleven
    voor de cultuur in voormalig Joegoslavi. Recente studies geven
    immers aan dat geweld, tomeloos geweld, ja, de keuze voor de
    toepassing van zulk geweld, in brede lagen van de bevolking niet
    zonder meer als een negatieve keuze, als iets verwerpelijks, wordt
    beschouwd. Van de Port heeft in zijn onderzoek naar het gedrag van
    Servirs in zigeunercafs in Klein-Joegoslavi, laten zien hoe het
    beeld van de wilde zigeuner voor vele Serven een soort projectie is
    van hun eigen, door de geschiedenis mee-gevormde driftleven,
    waaraan in tijden van vrede slechts op bepaalde plaatsen, zoals de
    zigeunercafs, mag worden toegegeven, maar dat in tijden van oorlog
    volop mag worden botgevierd, ook voor het oog van de buitenwereld
    (Van de Port, 1994). In de tweede plaats moet worden onderstreept
    dat het gebruik van ongehoord geweld door velen in voormalig
    Joegoslavi niet enkel legitiem wordt geacht in tijd van oorlog. In
    zijn studie naar de geschiedenis van de machtsverhoudingen in een
    dorp op het Bosnische platteland, Medjugorje, heeft Bax aangetoond
    dat hier de oorlog bij wijze van spreken net zo normaal is als de
    vrede elders in Europa. Concreet beschrijft hij dat in het genoemde
    dorp, waar in 1981 een zogenaamde Maria-verschijning plaatsvond,
    enkele clans verwikkeld geraakten in een strijd op leven en dood om
    de inkomsten die op allerlei manieren konden worden gehaald uit de
    bedevaarten van vrome pelgrims. In zo’n tien jaar tijd leverde deze
    strijd 140 doden op, 60 vermisten en 600 vluchtelingen op, en dit
    op een bevolking van ongeveer 3.000 mensen! (Bax, 1995). En passant
    toonde Bax met dit voorbeeld eveneens aan dat ook onder Tito
    openbare orde en rust in Joegoslavi een zeer relatief begrip was
    (Bax, 1995).

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 2.1. De sterke positie van Nederland

    2. DE EUROPESE EN NATIONALE VERVOERSMARKT

    2.1. De sterke positie van Nederland: enkele cijfers

    Het internationaal goederenvervoer over de weg in Europa neemt
    enorm toe. In 1981 werd er op het continent 138 miljoen ton aan
    goederen over de weg vervoerd. In twaalf jaar tijd verdubbelde deze
    hoeveelheid zich tot
    275 miljoen ton in 1993 (TLN, 1994). Het aandeel van Nederland
    daarbinnen is op verschillende manieren te meten. Kijken we eerst
    naar de relatieve positie ten opzichte van andere Europese landen,
    dan is Nederland thans de grootste transporteur van goederen over
    de weg. Ons land verzorgde in 1991 bijna 28 procent van het totale
    Europese goederenvervoer. Frankrijk volgt op afstand met iets meer
    dan 18 procent en Duitsland staat derde met bijna zeventien
    procent. Het Belgische aandeel bedraagt zestien procent en maakt
    dit land tot de vierde vervoerder binnen de Unie. Verder volgen,
    naar grootte: Itali, Spanje, Engeland, Denemarken, Portugal,
    Luxemburg, Ierland en Griekenland (TLN, 1994).

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 3.1. Ondernemingen in aantal en grootte

    3. DE NEDERLANDSE VERVOERSBRANCHE:

    NOG MEER CIJFERS

    3.1. Ondernemingen in aantal en grootte

    Nederland telt in 1994 totaal 9700 ondernemingen in het
    beroepsgoederenvervoer over de weg. Het gaat vooral om kleine en
    middelgrote bedrijven. Bijna een kwart van alle Nederlandse
    transportondernemingen heeft maar n voertuig; dit zijn bijna
    allemaal eenmansbedrijfjes. Ruim negentig procent van alle
    Nederlandse transportondernemingen heeft minder dan twintig
    voertuigen en nog geen tien procent van alle bedrijven heeft een
    groter wagenpark. Zuid-Holland en Noord-Brabant zijn de
    belangrijkste provincies qua
    laden en lossen van goederen.

    lees meer

    IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 6.2. De commercie

    6.2. De commercie

    Voor private instellingen is het van levensbelang over die
    meldingen te kunnen beschikken. De reden is dat
    verzekeringsmaatschappijen vindersloon of bemiddelingskosten
    uitbetalen aan die instellingen die gegevens verstrekken over de
    vindplaats van een vermiste auto. Dergelijke bedrijven worden ook
    wel carhunters genoemd. Er zijn in Nederland diverse
    carhunter bedrijven actief die opereren in de zelfkant van
    opsporingsland. AVRO’s Televisier heeft in een uitzending aandacht
    besteed aan dergelijke onderzoeksbureaus, annex priv-detectives,
    annex schade-onderzoeksbureaus. Deze carhunters zoeken bij
    grote parkeerplaatsen en parkeergarages (in grote steden en bij
    stations en vliegvelden) de kentekens op van de daar geparkeerde
    auto’s om een eventueel gestolen exemplaar te ontdekken. Is dit het
    geval dan wordt contact opgenomen met de verzekeringsmaatschappij
    met de mededeling dat de auto op een zekere plaats is
    aangetroffen. Wanneer de maatschappij prijsstelt op teruggave dan
    wordt zij verzocht een bepaald bedrag op de rekening van de
    carhunter te storten, waarna de plaats waar de auto zich bevindt
    bekend zal worden gemaakt. Eventueel kan de carhunter, uiteraard
    tegen vergoeding, de auto zelf terugbrengen
    . De bedragen die
    daarmee kunnen worden verdiend zijn zeker aantrekkelijk, varirend
    van 3.000 tot 5.000 gulden per auto. De verzekeringsmaatschappij
    gaat op zo’n voorstel in omdat het om bedrijfseconomische redenen
    aantrekkelijker is een bedrag van f.3.000,- uit te keren dan de
    gehele vervangingswaarde aan de verzekerde te betalen.

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 6.5. Het imago van de branche

    6.5. Het imago van de branche

    De gokautomatenbranche is een duidelijk voorbeeld van een sector
    met een besmette identiteit. Het produkt dat de
    gokautomatenproducenten, handelaren en exploitanten aanbieden is
    maatschappelijk maar ten dele geaccepteerd; men onderkent de
    bestaande menselijke behoefte aan de spanning en ontspanning van
    het gokspel, maar deze staat toch in laag aanzien. De organisatie
    voor speelautomatenfabrikanten spreekt over de Calvinistische
    moraal die het gokken afkeurt; het spelen op automaten wordt door
    velen gezien als een tijd- en geldverspillende bezigheid. Vooral
    het steeds groter wordende probleem van de gokverslaving is zeer
    schadelijk voor het imago en aanzien van de branche. De
    verslavingsproblematiek kan niet los worden gezien van
    maatschappelijke gevolgen als verwervingscriminaliteit en problemen
    van openbare orde en deze leveren een aanzienlijke kostenpost op
    voor de maatschappij en de overheid.

    lees meer

    IX – De bouwnijverheid – 6. KOPPELBAZERIJ IN DE BOUWNIJVERHEID

    6. KOPPELBAZERIJ IN DE BOUWNIJVERHEID

    In het vorige hoofdstuk is bij de bespreking van de
    werkgeversfraudes aangegeven dat de bouwnijverheid altijd op zoek
    is naar wegen om de arbeidskosten zo laag mogelijk te houden. Dit
    kan op legale, maar ook op diverse illegale manieren gebeuren. Een
    aannemer kan zelf personeel in dienst nemen en vervolgens met valse
    nota’s, facturen, en dergelijke frauderen met de afdracht van
    premies en belastingen. Van deze fraudes zijn in het vorige
    hoofdstuk enkele voorbeelden gegeven. Een andere illegale manier
    behelst het inschakelen van arbeidskrachten die worden geleverd
    door koppelbazen.

    lees meer

    IX – De afvalverwerkingsbranche – 4.2. Soorten milieucriminaliteit

    4.2. Soorten milieucriminaliteit: de officile cijfers

    Om de aard en de omvang van milieucriminaliteit in kaart te
    brengen kan men te rade gaan bij de officile statistieken die door
    het CBS jaarlijks worden gepubliceerd. Verdeeld over de diverse
    soorten milieuwetten is in tabel 4 van de bijlage te zien dat de
    meeste overtredingen van de milieuwetten onder de
    Bestrijdingsmiddelenwet vallen. Het minste aantal zaken staat
    vermeld onder de Wet inzake de luchtverontreiniging. Er kan worden
    aangenomen dat de door de CBS gepresenteerde cijfers nauwelijks een
    betrouwbare en valide afspiegeling van het werkelijke aantal
    overtredingen van milieuwetten bieden. Ook de stijging van het
    aantal milieudelicten van het jaar 1993 ten opzichte van de
    voorafgaande jaren hoeft niet in overeenstemming te zijn met een
    werkelijke stijging. Het is aannemelijk te veronderstellen dat die
    stijging voor het grootste deel is toe te schrijven aan een
    registratie-effect als gevolg van een grotere aandacht van politie
    en justitie voor milieuzaken. Het is ook mogelijk dat feitelijk een
    toename in wetsovertredingen ten opzichte van het milieu heeft
    plaatsgevonden, maar dit is niet uit de cijfers af te leiden.
    Voorts is uit deze officile cijfers van het CBS niet op te maken of
    er sprake is van lichte of van zware milieucriminaliteit. Deze
    vermenging van kleine en grote milieudelicten maakt deze cijfers
    voor dit deelrapport al direct ongeschikt als maat voor de aard en
    de omvang van zware milieucriminaliteit.

    lees meer

    Advies mr. J.K. Franx d.d. 20-10-1994 oververschoningsrechten (23/31)

    106

    Ambstedig proces-verbaal J.C.J.G. Barkman-Kuitert naaraanleiding van vragen van de commissie (24/28)

    138

    Eindrapport – 2.3 Bestaand beeld

    2.3 Bestaand beeld

    Het beeld van de georganiseerde criminaliteit bij politie en
    justitie is zeer divers.

    lees meer

    Eindrapport – 6.2 Juridische grondslag, toetsing en omvang

    6.2 Juridische grondslag, toetsing en omvang

    Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet
    in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. In enkele
    internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft gebonden,
    komt n van de vooromschreven varianten van infiltratie, te weten
    gecontroleerde aflevering, wel voor. Noot In de
    jurisprudentie is infiltratie sedert het Tallonarrest als
    opsporingsmethode erkend. Noot In de Richtlijn
    infiltratie, vastgesteld door de Vergadering van
    procureurs-generaal van 20 februari 1991, worden voorwaarden,
    werkmethoden, de rechtspositie van de infiltrant, het centraal
    voorwaardenscheppend orgaan, de gecontroleerde aflevering en de
    internationale samenwerking geregeld. De richtlijn noemt vier
    voorwaarden: a. De infiltrant mag door zijn optreden de verdachte
    niet brengen tot ander handelen dan waarop zijn opzet
    tevoren reeds gericht was. Noot
    b. Het optreden van de infiltrant dient plaats te vinden na
    goedkeuring door het openbaar ministerie, onder regie van de
    recherchechef en in nauw overleg met de betrokken officier van
    justitie. c. De toepassing van infiltratie moet voldoen aan de
    eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en zorgvuldigheid. De
    aard van de op te sporen feiten moet de toepassing rechtvaardigen
    en andere meer gebruikelijke opsporingstechnieken moeten
    onvoldoende effectief geacht kunnen worden. De Hoge Raad oordeelde
    dat bij beoordeling of voldaan is aan de eisen van
    proportionaliteit (..) niet alleen de ernst van de feiten van
    belang is maar ook de wijze waarop en de mate waarin ten behoeve
    van opsporing en vervolging van die feiten wordt opgetreden in het
    criminele milieu. Noot d. Als infiltrant dient bij
    voorkeur alleen een speciaal daarvoor opgeleide politiefunctionaris
    te worden ingezet. Noot

    lees meer

    fort2_10

    74 van  Leeuwen  tussentijds  aan  Pijl  had  gevraagd  om  aan  te  geven  waarom  het  Fortteam  “zo  heeft kunnen  werken  als  het  werkte”.  Deze  beantwoordde  die  vraag  op  15  mei  1996  in  een  brief  aan Gonsalves  –  per  slot  van  reden  eindverantwoordelijk  voor  het  team  –  en  Docters  van  Leeuwen.56 Hij beklemtoonde   hierin   dat   de   omstandigheden   waarin   het   team   had   moeten   werken   verre   van gemakkelijk  waren  geweest  en  dat  het  zeker  ook  voor  rijksrechercheurs  heel  ongewoon  was  om  in teamverband te opereren. Waarom was het dan toch een “succes” (aanhalingstekens Pijl) geworden? Zeker  omdat  de  beheersmatige  randvoorwaarden  goed  waren  ingevuld.  Maar  –  allerbelangrijkst  – omdat er zulke goede teamgeest was. Om die geest te bereiken moeten, vond Pijl, drie voorwaarden zijn vervuld: “complementaire” teams, goede communicatie en een assertieve opstelling van mensen. We zullen hierna zien of bij de organisatie van de post-Fort-onderzoeken ook werd voldaan aan deze voorwaarden. 3.2.1 Het aanvankelijke scenario Het scenario dat Holthuis mede namens Zwerwer op 19 juni 1996 toefaxte aan Docters van Leeuwen en  (in  afschrift)  aan  Gonsalves  ter  goedkeuring  door  het  college  van  procureurs-generaal,  behelsde het  volgende  plan  van  aanpak.57 Direct in het begin werd gesteld dat er zou moeten worden gewerkt “langs  twee  sporen”.  Vervolgens  werden  de  twee  sporen  uitgewerkt.  Tot  een  goed  begrip  van  wat volgt  dient  hieraan  te  worden  toegevoegd  dat  de  opstellers  aan  het  slot  van  hun  voorstel  opmerkten dat   zij   het   scenario   hadden   opgeschreven   zonder   zich   vragen   te   stellen   over   de   materiële   en personele  haalbaarheid  en  zonder  met  deze  of  gene  erover  te  praten.  Hun  voorstel  was:  “Laat  het college   van   procureurs-generaal   eerst   het   keukentafelscenario   goedkeuren   en   vervolgens   aan   de invulling ervan gaan werken”. Waarom er langs twee sporen zou (moeten) worden gewerkt werd hiervoor al even aangestipt. In zijn interview  heeft  Docters  van  Leeuwen  de  redengeving  hiervan  verder  verduidelijkt.  Hij  in  elk  geval meende  dat  het  nodig  was  om  naast  een  strafrechtelijk  onderzoek  in  enge  zin  ook  een  speciaal inlichtingentraject op te zetten58: “Na  het  Fort-rapport  heeft  er  een  indringende  discussie  plaatsgevonden  in  het  college  en ook  daarbuiten.  Het  heeft  geleid  tot  de  onderzoekssporen  1  en  2.  De  gedachte  daarachter, in  ieder  geval  de  ratio  voor  het  CID-matige  traject,  spoor  2  van  Zwerwer,  was  dat  we  op weinig   konden   terugvallen.   We   hadden   weinig   zicht   op   de   eventuele   arrangementen waarvan sprake zou zijn, ook wel genoemd de “regeling” met Colombianen, de geldstromen waar  het  om  ging,  en  op  de  mogelijke  vormen  van  corruptie.  Die  zaken  vormden  bij  elkaar voldoende  aanleiding  om  er  CID-matig  wat  sterker  naar  te  kijken.  Daarnaast  kon  dan  een strafrechtelijk   onderzoek   worden   gestart   naar   een   aantal   mensen   waar   al   een   redelijke verdenking tegen bestond. Dat gold dan de groei-informant, Van V., L. en een aantal andere subjecten. De gedachte van die twee trajecten was ook om te bezien of we ze wellicht langs die  lijn  in  de  tang  konden  krijgen.  In  zekere  zin  ging  het  er  om  de  betrokkenen  zoet  te houden  door  middel  van  het  formele  gebeuren  en  dan  via  het  informele  CID-matige  traject gewoon wat meer achtergrondinformatie naar boven te halen over wat zich feitelijk allemaal had afgespeeld. Het college heeft de sporen 1 en 2 altijd als één geheel gezien.”                                                 56 Brief D. Pijl d.d. 15 mei 1996 aan R. Gonsalves (B6). 57 Scenario van een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de bevindingen van het Fort-team (B6). Het werd door H.  Holthuis  en  S.  Zwerwer  gezamenlijk  ondertekend.  Holthuis  faxte  het  in  zijn  hoedanigheid  van  hoofd  Landelijk Bureau Openbaar Ministerie (LBOM) aan de in de tekst genoemde procureurs-generaal. Op de aanbiedingsbrief d.d. 19 juni 1996 werd door hem het etiket van “stg.-geheim” geplakt (B6). 58 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001.

    << oudere artikelen