• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • IX – De branche van het wegtransport – 2.1. De sterke positie van Nederland

    2. DE EUROPESE EN NATIONALE VERVOERSMARKT

    2.1. De sterke positie van Nederland: enkele cijfers

    Het internationaal goederenvervoer over de weg in Europa neemt
    enorm toe. In 1981 werd er op het continent 138 miljoen ton aan
    goederen over de weg vervoerd. In twaalf jaar tijd verdubbelde deze
    hoeveelheid zich tot
    275 miljoen ton in 1993 (TLN, 1994). Het aandeel van Nederland
    daarbinnen is op verschillende manieren te meten. Kijken we eerst
    naar de relatieve positie ten opzichte van andere Europese landen,
    dan is Nederland thans de grootste transporteur van goederen over
    de weg. Ons land verzorgde in 1991 bijna 28 procent van het totale
    Europese goederenvervoer. Frankrijk volgt op afstand met iets meer
    dan 18 procent en Duitsland staat derde met bijna zeventien
    procent. Het Belgische aandeel bedraagt zestien procent en maakt
    dit land tot de vierde vervoerder binnen de Unie. Verder volgen,
    naar grootte: Itali, Spanje, Engeland, Denemarken, Portugal,
    Luxemburg, Ierland en Griekenland (TLN, 1994).

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 3.1. Ondernemingen in aantal en grootte

    3. DE NEDERLANDSE VERVOERSBRANCHE:

    NOG MEER CIJFERS

    3.1. Ondernemingen in aantal en grootte

    Nederland telt in 1994 totaal 9700 ondernemingen in het
    beroepsgoederenvervoer over de weg. Het gaat vooral om kleine en
    middelgrote bedrijven. Bijna een kwart van alle Nederlandse
    transportondernemingen heeft maar n voertuig; dit zijn bijna
    allemaal eenmansbedrijfjes. Ruim negentig procent van alle
    Nederlandse transportondernemingen heeft minder dan twintig
    voertuigen en nog geen tien procent van alle bedrijven heeft een
    groter wagenpark. Zuid-Holland en Noord-Brabant zijn de
    belangrijkste provincies qua
    laden en lossen van goederen.

    lees meer

    IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 6.2. De commercie

    6.2. De commercie

    Voor private instellingen is het van levensbelang over die
    meldingen te kunnen beschikken. De reden is dat
    verzekeringsmaatschappijen vindersloon of bemiddelingskosten
    uitbetalen aan die instellingen die gegevens verstrekken over de
    vindplaats van een vermiste auto. Dergelijke bedrijven worden ook
    wel carhunters genoemd. Er zijn in Nederland diverse
    carhunter bedrijven actief die opereren in de zelfkant van
    opsporingsland. AVRO’s Televisier heeft in een uitzending aandacht
    besteed aan dergelijke onderzoeksbureaus, annex priv-detectives,
    annex schade-onderzoeksbureaus. Deze carhunters zoeken bij
    grote parkeerplaatsen en parkeergarages (in grote steden en bij
    stations en vliegvelden) de kentekens op van de daar geparkeerde
    auto’s om een eventueel gestolen exemplaar te ontdekken. Is dit het
    geval dan wordt contact opgenomen met de verzekeringsmaatschappij
    met de mededeling dat de auto op een zekere plaats is
    aangetroffen. Wanneer de maatschappij prijsstelt op teruggave dan
    wordt zij verzocht een bepaald bedrag op de rekening van de
    carhunter te storten, waarna de plaats waar de auto zich bevindt
    bekend zal worden gemaakt. Eventueel kan de carhunter, uiteraard
    tegen vergoeding, de auto zelf terugbrengen
    . De bedragen die
    daarmee kunnen worden verdiend zijn zeker aantrekkelijk, varirend
    van 3.000 tot 5.000 gulden per auto. De verzekeringsmaatschappij
    gaat op zo’n voorstel in omdat het om bedrijfseconomische redenen
    aantrekkelijker is een bedrag van f.3.000,- uit te keren dan de
    gehele vervangingswaarde aan de verzekerde te betalen.

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 6.5. Het imago van de branche

    6.5. Het imago van de branche

    De gokautomatenbranche is een duidelijk voorbeeld van een sector
    met een besmette identiteit. Het produkt dat de
    gokautomatenproducenten, handelaren en exploitanten aanbieden is
    maatschappelijk maar ten dele geaccepteerd; men onderkent de
    bestaande menselijke behoefte aan de spanning en ontspanning van
    het gokspel, maar deze staat toch in laag aanzien. De organisatie
    voor speelautomatenfabrikanten spreekt over de Calvinistische
    moraal die het gokken afkeurt; het spelen op automaten wordt door
    velen gezien als een tijd- en geldverspillende bezigheid. Vooral
    het steeds groter wordende probleem van de gokverslaving is zeer
    schadelijk voor het imago en aanzien van de branche. De
    verslavingsproblematiek kan niet los worden gezien van
    maatschappelijke gevolgen als verwervingscriminaliteit en problemen
    van openbare orde en deze leveren een aanzienlijke kostenpost op
    voor de maatschappij en de overheid.

    lees meer

    IX – De bouwnijverheid – 6. KOPPELBAZERIJ IN DE BOUWNIJVERHEID

    6. KOPPELBAZERIJ IN DE BOUWNIJVERHEID

    In het vorige hoofdstuk is bij de bespreking van de
    werkgeversfraudes aangegeven dat de bouwnijverheid altijd op zoek
    is naar wegen om de arbeidskosten zo laag mogelijk te houden. Dit
    kan op legale, maar ook op diverse illegale manieren gebeuren. Een
    aannemer kan zelf personeel in dienst nemen en vervolgens met valse
    nota’s, facturen, en dergelijke frauderen met de afdracht van
    premies en belastingen. Van deze fraudes zijn in het vorige
    hoofdstuk enkele voorbeelden gegeven. Een andere illegale manier
    behelst het inschakelen van arbeidskrachten die worden geleverd
    door koppelbazen.

    lees meer

    IX – De afvalverwerkingsbranche – 4.2. Soorten milieucriminaliteit

    4.2. Soorten milieucriminaliteit: de officile cijfers

    Om de aard en de omvang van milieucriminaliteit in kaart te
    brengen kan men te rade gaan bij de officile statistieken die door
    het CBS jaarlijks worden gepubliceerd. Verdeeld over de diverse
    soorten milieuwetten is in tabel 4 van de bijlage te zien dat de
    meeste overtredingen van de milieuwetten onder de
    Bestrijdingsmiddelenwet vallen. Het minste aantal zaken staat
    vermeld onder de Wet inzake de luchtverontreiniging. Er kan worden
    aangenomen dat de door de CBS gepresenteerde cijfers nauwelijks een
    betrouwbare en valide afspiegeling van het werkelijke aantal
    overtredingen van milieuwetten bieden. Ook de stijging van het
    aantal milieudelicten van het jaar 1993 ten opzichte van de
    voorafgaande jaren hoeft niet in overeenstemming te zijn met een
    werkelijke stijging. Het is aannemelijk te veronderstellen dat die
    stijging voor het grootste deel is toe te schrijven aan een
    registratie-effect als gevolg van een grotere aandacht van politie
    en justitie voor milieuzaken. Het is ook mogelijk dat feitelijk een
    toename in wetsovertredingen ten opzichte van het milieu heeft
    plaatsgevonden, maar dit is niet uit de cijfers af te leiden.
    Voorts is uit deze officile cijfers van het CBS niet op te maken of
    er sprake is van lichte of van zware milieucriminaliteit. Deze
    vermenging van kleine en grote milieudelicten maakt deze cijfers
    voor dit deelrapport al direct ongeschikt als maat voor de aard en
    de omvang van zware milieucriminaliteit.

    lees meer

    Advies mr. J.K. Franx d.d. 20-10-1994 oververschoningsrechten (23/31)

    106

    Ambstedig proces-verbaal J.C.J.G. Barkman-Kuitert naaraanleiding van vragen van de commissie (24/28)

    138

    Eindrapport – 2.3 Bestaand beeld

    2.3 Bestaand beeld

    Het beeld van de georganiseerde criminaliteit bij politie en
    justitie is zeer divers.

    lees meer

    Eindrapport – 6.2 Juridische grondslag, toetsing en omvang

    6.2 Juridische grondslag, toetsing en omvang

    Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet
    in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. In enkele
    internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft gebonden,
    komt n van de vooromschreven varianten van infiltratie, te weten
    gecontroleerde aflevering, wel voor. Noot In de
    jurisprudentie is infiltratie sedert het Tallonarrest als
    opsporingsmethode erkend. Noot In de Richtlijn
    infiltratie, vastgesteld door de Vergadering van
    procureurs-generaal van 20 februari 1991, worden voorwaarden,
    werkmethoden, de rechtspositie van de infiltrant, het centraal
    voorwaardenscheppend orgaan, de gecontroleerde aflevering en de
    internationale samenwerking geregeld. De richtlijn noemt vier
    voorwaarden: a. De infiltrant mag door zijn optreden de verdachte
    niet brengen tot ander handelen dan waarop zijn opzet
    tevoren reeds gericht was. Noot
    b. Het optreden van de infiltrant dient plaats te vinden na
    goedkeuring door het openbaar ministerie, onder regie van de
    recherchechef en in nauw overleg met de betrokken officier van
    justitie. c. De toepassing van infiltratie moet voldoen aan de
    eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en zorgvuldigheid. De
    aard van de op te sporen feiten moet de toepassing rechtvaardigen
    en andere meer gebruikelijke opsporingstechnieken moeten
    onvoldoende effectief geacht kunnen worden. De Hoge Raad oordeelde
    dat bij beoordeling of voldaan is aan de eisen van
    proportionaliteit (..) niet alleen de ernst van de feiten van
    belang is maar ook de wijze waarop en de mate waarin ten behoeve
    van opsporing en vervolging van die feiten wordt opgetreden in het
    criminele milieu. Noot d. Als infiltrant dient bij
    voorkeur alleen een speciaal daarvoor opgeleide politiefunctionaris
    te worden ingezet. Noot

    lees meer

    fort2_10

    74 van  Leeuwen  tussentijds  aan  Pijl  had  gevraagd  om  aan  te  geven  waarom  het  Fortteam  “zo  heeft kunnen  werken  als  het  werkte”.  Deze  beantwoordde  die  vraag  op  15  mei  1996  in  een  brief  aan Gonsalves  –  per  slot  van  reden  eindverantwoordelijk  voor  het  team  –  en  Docters  van  Leeuwen.56 Hij beklemtoonde   hierin   dat   de   omstandigheden   waarin   het   team   had   moeten   werken   verre   van gemakkelijk  waren  geweest  en  dat  het  zeker  ook  voor  rijksrechercheurs  heel  ongewoon  was  om  in teamverband te opereren. Waarom was het dan toch een “succes” (aanhalingstekens Pijl) geworden? Zeker  omdat  de  beheersmatige  randvoorwaarden  goed  waren  ingevuld.  Maar  –  allerbelangrijkst  – omdat er zulke goede teamgeest was. Om die geest te bereiken moeten, vond Pijl, drie voorwaarden zijn vervuld: “complementaire” teams, goede communicatie en een assertieve opstelling van mensen. We zullen hierna zien of bij de organisatie van de post-Fort-onderzoeken ook werd voldaan aan deze voorwaarden. 3.2.1 Het aanvankelijke scenario Het scenario dat Holthuis mede namens Zwerwer op 19 juni 1996 toefaxte aan Docters van Leeuwen en  (in  afschrift)  aan  Gonsalves  ter  goedkeuring  door  het  college  van  procureurs-generaal,  behelsde het  volgende  plan  van  aanpak.57 Direct in het begin werd gesteld dat er zou moeten worden gewerkt “langs  twee  sporen”.  Vervolgens  werden  de  twee  sporen  uitgewerkt.  Tot  een  goed  begrip  van  wat volgt  dient  hieraan  te  worden  toegevoegd  dat  de  opstellers  aan  het  slot  van  hun  voorstel  opmerkten dat   zij   het   scenario   hadden   opgeschreven   zonder   zich   vragen   te   stellen   over   de   materiële   en personele  haalbaarheid  en  zonder  met  deze  of  gene  erover  te  praten.  Hun  voorstel  was:  “Laat  het college   van   procureurs-generaal   eerst   het   keukentafelscenario   goedkeuren   en   vervolgens   aan   de invulling ervan gaan werken”. Waarom er langs twee sporen zou (moeten) worden gewerkt werd hiervoor al even aangestipt. In zijn interview  heeft  Docters  van  Leeuwen  de  redengeving  hiervan  verder  verduidelijkt.  Hij  in  elk  geval meende  dat  het  nodig  was  om  naast  een  strafrechtelijk  onderzoek  in  enge  zin  ook  een  speciaal inlichtingentraject op te zetten58: “Na  het  Fort-rapport  heeft  er  een  indringende  discussie  plaatsgevonden  in  het  college  en ook  daarbuiten.  Het  heeft  geleid  tot  de  onderzoekssporen  1  en  2.  De  gedachte  daarachter, in  ieder  geval  de  ratio  voor  het  CID-matige  traject,  spoor  2  van  Zwerwer,  was  dat  we  op weinig   konden   terugvallen.   We   hadden   weinig   zicht   op   de   eventuele   arrangementen waarvan sprake zou zijn, ook wel genoemd de “regeling” met Colombianen, de geldstromen waar  het  om  ging,  en  op  de  mogelijke  vormen  van  corruptie.  Die  zaken  vormden  bij  elkaar voldoende  aanleiding  om  er  CID-matig  wat  sterker  naar  te  kijken.  Daarnaast  kon  dan  een strafrechtelijk   onderzoek   worden   gestart   naar   een   aantal   mensen   waar   al   een   redelijke verdenking tegen bestond. Dat gold dan de groei-informant, Van V., L. en een aantal andere subjecten. De gedachte van die twee trajecten was ook om te bezien of we ze wellicht langs die  lijn  in  de  tang  konden  krijgen.  In  zekere  zin  ging  het  er  om  de  betrokkenen  zoet  te houden  door  middel  van  het  formele  gebeuren  en  dan  via  het  informele  CID-matige  traject gewoon wat meer achtergrondinformatie naar boven te halen over wat zich feitelijk allemaal had afgespeeld. Het college heeft de sporen 1 en 2 altijd als één geheel gezien.”                                                 56 Brief D. Pijl d.d. 15 mei 1996 aan R. Gonsalves (B6). 57 Scenario van een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de bevindingen van het Fort-team (B6). Het werd door H.  Holthuis  en  S.  Zwerwer  gezamenlijk  ondertekend.  Holthuis  faxte  het  in  zijn  hoedanigheid  van  hoofd  Landelijk Bureau Openbaar Ministerie (LBOM) aan de in de tekst genoemde procureurs-generaal. Op de aanbiedingsbrief d.d. 19 juni 1996 werd door hem het etiket van “stg.-geheim” geplakt (B6). 58 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001.

    fort2_23

    87 2 door Holthuis gestuurd naar het college van procureurs-generaal ter behandeling in de vergadering van 4 september 1996. Entken tekende echter al op 29 augustus in zijn persoonlijk dagrapport aan dat het college bij het projectplan van het LBOM had aangegeven dat het wat bijgesteld diende te worden, omdat het te defensief was.93 3.5.2 De stukken voor de vergadering van het college op 4 september 1996 Holthuis stuurde op 28 augustus 1996 dus twee verschillende plannen ter bespreking naar het college van procureurs-generaal. Enerzijds het “Plan van aanpak strafrechtelijk onderzoek 060” en anderzijds de  “Notitie  betreffende  de  start  van  het  REPO-team”.94  Met  het  oog  op  wat  volgt  is  het  van  belang deze beide stukken hier – voor zover nodig – extensief aan te halen. Het plan van aanpak voor het onderzoek van spoor 1 Dit  plan  volgde  niet  alleen  in  grote  lijnen  maar  ook  op  onderdelen  de  notitie  die  op  6  augustus  werd geschreven door Van der Burg en Van Gemert. Hier en daar week het evenwel hiervan af. Voor zover relevant zullen hier alleen de verschillen worden belicht. Wat  de  doelstellingen  betreft  werd  vastgehouden  aan  de  vier  doelstellingen  die  op  6  augustus waren   opgesomd.   Bij   de   eerste   doelstelling   –   vaststellen   of   en   zo   ja   in   hoeverre   de   betrokken ambtenaren  strafbare  feiten  hebben  gepleegd  –  werd  alleen  de  zinsnede  “en  de  eventuele  aanpak daarvan” vervangen door “in een nader vast te stellen periode”. Nieuw   was   de   rubriek   over   de   “onderzoeksfasering”.   Hierin   werd   een   onderscheid   gemaakt tussen   de   projectvoorbereiding,   de   formulering   van   het   projectplan   (“na   vaststelling   operationele doelstelling(en)”) en de projectuitvoering. Bij de eerste fase werd aangetekend dat het ging om: — de bestudering van de beschikbare gegevens; — de    verzameling    van    (eventuele)    aanvullende    informatie    (bijvoorbeeld    uit    andere    lopende trajecten); — de analyse; — en  de  presentatie  en  het  voorstel  voor  operationele  doelstelling(en)  en  de  daarbij  behorende strafbare feiten. De tweede fase zou de volgende stappen omvatten: — de omschrijving van deelprojecten; — de bepaling van de samenstelling van het team en de looptijd; — de inzet van bijzondere middelen; — de begroting etc. En de derde fase sprak als het ware voor zichzelf: uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek. In het derde deel van het plan van aanpak werden bijna alle risicofactoren die reeds in de notitie van  6  augustus  waren  aangeduid,  opnieuw  te  berde  gebracht.  Alleen  wat  het  onderdeel  “spreiding (deel)onderzoeken”  betreft  was  de  tekst  aanzienlijk  bijgesteld.  Terwijl  in  de  notitie  van  6  augustus onverbloemd  werd  aangegeven  dat  het  voornemen  om  Zwerwer  een  apart  vervolgonderzoek  te  laten doen moest worden heroverwogen, werd nu geponeerd:                                                 93 Brief H. Holthuis d.d. 28 augustus 1996 aan college van procureurs-generaal (B6). Uit de stukken blijkt overigens niet of  hier  door  P.  Entken  wordt  gedoeld  op  de  eerder  genoemde  vergadering  waaraan  D.  Steenhuis  zou  deelnemen. Overigens is er blijkens de archieven waarover wij beschikken tussen 26 augustus en 4 september geen nieuwe versie van het onderhavige projectplan geschreven. 94 De aanduiding van het LRT-onderzoek met “060” was gebaseerd op de onderzoekscodering die bij het LBOM en LRT op dat moment gebruikelijk was. Voor de benaming “REPO-team” wordt in de stukken geen verklaring gegeven.

    fort2_52

    116 overbruggen. Waarom niet, is natuurlijk een belangrijke vraag. Holthuis gaf in zijn interview – voor wat zijn aandeel betreft – het volgende antwoord186: “Wat  ik  absoluut  niet  heb  gewild  is  een  nieuw  IRT-schandaal  of  een  voortzetting  daarvan. Het  is  toch  al  zo’n  absurde  affaire.  Het  openbaar  ministerie  en  de  politie,  maar  vooral  het openbaar  ministerie,  zijn  bij  wijze  van  spreken  met  de  koppen  tegen  elkaar  geslagen,  maar de  boeven  gaan  vrijuit.  Daarom  ben  ik  heel  ver  gegaan  met  te  pogen  de  leden  van  het openbaar ministerie bij elkaar te houden”. Daarnaast   speelden   ook   in   dit   verband   volgens   sommigen   de   persoonlijke   verhoudingen   een belangrijke rol. Godlieb zei ons bijvoorbeeld187: “Ik  ben  gaande  het  onderzoek  enorm  getroffen  door  de  controverses  binnen  het  openbaar ministerie,   tussen   individuele   officieren   van   justitie.   Ik   heb   meegemaakt   dat   ze   elkaar uitscholden en elkaar voor leugenaar uitmaakten.” 4.6 Conclusie Vanuit  strategisch  oogpunt  deed  spoor  1  in  deze  periode  wat  het  zich  in  augustus  had  voorgenomen te  doen:  met  name  het  Fort-archief  analyseren  met  het  oog  op  de  sturing  van  het  strafrechtelijk onderzoek in de richting van bepaalde figuren uit de IRT-affaire. Anders was het met spoor 2. Waar in augustus  werd  aangegeven  dat  zijn  onderzoek  zou  starten  op  de  plaats  waar  dat  van  het  Fort-team was gestopt – dus bij de beantwoording van een groot aantal vragen omtrent de die affaire – werd in november de doelstelling radicaal omgegooid of toch in elk geval mateloos verruimd. Nu werd gesteld dat  het  onderzoek  zou  worden  gericht  op  de  verlening  van  bescherming  respectievelijk  steun  aan criminelen   door   personen   of   instellingen   die   op   de   een   of   andere   wijze   zijn   gelieerd   aan   het overheidsapparaat. Deze ommekeer had natuurlijk belangrijke gevolgen. Ten eerste dat de band met de  IRT-affaire  en  daarmee  met  het  onderzoek  van  spoor  1  verregaand  werd  losgelaten,  zelfs  in  die mate  dat  nog  moeilijk  kon  worden  gezegd  dat  het  hier  om  twee  complementaire  onderzoeken  ging binnen een en hetzelfde project. Ten tweede dat de status van het onderzoek van spoor 2 nog diffuser werd  dan  zij  al  was:  was  dit  nog  een  verkennend  (CID-matig)  strafrechtelijk  onderzoek  om  bepaalde verdenkingen   jegens   bepaalde   personen   te   onderzoeken   of   ging   het   hier   om   een   algemeen voorbereidend   (CID-matig)   onderzoek   sui   generis   naar   het   integriteitgehalte   van   de   Nederlandse samenleving?  En  ten  derde  leidde  deze  omslag  ertoe  dat  niet  langer  kon  worden  volstaan  met  een analyse  van  het  Fort-archief  maar  breed  in  de  ondergrond  van  de  Nederlandse  samenleving  moest worden gepeild naar corruptieve, althans niet-integere, relaties tussen de overheid en de burgerij. Dat op deze wijze de intrinsieke spanning tussen de beide teams sterk werd opgevoerd lag voor de hand. Als  beide  teams  toch  elk  huns  weegs  konden  gaan,  had  het  dan  wel  zin  om  samen  op  te  trekken binnen een en hetzelfde project? Sterker nog: in een geheim project op een afgeschermde locatie, op dezelfde  gang,  voor  een  deel  in  dezelfde  kamers.  De  bedoeling  van  de  huisvesting  van  de  beide teams op een en dezelfde locatie kon op deze manier wel eens in haar tegendeel verkeren: in plaats van de eenheid bevorderen meer verdeeldheid creëren. Ook op het niveau van de organisatie – en in het bijzonder bij de bemensing – verliep  de  start  van de  beide  teams  niet  bepaald  gelukkig.  Eerst  en  vooral  niet  omdat  toen  uitkwam  dat  de  rijksrecherche een geheel andere voorstelling had van het onderzoek en van haar rol daarin dan Zwerwer. Het korps verbond daar de consequentie aan dat het niet langer volop betrokken wilde zijn bij de uitvoering van                                                 186 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 187 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001.

    fort2_81

    145 6 Voorjaar 1997: de stagnatie in de uitvoering van de plannen 6.1 Inleiding In de onderhavige periode leek het er aanvankelijk op dat de onderzoeken eindelijk van start konden gaan.  In  het  bijzonder  omdat  het  college  van  procureurs-generaal  zich  vierkant  achter  de  voorstellen van  de  beide  teams  schaarde.  Al  vlug  bleek  echter  opnieuw  dat  de  problemen  nog  lang  niet  van  de baan  waren.  Enerzijds  stagneerde  de  daadwerkelijke  aanpak  van  de  onderzoeken  als  gevolg  van vragen   omtrent   de   bruikbaarheid   van   vooral   het   archief   van   het   Fort-team   voor   strafrechtelijk onderzoek.  Anderzijds  speelden  bij  vlagen  wederom  de  problemen  in  de  verhouding  tussen  de  beide teams in alle hevigheid op. Veel van het onderzoek dat feitelijk gebeurde had – achteraf gezien – dan ook nog steeds een voorbereidend karakter, in de zin dat de activiteiten het vertrekpunt vormden van het onderzoek dat in juni 1997 door het LRT daadwerkelijk werd aangepakt. Voor het team van spoor 2   liep   deze   periode   heel   anders   af:   om   een   samenstel   van   redenen   besliste   het   college   van procureurs-generaal   dat   het   moest   worden   opgeheven   …   Maar   hier   stond   de   doorbraak   van   de sporen   3   en   4   tegenover:   de   Amsterdams-Haarlemse   samenwerking   bij   het   onderzoek   naar   de (berichten  over  de)  bedreiging  van  een  officier  van  justitie.  De  Randstedelijke  justitie  zag  ook  in  dit onderzoek een kans om alsnog greep te krijgen op het onderzoek naar de IRT-affaire. 6.2 Het fiat van het college van procureurs-generaal voor de onderzoeksvoorstellen In  de  vergadering  van  het  college  op  2  april  1997  kondigde  Gonsalves  aan  dat  er  op  termijn  van enkele   weken   een   voortgangsrapportage   van   het   “post-Fort-team   2”   aan   het   college   zou   worden aangeboden   waarin   ook   een   voorstel   voor   een   vervolgonderzoek   was   opgenomen.275  Blijkens  de brieven die Holthuis op 8 respectievelijk 9 april 1997 aan Docters van Leeuwen en Gonsalves stuurde met  het  oog  op  de  vergadering  van  het  college  op  15  april  1997  –  en  blijkens  de  notulen  van  deze vergadering   –   ging   het   echter   om   meer.   Het   college   beschikte   op   deze   datum   zowel   over   de rapportage   van   spoor   1   als   over   die   van   spoor   2,   over   een   ontwerpbegroting   en   over   een   paar belangrijke brieven. In zijn aanbiedingsbrief van 8 april 1997 aan Docters van Leeuwen volstond Holthuis niet met een opsomming  van  de  bijgevoegde  stukken.276   Hij   vatte   het   voorstel   van   het   LRT   voor   het   nadere onderzoek  hierin  ook  samen  en  onderschreef  dit  voorstel  kennelijk  helemaal,  inclusief  het  besluit  dat in  eerste  instantie  een  opsporingsonderzoek  moest  worden  opgestart  tegen  J.  en  Van  V.  Tegen  hen waren de meeste feiten en omstandigheden aanwezig die konden leiden tot een redelijk vermoedelijk van schuld aan een of meer strafbare feiten. Aan het einde van zijn brief stipte hij bovendien een vijftal kwesties   aan   die   –   na   accordering   van   het   voorstel   door   het   college   –   zouden   moeten   worden geregeld: — de continuering van het uiterst terughoudende mediabeleid; — de beschikbaarstelling van de benodigde financiële middelen conform de bijgevoegde begroting;                                                 275 Notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 2 april 1997 (C9). 276 Brief H. Holthuis d.d. 8 april 1997 aan A. Docters van Leeuwen (C3). In de brief van H. Holthuis d.d. 9 april 1997 aan R. Gonsalves – in hetzelfde archief – wordt van deze kwesties geen melding gemaakt.

    fort3_20

    208 De analyse van de parallel-importen was als volgt opgebouwd. Eerst werden berichten verzameld uit  het  IIPS  over  containers  met  verdovende  middelen  die  in  Nederland  voorwerp  van  onderzoek waren  geweest.  De  drugs  die  zich  in  deze  containers  bevonden,  waren  hetzij  in  beslag  genomen, “gecontroleerd  doorgeleverd”,  dan  wel  “gecontroleerd  afgeleverd”.  Soortgelijke  containers  die  buiten Nederland  onderwerp  van  onderzoek  waren  (geweest)  werden  ook  in  het  onderzoek  betrokken,  voor zover   er   althans   een   relatie   met   Nederland   bestond   –   bijvoorbeeld   wanneer   er   sprake   was aantoonbare  betrokkenheid  van  een  Nederlandse  criminele  organisatie  of  in  het  geval  dat  Nederland fungeerde als bestemmingsland of transitland voor de container. Van   alle   containers   werd   uitgezocht   op   welk   schip   de   container   zich   bevond   toen   deze   in Nederland   aankwam,   alsmede   de   aankomstdata   in   de   eerste   Nederlandse   haven.   Dit   om   per container  te  bepalen  of  deze  tegelijkertijd  met  één  of  meer  andere  containers  op  hetzelfde  schip  had gestaan.  Dezelfde  werkwijze  werd  gevolgd  met  betrekking  tot  alle  containers  die  bij  het  Fort-team bekend waren geworden. Het onderzoek was beperkt tot containers uit het IIPS met minimaal 1000 kg softdrugs of 100 kg harddrugs   en   concentreerde   zich   op   inbeslagnemingen   van   grote   partijen   drugs   in   de   periode  1 januari 1989 tot 1 juli 1997. Door het accent te leggen op inbeslagnemingen werd, zo onderkenden de auteurs   zelf,   vooral   een   beeld   gecreëerd   van   de   transporten,   die   vanuit   het   perspectief   van   de criminele   organisaties   bezien,   mislukt   waren.   Van   Stormbroek   en   Schouten   verbonden   daar   de hypothese   aan   dat   het   werkelijke   aantal   parallel-importen   hoger   moest   liggen   dan   het   aantal aangetroffen gevallen. Het merendeel van de onderbouwing van de aangetroffen parallel-transporten had betrekking op geclassificeerde   CID-informatie.   Vandaar   dat   in   overleg   met   Snijders   werd   besloten   de   parallel- transporten in het proces-verbaal geanonimiseerd weer te geven. Informatie over sommige containers was  zelfs  uitsluitend  op  CID-informatie  gebaseerd.  Deze  informatie  werd  alleen  in  het  onderzoek betrokken, indien: a. de informatie zodanig concreet was dat de container te herleiden was naar een schip, én: b. de    informatie    gevolgd    werd    door    een    bevestiging    dat    de    betreffende    partij    drugs    ook daadwerkelijk was aangekomen.463 9.5.2 Bevindingen In  het  parallel-proces-verbaal  worden  negen  parallel-importen  beschreven.  Eén  geval  bleek  in  een later stadium de toets der kritiek niet te kunnen doorstaan, zodat tijdens de presentatie ten overstaan van  het  college  van  procureurs-generaal  gesproken  werd  over  (minimaal)  acht  transporten.  Hierbij waren  22  containers  betrokken,  alle  afkomstig  uit  Colombia.  In  12  containers  zat  cocaïne  met  een totale hoeveelheid van meer dan 5000 kg. Ruim 3000 kg werd in beslag genomen, waarvan 2000 kg in Nederland. Het “Cali-kartel” was in bijna de helft van de 22 containers de organisator van zowel de hasj- als de  cocaïnetransporten.  Deze  liepen  –  bij  zeker  de  helft  van  de  parallel-importen  waarbij  de  RCID Kennemerland betrokken was – via dezelfde informant. De betrokkenheid van de RCID Kennemerland werd  in  zes  parallel-importen  vastgesteld.  Bij  de  twee  overige  parallel-transporten  was  respectievelijk de RCID Zuid-Holland-Zuid en de RCID Gooi & Vechtstreek betrokken. Schouten   en   Van   Stormbroek   wezen   er   verder   op   dat   de   containers   hasj   Nederland   als bestemming hadden, terwijl de containers cocaïne bijna altijd in transit gingen. De containers cocaïne kwamen  slechts  in  beeld  door  externe  factoren  (zoals  tips  van  buitenlandse  opsporingsdiensten).                                                 463 De bevestiging dat een partij was aangekomen, kwam, gegeven het feit dat het hier uitsluitend om CID-informatie ging, vrijwel zeker van een informant. Niet duidelijk is of de analyse van Van Stormbroek en Schouten gebaseerd is op de premisse   dat   er   sprake   diende   te   zijn   van   minimaal   twee,   onafhankelijke   informatiebronnen.   Theoretisch   is   het denkbaar dat één en dezelfde informant zowel de komst van het schip als de bevestiging van de aankomst van de partij aankondigde.

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>