• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage X – Voorwoord

    Henk van de Bunt (VU/WODC)
    Hans Nelen (WODC)

    Voorwoord

    Tal van personen zijn van onschatbare betekenis geweest bij de
    gegevensverzameling ten behoeve van deze studie. Wij zijn veel dank
    verschuldigd aan de personen en diensten die in bijlage 1 staan
    vermeld. Onze speciale dank gaat uit naar Frank Erkens van de
    afdeling forensische accountancy van de CRI die vele waardevolle
    suggesties voor het derde deel van het rapport heeft gedaan.

    lees meer

    Bijlage X – 11.1. Inleiding

    11. WITWASSEN

    11.1. Inleiding

    Witwassen, zo werd in hoofdstuk 9 gesteld, is het omzetten van
    de verborgen, niet te verantwoorden herkomst van inkomsten in een
    wel te verantwoorden herkomst. In het vorige hoofdstuk is duidelijk
    geworden dat misdaadgeld in een land zonder financile, fiscale of
    strafrechtelijke controle op de herkomst van geld, gemakkelijk
    genvesteerd kan worden in de legale economie. Wanneer een criminele
    organisatie misdaadgeld dat in Nederland is verdiend, wil
    investeren in een dergelijk land is het voldoende dat het geld
    verplaatst wordt. Aangezien veel misdaadgeld wordt verdiend met de
    handel in herone en cocane door Turkse en Zuidamerikaanse
    organisaties (zie het rapport over de allochtone groepen), die
    nauwelijks in ons land investeren, komt het verplaatsen van
    misdaadgeld veel vaker voor dan de andere fasen in het
    witwasproces.

    lees meer

    Bijlage XI – 5.2. De Wallen in Amsterdam

    5.2. De Wallen in Amsterdam: een historisch centrum van
    prostitutie

    Volgens politionele tellingen waren er in Amsterdam in 1896 19
    bordelen en 17 rendez-vous-huizen (hieronder werden hotels en
    particuliere woningen verstaan waar prostitues hun beroep
    uitoefenden). In de bordelen waren in totaal 11 Nederlandse en 99
    buitenlandse vrouwen werkzaam. Daarnaast bestonden er 139 andere
    gelegenheden in de stad, zoals bierhuizen, logementen en cafs,
    waarvan men vermoedde dat er prostitutie werd bedreven. Volgens het
    bevolkingsregister waren er in 1896 in Amsterdam veel meer huizen
    met publieke vrouwen, namelijk 228, met in totaal 1.030 prostitues
    (Van Slobbe, 1937). De Amsterdamse politie zag dan ook niet veel in
    een bordeelverbod; opheffing van de bordelen zou slechts leiden tot
    een toename van de illegale prostitutie. De huizen van ontucht
    waren voornamelijk gesitueerd in de omgeving van het
    Oudekerksplein. Rond de eeuwwisseling werd de stad uitgebreid met
    het gedeelte dat nu Oud-Zuid wordt genoemd. Talrijke prostitues
    trokken toen naar wijk YY, het stadsgedeelte dat nu De Pijp heet.
    Deze lokatie werd al snel een centrum van prostitutie en andere
    twijfelachtige activiteiten. Aan het einde van de Eerste
    Wereldoorlog bereikte de prostitutie hier haar hoogtepunt. Met name
    het aantal straatprostitues was toen enorm toegenomen. Door de
    weinig centrale ligging van de wijk verplaatste de prostitutie zich
    op den duur echter toch weer grotendeels naar de omgeving van het
    Oudekerksplein (Stemvers, 1985; Hoff, 1994). In 1911 werd het
    bordeelverbod in het Wetboek van Strafrecht opgenomen; hiermee werd
    het zich prostitueren niet strafbaar gesteld maar wel het
    exploiteren van een prostitutiebedrijf. Bovendien werd artikel 432
    van het Wetboek van Strafrecht, gericht tegen landloperij,
    uitgebreid met een bepaling tegen souteneurschap. Een gevolg van
    deze wetswijzigingen was het ontstaan van verkapte bordelen.
    Bordeelhouders zetten hun bedrijven om in pensions, hotels,
    kamerverhuurbedrijven, mode-ateliers en strijkinrichtingen, en de
    inwonende vrouwen werden omgedoopt tot zogenaamde huishoudelijke
    hulpen, zoals kamermeisjes, linnenjuffrouwen en dienstmeiden (Van
    Slobbe, 1937; Stemvers, 1985). Achter deze faades ging de seksuele
    bedrijvigheid gewoon door. In de jaren dertig werden er ook
    bordelen geopend in andere delen van de stad: aan de Ruysdaelkade,
    in de Van Ostadestraat en de Reguliersdwarsstraat (Stemvers, 1985;
    Hoff, 1994). De Amsterdamse zedenpolitie schatte het aantal
    clandestiene bordelen in 1936 op zo’n 150; de meeste waren
    gevestigd in het stadsdeel dat nu de Wallen wordt genoemd
    (Boutellier, 1987; Stemvers, 1985; Hoff, 1994). In de jaren vijftig
    en zestig werden meer de psycho-sociale oorzaken van de prostitutie
    beklemtoond. In het kader van de verzorgingsstaat werden onderwijs,
    voorlichting en volksgezondheid naar voren geschoven als middelen
    om het prostitutieprobleem te beheersen. Parallel hieraan werd
    voorgesteld om het politieoptreden tegen prostitutie te beperken.
    De prostitue zou veeleer langs de weg van de resocialisatie moeten
    terugkeren in de burgermaatschappij. Tevens diende een gelijke
    economische positie van mannen en vrouwen te worden nagestreefd,
    dat wil zeggen: er moest via speciale programma’s worden geprobeerd
    de prostitue haar zelfrespect te laten hervinden. In ongeveer een
    halve eeuw tijd veranderde het prostitutievraagstuk aldus van een
    probleem van seksuele moraal in een psycho-sociaal en individueel
    probleem (Boutellier, 1987). In de jaren zestig en zeventig deed
    zich echter een ware omwenteling in het prostitutiewezen voor. De
    Amsterdamse Wallen kenden tot 1970 een gemoedelijke sfeer waar
    prostitues volgens het oude pooiersysteem een deel van hun
    verdiensten aan hun zogenaamde beschermers afstonden. De pooiers en
    de prostitues waren buurtgebonden en hingen wat rond op de straten
    en in de cafs, waardoor er een grote mate van sociale controle
    bestond en daarmee veiligheid was gegarandeerd. Op een klein
    groepje Surinaamse vrouwen na waren er toen uitsluitend Nederlandse
    prostitues werkzaam. In de loop van de jaren zeventig kwam hierin
    evenwel verandering. De Surinaamse vrouwen verlieten de prostitutie
    en de overgebleven lokale vrouwen maakten zich los van het
    traditionele pooiersysteem en gingen als zelfstandigen werken
    (Brussa, 1987). Op
    datzelfde moment barstte evenwel de commercialisering van de
    prostitutie los en deed de Wallen in een paar jaar tijd geheel van
    karakter veranderen. De vraag naar prostitutes werd niet alleen
    groter maar ook gedifferentieerder. De exploitanten speelden hier
    slim op in en creerden allerlei faciliteiten voor andere vormen van
    seksvermaak (Van der Poel, 1991). De clubs werden uitgebreid met
    sauna’s, seksbioscopen en sm-kamers. Talrijke seksbedrijven, zoals
    sekstheaters, seksmusea en seksshops, schoten als paddestoelen uit
    de grond (Van der Poel, 1991). De kleine danszalen en cafs
    verdwenen. Hiermee ging volgens sommigen de gezellige, gemoedelijke
    sfeer van de buurt verloren. Daarvoor in de plaats kwamen felle
    neonlichten en schettermuziek. De prostitutie op de Wallen beleefde
    zo aan het einde van de jaren zestig een nieuw hoogtepunt.

    lees meer

    3.1.1. De stad Enschede

    3.1.1. De stad Enschede Noot

    De ontwikkeling van Enschede is nauw verbonden met de opkomst
    van de textielindustrie. Deze industrie heeft vanaf 1850 geleid tot
    een snelle groei van de werkgelegenheid. Als gevolg daarvan kwam er
    een grote toeloop van voornamelijk ongeschoolde arbeiders en hun
    gezinnen van het platteland naar de stad op gang. Tussen 1900 en
    1950 nam het aantal werknemers in de textielfabrieken in Enschede
    toe van ongeveer 8.000 tot 20.000. De namen van textielbaronnen als
    Van Heek en Schuttersveld zijn onlosmakelijk verbonden met
    Enschede. De totale bevolkingsomvang nam tussen 1900 en 1950 toe
    van circa 35.000 tot rond 110.000. De economische groei van
    Enschede in de jaren vijftig en een deel van de jaren zestig is
    vooral te danken aan de florerende textiel- en kledingindustrie. Na
    1965 ging het snel bergafwaarts met de textielindustrie als gevolg
    van de zware concurrentie uit Azi, waar veel goedkoper en sneller
    kleding werd vervaardigd. De werkgelegenheid daalde hierdoor in
    Enschede sterk. Alleen al binnen de textielsector gingen tussen
    1960 en 1977 circa 13.500 arbeidsplaatsen verloren. Andere
    industrile sectoren, zoals de metaalindustrie en de optische
    industrie, wisten wel enige groei te bewerkstelligen maar deze was
    onvoldoende om de terugval op te vangen. Onder leiding van de
    toenmalige burgemeester Thomassen is met veel kracht sinds het
    midden van de jaren zestig de dienstensector in Twente uitgebreid,
    in het bijzonder in Enschede. Maar de vestiging van de Universiteit
    Twente en de uitbreiding van de (technologische) dienstensector
    hebben de achterstand van Twente ten opzichte van de rest van
    Nederland echter niet kunnen verkleinen. In Enschede is al jaren
    sprake van een zorgelijke economische situatie. Het percentage
    werklozen in Enschede is sinds de jaren zestig steeds hoger dan het
    landelijke percentage. In 1990 was in Enschede 14,4% van de
    beroepsbevolking zonder werk. Dat is bijna 5% hoger dan het
    landelijke gemiddelde (7,5%). Op 1 januari 1994 is dat percentage
    gedaald naar 13,1. Voorts kampt de stad met een relatief groot
    aantal arbeidsongeschikten. In totaal zijn 25% van de Enscheders
    afhankelijk van een uitkering. Ongeveer 60% van de Enschedese
    bevolking heeft een inkomen lager dan het modale van Nederland. De
    bevolking in Enschede is na de Tweede Wereldoorlog toegenomen met
    zo’n 50%. In 1950 had de stad een kleine 110.000 inwoners en in
    1995 ruim 147.000. Desondanks is Enschede qua bevolkingsgroei
    achtergebleven bij de rest van Nederland. De bevolking in Enschede
    telt relatief veel bejaarden en veel jonge mensen onder de
    vijfentwintig jaar (studenten van de Hogeschool en van de
    Universiteit). Veel (vooral jonge) gezinnen zijn de laatste vijf
    jaar naar nieuwbouwwijken in het zuiden van Enschede getrokken. In
    het centrum wonen, net als in veel andere grote steden, veel
    alleenstaanden en twee-persoonshuishoudens.

    lees meer

    Bijlage I – HOOFDSTUK 8 HET ARCHIEF

    HOOFDSTUK 8 HET ARCHIEF

    Het archief van de commissie bestaat uit het archief van de
    onderzoeksgroep-Fijnaut en het archief van de commissie. Het
    archief-Fijnaut is, conform de afspraken met de ministers van
    Justitie en Binnenlandse Zaken, ondergebracht bij de Centrale
    recherche informatiedienst. De stukken die de commissie zelf heeft
    verzameld, bevinden zich in de ruimten van de enqutecommissie in
    het gebouw van de Eerste Kamer. De enqutecommissie heeft in de loop
    van haar onderzoek zeer veel documenten verzameld. Het archief
    bestaat uit documenten verkregen op grond van artikel 3 van de Wet
    op de Parlementaire Enqute, spontaan toegestuurde stukken en de
    door haar zelf geproduceerde stukken. Daarnaast beschikt de
    commissie over een bibliotheek, bestaande uit onder meer
    wetenschappelijke literatuur, jurisprudentie, beleidsrapporten en
    officile publicaties.

    lees meer

    Bijlage V – Schaduw-arresten I en II

    Schaduw-arresten I en II

    HR 14 oktober 1986, NJ 1987, 511 m.nt. ThWvV en HR 14 oktober
    1986, NJ 1987, 564 (Artt. 55 en 311 Sr, 27 Sv en 28 Politiewet
    (oud))

    ‘s Nachts signaleerden verbalisanten in een auto twee bekenden en
    besloten die auto te gaan volgen. Toen even later deze auto ergens
    werd geparkeerd en de inzittenden vertrokken, bleven de
    verbalisanten deze auto in de gaten houden. Enkele uren later zagen
    zij drie personen weer in de auto stappen en besloten zij die auto
    wederom te volgen. Enkele minuten later kwam bij hen een bericht
    binnen van een inbraak, welke had plaatsgevonden in een winkel nog
    geen 250 meter van de plaats waar de auto die zij hadden
    geobserveerd, had gestaan. De achtervolging werd ingezet.

    lees meer

    Bijlage V – AH Oosterbeek/Jehova’s Getuigen

    AH Oosterbeek/Jehova’s Getuigen

    Rechtbank Arnhem 18 april 1995, nr. 05/075.090/92
    (Artt. 8, 9 EVRM, 6 Grondwet, 123 Sv (inmiddels vervangen door
    art. 12 Algemene Wet op het binnentreden)) Verdachte wordt
    tenlastegelegd meerdere overvallen te hebben gepleegd, waaronder de
    overval op het
    Albert Heijn filiaal te Oosterbeek in mei
    1990. Daarbij zijn twee personen met behulp van een riot-gun om het
    leven gebracht en is een persoon zwaar gewond geraakt (zie voor een
    uitgebreide beschrijving van feiten en omstandigheden hoofdstuk
    5
    Infiltratie).

    lees meer

    Bijlage V – 6.5 Controle

    6.5 Controle

    De verantwoordelijkheid voor de beslissing om tot
    misdaadanalyse, fenomeenonderzoek of financile recherche over te
    gaan ligt verspreid. Operationele misdaadanalyse en financile
    recherche lijken vooral te worden aangevangen op verzoek van een
    tactische recherchechef of een CID-chef. Wie opdracht geeft tot het
    verrichten van een strategische misdaadanalyse in de regio’s of een
    fenomeenonderzoek kan verschillen, behalve voor zover het gaat om
    respectievelijk de landelijke inventarisaties criminele
    groeperingen dan wel de verdeling van fenomeenonderwerpen over de
    diverse kernteams: deze geschiedde door het CBO. De korpsbeheerder
    heeft in deze feitelijk, noch als zodanig noch als beheerder van
    het politieregister, een
    controlerende rol van betekenis (zie bijlage 6 Organisaties,
    hoofdstuk 3
    Criminele inlichtingendiensten). Hoewel,
    zoals hiervoor reeds is gebleken, sommige leden van het OM eisen
    stellen aan deze vormen van informatie-inwinning (verdenking en/of
    toestemming openbaar ministerie om bij derden inlichtingen in te
    winnen), is dit bepaald geen algemene bevinding. Integendeel, de
    politie lijkt in deze een grote vrijheid te hebben. De CTC heeft
    naar aanleiding van het Fieccom-onderzoek het gebruik van openbare
    bronnen toelaatbaar geacht, en het ook toelaatbaar geacht om
    politieregisters (zoals daar ook zijn de CID-registers) bij het
    fenomeenonderzoek te betrekken op het moment waarop de verdenking
    ontstaat. In dat laatste geval werd geen scherp onderscheid gemaakt
    tussen het fenomeenonderzoek en het opsporingsonderzoek; er kan
    evenwel uit worden opgemaakt dat de CTC geen bezwaren ziet aan het
    gebruik van deze registers bij een (strategische)
    misdaadanalyse.

    lees meer

    Bijlage VI – 11.2 Organisatie

    11.2 Organisatie

    11.2.1 Burgemeester-korpsbeheerder: beheerstaken

    De burgemeester van de grootste gemeente in de politieregio is
    korpsbeheerder, Noot bij wie het beheer over het
    regionale politiekorps berust. De korpsbeheerder dient
    verantwoording af te leggen aan het regionale college,
    Noot waarvan hij zelf voorzitter is. Het college stelt
    jaarlijks de organisatie, de formatie, de begroting, de
    jaarrekening en het beleidsplan voor het regiokorps vast. De
    korpsbeheerder is eindverantwoordelijke voor de uitvoering van het
    beleidsplan (artikel 31 Politiewet 1993). Hij kan de korpschef
    uitnodigen inlichtingen te verstrekken aan het regionale college.
    Noot

    lees meer

    Bijlage VI – 5.4 Samenwerking en uitvoering op landelijk niveau

    5.4 Samenwerking en uitvoering op landelijk niveau

    De specialisatie van de hier besproken afdelingen heeft tot
    gevolg dat de inhoudelijke sturing van en controle op de
    werkzaamheden vooral uitgaan van vaktechnische specialisten. Binnen
    de politie-organisaties zijn dat de leidinggevenden van het OT, AT,
    BFO, STO en PIT.

    lees meer

    Inhoud Bijlage VII

    Bijlage VII – Eindrapport georganiseerde criminaliteit in
    Nederland

    VOORWOORD

    lees meer

    Bijlage VII – VI.3. Het wegsluizen van misdaadgeld in de legale economie

    VI.3. Het wegsluizen van misdaadgeld in de legale
    economie

    Misdaad loont. De winsten die met georganiseerde criminaliteit
    worden behaald, zijn soms buitensporig hoog. Toch is de aandacht in
    Nederland voor het confisceren van deze winsten pas van recente
    datum. Meer in het algemeen is er, zoals reeds in hoofdstuk IV naar
    voren kwam, betrekkelijk weinig kennis over de omvang en de aard
    van de bestedingen van misdaadgeld. In de jaren zeventig en tachtig
    groeide weliswaar de aandacht voor de omvang van zwart geld, het
    voor de fiscus verzwegen inkomen, maar deze problematiek werd niet
    in verband gebracht met de opbrengsten uit misdaad. Overigens is
    het in de legale economie sluizen van winsten van georganiseerde
    criminaliteit in internationaal verband onder het trefwoord money
    laundering eerder wel hoog op de politieke agenda terechtgekomen
    (Van Zoest, 1995). Witwassen is de verbindende schakel tussen de
    illegaliteit en de legale sectoren van de economie; het vereist de
    (al dan niet verwijtbare) betrokkenheid van integer geachte
    personen (onder wie advocaten en accountants) en systemen, zoals
    het bankwezen en de beurs. Niet zozeer door de criminele
    grondfeiten maar door het wegsluizen van crimineel geld in het
    legale circuit kan de zo gevreesde innesteling of infiltratie
    plaatsvinden. Vanwege de enorme geldbedragen, die in de criminele
    wereld in omloop zijn, is witwassen geen symptoom van het
    eigenlijke probleem (georganiseerde criminaliteit), maar is het een
    probleem op zichzelf geworden.

    lees meer

    Bijlage VIII – Bibliografie

    Bibliografie

    Beer Poortugael, D. den, De marechaussee grijpt in, Bruna
    & Zoon, Utrecht, 1954. Blok, A., De bokkerijders;
    Roversbenden en geheime genootschappen in de landen van
    Overmaas
    , Prometheus, Amsterdam, 1991.

    lees meer

    Bijlage VIII – IV.8. Georganiseerde misdaad begint op de hoek

    IV.8. Georganiseerde misdaad begint op de hoek: een voorbeeld
    van Marokkaanse bendes

    We blijven bij de kwestie van het wegsluizen en het gebruik van
    de revenuen toch langer staan omdat in Nederland een groot
    strafrechtelijk onderzoek is uitgevoerd dat weliswaar niet
    representatief is voor de handel zelf, maar dat wel een interessant
    licht werpt op de maatschappelijke habitus van de betrokken
    drugshandelaren. Het gaat hier om de zogenaamde Ramola-zaak die in
    1993 en 1994 door de Rotterdamse politie is gedraaid. Plaats van
    handeling is de Rotterdamse wijk Spangen die ooit, vlak na de
    Eerste Wereldoorlog door niemand minder dan de architecten M.
    Brinkman en P. Oud is ontworpen als modelwijk voor vooruitstrevende
    arbeiders. Een echt rood nest werd het en het hoofdkwartier van de
    voetbalclub Sparta. Nu is het echter een van de laatste wijken
    waarvan althans een deel in aanmerking komt voor renovatie en hier
    heeft het door de stadsvernieuwing opgejaagde legertje van
    drugsdealers zich op dit moment gevestigd. De overlast is groot,
    het broeit in de buurt. De wijk is aan de voet van een afrit van de
    A16 gunstig gelegen voor drugstoeristen uit Frankrijk en Belgi die
    goedkope drugs komen kopen in grote hoeveelheden, van goede
    kwaliteit en zonder het risico te worden aangepakt zoals door de
    politie in eigen land. Drugsrunners lokken de klanten al aan de
    grens, langs de weg en in de wijk en daar zijn jonge kinderen
    onder. Helsdingen en De Kleuver (1995) maakten op grond van een
    analyse van honderden waargenomen personen het profiel van
    drugsrunners en komen tot de conclusie dat in het jaar 1992 en 1993
    niet minder dan 93% van Marokkaanse origine was. De buitenlanders
    kopen hier cocane die een Marokkaanse groep weer afneemt van mensen
    die afkomstig zijn uit de Dominicaanse Republiek en herone van een
    Turkse groep. Als mensen van een etnische groep die vertrouwd zijn
    met de klanten uit francofone landen, zijn Marokkanen de voor de
    hand liggende dealers.

    lees meer

    Bijlage VIII – IX.5. Conclusie

    IX.5. Conclusie

    Volgens de gegevens die ons ter beschikking staan, is het zo dat
    de Russische mafia op een enkel vlak – en vooral dat van afpersing
    – zeker al wel tekenen van leven in Nederland heeft gegeven, maar
    dat de omvang van haar activiteiten voorlopig niet moet worden
    overdreven. Deze conclusie wordt niet alleen gedragen door de
    feiten en berichten die wij zelf onder ogen hebben gehad. Zij
    strookt ook volledig met de bevindingen waartoe belangrijke Duitse
    en Amerikaanse politiediensten zijn gekomen aangaande de
    verbreiding van de Russische mafia in West-Europa. Hun rapporten
    laten immers ook zien dat deze mafia zich in allerhande Amerikaanse
    en Westeuropese metropolen en grote steden heeft genesteld, behalve
    in de Nederlandse. De Fastowski-zaak toont wellicht aan dat dit aan
    het veranderen is, maar deze verandering heeft zich op dit moment
    dan toch nog niet duidelijk doorgezet. In elk geval werd nergens
    vastgesteld dat misdadigers of criminele groepen van Russische
    origine zich hebben schuldig gemaakt aan pogingen tot corrumpering
    van de Nederlandse overheid, laat staan aan de toepassing van
    intimidatie of geweld in haar richting. Dat het vorenstaande geen
    reden kan zijn om de komende tijd geen acht te slaan op de
    Russische (georganiseerde) criminaliteit in ons land, moge voor
    zichzelf spreken.

    lees meer

    << oudere artikelen