• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage X – 4.6. Slotbeschouwing

    4.6. Slotbeschouwing

    De openbaar accountant heeft een maatschappelijke
    vertrouwensfunctie. Ook de accountant die in dienst van een bedrijf
    werkzaam is of op commercile basis adviezen verstrekt, heeft een
    dergelijke uitstraling. Accountants staan borg voor deugdelijkheid
    en objectiviteit inzake het ontwerpen en controleren van de
    financile verslaggeving.

    lees meer

    Bijlage X – 1.2. Geraadpleegde bronnen

    1.2. Geraadpleegde bronnen

    De in dit rapport gepresenteerde onderzoeksresultaten berusten
    op een drietal bronnen: interviews, dossiers van strafzaken en
    literatuurstudie.

    lees meer

    Bijlage XI – 3.5. De handel in gestolen auto’s

    3.5. De handel in gestolen auto’s

    In de voorbije jaren zijn er bij herhaling berichten
    binnengekomen dat ook in Amsterdam op internationale schaal auto’s
    worden gestolen en verhandeld. Veel van deze berichten hebben nu
    eens betrekking op Joegoslaven en Russen die – zo lijkt het
    tenminste – op eerder individuele voet opereren, dan weer op
    landgenoten van hen die dit duidelijk in georganiseerd verband
    doen. Deze laatsten behoren niet alleen tot een groep die als
    zodanig is onderkend, zij stelen ook op een betrekkelijk vakkundige
    manier. Waarbij moet worden aangetekend dat deze internationale
    diefstal van (vracht)auto’s en de handel hierin voor Amsterdam niet
    nieuw is. In de loop van de jaren tachtig bleek immers dat een
    groep Ghanese criminelen, die ook actief was in de vrouwenhandel,
    tezelfdertijd honderden luxe-auto’s op bestelling had laten stelen
    en vervolgens – via Amsterdam, Rotterdam of Antwerpen – liet
    verschepen naar een of ander West-Afrikaans land. De hoofdverdachte
    hield te Amsterdam kantoor onder de naam African
    Express
    .

    lees meer

    Bijlage XI – 5.2. Couleur locale

    5.2. Couleur locale

    Ook de Arnhemse politie kreeg haar deel van de roerige jaren
    zestig. Jongeren hielden demonstraties, scholen samen rond een
    fontein in het centrum en verstoorden een Taptoe. De jaren zestig
    leven in de herinnering van de politiemensen in Arnhem echter niet
    voort als de jaren van de ludieke provocaties en hasjrokende
    langharige jongeren. De herinneringen worden beheerst door een
    bedreiging uit geheel andere hoek, namelijk de stevige
    machtspositie van enkele onderwereldfamilies. Zij zouden de rosse
    buurt en het uitgaansleven rondom de Korenmarkt, het
    uitgaanscentrum van de stad, geheel in hun greep hebben. Zij
    sloegen onmiddellijk munt uit de liberaler wordende opvattingen
    over pornografie en betaalde seks. Ook zij tartten op hun manier
    het gezag, net zoals de kabouters en krakers na hen. Bovendien
    zouden zij regelmatig betrokken zijn bij de vele intimidaties en
    gewelddadigheden die in die tijd tegen horecapersoneel en gasten
    plaatsvonden. De betrokken zware jongens leken boven de wet te
    staan. Zij konden ongestraft opzichtige parkeerovertredingen plegen
    met hun even opzichtige auto’s en zij werden niet (meer)
    gecontroleerd op vuurwapenbezit. In de plaatselijke krant werd
    regelmatig gesteld dat de Arnhemse politie overschrijding van
    sluitingstijden van cafs door de vingers zag en bepaalde cafs zelfs
    niet langer durfde te betreden. Eind 1969 werd door de korpsleiding
    een opmerkelijke stap gezet om de impasse te doorbreken. Er werd
    een aparte brigade opgericht onder leiding van een brigadier,
    waarvoor een zestal jonge, energieke surveillanten werd uitgekozen.
    Zij zouden de groep bijzondere opdrachten (GBO) gaan vormen, met
    een directe hirarchische lijn naar de korpsleiding. De groep kreeg
    zeer flexibele diensttijden, en diende zich ongeniformeerd te
    bewegen door de rosse buurt en het uitgaanscentrum. Zij kreeg het
    consigne hard op te treden en geen enkele confrontatie uit de weg
    te gaan.

    lees meer

    Bijlage I – HOOFDSTUK 5 DE GESPREKKEN

    HOOFDSTUK 5 DE GESPREKKEN

    De enqutecommissie heeft in het kader van haar onderzoek
    gesprekken gevoerd. De Wet op de Parlementaire Enqute kent geen
    gesprekken, hetgeen betekent dat de commissie de bevoegdheden die
    zij in het kader van de openbare verhoren heeft, ontbeert. Het gaat
    daarbij om de bevoegdheid getuigen en deskundigen op te roepen of
    te dagvaarden, wat een verschijnings- en antwoordplicht met zich
    brengt, en de bevoegdheid getuigen en deskundigen onder ede te
    verhoren. Desalniettemin was de bereidwilligheid van uitgenodigde
    gesprekpartners voor de commissie te verschijnen uitermate
    bevredigend te noemen, wat de commissie tot erkentelijkheid
    stemt.

    lees meer

    Bijlage V – 11.1 Inleiding

    11 RECHTSVERGELIJKEND PERSPECTIEF
    OPSPORINGSMETHODEN

    11.1 Inleiding

    Het gaat bij rechtsvergelijking niet om het rechtstreeks
    overnemen van elders gebruikte oplossingen voor vergelijkbare
    problemen. De studie is in eerste instantie gericht op het
    doorgronden van het vreemde rechtsstelsel. Daardoor ontstaat tevens
    een beter inzicht in het eigen, nationale rechtssysteem.
    Rechtsvergelijking werkt vooral relativerend. Door de kennisneming
    van de opbouw van een rechtssysteem en de daarin gekozen
    constructies, kan een beter zicht ontstaan op denkbare en vooral
    ook haalbare oplossingen, die passen binnen het eigen stelsel.
    Kennis omtrent ervaringen elders dragen bij aan het verbeteren van
    de kwaliteit van de rechtshandhaving.

    lees meer

    Bijlage V – Laundry

    Laundry

    Rechtbank Rotterdam, 14 juni 1995, nr. 10.035458/94
    Feiten en rechtsvragen:
    1. Verweer (3): Deals met S. en De B. ontberen een wettelijke
    grondslag en zijn in strijd met de Modelbrief (richtlijn) van de
    procureurs-generaal (d.d. 1 juli 1983). (De verdediging stelt dat
    door het openbaar ministerie met ongeveer 3 4 personen behorend tot
    de inner circle van verdachte Kobus L. overeenkomsten zijn gesloten
    om essentile informatie te verkrijgen. En van hen is nadien
    omgebracht, een ander hield zich niet aan de voorwaarden en
    belandde in Marokkaanse gevangenis. Over een derde noch een vierde
    persoon waarmee mogelijk afspraken zouden zijn gemaakt wordt in dit
    vonnis gesproken.) Rechtbank:

    lees meer

    Bijlage V – 5.2 Omschrijving methode

    5.2 Omschrijving methode

    5.2.1 Definitie

    Door de commissie-de Wit worden drie vormen van infiltratie
    onderscheiden: I. Het door een politiefunctionaris of burger, al
    dan niet onder de dekmantel van een aangenomen identiteit, onder
    gezag en regie van politie en openbaar ministerie, binnendringen in
    het criminele milieu of deel uitmaken van een criminele
    organisatie, ten behoeve van opsporing en vervolging. II. Het,
    onder gezag en regie van politie en openbaar ministerie, gebruik
    maken van een persoon die reeds deel uitmaakt van een criminele
    organisatie en zich als zodanig, met toestemming van politie en
    openbaar ministerie, schuldig maakt aan bepaalde strafbare
    feiten.

    lees meer

    Bijlage V – 9.3 Infiltratie

    9.3 Infiltratie

    9.3.1 Casus

    Een onderwerp dat in de praktijk regelmatig in verband wordt
    gebracht met corruptie, is de (politile) infiltratie. Onder
    infiltratie verstaat de commissie: het met het oog op opsporing en
    vervolging onder gezag en regie van de politie en het openbaar
    ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het
    ervan deel uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds
    deel van uitmaken en het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien
    dit optreden gepaard gaat met het I) aannemen van een valse
    identiteit en/of II) verrichten van strafbare feiten en/of III)
    bieden van steun aan de criminele organisatie of groep. Momenteel
    zijn er vier zogenaamde politile infiltratie teams (PIT’s)
    operationeel. In totaal waren er in 1995 25 mensen werkzaam bij de
    infiltratieteams. Noot In bijlage 5 methoden,
    hoofdstuk 5
    Infiltratie wordt uitgebreider op deze
    opsporingsmethode ingegaan. In deze paragraaf zullen aan de hand
    van een aantal casus verschillende corruptie-risico’s bij
    infiltratie worden beschreven. Een (voormalig) hoofdinspecteur van
    de gemeentepolitie schrijft hierover bijvoorbeeld:

    lees meer

    Bijlage VI – 4.2 Organisatie tactische recherche

    4.2 Organisatie tactische recherche

    4.2.1 Taak

    De tactische recherche heeft tot taak gegevens te verzamelen met
    betrekking tot strafbare feiten en personen die ervan verdacht
    worden strafbare feiten te hebben gepleegd. Verkregen gegevens
    dienen als bewijs ten behoeve van de strafrechtelijke afdoening
    door het openbaar ministerie (OM). Het materiaal moet betrekking
    hebben op feiten met het doel de plegers van die feiten te
    achterhalen; daarmee onderscheidt het tactisch onderzoek zich van
    het CID-onderzoek. Bij het CID-onderzoek heeft de
    gegevensverzameling namelijk veeleer betrekking op personen en
    groepen met het doel de door hen gepleegde en te plegen feiten te
    achterhalen of te voorspellen.

    lees meer

    Bijlage VI – 8.4 Bijzondere methoden

    8.4 Bijzondere methoden

    8.4.1 Algemeen

    Artikel 20, eerste lid WIV bepaalt dat de ambtenaren van de BVD
    geen bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten hebben. De
    ambtenaren als bedoeld in artikel 18 WIV (onder wie de
    RID-rechercheurs) beschikken doorgaans uit hoofde van hun functie
    over opsporingsbevoegdheden. In geval zij werkzaamheden verrichten
    in het kader van de BVD-taak oefenen zij geen bevoegdheden tot het
    opsporen van strafbare feiten uit (artikel 20 lid 2 WIV).

    lees meer

    Bijlage VII – V.1. Inleiding

    V. GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT IN LEGALE ECONOMISCHE
    SECTOREN: FEIT OF FICTIE?

    V.1. Inleiding

    Georganiseerde criminaliteit wordt nog altijd in de eerste
    plaats geassocieerd met de produktie van en handel in illegale
    goederen en diensten en zo bezien heeft deze soort criminaliteit
    niets te maken met het gevestigde bonafide bedrijfsleven. Maar
    zoals in de discussie over de georganiseerde criminaliteit in
    Nederland ook naar voren is gekomen, bestaat er de vrees dat met
    name groepen die in traditionele vormen van georganiseerde
    criminaliteit (drugshandel, enzovoort) actief zijn (geweest),
    zullen proberen om ook in legale economische sectoren een
    machtspositie op te bouwen. Mede hierom is in dit onderzoek
    rekening gehouden met een dergelijke ontwikkeling, en is voor een
    aantal branches onderzocht of er van zulk een vervlechting sprake
    is. De bedoelde vervlechting kan op uiteenlopende wijzen
    plaatsvinden. In het spoor van het onderscheid dat eerder werd
    gehanteerd bij de typering van de verschillende fraudezaken,
    onderscheiden we ook in dit verband twee hoofdvormen. De relatie
    tussen de georganiseerde criminaliteit en het bedrijfsleven kan
    parasitair van aard zijn. Dit doet zich voor wanneer
    criminele groepen uitsluitend profiteren en de betrokken bedrijven
    tot slachtoffer maken. Zij kan echter ook symbiotisch zijn
    en dan profiteren beide partijen ervan door samen te werken.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.2. De produktie en distributie van synthetische drugs

    4.2. De produktie en distributie van synthetische
    drugs

    In de voorbije jaren zijn er tientallen onderzoeken ingesteld
    naar de produktie en distributie van synthetische drugs. Uit een
    rapport over een belangrijk deel van deze onderzoeken is gebleken
    dat in elk geval de zogenaamde laboratoria die bij de vervaardiging
    van deze drugs werden gebruikt, overwegend waren gesitueerd in
    Amsterdam, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Deze laboratoria
    waren ingericht op zeer uiteenlopende lokaties: woonschepen,
    flatwoningen, loodsen, kelders, silo’s, enzovoort. Uit het feit dat
    er in deze laboratoria maar liefst 145 verschillende chemicalin
    werden aangetroffen, mag worden afgeleid dat er bij de productie
    van synthetische drugs nog heel wat wordt gexperimenteerd. Waarbij
    wel moet worden aangetekend dat een groot deel van deze chemicalin
    gewoon waren gekocht bij bekende firma’s in Nederland, Belgi en
    Duitsland. De meeste produktiemiddelen (glaswerk,
    tabletteermachines, pompen) waren afkomstig van Nederlandse en
    Belgische bedrijven en fabrieken. De vervaardiging van synthetische
    drugs is – economisch gezien – dus een meer normale activiteit dan
    men op het eerste gezicht wellicht zou denken. De XTC-zaak die
    bijna vijf jaar geleden door het vroegere IRT Noord-Holland-Utrecht
    onder de naam Extase werd gedraaid, heeft laten zien dat de
    produktie en distributie van synthetische drugs somtijds in handen
    is van een vrij goed-georganiseerde criminele groep en dat er
    enorme sommen geld mee kunnen worden verdiend (Cortebeeck, 1994).
    Deze groep was van gemengde, Belgisch-Nederlandse, origine. Zij
    telde zo’n twintig personen die – alleen of met anderen – betrokken
    waren bij alles wat er zoal komt kijken bij een illegale
    onderneming als deze: de aanschaf van panden, de inrichting van
    laboratoria, de aankoop van grondstoffen, het produceren van de
    drugs, de distributie van de pillen, de beveiliging van de
    lokaties, de investering van de winsten en andere. Volgens experts
    van de CRI had de organisatie in totaal de beschikking gehad over
    een bedrag van maximaal 264 miljoen en minimaal 72 miljoen ten
    behoeve van de aanwending in diverse activa. Hiervan kon, in
    relatie tot de kasadministratie, evenwel slechts 15 miljoen worden
    getraceerd. Tegenover een groep als deze die indertijd zonder
    twijfel tot de top van de georganiseerde criminaliteit had kunnen
    worden gerekend, staan tal van groepen die qua organisatie noch qua
    omzet kunnen tippen aan de bende waarom het in het Extase-onderzoek
    ging. Uit het rapport waarnaar hiervoor reeds werd verwezen, kan
    immers worden opgemaakt dat men in heel wat onderzoeken slechts is
    gestoten op enkele mensen die van A tot Z het hele productieproces,
    met alles wat hierbij hoort, gaande moesten houden. Hoe
    kleinschalig veel van deze groepjes wel niet werkten, blijkt met
    name uit het feit dat er nauwelijks sprake was van
    arbeidsverdeling. De organisator (financier, leverancier) werkte
    gewoon met de laborant mee om er het beste van te maken. Daarnaast
    is er ook een tussencategorie van groepen. Dat zijn de groepen, of
    beter gezegd, de netwerken die, op zichzelf genomen, wel enige
    organisatiegraad vertonen, maar die daarenboven hetzij voor de
    leverantie van grondstoffen, hetzij voor de afzet van hun
    producten, hetzij voor de gewelddadige inning van schulden, in meer
    of mindere mate afhankelijk zijn van figuren in de top van de
    georganiseerde criminaliteit. Om te achterhalen hoe deze netwerken
    er uitzien, zijn in Noord-Brabant twee recente onderzoeken naar de
    produktie en distributie van synthetische drugs onder de loupe
    genomen.
    Onderzoek A bracht aan het licht dat in een bedrijfspandje in een
    middelgrote stad amphetamine werd vervaardigd. Niet het hele
    produktieproces werd hier afgewikkeld. Enkele keren werden bepaalde
    bewerkingen uitgevoerd in woonhuizen in de Randstad. En het draaien
    van de pillen gebeurde uiteindelijk weer op een andere plaats in
    het land. Deze geografische spreiding van het produktieproces
    (branden, kristalliseren en tabletteren) had zeker tot doel om het
    risico van ontdekking te verkleinen. Te zelfder tijd vormde zij
    echter ook een weerspiegeling van het netwerk dat hier bezig
    was.

    lees meer

    Bijlage VIII – III.7. De PKK en het probleem van de afpersing

    III.7. De PKK en het probleem van de afpersing

    Dan is er tenslotte het grote en angstwekkende probleem van de
    afpersing van landgenoten. Er zijn ook andere groepen die zich daar
    waarschijnlijk mee bezig houden, maar afpersing door de PKK in het
    Koerdische milieu is het bekendste. De PKK heeft haar wortels in de
    jaren zeventig in het linkse studentenmilieu van Ankara, waar men
    het idee van gewapend verzet ontwikkelde om de positie van de
    Koerden te verbeteren (Soeterik, 1993). De PKK zelf stamt uit 1978.
    Nadat in Turkije in 1980 voor de derde maal na de oorlog een
    staatsgreep is uitgevoerd, worden PKK-activisten gearresteerd en om
    het leven gebracht of het land uitgewezen. De meeste Koerdische
    organisaties hebben de repressie van de overheid niet overleefd,
    maar de PKK heeft zich sedert het begin van de jaren negentig juist
    een massa-aanhang onder de Koerden verworven. Dat geldt ook de
    Koerden in het buitenland. In Nederland is ongeveer 30% van degenen
    met een (oorspronkelijk) Turkse nationaliteit Koerdisch. De
    grootste concentratie is te vinden in Den Haag (Van Loon, 1992) en
    verder in Deventer en Arnhem, maar Koerden zijn eigenlijk overal
    waar ook Turken zijn. Het is buitengewoon moeilijk voor de
    Nederlandse autoriteiten om uit te maken of door Koerden een
    vrijwillige bijdrage aan de PKK wordt geschonken of dat zulks
    berust op intimidatie en dwang. Er zijn voldoende berichten van
    intimiderend optreden in koffiehuizen waarbij gasten 25 of 100
    gulden afstaan, berichten over folders in huisdeuren en over
    regelrechte afpersing van geslaagde Koerdische ondernemers
    (waaronder drugshandelaren!). Maar zouden zij vrijwillig niet ook
    contributie hebben betaald? De grote moeilijkheid bij het delict
    afpersing is altijd dat de slachtoffers geen aangifte doen. Twee
    gerichte pogingen van de politie (in Amsterdam en in Arnhem) om
    door middel van een aanschrijving aan alle Turkse en Koerdische
    adressen in de stad slachtoffers tot aangifte te bewegen, leverden
    in Amsterdam helemaal niets op en in Arnhem niet meer dan enkele
    aangiften.

    lees meer

    Bijlage VIII – VII.7. Conclusie

    VII.7. Conclusie

    Uit dit relaas is duidelijk geworden dat de Colombiaanse
    kartelorganisaties in Nederland zeer actief zijn. Het gaat hier om
    organisaties die in zeer korte tijd een reusachtige economische en
    politieke macht hebben opgebouwd en die in staat zijn niet enkel te
    onderhandelen met hun eigen regering over de eventuele condities
    waarop zij zich zouden willen overgeven, maar die met hun houding
    ook de Amerikaanse regering bruskeren. Nederland is voor de kartels
    van logistiek belang, omdat zij hun handelswaar in belangrijke mate
    per zeevracht en in containers Europa binnenvaren via Nederlandse
    havens. Het is opvallend te constateren dat zij daarbij eigenlijk
    niet goed kans hebben gezien hetzelfde spel te spelen als in
    Zuid-Amerika door de overheid of althans een aantal van haar
    dienaren te corrumperen. Het niveau waarop vertegenwoordigers van
    de Colombiaanse kartels contact hebben gemaakt met de Nederlandse
    drugshandelaren is evenmin indrukwekkend. Het kan ermee te maken
    hebben dat de handelaren in soft drugs, waar Nederlanders immers
    het sterkst in zijn, de risicovolle cocane liever mijden. De
    Colombiaanse leden van de kartels zijn hier wel verantwoordelijk
    voor kwalitatief nieuwe acties op de weg naar de georganiseerde
    misdaad door moorden te laten uitvoeren volgens de stijl van
    sicario’s en door de eerste succesvolle gecombineerde
    ontsnappingsactie met hulp van het bewakend personeel te
    organiseren. Ofschoon we het betrekkelijke succes van de
    Colombiaanse organisaties niet op het conto kunnen schrijven van de
    Colombiaanse gemeenschap hier te lande, is het toch wel
    waarschijnlijk dat een groot deel van de weinige Colombianen op
    enigerlei wijze bij deze drugshandel is betrokken. Hun criminele
    activiteiten gaan voor een groot deel over de hoofden van de
    Nederlandse bevolking heen doordat de wereld van de cocanehandel
    uitzonderlijk internationaal is samengesteld.

    lees meer

    << oudere artikelen