• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 9.4 Samenwerking en cordinatie

    9.4 Samenwerking en cordinatie

    9.4.1 Ressortelijke adviescommissies, LOCO en Raad van advies
    voor de CID

    Binnen het openbaar ministerie functioneerden landelijk en op
    ressortsniveau tal van adviescommissies. Met de reorganisatie van
    het OM is ook de overlegstructuur veranderd. Op landelijk niveau
    functioneert het adviescollege wetgeving, bestaande uit leden van
    het OM, onder voorzitterschap van een hoofdofficier. Het college
    adviseert de vergadering van procureurs-generaal over juridische
    vraagstukken, met name over voorgenomen weten regelgeving,
    inclusief richtlijnen.
    In de ressorten was sprake van een vrij fijnmazig en
    onoverzichtelijk stelsel van adviescolleges. Er waren commissies
    voor verkeer (Revecom), voor Economie (Recom), het ressortelijk
    executie overleg (REO) en het overleg in kinderzaken
    (Rekicom).

    De ressortelijke adviescommissies onder leiding van
    advocatengeneraal zijn opgeheven. In een aantal ressorten komen
    zwacri-officieren uit verschillende arrondissementen nog bijeen,
    thans onder voorzitterschap van een hoofdofficier die een kernteam
    bestuurt. Naar verwachting gaat deze overlegvorm de ressortelijke
    commissies zware criminaliteit vervangen, zowel beleidsmatig als in
    hun rol van lokaal steunpunt voor het Cordinerend beleidsoverleg
    (CBO) bij de prioriteitsstelling.

    Het landelijk overleg van cordinerend officieren (de
    kernteamofficieren van justitie) fungeert onder voorzitterschap van
    de hoofdofficier van het landelijk bureau openbaar ministerie als
    voorportaal van het CBO, met name in operationele kwesties.

    Er was tot voor kort geen landelijk overleg van CID-officieren
    van justitie. Inmiddels zijn daartoe de eerste aanzetten gegeven.
    In verband met de normering van niet uitdrukkelijk in de wet
    geregelde opsporingsmethoden wordt dat landelijk overleg van belang
    geacht. Er is geopperd dat een landelijk platform van
    CID-officieren van justitie, al dan niet onder te brengen bij het
    LBOM, over enkele jaren de CTC zou moeten vervangen. Sinds kort
    functioneert de Raad van advies voor de CID.

    De heer Koekkoek :
    U bent voorzitter van de Raad van advies voor de CID.
    U bent op 19 mei 1995 genstalleerd. Heeft de Raad al enig advies
    uitgebracht?
    De heer Blok:
    Nog geen enkel. Na 19 mei hebben we nog twee vergaderingen
    gehad. U kunt zich voorstellen dat het dan niet mogelijk is,
    adviezen uit te brengen.
    De heer Koekkoek:
    Wat heeft u onder handen?
    De heer Blok:
    We hebben onder handen een inventarisatie van welke
    onderwerpen met prioriteit zouden moeten worden behandeld. We
    hebben meer speciaal gesproken over de vraag of er een CID-functie
    bij de bijzondere opsporingsdiensten moet komen; of er een
    CID-functie bij het landelijk rechercheteam moet komen. En we
    hebben aandacht besteed aan de vraag, in hoeverre CID-informatie
    aan het bestuur ter beschikking kan worden gesteld. Maar
    eindadviezen zijn er nog niet verschenen; dat is nog een vrij brede
    discussie.
    Noot

    9.4.2 Cordinerend beleidsoverleg

    In de vergadering van de procureurs-generaal van 8 januari 1992
    is besloten een landelijk cordinerend beleidsoverleg (CBO) te
    starten. Het CBO is een adviesorgaan ten behoeve van de
    Vergadering, thans het College van procureurs-generaal.

    De taakopdracht van het CBO is vastgelegd in een
    notitie van 7 februari 1992. De belangrijkste taken van het

    CBO zijn:
    van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit; –
    advisering van de Vergadering van procureurs-generaal over
    landelijke prioriteiten met name op het gebied betreffende in
    relatie tot de bestrijding van zware criminaliteit zoals
    bijvoorbeeld
    infiltratie, – advisering van de Vergadering
    van procureurs-generaal over allerlei onderwerpen het OM en de
    politie opsporingstechnieken, teamvorming, wetgeving enz.;
    uitvoering van het beleidsplan zware criminaliteit.

    onderneming van zelfstandige actie, zoals het doen van een
    landelijke analyse en voorbereiding van de

    Het CBO bestaat thans uit de zes hoofdofficieren die
    verantwoordelijk zijn voor een kernteam plus de hoofdofficier die
    aan het hoofd staat van het landelijk bureau OM. Drie leden van de
    Raad van Hoofdcommissarissen zijn adviserend lid; het hoofd van de
    CRI woont de vergaderingen ook bij. In de periode tussen de
    oprichting van het CBO en september 1994 is veel gesproken over de
    taak en positie van het CBO.

    In de vergaderingen van het CBO komen de volgende onderwerpen
    aan de orde: criminaliteitsanalyse, inventarisatie van criminele
    groeperingen en prioriteitenstelling; de nota van de minister van
    Justitie inzake georganiseerde criminaliteit en de kernteams.

    Door het CBO is een drietal werkgroepen ingesteld.
    Onder voorzitterschap van de advocaat-generaal Behling houdt een
    werkgroep zich bezig met deskundigheidsbevordering. Onder
    voorzitterschap van de Amsterdamse chef recherche Van Riessen
    functioneert een werkgroep proactief rechercheren. De derde
    werkgroep houdt zich bezig met de landelijke

    informatiehuishouding en de misdaadanalyse. De voortgang
    van deze werkgroepen komt in het
    CBO regelmatig aan de
    orde.

    Verder worden de onderwerpen infiltratie en pseudokoop regelmatig
    besproken. Zo wordt in de vergadering van het CBO van 2
    oktober 1992 zorg uitgesproken over de capaciteit en kwaliteit van
    pseudokoop en
    infiltratie. In de vergadering van 28 augustus
    1992 wordt geconcludeerd dat er geen beeld is omtrent de behoefte
    aan
    infiltratie nu en in de toekomst. In enkele
    vergaderingen (2 april 1993 en met name 8 maart 1994) wordt
    aandacht besteed aan het
    fenomeenonderzoek. De
    kernteamleiders blijken grote moeite te hebben met dit begrip.
    Voorts is er aandacht voor de IRT-affaire inclusief de nasleep
    daarvan, het rapport van de commissie-Donner en de oprichting van
    een landelijk OM bureau.

    Het CBO houdt zich voornamelijk bezig met de kernteams. Dit
    betekent onder meer dat het CBO voor in de toekomst te entameren
    onderzoeken van de kernteams op basis van een prioriteitenstelling
    aangebracht door de CRI adviseert aan het College van
    procureurs-generaal. Het College is beslissingsbevoegd. In de
    kernteam-convenanten wordt de prioriteitenstelling echter
    overgelaten aan de driehoek, waar dan ook het zwaartepunt van de
    besluitvorming ligt. Dit leidt in de praktijk tot
    onduidelijkheid.

    De heer Gonsalves:
    In de nota Georganiseerde criminaliteit van 1992 hebben de
    ministers bepaald dat de prioriteitenstelling plaatsvindt, op
    voorstel van het
    CBO, door toen nog de Vergadering van
    procureurs-generaal. Daarna zijn convenanten gesloten met de
    regio-korpsbeheerders over de oprichting van de
    kernteams.
    In artikel 4 staat dat de driehoek die over het
    kernteam
    gaat, de prioriteiten vaststelt. Vervolgens moet het College van
    procureurs-generaal daarmee instemmen. Daar zit echter frictie
    tussen. Dat veroorzaakt in de praktijk van tijd tot tijd
    spanningen. Het ware wenselijk als die frictie werd opgeheven en
    als het werd verhelderd. (…)
    De heer Gonsalves:
    Wij hebben in een van de laatste CBO-vergaderingen
    geconstateerd dat er hele terreinen braak blijven liggen, omdat
    iedereen zegt: dat is mij te ingewikkeld, laat een ander dat maar
    doen. Dat is een klassiek probleem, waardoor bepaalde moeilijke
    onderzoeken niet werden verricht. Het
    CRI liep daar het land
    mee af, maar niemand wilde ze doen. Dat is niet goed. Daarom hebben
    de hoofdofficieren gezegd – dat is weer een stap vooruit – dat zij
    van hun gezagspositie over die
    kernteams gebruik moeten
    maken om, zodra er capaciteit vrijkomt, het
    CBO bepalender
    te laten zijn bij de invulling daarvan en te gaan kijken wat
    landelijk gezien het zwaarste weegt. Dan moet het regiobelang dus
    achteruit gezet worden.
    Noot

    Artikel 4 van de kernteamconvenanten bepaalt dat het politieteam
    wordt belast met onderzoeken die door de verantwoordelijke
    hoofdofficier en korpsbeheerder zijn vastgesteld en waarmee is
    ingestemd door het college van procureurs-generaal.

    Over de prioriteitenstelling in het kernteam Amsterdam
    is opgemerkt dat deze (in ieder geval tot april 1995) verloopt via
    het ressortsoverleg. Door de regio’s worden projecten ingebracht
    waaruit kan worden gekozen. Welk project zou worden gekozen, zou
    volgensde politie veel te maken hebben met het nauw optrekken met
    het eigen OM. Een recente vergadering van het ressortsoverleg
    Amsterdam wordt beschamend genoemd. Het zou zijn gegaan om negen
    projecten waar een paar analisten naar hadden gekeken en waarbij
    het aantal tips en het aantal kilo’s verdovende middelen
    doorslaggevend zouden zijn geweest. In dat verband wordt gesteld
    dat het
    CBO geen keuzen maakt, maar zich akkoord verklaart
    met een arrondissementaal voorstel. Een rechtstreeks bij het

    CBO betrokkene geeft te kennen dat het CBO er niet echt
    in is geslaagd om op het nationale niveau invloed te hebben op de
    prioriteitenstelling in arrondissementen en ressorten.
    Niet
    alle onderzoeken op het terrein van de georganiseerde criminaliteit
    worden voorgelegd aan het CBO en, zoals in hoofdstuk 6 Kernteams
    bleek, niet al deze onderzoeken geschieden door de kernteams.
    Prioriteitenstelling daaromtrent geschiedt op het niveau van de
    arrondissementen resp. de regio’s.

    9.4.3 De Vergadering, later het College van
    procureurs-generaal

    Reeds lange tijd vergaderen de procureurs-generaal over het
    ontwikkelen van een landelijk OM-beleid. De vergadering stond
    tot voor kort onder voorzitterschap van de secretaris-generaal die
    namens de minister van Justitie optrad. Ook in geval de minister
    van Justitie zelf aanwezig was trad de SG op als voorzitter.
    Ambtshalve was ook de directeur-generaal politie van het

    ministerie van Justitie aanwezig. De vergadering had geen
    wettelijke basis. De vergadering heeft zich steeds meer ontwikkeld
    tot een raad van bestuur van het OM. De verdeling van
    beleidsportefeuilles is daarvan een uiting.
    Noot
    De procureur-generaal van het ressort ‘s-Hertogenbosch beheert
    thans de portefeuille georganiseerde criminaliteit. In de praktijk
    gaat het bij de werkbezoeken van de huidige portefeuillehouder
    georganiseerde criminaliteit doorgaans meer om beheerszaken en
    minder om de werkinhoud. In de vergadering van procureurs-generaal
    kwamen naast zaken van incidentele betekenis en adviezen aan de
    minister over projecten van wetgeving onderwerpen aan de orde die
    betrekking hadden op de cordinatie van het beleid van het OM op het
    gebied van opsporing en vervolging.

    In de vergadering van 3 juni 1992 was de vraag aan de orde of
    het OM c.q. de minister van Justitie met voldoende argumenten zal
    kunnen schragen dat de exclusieve verantwoordelijkheid voor de
    bestrijding van georganiseerde criminaliteit bij justitie ligt.
    Voor het feitelijk doen verrichten van strafrechtelijke onderzoeken
    is het OM in hoge (voor wat betreft de randstad) of mindere (voor
    wat betreft de overige ressorten) mate afhankelijk van de
    korpschefs en
    korpsbeheerders om de benodigde capaciteit in
    te zetten. Het laatste woord omtrent de in te zetten capaciteit
    door de andere schakels ligt niet bij het OM. Het OM kan hierdoor
    volgens het Plan van aanpak niet verantwoordelijk worden gesteld
    voor de werking van strafrechtelijke keten als geheel. Het OM kan
    wel verantwoordelijk worden gesteld voor het zichtbaar maken van de
    consequenties van het voorgenomen en gevoerde beleid voor de
    strafrechtelijke keten.
    Noot In de vergadering van
    13 januari 1993 heeft de voorzitter het oordeel uitgesproken dat de
    bewaking van de eenheid van het beleid van OM voorop staat. Zaken
    die op regionaal niveau tot stand komen en die in het beleid van
    het OM passen behoeven niet door de Vergadering van
    procureurs-generaal te worden vastgesteld of goedgekeurd. Het is de
    vraag hoe dit zich na de reorganisatie van het OM zal verhouden tot
    een actiever beleid van de procueurs-generaal ten aanzien van de
    inzet van opsporingsmethoden. De onderwerpen op het terrein van de
    zware, georganiseerde criminaliteit die in de Vergadering van
    procureurs-generaal aan de orde komen, worden voorbereid door het
    Centraal beleidsoverleg. In de Vergadering van
    procureurs-generaal zijn gedurende de laatste twee jaar de volgende
    onderwerpen behandeld: de CBO-inventarisatie,
    infiltratie,
    activiteiten van georganiseerde criminaliteit in politieke organen,
    nadere studie
    inkijkoperaties, kernteams en landelijk
    rechercheteam en OM-bureau.
    De normering van bijzondere
    opsporingsmethoden is (met uitzondering van infiltratie
    Noot ) nooit in de vergadering van procureurs-generaal
    aan de orde geweest. Wel is dit onderwerp in de vergaderingen van
    11 april en 26 mei 1994 in aanwezigheid van de toenmalige minister
    van Justitie aan de orde geweest in relatie tot de IRT-affaire.

    De minister van Justitie heeft daar de volgende conclusies
    getrokken:
    1. De taakuitoefening van de politie onder leiding van het bevoegd
    gezag behoeft verbetering. De politie laat zich te weinig gelegen
    liggen aan het gezag van het OM en de zeggenschap van de

    korpsbeheerder; 2. De bestrijding van zware, georganiseerde
    criminaliteit noodzaakt tot een meer centrale sturing. In dat
    verband wordt geconcludeerd tot aanscherping van de landelijke
    richtlijnen; het voorzien in een landelijke commissie met centrale
    bevoegdheden en een toetsende taak; een meer centrale rol voor de
    PG-portefeuillehouder georganiseerde criminaliteit en een directe
    verantwoordelijkheidslijn procureur-generaal 3. Er moet een
    landelijk team bij het
    KLPD komen ter ondersteuning van de
    bestaande IRT’s en er moet een – minister;

    landelijk OM-bureau komen;
    4. De procureur-generaal portefeuillehouder georganiseerde
    criminaliteit zal zich moeten gaan bezig houden met de sturing van
    alle interregionale teams. In een tussenliggende vergadering van 13
    april 1993 wordt benadrukt dat de PG-portefeuillehouder
    georganiseerde criminaliteit meer direct verantwoordelijk moet zijn
    voor de interregionale teams. De procureurs-generaal kunnen zich in
    hoofdlijnen vinden in deze conclusies.
    Noot Kort
    daarop stelde de procureur-generaal portefeuillehouder
    georganiseerde criminaliteit een nota op waarin hij niet alleen
    voorstelt om alle zes
    kernteams onder zijn leiding te
    brengen, maar ook om bij het parket van de portefeuillehouder een
    landelijk opsporingsteam te formeren.
    Noot Aan de
    nota is geen uitvoering gegeven.
    Voor de normering van
    strafvorderlijk optreden door het OM beschikt de vergadering van
    procureurs-generaal over de mogelijkheid om richtlijnen te geven.
    De bevoegdheid daartoe vloeit voort uit hun bevelsbevoegdheid ten
    opzichte van de hoofdofficieren van justitie. Van dit instrument
    heeft de vergadering van procureurs-generaal, voorzover het de
    bestrijding van georganiseerde criminaliteit betreft, betrekkelijk
    weinig gebruik gemaakt.
    Handelen in strijd met een richtlijn kan schending van n van de
    beginselen van een goede procesorde opleveren; op richtlijnen die
    behoorlijk zijn gepubliceerd, kan zelfs rechtstreeks in rechte een
    beroep worden gedaan, omdat zo’n richtlijn kan gelden als recht in
    de zin van artikel 99 RO.
    Noot Concrete beslissingen
    over specifieke strafzaken werden niet besproken door de
    Vergadering van procureurs-generaal.

    De heer Gonsalves:
    Het wordt nu anders – over gecontroleerde doorlevering
    moeten wij nu per casus beslissen – maar tot voor kort spraken wij
    daar in de PG-vergadering niet over. Wij zeiden gewoon dat dit de
    verantwoordelijkheid was van de verantwoordelijke
    procureur-generaal, eventueel doorlopend tot en met de minister als
    de zaak ernstig genoeg was. Er is wel in het algemeen besproken of
    zoiets zou mogen. Zo ja, mag dat dan eenmalig? Stel dat je n keer
    vier kilo doorlaat, zodat je de volgende keer 100 kilo pakt en de
    hele organisatie oprolt…
    De voorzitter:
    Dan zegt u ja.
    De heer Gonsalves:
    Dat soort discussies hebben wij gevoerd.
    De voorzitter:
    Het gaat er meer om of u het goed heeft gevonden.
    De heer Gonsalves:
    Die beslissing werd op een ander niveau genomen; door de
    hoofdofficier en de betrokken procureur-generaal. In sommige
    gevallen legde de betrokken PG het voor aan de departementsleiding
    en eventueel aan de minister. (…)
    De voorzitter:
    Maar de PG-vergadering heeft daar nooit een standpunt over
    ingenomen.
    De heer Gonsalves:
    Jawel, hetgeen ik zei was het algemeen gevoelen.
    De voorzitter:
    Maar in een speciale casus?
    De heer Gonsalves:
    Niet dat ik mij kan herinneren. Vaak herinner ik mij nog wel
    bepaalde besluitvorming en een bepaalde gedachtenvorming die wij op
    dit terrein hebben gehad, maar ik kan niet precies in mijn hoofd
    houden of dat ook op een concrete casus betrekking had.

    Noot
    De voorzitter:
    Is het nu zo dat ook daarvoor in de vergaderingen van de
    procureurs-generaal nooit over casussen werd gesproken?
    De heer Van Randwijck:
    Nooit. Er is nooit gesproken over bepaalde
    gevallen.
    De voorzitter:
    Er is nooit gevraagd: Wat vind je nu van de aantallen, de
    duur, de lengte, de diepte van…
    De heer Van Randwijck:
    Daar is nooit over gesproken. (..)
    De voorzitter:
    En als wij nu teruggaan naar het vaststellen van die
    richtlijn,
    infiltratie, de eerste opdracht aan de
    commissie-De Wit, is het toen steeds gebleven bij de abstracties
    die wij in de stukken kunnen vinden?
    De heer Van Randwijck:
    Ja. Noot
    De voorzitter:
    Met verschillende procureurs-generaal hebben wij gesproken
    over de vraag wat men in de vergadering van procureurs-generaal
    besprak. Zowel bij de heer Van Randwijck als bij de heer Gonsalves
    is ons opgevallen dat het bijna nooit over casussen, over gevallen
    ging of over opsporingsmethoden in de praktijk. Is dat volgens u
    ook zo? (…)
    Mevrouw Sorgdrager:
    (De procureur-generaal) houdt zich in het algemeen dus zelf
    niet bezig met operationele zaken, behalve als er iets bijzonders
    aan de orde is waar hij wel of niet in gemengd moet worden. In het
    algemeen gesproken heeft hij dus een toezichthoudende functie en
    een beleidsfunctie. Vanuit die functies komen, of kwamen, de
    procureurs-generaal bijeen in de vergadering van
    procureurs-generaal. U kunt zich voorstellen dat in zo’n
    vergadering in het algemeen wordt gesproken over beleidskwesties,
    strategien, en algemene richtlijnen voor, bijvoorbeeld, de
    opsporing. Individuele gevallen kwamen eigenlijk niet of nauwelijks
    aan de orde. (…) Daar hoort bij de manier waarop het volgens de
    wet is opgebouwd en de cultuur die volgens de traditie, zoals die
    geworden is, bestond. Dat betekende dat iedereen in beginsel
    verantwoordelijk was voor zijn eigen zaken. Dat voelden de leden
    van het openbaar ministerie ook zo. De neiging om met je probleem
    naar een ander te lopen, was gewoon niet groot. Achteraf kun je
    zeggen dat het niet goed is, en het is ook niet goed. Het was toen
    echter wel zo. Dat bracht ons er ook toe om in een vergadering van
    procureurs-generaal niet over individuele zaken te praten. De enige
    individuele zaken waarover wij spraken waren euthanasiezaken.

    Noot

    Ook de IRT-affaire en het rapport van de commissie-Wierenga zijn
    nooit uitgebreid onderwerp van discussie geweest in de
    vergaderingen van de procureurs-generaal. Het bestaan van de
    methode is wel gemeld.

    De voorzitter:
    Ik ga even terug naar de inhoud. Is toen ooit gesproken
    over
    burgerinfiltranten en hoeveel zij mogen
    verdienen?
    De heer Van Randwijck:
    Nee, het werd overgelaten aan de commissie-Jansen, de
    CTC,
    om aan de hand van casusposities te bekijken of dat wel of niet
    kon.
    De voorzitter:
    De handleiding inkijkoperaties
    De heer Van Randwijck:
    Is uit Den Bosch.
    De voorzitter:
    Nee, die heeft u goedgekeurd.
    De heer Van Randwijck:
    Ja.
    De voorzitter:
    Heeft u daar nog inhoudelijk over gesproken?
    De heer Van Randwijck:
    Daar is in mijn herinnering inhoudelijk niet over
    gesproken.
    De voorzitter:
    Waar sprak u dan wel inhoudelijk over?
    De heer Van Randwijck:
    Ja, dan zou ik de notulen of de agenda moeten nakijken. Op
    zo’n open vraag kan ik werkelijk niet antwoorden.

    Noot

    In paragraaf 9.2.2 is uiteengezet dat de vergadering van
    procureurs-generaal thans vervangen is door het College van
    procureurs-generaal.

    9.4.4 Internationale samenwerking

    De officier van justitie heeft een belangrijke taak bij de
    wederzijdse rechtshulp. Mede afhankelijk van de inhoud van het
    verdrag kunnen inkomende verzoeken om bijstand uit het buitenland
    door politie en/of openbaar ministerie worden afgedaan. In het
    normale geval is de officier van justitie de eerst
    verantwoordelijke voor inkomende rechtshulpverzoeken (artikel 552i,
    eerste lid Sv), al is de politie sinds kort zelfstandig bevoegd bij
    de afdoening van diverse rechtshulpverzoeken.

    Wanneer het buitenlandse verzoek ertoe strekt om
    dwangmiddelen toe te passen of personen te horen wordt het verzoek
    als regel ter hand gesteld aan de
    rechter-commissaris.
    Verzoeken om uitlevering brengt de officier aan (de verkorte
    procedure daargelaten) bij de rechtbank teneinde de toelaatbaarheid
    van de uitlevering te doen beoordelen.

    In de Richtlijn inzake de toepassing van artikel 552i Sv
    Noot wordt gesteld dat verzoeken slechts behoeven te
    worden doorgezonden aan de officier van justitie als het gaat om
    toepassing van dwangmiddelen; of als wettelijke weigeringsgronden
    aan de orde zijn (artt. 552k-m Sv); of als om inlichtingen wordt
    gevraagd waarvoor observatie, de begeleiding van gecontroleerde
    aflevering en/of het optreden op Nederlands grondgebied door
    informanten of infiltranten die onder regie van de verzoekende
    autoriteit staan, wordt toegestaan bevorderd dan wel begeleid. Van
    elke zelfstandige afdoening van een rechtshulpverzoek door de
    politie dient aantekening te worden gemaakt in een met het oog
    daarop aangelegd register, naast eventuele andere verplichtingen
    tot registratie. Noot

    Traditioneel is de officier van justitie bevoegd in het
    arrondissement waarin de gevraagde handeling moet worden verricht
    of waarin het verzoek is ontvangen. De daar fungerende
    rechtshulpofficier kan in het belang van een spoedige en doelmatige
    afdoening het verzoek overdragen aan een ambtgenoot in een ander
    arrondissement (artikel 552j Sv). Inmiddels is de landelijke
    CRI-officier van justitie belast met internationale rechtshulp.
    Deze is vooral dan een nuttige instantie als onduidelijk is welk
    arrondissement in Nederland het meest gerede aanspreekpunt is.
    Indien de landelijk officier weet in welk arrondissement de zaak
    gaat spelen, wordt de lokale officier of de hoogte gesteld.

    Inkomende verzoeken tot geplande, grensoverschrijdende
    observatie dienen vooraf ingediend te worden bij de landelijke
    CRI-officier, die de verantwoordelijkheid draagt voor het Landelijk
    cordinatiepunt grensoverschrijdende observatie (LCGO). Slechts in
    spoedeisende gevallen bij ernstige delicten wordt van deze
    procedure afgeweken. Ook voor inkomende grensoverschrijdende
    gecontroleerde afleveringen is het uitgangspunt dat zij slechts
    plaatshebben na melding aan de landelijke CRI-officier van
    justitie.

    Een voorbeeld:
    via de CRI kwam informatie binnen dat een partij
    verdovende middelen naar Nederland zou komen via een Duitse

    frontstore. Het pseudokoopteam kwam in actie en kreeg
    ondersteuning van een

    observatieteam en een arrestatieteam. De partij bleek
    opgesplitst te worden in drie zendingen naar drie verschillende
    groepen (Amsterdammers, Colombianen en Chinezen/Joegoslaven). De
    Duitse
    frontstore vervoerde dus verdovende middelen.

    Soms blijken dergelijke grensoverschrijdende activiteiten in
    strijd met de beleidslijn van 29 maart 1994 niet aan de landelijke
    CRI-officier van justitie te worden gemeld. Dat is op twee manieren
    te verklaren. Ten eerste is het mogelijk dat het buitenland de
    gecontroleerde aflevering die Nederland inkomt, beschouwt als
    door Nederland te verlenen assistentie, waarbij het
    buitenland rechtstreeks met de (lokale) rechtshulpofficier van
    justitie contact opneemt. Ten tweede is het mogelijk dat het
    buitenland op verzoek van een Nederlandse (lokale) zaaksofficier de
    zaak heeft begeleid en de gecontroleerde aflevering ziet als
    aan Nederland te verlenen assistentie; daarbij ligt het
    initiatief bij de Nederlandse zaaksofficier of CID-officier. In
    beide gevallen beschouwt de lokale officier het inschakelen van de
    landelijke officier vermoedelijk eerder als een bureaucratisch
    vereiste dan als een zinvolle bezigheid.

    In het omgekeerde geval, dat wil zeggen als vanuit Nederland
    rechtshulp aan een vreemde staat wordt gevraagd, heeft de lokale
    officier van justitie tenminste een initirende rol. In veel
    gevallen zal, in geval bepaalde onderzoekshandelingen in het
    buitenland dienen plaats te vinden, een rechtshulpverzoek van een
    rechter-commissaris nodig zijn. De officier van justitie is immers
    belast met de leiding van de opsporing (artikel 148 Sv). Officieren
    van justitie mogen terzake niet om meer vragen dan waartoe zij zelf
    bevoegd zijn. Noot Bij enkele bijzondere
    opsporingsmethoden moet de lokale officier of de politie de
    landelijke CRI-officier (of het Landelijk cordinatiepunt
    grensoverschrijdende observatie) in kennis stellen. Dat is het
    geval als een niet-geplande (spoedeisende en in geval van ernstige
    delicten voorkomende) grensoverschrijdende observatie aan de orde
    is. Tevens wordt de landelijke officier op de hoogte gesteld van
    infiltratie door Nederlanders in het buitenland. Ook als
    buitenlandse informanten naar Nederland worden gehaald, als
    gecontroleerde afleveringen Nederland binnenkomen of als
    buitenlandse diensten infiltreren is tussenkomst van de landelijke
    officier van justitie verplicht. Juist bij de niet uitdrukkelijk
    wettelijk geregelde opsporingsmethoden speelt de landelijke
    CRI-officier dus een belangrijke rol.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken