• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • IX – De branche van het wegtransport – 5.5 De gevolgen van open grenzen Europa

    5.5 De gevolgen van open grenzen Europa

    De positieve gevolgen zijn over het algemeen: 1) de toename van
    het grensoverschrijdende goederenvervoer over de weg, vooral naar
    de voormalige oostblok-landen, 2) het vrijgeven van cabotage, dat
    wil zeggen: binnenlands vervoer door Nederlandse vervoerbedrijven
    in het buitenland, waardoor de wagens intensiever gebruikt kunnen
    worden omdat ze minder vaak leeg hoeven te rijden, en 3) de minder
    lange wachttijden aan de grenzen (besparing van tijd en geld). Als
    negatieve gevolgen gelden: 1) verhogingen van de dieselaccijnzen,
    2) een beperking van de fiscale aftrekmogelijkheden, 3) verhogingen
    van de motorrijtuigenbelasting, 4) de invoering van het
    Euro-vignet, en 5) de toegenomen concurrentie met de
    lage-lonenlanden.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 13.1. De schade voor de branche

    13. CONCLUSIE

    13.1. De schade voor de branche

    Misdaadbestrijding staat bij transportondernemers niet hoog op
    de agenda. De branche-organisatie Transport en Logistiek Nederland
    heeft slechts geringe aandacht voor criminaliteit in het
    wegtransport en dat beperkt zich hoofdzakelijk tot die vormen
    waarbij de branche direct slachtoffer is. Daarbij gaat het in de
    eerste plaats om diefstal van wagens en/of ladingen. Omdat het
    schadebedrag nog steeds oploopt, zijn transportondernemers steeds
    meer geld kwijt aan preventieve maatregelen en verzekeringspremies.
    Bepaalde risico-transporten zijn daardoor bijna niet of nauwelijks
    meer lonend. Daarnaast wordt de Euro-fraude als een probleem
    beschouwd, omdat het transporteurs schade kan opleveren. In 1994
    kwam de branche-organistie FENEX op een geschat schadebedrag van
    1,5 miljard gemist staatsinkomen. De expediteurs zijn hierin de
    grote verliezers; want aan hen vallen de naheffingen ten beurt.
    Overigens zijn deze naheffingen tot nu toe voor een groot deel
    kwijtgescholden door de Nederlandse fiscus.

    lees meer

    IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 5.5. Nevenactiviteiten van groepen

    5.5. Nevenactiviteiten van groepen

    De autodieven en handelaren in gestolen auto’s behoren van
    oudsher tot klassieke dadergroepen die tegenwoordig met de term
    groepscriminaliteit worden aangeduid. Zij rommelen met auto’s,
    houden zich bezig met allerlei diefstallen, valsheid in geschrifte,
    inbraken, overvallen en heling en zijn ook vaak betrokken bij
    prostitutie en bordelen. Dat laatste komt mede doordat zij vaak in
    bars, clubs en bordelen vertoeven en in de diefstal van
    personenauto’s wel extra-inkomsten zien. Deze groepjes van vier tot
    vijf mannen doen allerlei illegale zaken wanneer dat zo uitkomt.
    Opsporing door de politie was pech en hoorde erbij, en
    gevangenisstraf hoorde bij hun levensstijl. De ene periode vrij, de
    andere werd op staatskosten doorgebracht. Velen hebben, zoals al
    eerder is aangegeven, een crimineel verleden met daarin een ruim
    aantal veroordelingen voor geweldsdelicten, overvallen, enzovoorts.
    De kleine groepen die de laatste vijf jaar in Nederland regionaal
    crimineel actief zijn op het gebied van autodiefstallen wijken in
    deze opzichten nauwelijks van dat klassieke beeld af. Uit de
    gegevens komt naar voren dat naast het plegen van autodiefstallen
    en het omkatten daarvan de daders ook worden verdacht van inbraken,
    roofovervallen, wapenhandel, heling van gestolen goed. Bepaalde
    delicten als valsheid in geschrifte zijn onverbrekelijk aan
    autodiefstallen verbonden. Het bezit van vuurwapens wordt de
    laatste jaren vaker in de tenlastelegging opgenomen. Dit zou kunnen
    wijzen op een toenemende verharding van het milieu. Zonder wapens
    is geen illegale activiteit meer te beschermen. De laatste jaren is
    ook te zien dat autodiefstalgroepen vaker betrokken zijn bij de
    handel in verdovende middelen. Het vaakst worden zij aangetroffen
    in de handel van XTC en hasj. Daarin spelen zij overigens geen
    grote rol.

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 6.1. Inleiding

    6. DE GOKAUTOMATEN-BRANCHE

    6.1. Inleiding

    Wie kent hem niet:
    de fleurige, opvallende en graag geziene stamgast in bijna
    elk caf in Nederland: de fruitautomaat, voor een paar kwartjes even
    plezier beleven en een gokje wagen. Maar wie verder kijkt ziet
    meer.
    Dit is de begintekst van de frisse folder van de
    branche-organisatie van de speelautomatenhandelaren,

    de VAN. Met meer bedoelt de organisatie de sprekende aap, de
    jukebox, de flipperkast en het videospel. Maar wie echt verder
    kijkt, ziet inderdaad meer in de speelautomaat; een
    uitstekende manier om zwart geld wit te wassen, bijvoorbeeld, of
    juist om zwart geld te creeren. De branche is actief, veelzijdig en
    verantwoordelijk meent de branchevereniging. De eerste twee
    aspecten lijden geen twijfel, maar over het derde punt bestaan bij
    politie en justitie wellicht twijfels. In allerlei berichten uit de
    media wordt de speelautomatenbranche in verband gebracht met zware,
    georganiseerde criminaliteit: misdaadondernemers zouden op grote
    schaal bezig zijn met het verwerven van belangen in
    horecagelegenheden om zodoende automaten te kunnen plaatsen voor
    het witwassen van criminele gelden. De publieke opinie over gokken
    is altijd negatief geweest: er bestaat een sterke morele afkeuring
    voor deze schijnbaar zinloze en verspillende tijdsbesteding.
    Bovendien verbindt het publiek gokken en criminaliteit aan elkaar,
    zo blijkt uit onderzoek (VAN, 1992). Dit kan iets te maken hebben
    met de geschiedenis van het gokwezen in de VS: de
    strafbaarheidsstelling van het gokken speelde een grote rol in de
    opkomst van de Amerikaanse mafia. Het beeld dat in Nederland
    bestaat van de georganiseerde misdaad is sterk gebaseerd op
    mafia-literatuur uit de VS. Is dit beeld waarheid of slechts
    fictie? De branche-organisatie doet er alles aan om het imago te
    verbeteren.

    In dit gedeelte schetsen we de markt van de
    automatenexploitanten. We bekijken hier dus – tot onze spijt – niet
    het gehele spectrum van het gokwezen, maar beperken ons tot de
    bedrijfstak van de speelautomaten. We beginnen met een kort
    overzicht van het Nederlandse beleid ten aanzien van speelautomaten
    en vervolgen met een economisch overzicht van de branche. Ook
    kijken we naar de voorwaarden die verbonden zijn aan plaatsing en
    exploitatie van gokkasten. Vervolgens zetten we de potentile
    criminele ingangen in de speelautomatenwereld op een rijtje en
    bekijken wat er hierover in de literatuur bekend is. Voor dit
    onderzoek hebben we een aantal gesprekken gevoerd met betrokkenen
    uit de branche, zoals een speelautomatenexploitant,
    vertegenwoordigers van de branche-organisatie de VAN (Vereninging
    Automatenhandel Nederland) en enkele horecakenners. Verder zijn
    weer politiebronnen geraadpleegd, zoals van het Amsterdamse Horeca
    Interventie Team.

    lees meer

    IX – De bouwnijverheid – 4.8. Afpersing

    4.8. Afpersing

    Het aantal bij de politie bekende gevallen van afpersing in
    Nederland is nihil. De afwezigheid van intimidatie in de
    bouwnijverheid in de gegevensbestanden van de politie kan voor een
    deel worden verklaard door de angst om aangifte te doen. Maar
    vanuit werkgevers- n werknemerszijde wordt aangegeven dat van
    afpersingspraktijken in de bouw geen sprake is. Dat wil dus niet
    zeggen dat er helemaal geen afpersing is, maar dat dat verschijnsel
    daar niet bekend is. Het is echter aannemelijk te veronderstellen
    dat wanneer afpersing in werkelijkheid vaker dan incidenteel zou
    gebeuren, dat altijd wel ergens bij iemand bekend moet zijn. Wij
    mogen dus, met alle voorzichtigheid, aannemen dat afpersing in de
    bouwnijverheid niet of zeer incidenteel plaats vindt. Van het
    voorkomen van systematische afpersing van een hele bedrijfstak
    bestaan geen aanwijzingen te bestaan en is daarom
    onwaarschijnlijk.

    lees meer

    IX – De afvalverwerkingsbranche – 3.1. Soorten bedrijfstakken in de afvalverwerkingsbranche

    3. ORGANISATIE EN STRUCTUUR VAN DE
    AFVALVERWERKINGSBRANCHE

    3.1. Soorten bedrijfstakken in de
    afvalverwerkingsbranche

    Uit gegevens van het jaar 1992 komt naar voren dat er – op basis
    van informatie afkomstig van de Handelsregisters van de Kamers van
    Koophandel – in Nederland 594 bedrijven zijn die zich bezig houden
    met de afvalstroom chemisch afval en 747 bedrijven die bij de
    verwerking van niet-chemische afvalstroom zijn betrokken
    (Andersson, Elffers en Felix, 1992). Na aftrek van bedrijven die in
    beide afvalstromen actief zijn, resteren er tussen de 900 en 1000
    bedrijven in deze branche.

    lees meer

    Advies mr. J.K. Franx d.d. 20-10-1994 oververschoningsrechten (19/31)

    102

    Ambstedig proces-verbaal J.C.J.G. Barkman-Kuitert naaraanleiding van vragen van de commissie (20/28)

    134

    Eindrapport – 2.1 Inleiding

    HOOFDSTUK 2 GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT IN
    NEDERLAND

    2.1 Inleiding

    Verantwoorde uitspraken over organisatie en methoden van
    opsporing vereist onderzoek naar de aard, omvang en ernst van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland. De Werkgroep
    vooronderzoek opsporingsmethoden heeft geconstateerd dat een
    eenduidig beeld van de aard, omvang en ernst van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland ontbreekt. Er bestaan zeer verschillende
    beelden van en opvattingen over de georganiseerde criminaliteit.
    Uitkomsten van wetenschappelijke studies over de georganiseerde
    criminaliteit komen niet steeds overeen met de door politie en
    justitie geschetste beelden. De werkgroep stelde een aantal vragen
    over de georganiseerde criminaliteit:

    lees meer

    Eindrapport – 5.3 Bevindingen

    5.3 Bevindingen

    5.3.1 Werving en registratie

    Informanten worden vaak geworven als zij als verdachten met de
    politie in aanraking zijn geweest. In andere gevallen melden zij
    zich spontaan aan. Ook zijn er informanten die benaderd worden door
    de CID. Het komt voor dat er ook buitenlandse informanten worden
    gerund. Deze worden meestal geworven door Nederlandse liaison
    officers in het buitenland en indien zij interessant zijn
    Nederlandse zaken worden zij bij een RCID gentroduceerd .

    lees meer

    fort1_12

    4 “hoofdrolspelers”  in  het  post-Fort-onderzoek  genoemd  mochten  worden.  Zonder  namen  en  functies zou deze reconstructie van het onderzoek immers volstrekt ontoegankelijk en onbegrijpelijk worden. Deze toetsing op de conceptteksten van   onze  rapportage,  die  in  twee  rondes  werd  uitgevoerd, werd verricht door twee leden van het openbaar ministerie en door de landsadvocaat. II Het post-Fort-onderzoek in vogelvlucht II.1 Het besluit om te starten (mei 1996 – 4 september 1996) De onderste steen moet boven komen Het  verhaal  over  de  opheffing  van  het  Interregionaal  Team  (IRT)  Noord-Holland/Utrecht  in  december 1993 is al vele malen verteld. En ook het vervolg van de gebeurtenissen staat menigeen nog scherp in het  geheugen  gegrift:  de  Commissie-Wierenga,  die  geen  grote  problemen  signaleerde  in  de  wijze waarop  door  het  IRT  te  werk  was  gegaan.  Vervolgens  de  Enquêtecommissie  Opsporingsmethoden die scherpe kritiek uitoefende op de zogeheten Deltamethode, het gecontroleerd doorleveren van soft drugs   met   behulp   van   “groei-informanten”.   Vlak   na   het   verschijnen   van   het   rapport   van   deze commissie  werd  in  het  voorjaar  van  1996  het  onderzoek  van  de  rijksrecherche,  het  Fort-onderzoek, openbaar. Dat onderzoek gaf een gedetailleerd beeld van het “ontsporen” van de Deltamethode, maar kon  geen  duidelijkheid  verschaffen  over  de  essentiële  vraag  of  overheidsfunctionarissen  welbewust aan deze ontsporing hadden bijgedragen om zichzelf te verrijken. Integendeel, het rapport eindigde op dit punt met een groot aantal vragen. Duidelijk was overigens wel dat er naar aanleiding van deze IRT- affaire  diepgaande  meningsverschillen  waren  ontstaan  tussen  het  Amsterdamse  en  het  Haarlemse parket.    In    dit    klimaat    van    opeenvolgende    publicaties    over    de    IRT-affaire    was    het    eigenlijk onontkoombaar  dat  er  een  strafrechtelijk  vervolg  zou  worden  gegeven  aan  de  vele  feiten  en  vragen die  door  de  parlementaire  enquête  en  het  rijksrechercheonderzoek  waren  opgeworpen:  de  onderste steen moest boven komen. In  mei  1996  werd  door  het  college  enkele  keren   besproken   hoe   dit   onderzoek   zou   moeten worden  aangepakt  en  wie  het  zou  moeten  uitvoeren.  Ook  werd  door  twee  misdaadanalisten  van  de (divisie)   Centrale   Recherche   Informatie   (CRI)   eerst   aan   de   verantwoordelijke   procureur-generaal Gonsalves   en   de   hoofdofficier   van   het   Landelijk   Bureau   Openbaar   Ministerie   (LBOM;   later   het “landelijk  parket”  genoemd)  H.  Holthuis,  en  naderhand  aan  het  voltallige  college,  een  presentatie gegeven  over  de  uitkomsten  van  het  Fort-onderzoek.  Deze  zogeheten  CRI-analyse  behelsde  geen grondig  onderzoek  van  het  Fort-materiaal,  maar  was  slechts  een  summiere  weergave  van  enkele bronnen uit het Fort-onderzoek. De boodschap was – desondanks – duidelijk en schokkend: een groei- informant  zou  dubbelspel  hebben  gespeeld,  waardoor  onder  de  bescherming  van  de  Deltamethode parallel  aan  hasj  in  dezelfde  container  of  op  hetzelfde  schip  ook  ladingen  cocaïne  Nederland  waren binnengeloodst.    Ook    zouden    enkele    overheidsfunctionarissen    “plat”    zijn    geweest.    Zij    zouden medewerking hebben verleend aan deze “parallelimporten”. Het strafrechtelijk vervolg via twee sporen Door  het  college  werd  aan  een  van  de  voormalige  leiders  van  het  Fort-team,  advocaat-generaal  S. Zwerwer,  en  aan  Holthuis  de  opdracht  gegeven  een  plan  van  aanpak  uit  te  werken.  In  dit  plan  werd gesteld  dat  er  langs  twee  sporen  gewerkt  zou  moeten  worden.  Het  eerste  spoor  zou  een  tactisch rechercheonderzoek  betreffen  naar  met  name  de  vermeende  groei-informant,  dat  van  relatief  korte duur zou moeten zijn. Hierbij werd gedacht aan een periode van zes tot twaalf maanden. Het tweede spoor  zou  de  onbeantwoorde  vragen  van  het  Fort-team  moeten  oppakken  en  zou  een  “verkennend opsporingsonderzoek”  zijn,  geleid  door  een  officier  van  justitie  met  CID-ervaring  en  politieke  feeling. Voorgesteld  werd  het  werk  intensief  te  doen  en  na  zes  maanden  de  balans  op  te  maken  en  dan  te beslissen over het verdere verloop van het onderzoek.

    fort2_2

    fort2_49

    113 augustus   1996   de   Kamer   had   laten   weten   dat   zij   een   diskette   met   CID-informatie   niet   wilde overleggen  aan  het  Parlement.  Verder  raadde  hij  aan  om  iemand  die  goed  thuis  was  in  de  WOB  te laten  onderzoeken  hoe  houdbaar  zijn  standpunt  was.176  Gonsalves  volgde  deze  laatste  aanbeveling op en verzocht op 9 december 1996 de landsadvocaat om hem met spoed van advies te dienen. De  landsadvocaat  maakte  inderdaad  haast.  Op  17  december  1996  liet  hij  Gonsalves  weten  dat kon  worden  vastgesteld  dat  er  grote  bezwaren  bestonden  tegen  het  verstrekken  van  de  gevraagde informatie. Zo zou openbaarmaking inzicht geven in de wetenschap die bestaat omtrent het handelen van  een  aantal  criminele  groeperingen  en  zouden  lopende  onderzoeken  daardoor  in  het  gedrang kunnen   worden   gebracht.   Ook   zou   zij   zicht   geven   op   de   door   politie   en   justitie   gehanteerde werkwijzen,  onder  andere  die  van  observatieteams.  En  openbaarmaking  zou  ook  inbreuk  maken  op de   persoonlijke   levenssfeer   van   mensen.   Wel   zou   kunnen   worden   bezien   of   Korvinus   toch   niet enigszins  tegemoet  kon  worden  gekomen  door  hem  de  gelegenheid  te  bieden  gerichte  vragen  te stellen en hierop dan te reageren. 177 Dit  advies  werd  door  Gonsalves  in  zijn  geheel  overgenomen.  Op  31  december  1996  schreef  hij een  brief  van  deze  strekking  aan  Korvinus.  Concrete  vragen  diende  hij  te  richten  aan  het  hoofd  van het LBOM.178 Korvinus deed dit – als gevolg van zijn drukke werkzaamheden, zoals hij schreef – pas op 1 augustus 1997. Verderop in dit rapport zal dan ook worden teruggekomen op de beantwoording van   deze   vragen.   Korvinus   drong   wel   aan   op   een   uitgebreide   beantwoording   in   verband   met   de procedures die hij zowel in Engeland (revisie) als in Nederland (civiele procedure) wilde starten want hij  was  van  mening  dat  zijn  cliënt  het  slachtoffer  was  geworden  van  de  activiteiten  van  de  CID- Kennemerland.  En  ook  graag  een  spoedige  beantwoording  omdat  Van  T.  reeds  vier  jaar  in  een Engelse gevangenis verbleef waarvan het grootste deel onder “high security regime”.179 Het  is  overigens  niet  alleen  aangewezen  om  hier  op  het  begin  van  de  kwestie  Van  T.  te  wijzen vanwege  het  feit  dat  zij  eens  te  meer  bewijst  hoe  belangrijk  het  in  het  najaar  van  1996  was  om  de uiteenlopende  onderzoeken  te  coördineren,  maar  ook  omdat  in  april  1998  Snijders  –  ondanks  zijn bezwaren  tegen  een  dergelijke  opdracht  –  door  Ficq  werd  belast  met  een  nader  onderzoek  naar  de toedracht   van   de   zaak.   Dit   naar   aanleiding   van   (een   herinnering   d.d.   26   februari   1998   aan)   de laatstgenoemde brief van Korvinus.180 Zijn rol in het post-Fort-onderzoek werd hierdoor nog groter dan zij op dat moment al was. Zie verder hierover hoofdstuk 11. 4.5 Een poging tot coördinatie door Holthuis Gelet   op   niet   alleen   het   aantal   en   de   aard   van   de   onderzoeken   maar   ook   op   de   onderhuidse spanningen   tussen   de   diverse   onderzoeksgroepen/onderzoekers   was   er   dus   alle   reden   om   de onderlinge  coördinatie  ervan  stevig  ter  hand  te  nemen.  Hierom  is  het  opmerkelijk  dat  er  van  de coördinatievergadering die op 2 december plaatsvond, geen verslag werd opgemaakt. Zodoende valt moeilijk te achterhalen waarover precies werd gesproken en welke concrete afspraken er (eventueel) werden gemaakt. Dat dit laatste in elk geval wel de bedoeling van de vergadering is geweest blijkt uit de agenda die op 29 oktober werd klaargemaakt. Hierin staat met zoveel woorden immers: “3. Nadere bepaling   van   doelstelling   onderzoek   LRT   060-01   in   relatie   tot   de   elders   lopende   onderzoeken. Eventuele  bijstelling  van  onderzoeksdoelen  van  andere  onderzoeksgroepen”  en  “4.  Bepaling  welke onderzoeken dienen te worden afgestemd en gecoördineerd”. Hoe er door de vertegenwoordigers van spoor   1   (Noordhoek)   en   spoor   2   (Zwerwer)   tegen   (de   uitkomst   van)   deze   vergadering   werd                                                 176 Brief D. Pijl d.d. 5 december 1996 aan R. Gonsalves (B8). 177 Brief landsadvocaat d.d. 17 december 1996 aan R. Gonsalves (B8). 178 Brief R. Gonsalves d.d. 31 december 1996 aan C. Korvinus (B8). 179 Brief C. Korvinus d.d. 1 augustus 1997 aan A. Docters van Leeuwen (C8). 180 Nota J. Snijders d.d. 10 mei 1999 aan H. van Brummen (D24) over het XTC-traject Engeland/Van T.-CID onderzoek Thunderbird.

    fort2_78

    142 worden  ingebed  in  het  LBOM  om  zelfs  de  schijn  te  vermijden  dat  het  de  grondslag  zou  vormen  voor een   nationale   justitiële   inlichtingendienst.   Deze   visie   maakte   het   immers   welhaast   per   definitie onmogelijk  om  het  tweede  strategische  doel  van  Docters  van  Leeuwen  met  het  vervolgonderzoek binnen bereik te brengen of althans op zijn noodzakelijkheid en/of uitvoerbaarheid uit te testen. Mede gelet op de continuïteit van de doelstelling van spoor 1 en zijn al met al planmatige manier van   werken   is   het   niet   verwonderlijk   dat   het   betrokken   team   zich   in   deze   periode   heel   gericht concentreerde op een analyse van het Fort-archief met het oog de aanmaak van de subjectrapporten die  eerder  in  het  vooruitzicht  waren  gesteld.  En  dit  met  tastbaar  resultaat:  goedgestructureerde  en onderbouwde  inhoudsanalyses  van  het  Fort-archief  die  een  duidelijke  prioriteitstelling  in  het  verdere onderzoek mogelijk maakten. Dit neemt niet weg dat het team met het oog op het vervolgonderzoek in de    onderhavige    periode    ook    reeds    bij    andere    diensten    en    in    andere    bronnen    naging    welke wetenschap daar(in) verscholen zat omtrent de betrokken personen. En dit is een belangrijk gegeven. Want het toont niet alleen aan men er vanuit ging dat de analyseresultaten geheel of ten dele zouden en  konden  worden  omgezet  in  een  meer  operationeel  vervolgonderzoek  maar  ook  dat  er  voor  het welslagen  van  dit  onderzoek  meer  en  andere  gegevens  nodig  waren  dan  die  welke  het  Fort-archief bevat, niet in het laatst natuurlijk vanwege de problemen met het gebruik van (stukken van) dit archief in  een  strafrechtelijk  onderzoek.  Daarenboven  demonstreert  deze  aanpak  dat  men  in  de  richting  van de  (potentiële)  verdachten  voorlopig  nog  gebruik  wilde  maken  van  een  indirecte  tactiek:  stilzwijgend buiten  hen  om  informatie  vergaren  over  hen.  Als  het  ware  een  vorm  van  van  buiten  naar  binnen rechercheren.   Van   een   directe   benaderingstactiek,   bijvoorbeeld   gesprekken   aanknopen   in   hun omgeving of ze uitnodigen voor een gesprek, wordt in de stukken niet gesproken. Kennelijk zag men daar in dit stadium in het geheel geen heil in. In het licht van de dubbele en/of dubbelzinnige doelstelling van spoor 2 ligt het voor de hand dat de (paar) leden van dit team zich niet beperkten tot raadpleging van het Fort-dossier maar ook links en rechts  in  het  land  allerlei  mensen  interviewden  over  problemen  en  voorbeelden  van  non-integriteit  bij de overheid. Veel meer kon men natuurlijk ook niet, niet vanwege het tekort aan personeel en ook niet vanwege het gebrek aan CID-status. Het algemene resultaat was dan ook navenant: een verzameling losse indrukken van non-integriteit in de Nederlandse samenleving, rijp en groen door elkaar, en een opsomming  van  een  aantal  mogelijke  vervolgonderzoeken.  Bij  deze  opsomming  valt  het  op  dat  een deel van de genoemde projecten heel concreet alles te maken had met de IRT-affaire. In die zin werd het    besluit    van    de    justitietop    betreffende    de    (inperking    van    de)    opdracht    van    het    team    dus gerespecteerd.  Tezelfdertijd  bewijzen  die  projecten  dat  door  dit  besluit  het  (inhoudelijke)  onderscheid tussen spoor 1 en spoor 2 nog moeilijk te maken viel. Met als gevolg dat de twee teams onherroepelijk in  elkaar’s  vaarwater  terechtkwamen  en  een  herziening  van  de  aanvankelijke  organisatie  van  het onderzoek welhaast onvermijdelijk werd. Dit   verklaart   mede   waarom   de   onderlinge   samenwerking   steeds   moeilijker   liep   en   door   de inschakeling van Zwerwer in gesprekken met een informant die zich rechtstreeks tot het ministerie van Justitie  had  gewend,  bijna  op  de  klippen  liep.  Want  waar  de  verhouding  tussen  de  beide  sporen  van meet af aan al moeizaam was daar werd nu heel duidelijk dat het ene onderzoek het andere vierkant in  de  weg  zat.  Dit  conflict  laat  echter  tevens  zien  dat  wat  er  “binnen”  gebeurde  niet  losstond  van  wat “buiten” plaatsvond. Namelijk dat Zwerwer weliswaar in diverse arrondissementen geen medewerking verkreeg  maar  door  toedoen  van  het  genoemde  project  niettemin  toegroeide  naar  een  coalitie  met twee  externe  partijen  waarmee  hij  tot  dan  toe  los  van  elkaar  contact  had  onderhouden:  de  CRI  en Snijders: spoor 3  in the making. Want vanuit spoor 1 gezien betekende de opkomst van spoor 3 niet meer maar ook niet minder dan dat de verdwijning van de ene tegenstander te niet werd gedaan door de opkomst van een andere. En dus liep de spanning verder op, zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken. De   polarisatie   kon   ook   verder   gaan   omdat   van   hogerhand   niet   werd   ingegrepen.   Haast integendeel, zou men kunnen zeggen: Snijders kreeg niet alleen van zijn eigen hoofdofficier maar ook van het college van procureurs-generaal, althans Docters van Leeuwen, en tot op zekere hoogte ook

    fort3_17

    205 getuigenverklaringen    was    het    belangrijkste    punt    van    discussie    tussen    Noordhoek    en Haarlem.” Dat  de  NN-verklaringen  de  gemoederen  gedurende  lange  tijd  bezig  bleven  houden,  blijkt  uit  het  feit dat  zelfs  tijdens  een  van  de  laatste  vergaderingen  van  de  klankbordgroep,  op  16  februari  1999,  nog gediscussieerd werd over de consequenties van de tenaamstelling van het gerechtelijk vooronderzoek en over de vraag wie de verklaringen van de getuigen kon verstrekken.448 Het  laatste  element  raakt  aan  een  gevoelig  punt.  Niettegenstaande  de  felle  discussies  in  de klankbordgroep   kregen   Noordhoek   en   zijn   collega   Van   der   Burg   naar   eigen   zeggen   namelijk nauwelijks   de   tijd   om   rustig   kennis   te   nemen   van   de   inhoud   van   de   verklaringen.   Noordhoek herinnerde   zich   tijdens   het   interview   een   moment   waarop   hem   beide   verklaringen   tijdens   een hoogoplopende  discussie  met  Snijders  over  tafel  werden  toegesmeten.  Na  enkele  minuten  vroeg Snijders  de  verklaringen  weer  terug.  Nadien  heeft  Noordhoek  tot  aan  zijn  vertrek  in  de  zomer  van 1999 de beide verklaringen niet gekregen.449 9.4.8 Sturing door hoofdofficieren en het college De vraag of de beide verklaringen wel of niet gebruikt zouden moeten worden heeft als een schaduw boven     het     060-onderzoek     gehangen.     Volgens     de     toenmalige     teamleider     Entken     had     zijn opsporingsteam wel behoefte aan de NN-verklaringen450: “Het team wilde die verklaringen wel gebruiken. Men zag er de zin wel van in. Ook in relatie tot  nieuwe  feiten,  hetzij  uit  de  jaren  ’90/’94,  hetzij  uit  de  jaren  daarna.  Na  veel  vijven  en zessen ging Noordhoek overstag.” Van  Gemert  bracht  als  volgt  onder  woorden  welke  wissel  de  NN-verklaringen  op  het  060-onderzoek hebben getrokken en hoe hij daar zelf tegenover stond451: “Ik  heb  in  die  hele  discussie  wat  losser  gestaan  dan  Noordhoek.  Ik  zou  het  risico  van  het gebruik  wel  hebben  aangedurfd,  zij  het  dat  ik  het  uiteraard  vanuit  een  politiestandpunt  heb bekeken  en  niet  de  officier  was  die  er  mee  naar  de  zitting  zou  moeten.  Ik  heb  beiden  – Noordhoek en Snijders – meer dan eens (afzonderlijk of gezamenlijk) rond de tafel gehad om erover te praten. Als voorzitter van de klankbordgroep weet ik dat het diverse keren ook daar aan de orde is gekomen. De  discussie  over  de  NN-verklaringen  is  na  verloop  van  tijd  het  gehele  onderzoek  gaan beïnvloeden.   Ik   bedoel   dat   aan   het   eventuele   gebruik   wederzijdse   voorwaarden   werden gekoppeld.  Complicerend  was  dat  het  NN-GVO  bij  dezelfde  rechter-commissaris  liep  als degene die het 060-onderzoek onder zich had. Ook hiervoor geldt dat het goed zou zijn als een derde hierover een oordeel had gegeven.” In het bijzonder de koppeling die door het parket Haarlem gelegd werd tussen de NN-verklaringen en de  verstrekking  van  CID-informatie  uit  de  registers  van  Kennemerland,  heeft  de  voortgang  van  het onderzoek beïnvloed. Het LRT had, om verder te komen in het onderzoek, dringend behoefte aan de formele  bevestiging  van  de  aanname  dat  J.  de  informant  was  die  bekend  stond  onder  de  codenaam Q. In het 061-onderzoek zelf kwamen over de identiteit van Q namelijk geen nieuwe feiten boven tafel.                                                 448 Besluitenlijst Klankbordgroep d.d. 16 februari 1999 (C 1). 449 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 450 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 451 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001.

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>