• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – Sinis

    Sinis

    HR 31 mei 1994, NJ 1995, 29 m.nt. Kn
    (Artt. 120, 152 Sv, 9 Opiumwet)
    In eerste aanleg is door de rechtbank geconstateerd dat er tijdens
    het politie-onderzoek van het Sinis-team, voorafgaand aan de
    huiszoekingen en de aanhoudingen op 9 april 1991 een inkijkoperatie
    is uitgevoerd in een loods. De officier van justitie was hiervan
    niet op de hoogte, evenmin is de rechter-commissaris in het
    onderzoek betrokken, zoals bij een formele huiszoeking. Bij deze
    kijkoperatie is geen bewijs aan het licht gekomen voor de
    tenlastegelegde feiten: in plaats van de verwachte handelsvoorraad
    drugs (hashish) werd een speedboot aangetroffen.

    lees meer

    Bijlage V – 4.1 Inleiding

    4 HET GEBRUIK VAN INFORMANTEN

    4.1 Inleiding

    Indien een proces-verbaal begint met de zin Uit bij de criminele
    inlichtingendienst binnengekomen informatie is het volgende
    gebleken, is de niet genoemde bron veelal een informant. Deze heeft
    zijn informatie op basis van vertrouwelijkheid aan een Criminele
    inlichtingendienst (CID) verschaft. Daarmee onderscheidt de
    informant zich van de gewone aangever en de gewone getuige. Het is
    weliswaar theoretisch mogelijk dat de informant op zeker moment als
    bedreigde getuige, of als anonieme getuige wordt gehoord, maar
    gebruikelijk is dat hij op geen enkele wijze in het strafproces wil
    worden gemengd.

    lees meer

    Bijlage V – 7.8 Beveronderzoek Rotterdam

    7.8 Beveronderzoek Rotterdam

    In de zomer van 1992 werd in Rotterdam het
    Haveninformatieproject gestart. Het doel van het project was de
    informatie van verschillende diensten over de georganiseerde
    criminaliteit in de haven bij elkaar te brengen. Uit het
    Haveninformatieproject bleek dat een aantal personen zich in
    georganiseerd verband bezig hield met strafbare feiten. De
    Rotterdamse recherche en CID startten mede naar aanleiding hiervan
    een onderzoek tegen een handelaar in verdovende middelen die al
    meermalen veroordeeld was. Onder de codenaam Bever werd zodoende
    eind 1993 een onderzoek gestart door het kernteam
    Rotterdam-Rijnmond. De RCID Rotterdam had contact met de RCID
    Kennemerland. Uit dit contact bleek dat de RCID Kennemerland een
    informant runde die voor het Beveronderzoek belangrijke informatie
    zou kunnen bieden (hier verder informant 3 genoemd).Omdat de
    organisatie van het onderzoekssubject zeer gesloten was en
    professioneel te werk ging, was de inschatting dat het zeer
    moeilijk zou zijn een goede informatiepositie te verkrijgen in dit
    onderzoek. De mededeling van de RCID Kennemerland kwam derhalve
    voor het onderzoek van het kernteam op een buitengewoon goed
    moment. Noot

    lees meer

    Bijlage VI – 2.3 Andere aan de opsporing verwante instanties

    2.3 Andere aan de opsporing verwante instanties

    2.3.1 Binnenlandse veiligheidsdienst

    De taak van de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) is geregeld
    in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV).
    Noot In artikel 8, tweede lid, wordt de taak van de BVD
    als volgt geformuleerd: a. het verzamelen van gegevens omtrent
    organisaties en personen welke door de doelen die zij nastreven,
    dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige
    vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de
    democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid van de of voor
    andere gewichtige belangen van de Staat;

    lees meer

    Bijlage VI – 7.2 De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD)

    7.2 De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst
    (FIOD)

    7.2.1 De organisatie

    De FIOD valt onder het Directoraat-generaal der belastingen van
    het ministerie van Financin, en in het bijzonder onder de Directie
    algemene fiscale zaken. Bij de FIOD zijn 750 personen werkzaam,
    verdeeld over de Fiscale recherche met elf regionale teams en n
    centraal team, de Douanerecherche met zes regionale teams en twee
    centrale teams, de Inlichtingendienst, alsmede twee stafafdelingen.
    In de nabije toekomst zal een reorganisatie plaatsvinden. Er komen
    drie resultaatgebieden: documentatie, informatie en opsporing.
    Binnen het resultaatgebied opsporing wordt geen onderscheid meer
    gemaakt in aparte afdelingen douanerecherche en fiscale
    recherche.

    lees meer

    Bijlage VII – III.4. De landelijke onderzoeken

    III.4. De landelijke onderzoeken

    Er zijn op landelijk niveau vijf verschillende onderzoeken
    uitgevoerd. Twee onderzoeken zijn geschreven vanuit het perspectief
    van de autochtone, allochtone en buitenlandse groepen, n onderzoek
    vanuit het perspectief van een aantal branches. Verder is er op dit
    niveau n onderzoek uitgevoerd naar de betrokkenheid van de
    beoefenaren van de vrije beroepen bij georganiseerde criminaliteit,
    en een ander naar belangrijke vormen van fraude en van witwassen.
    Hoe al deze onderzoeken precies zijn uitgevoerd kan in elk
    deelrapport worden nagelezen. Hier moet met een algemene kenschets
    worden volstaan.

    lees meer

    Bijlage VIII – Voorwoord

    Voorwoord

    Dit rapport voor de Parlementaire Enqutecommissie
    Opsporingsmethoden vormt het eerste deel in de reeks van rapporten
    die voor deze Enqutecommissie zijn vervaardigd over de aard, ernst
    en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het
    heeft betrekking op de rol die autochtone groepen spelen in dit
    soort van criminaliteit. Het rapport dat door Frank Bovenkerk en
    ondergetekende werd geschreven over de rol van buitenlandse en
    allochtone groepen vormt als het ware het complement van dit
    rapport. De lezer van het onderhavige rapport doet er dus goed aan
    dat andere rapport – en natuurlijk ook het eindrapport – te
    betrekken in zijn beschouwingen over het onderzoek dat aan al deze
    rapporten ten grondslag ligt. Ook voor de vervaardiging van dit
    rapport werd niet tevergeefs een beroep gedaan op een heel aantal
    mensen. Bij de Divisie Centrale Recherche Informatie (CRI): B.
    Barendregt, H. Theeuwes, M. van der Plas, P. Groenhout, L. Weeda,
    N. Nierop, N. van de Ven, M. Ribberink en H. Hagen. Verder bedank
    ik ook A. Middendorp en H. Brombeeck (regiopolitie
    Brabant-Zuid-Oost), C. van Doorn, J. van de Wetering en J. van den
    Biggelaar (regiopolitie Brabant-Noord), en R. van Vught
    (regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Yvonne de Adelhart Toorop en
    Marjolein Ribberink, CRI, leverden ook deze keer de onontbeerlijke
    administratieve ondersteuning.

    lees meer

    Bijlage VIII – II.6. Corruptie onder Nederlandse overheidsdienaren van Surinaamse afkomst

    II.6. Corruptie onder Nederlandse overheidsdienaren van
    Surinaamse afkomst

    Aan het einde van de jaren tachtig bereikte de politie de eerste
    mededeling over een marechaussee die dienst deed op luchthaven
    Schiphol en die aan de Surinaamse kant uitstekende betrekkingen
    onderhield met een manager bij de Surinaamse Luchtvaart
    Maatschappij die betrokken was bij de handel in drugs, en aan de
    Nederlandse kant met een grote Hindoestaans-Surinaamse importfirma.
    Het bericht luidde dat de marechaussee drugskoeriers opving en
    doorsluisde en dat hij via een dienstvoertuig partijen cocane
    overdroeg aan zijn zakenvriend. Over een ambtenaar in dienst van
    een Amsterdamse deelraad kwam informatie binnen dat deze zich bezig
    hield met fraude van gesloten cheques en handelde in Nederlandse
    paspoorten. Haar positie stelde haar in staat de afgegeven
    paspoorten in het register van de burgelijke stand te registreren.
    Er kwamen berichten binnen over verschillende corrupte Surinaamse
    agenten in dienst van de regiopolitie te Amsterdam. Ook zij zouden
    met paspoortfraude te maken hebben, met heling, met het omkatten
    van gestolen auto’s en met het doorspelen van strafrechtelijke
    onderzoeksinformatie naar criminele organisaties. Voor ambtenaren
    van de rijksrecherche die deze informatie verwerken, is het
    aanleiding om in 1991 te vragen om justitieel onderzoek. Het
    onderwerp lag politiek uiterst gevoelig: was er werkelijk reden om
    te veronderstellen dat er speciaal met Surinamers in
    overheidsdienst iets niet in orde zou zijn? In 1990 kwam een hele
    groep Surinaamse politiemensen naar Nederland toe nadat Herman
    Gooding was vermoord. Zij vertelden dat ze van de militaire politie
    gevaar te duchten hadden en boden zich in Nederland aan om in
    politiedienst te gaan. De Nederlandse politie was juist op dat
    moment volop bezig om in het kader van haar positieve-actie-beleid
    Surinamers te werven en getrainde collega’s kon men op zichzelf
    goed gebruiken. Het was jammer dat hun antecedenten niet konden
    worden nagetrokken omdat er geen formele contacten bestonden tussen
    de Nederlandse en de Surinaamse politie. Nadat een aantal van hen
    in dienst was genomen, rees ten aanzien van sommige agenten de
    twijfel dat het vluchtverhaal was verzonnen en dat het om
    politiemensen ging die in Suriname zelf wegens wangedrag uit het
    korps waren gezet en die met uitdrukkelijk medeweten van de
    Surinaamse legerleider in Nederland waren geplant. De functionaris
    die toen bij de Amsterdamse politie het minderhedenbeleid
    cordineerde, heeft in de instroom van de Surinaamse politiemensen
    een actief aandeel gehad. Dit deel van het verhaal wordt in ons
    rapport over de georganiseerde misdaad in de hoofdstad in detail
    verteld. Hier volstaan we met de constatering dat een rapport,
    opgemaakt door de BVD over de betrekkingen die deze functionaris
    met Bouterse onderhield, voor de burgemeester en de korpschef reden
    was hem onmiddellijk te ontslaan. Het had onder andere bevreemding
    gewekt dat de betrokkene in de periode dat hij nog over een
    connectie bij de Surinaamse politie beschikte via welke hij de
    antecedenten van sollicitanten kon natrekken, geen alarm had
    geslagen bij een notoir geval. Rijksrechercheurs verzamelden de
    namen van Surinaamse agenten die op deze verdachte manier waren
    aangenomen en verzochten de procureur-generaal in Amsterdam om
    nader onderzoek. In 1993 werd een nieuwe groep Surinaamse
    werknemers op Schiphol aangetroffen die hand- en spandiensten
    verichtten voor drugssmokkelaars. Er kwamen meer berichten binnen
    over Surinaamse ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam, de
    sociale dienst en bij de huisvestingsdienst die corrupt waren. De
    Amsterdamse politie had inmiddels zelf onderzoek ingesteld en vier
    agenten van Surinaamse afkomst
    ontslagen. Een daarvan werkte in een andere stad als portier bij
    een discotheek en trad op als priv-chauffeur van n van de grotere
    autochtone drugshandelaren van Nederland. Ook in drie andere steden
    (onder andere Utrecht) worden corrupte Surinaamse politiemensen
    ontslagen. Een agent deed opvallend veel moeite om te kunnen werken
    als vertaler bij van de telefoon afgeluisterde gesprekken en was
    daarbij succesvol. Toen bleek dat hij nauwe contacten onderhield
    met een Surinaamse drugshandelaar. Er rezen verdenkingen tegen vier
    Surinamers die in opleiding waren bij verschillende korpsen en van
    nog eens vier afgewezen sollicitanten was van meet af aan duidelijk
    dat zij een groot risico op zouden leveren. Ook onder het
    bewakingspersoneel in een penitentiaire inrichting zou zich zo
    iemand bevinden, die een indrukwekkende carrire als sadist in
    dienst van de Surinaamse politie achter de rug had. In 1994 bedroeg
    het aantal verdenkingen tegen corrupte marechaussees op Schiphol al
    vijf. Het was moeilijk om werkelijk corruptieve handelingen te
    bewijzen, maar de connecties (familie, vrienden) met tal van
    bekende drugshandelaren waren evident. Een marechaussee die ten
    onrechte iemands paspoort van een toelatingsstempel voorzag,
    verontschuldigde zich bij ontdekking met de (waarschijnlijk juiste)
    mededeling vriendendienst! Van al deze verdenkingen kwam maar
    weinig naar buiten, maar het verlamde op verschillende plaatsen het
    politiewerk, omdat politiemensen niet wensten samen te werken met
    enkele collega’s die oorspronkelijk uit Suriname afkomstig waren.
    Ruim 15 jaar geleden interviewde Bovenkerk alle gekleurde
    politiemensen die Nederland rijk was. Het waren er toen op de kop
    af twintig en hij publiceerde daarover in een door de Federatie van
    Surinaamse Welzijnsinstellingen uitgegeven boekje met de titel: Als
    ze allemaal zo waren als jij! (Bovenkerk en Luning, 1979). Die
    titel sloeg op het vooroordeel van blanke politieagenten tegenover
    Surinamers in het algemeen. De genterviewden vertelden bij die
    gelegenheid hoe moeilijk het was om je als Surinamer (of
    Antilliaan) te onttrekken aan de aanspraken uit eigen etnische
    kring. Hun gemeenschappen waren klein en iedereen had in zijn
    familie of kennissenkring wel mensen die met politie en justitie in
    aanraking waren gekomen en die aanklopten om hulp. Je kon je
    natuurlijk helemaal losmaken van je etnische groep, maar dat
    betekende niet enkel een persoonlijke tragedie, het potentile
    voordeel voor de politie om zulke mensen in dienst te hebben, zou
    er mee verloren gaan. Het werd moeilijk afwegen waar de grens lag
    van de loyaliteit van familie, etnische groep en nationale afkomst.
    Ze vertelden dat zij met dit dilemma in een maatschappelijk
    krachtenveld moesten opereren dat fundamenteel anders was dan dat
    van hun Hollandse collega’s. Dat hun positie ook corruptiegevoelig
    zou kunnen zijn kwam bij de onderzoekers in 1979 niet eens op en
    daar hebben ze toen ook niet naar gevraagd (wat trouwens toch niet
    veel zou hebben opgeleverd). Thans mag de Nederlandse politie zich
    gelukkig prijzen met vele honderden Surinamers, Antillianen en
    Arubanen (en leden van andere etnische groepen) in haar dienst. Het
    verstevigt haar informatiepositie en legitimeert het korps als
    geheel bij het Surinaamse volksdeel. Positieve actie is nergens
    populair, maar bij de politie is zij goed aangeslagen. Het
    geschetste loyaliteitsdilemma heeft echter een corruptieprobleem
    opgeleverd, in elk geval bij de politie. De aanwijzingen die
    hierboven zijn genoemd, zijn zo overtuigend dat we gerust mogen
    zeggen dat het een echt probleem is en geen kunstmatig produkt van
    racistische waarneming of selectieve aandacht. Een Amsterdamse
    advocaat die zeer veel grote drugszaken in Surinaamse kring doet,
    beweert dat de Nederlandse overheid lek is. Zijn clinten hebben hem
    laten weten goede connecties bij de politie te hebben, zegt hij, en
    als er iets nodig is voor de verdediging, moest hij het maar laten
    weten. In de tijd dat er over ethische normen in de advocatuur nog
    niet zo veel werd gediscussieerd als thans kon hij, volgens eigen
    zeggen, over het uitgewerkte plan voor de pro-actieve fase van een
    groot politieonderzoek beschikken.

    lees meer

    Bijlage VIII – VI.3. De Italiaanse gemeenschap in Nederland

    VI.3. De Italiaanse gemeenschap in Nederland

    Ofschoon zowel in Duitse als in Franse rapporten sporadisch
    wordt gewezen op activiteiten van de Italiaanse mafia in Nederland,
    is haar (eventuele) optreden hier zeker geen thema in de
    internationale literatuur. Of dit terecht is of niet, zal in de
    volgende paragraaf uit de doeken worden gedaan. Tot goed begrip van
    de bevindingen waartoe ons eigen onderzoek in deze heeft geleid, is
    het van belang eerst iets te zeggen over de geschiedenis, de
    samenstelling en de bedrijvigheid van de Italiaanse gemeenschap in
    Nederland. Want, zoals eerder werd aangegeven, de aanwezigheid van
    zulk een gemeenschap vormt gewoonlijk een strategische voorwaarde
    voor de ontplooiing van mafia-activiteiten.

    lees meer

    Bijlage VIII – Bibliografie Hoofdstuk V

    Bibliografie Hoofdstuk V:

    De Chinese georganiseerde criminaliteit in Nederland

    Amsterdams Centrum Buitenlanders/Stichting Landelijke Federatie
    van Chinese Organisaties in Nederland,
    Karakters in het laagland; De positie van Chinezen in Nederland:
    situatieschets, knelpunten en aanbevelingen
    , Amsterdam,
    1994.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 11.5 Fraude door onjuiste benaming

    11.5 Fraude door onjuiste benaming

    Omdat over ieder produkt een ander belasting-pecentage moet
    worden betaald, kan het lonend zijn om hoog belaste goederen op
    papier voor te stellen als goederen waarop slechts een lage
    belasting hoeft te worden betaald. Dat kan subtiel: 1000 CC-motoren
    worden vermomd als 250 cc-motoren. Heel wat minder subtiel is een
    ander praktijkvoorbeeld: een zending mahonieschors – om
    kerststukjes van te maken – bevat in werkelijkheid sigaretten.

    lees meer

    IX – De zeehaven Rotterdam en de luchthaven Schiphol – 6. SAMENVATTING EN CONCLUSIES

    6. SAMENVATTING EN CONCLUSIES

    De geografische ligging van Nederland heeft gevolgen voor de
    aard en de omvang van de georganiseerde
    misdaad in Nederland. De uitstekende transportverbindingen en de
    aanwezigheid van enkele vitale transportknooppunten van diverse
    internationale handelsroutes, de haven Rotterdam en de luchthaven
    Schiphol, bieden internationale smokkelaars de mogelijkheid hun
    illegale waar naar de gewenste plaatsen te vervoeren. De
    smokkelwaar, waaronder drugs, wapens, gestolen auto’s, gevaarlijk
    afval, bedreigde plantensoorten, is verstopt in de massale
    goederenstromen die in beide havens dagelijks samenkomen. Er wordt
    door de (inter)nationale georganiseerde misdaad geprofiteerd van de
    overslagfaciliteiten van de grootste haven ter wereld en van een
    van de belangrijkste vliegvelden in Europa.

    lees meer

    IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 4.2. Autodiefstallen

    4.2. Autodiefstallen: aantallen en ontwikkelingen

    Er bestaan in Nederland verschillende registratiesystemen waar
    het aantal (vracht)autodiefstallen wordt bijgehouden. Zo schrijven
    Eijken en De Waard (1994, p. 15):Met betrekking tot de registratie
    van gestolen voertuigen is er sprake van verschillende
    databestanden. Zo houdt het Centraal Bureau voor de Statistiek
    (CBS) – op basis van maandelijks door de politiekorpsen verstrekte
    gegevens – cijfers bij over diefstal van personenauto’s. De
    Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) registreert aan de hand
    van door de politie verzonden signaleringen vermiste personenauto’s
    in het Opsporingsregister (OPS). Verder beschikt de Nederlandse
    politie nog over allerlei registratiesystemen waaronder het
    herkenningsdienstsysteem (HKS), het bedrijfsprocessensysteem (BPS),
    het Multipolsysteem. Daarnaast vindt ook registratie plaats door de
    verzekeringswereld, in het bijzonder het Centrum voor
    Verzekeringsstatistiek, als de gestolen auto verzekerd is.

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 2.3. Drugs en alcohol

    2.3. Drugs en alcohol

    Het gebruik van drugs en alcohol neemt onder bepaalde groepen in
    de samenleving toe. Exacte cijfers over het Nederlands drugsgebruik
    bestaan niet; alle genoemde percentages zijn dan ook
    schattingen.

    lees meer

    IX – De bouwnijverheid – 2.5. De kwetsbaarheid van het bouwproces

    2.5. De kwetsbaarheid van het bouwproces

    Vertragingen zijn voor een aannemer ook zo duur omdat het
    bouwproces op een bepaald plaats moet gebeuren, nooit standaard is
    en niet of nauwelijks in kleine, geprogrammeerde produktiestapjes
    is uiteen te leggen. Voor elk bouwproces moet cordinatie plaats
    vinden tussen vele onderaannemers, gespecialiseerde werknemers, en
    dergelijke binnen een bepaald produktieschema. Dat luistert nauw en
    heeft de medewerking van ieder nodig. Daardoor heeft elk van de
    betrokken partijen de macht het bouwproces te vertragen en zelfs
    plat te leggen. Logistieke en transportproblemen voor de aanvoer
    van bouwmaterialen en personeel verhogen deze kwetsbaarheid
    extra.

    lees meer

    << oudere artikelen