• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 7.2 De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD)

    7.2 De Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst
    (FIOD)

    7.2.1 De organisatie

    De FIOD valt onder het Directoraat-generaal der belastingen van
    het ministerie van Financin, en in het bijzonder onder de Directie
    algemene fiscale zaken. Bij de FIOD zijn 750 personen werkzaam,
    verdeeld over de Fiscale recherche met elf regionale teams en n
    centraal team, de Douanerecherche met zes regionale teams en twee
    centrale teams, de Inlichtingendienst, alsmede twee stafafdelingen.
    In de nabije toekomst zal een reorganisatie plaatsvinden. Er komen
    drie resultaatgebieden: documentatie, informatie en opsporing.
    Binnen het resultaatgebied opsporing wordt geen onderscheid meer
    gemaakt in aparte afdelingen douanerecherche en fiscale
    recherche.

    De FIOD voert een intern personeelsbeleid. De 344 rechercheurs
    worden geselecteerd uit de eenheden/districten van de
    belastingdienst en krijgen een rechercheopleiding van drie maanden.
    De rechercheurs zijn opgeleid op HBO-niveau en krijgen betaald
    volgens schaal 9-12. Het topechelon van de FIOD komt uit de eigen
    gelederen. Er zijn geen ex-politiemensen bij de FIOD in dienst. De
    Fiscale recherche is de opsporingsdienst voor de belastingdienst en
    wordt ingeschakeld wanneer uit belastingcontroles ernstige
    onregelmatigheden blijken.

    Het ligt in de aard van het fiscale werk om opsporing te
    verrichten aan de hand van documenten (aanslagen e.d.). Zo’n
    aanslag heeft betrekking op feiten uit het verleden en eer de FIOD
    is ingeschakeld ligt dat verleden al twee jaar (of langer)
    terug.

    De regiokantoren van de belastingdienst hebben gespecialiseerde
    teams geformeerd, bijvoorbeeld het Horecateam en het Bouwteam.
    Sommige belastingkantoren, onder andere in Amsterdam, hebben
    fiscale fraudeteams geformeerd voor de moeilijke zaken zoals
    criminele belastingplichtingen. Deze teams hebben ook rechtstreeks
    contact met de politie, dus zonder tussenkomst van de FIOD. Deze
    ontwikkeling is een proef. Het wordt als onwenselijk beschouwd als
    deze teams zich als kleine FIOD-afdelingen gaan gedragen. De
    Douanerecherche verzorgt de opsporing voor de douane.

    De douane doet, anders dan de belastingdienst, onderzoek naar
    actuele verschijnselen. Ook de douane gaat naar een nieuwe
    controlestrategie, dit in het kader van de opengestelde grenzen:
    een mix van fysieke en administratieve controles bij het bedrijf,
    gebaseerd op een op de klant geconcentreerde risico-analyse. De
    controles zullen al bij het inladen bij de fabriek moeten
    plaatsvinden.
    In principe houdt de FIOD zich bezig met fiscale
    fraude in de breedste zin des woords, zoals fraude met
    omzetbelasting, vennootschapsbelasting en nationale en
    internationale fraude op het gebied van douanewetgeving. Hiernaast
    levert de FIOD een bijdrage aan de bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit.

    De Douanerecherche heeft frequenter van doen met de problematiek
    van de georganiseerde misdaad dan de Fiscale recherche. Dit neemt
    echter niet weg dat ook fiscaal rechercheurs worden gedetacheerd
    bij kernteams, voornamelijk om hun financile expertise. De
    opsporingsteams zullen samengaan tengevolge van de aankomende
    reorganisatie.

    Verder is per 1 november 1989 een Ondersteunend rechercheteam
    opgericht dat technische ondersteuning biedt aan de Douanerecherche
    en de Fiscale recherche zoals dactyloscopie en
    observatie-werkzaamheden. Tevens beschikt deze dienst over een
    tapkamer.

    Naast de Douanerecherche en de Fiscale recherche heeft de FIOD
    de beschikking over een Inlichtingendienst. Dit is een centrale
    dienst die niet op de opsporing maar op de belastingdienst is
    gericht. De Inlichtingendienst
    zoekt informatie en informeert, onder meer via publikaties, de
    belastingdienst. De werkzaamheden vertonen overeenkomst met het in
    hoofdstuk 6 Overige informatie-inwinning van bijlage 5
    Methoden beschreven fenomeenonderzoek. Belangrijk wordt het
    opbouwen van informatieposities op het gebied van EU-fraude en
    BTW-fraude geacht. In dit kader wordt veel tijd en mankracht
    besteed aan targeteren, dat wil zeggen het profileren van signalen
    die in een zo vroeg mogelijk stadium zicht geven op mogelijke
    onjuistheden. Hiermee kan tijdwinst worden geboekt in de
    opsporingsfase.

    In de afdeling persoonsgebonden informatie wordt zogenaamde
    contra-informatie verzameld ter renseignering van aangiften van
    belastingplichtingen. De afdeling groepsgebonden informatie maakt
    doelgroepbeschrijvingen van de 150 grootste branches: bijvoorbeeld
    cafs, bars, nachtclubs, de bouw, advocatenkantoren, prostitutie. De
    doelgroepbeschrijvingen zijn niet zozeer richtlijnen, als wel
    adviezen hoe belastingtechnisch moet worden omgegaan met deze
    doelgroepen. Voorts is de Inlichtingendienst belast met de
    wederzijdse bijstand aan het buitenland, behalve voor zover het de
    douane betreft – dat doet het Douane Informatie Centrum.

    De Inlichtingendienst zal tengevolge van de reorganisatie opgaan
    in het Bureau documentatie en het Bureau informatie. Dit laatste
    komt dan dichter op de opsporing te zitten en zal zich ook
    specifiek gaan richten op georganiseerde criminaliteit. Ook hier
    dringt de vergelijking met het fenomeenonderzoek zich op. De FIOD
    hanteert een soort checklist van punten die zicht geeft op het feit
    of er sprake is van georganiseerde criminaliteit. De lijst is
    gebaseerd op een analyse van de jurisprudentie over artikel 140 Sr.
    Vanaf 1990 is de FIOD zich eigenlijk pas gaan bezighouden met de
    bestrijding van de georganiseerde misdaad, in verband met
    verdovende middelen en het financieel rechercheren naar deze
    groeperingen. Voor die tijd werd ook aandacht besteed aan
    georganiseerde belastingfraude, zoals bijvoorbeeld de onderzoeken
    naar koppelbazen. Het Douane informatie centrum (DIC) vervult een
    vergelijkbare taak voor de douane en de douanerecherche als de
    Inlichtingendienst voor de belastingdienst. Het DIC is evenwel niet
    opgehangen aan de FIOD en strikt genomen mag de Inlichtingendienst
    zich derhalve ook bezig houden met materie die de douane betreft –
    dat gebeurt echter nauwelijks. Het DIC is opgericht ten bate van
    meer gerichte douanecontroles. Het analyseert daartoe wetgeving op
    fraudegevoeligheid en analyseert branches en goederenstromen op
    afwijkende patronen. Noot Op dit moment beperkt de
    analyse zich nog tot ladingsbescheiden in de maritieme sector,
    waarbij met name gedacht moet worden aan de Rotterdamse haven. De
    analyse richt zich op afwijkende patronen:

    De heer Huisman :
    Ik wil dat graag doen. Het Douane-informatiecentrum is een
    eenheid die in 1992 als een project is begonnen en in 1993
    officieel is genstalleerd binnen de Nederlandse douane. Het is een
    ondersteunende eenheid. Ons werk ligt voornamelijk op het vlak van
    het analyseren van gegevens aan de hand waarvan de douane veel
    gerichter kan controleren. Immers, de douane is een controledienst.
    Maar met deze gegevens is het dus in een aantal gevallen goed
    mogelijk dat onze eigen opsporingsdienst, de FIOD, wat gerichter
    kan opsporen. Als ik praat over het analyseren, dan kunt u daar een
    aantal dingen in onderscheiden. Het eerste, en dat is ook datgene
    waar wij ooit mee begonnen zijn, is het analyseren van
    ladingbescheiden. Daarbij proberen wij – ik geef het maar wat
    eenvoudig weer – om zendingen te traceren die afwijken van het
    normale patroon. (…)
    De heer Huisman:
    Dan zijn er weer twee mogelijkheden. Het kan zijn dat wij
    zeggen: de zending wijkt wat af van het normale patroon, maar
    verder kunnen wij daar toch niet al te veel informatie omheen
    verzamelen. Dan wordt zo’n zending uitgezet ter controle bij de
    douane. Het kan ook zijn, en dat maakt het soms moeilijk, dat bij
    het analyseren van die ladingsbescheiden er zoveel informatie op
    tafel komt, dat wij zeggen: nu ontstaat er een redelijk vermoeden
    van een strafbaar feit. Dan wordt een dergelijke geselecteerde
    zending niet uitgezet bij de douane zelf, maar gaat die naar onze
    collega’s van de FIOD.
    Noot

    Een ander voorbeeld daarvan is dat op een bepaald moment wordt
    geconstateerd dat een enorme stroom sigaretten gaat lopen in
    transito via de Rotterdamse haven richting Oostbloklanden en wel in
    dermate grote hoeveelheden, dat wordt geoordeeld dat dit geen
    normale handel meer is. Een 40-voetscontainer levert ongeveer 1,8
    miljoen gulden op aan ontdoken accijns. Een ander voorbeeld is, dat
    het opvalt als een lading fruitsappen in karton verpakt uit
    Zuid-Amerika komt. Normaal worden fruitsappen in 200-literdrums en
    in bevroren toestand vervoerd.

    Volgend jaar wordt een begin gemaakt met de analyse van
    luchtvracht.
    Omdat het DIC in beginsel voor een controledienst (de douane)
    werkt, volgt na de inlichtingenfase niet noodzakelijkerwijs een
    opsporingsfase. Wanneer het DIC uit analyse van ladingsbescheiden
    een vreemde zending ontdekt, zonder concrete vermoedens van een
    strafbaar feit, wordt de douane verzocht de partij te
    controleren, waarna eventueel de Douanerecherche erbij betrokken
    wordt. Pas wanneer tijdens de DIC-analyse wl concrete vermoedens
    van een strafbaar feit zijn gerezen, wordt de Douanerecherche
    rechtstreeks ingeschakeld. Er wordt niet altijd op nationaal niveau
    actie ondernomen. Wanneer het transito-containers betreft die
    onderin schepen direct naar andere havens worden vervoerd, dan
    wordt dit doorgeven via het Maritieme informatiesysteem aan
    buitenlandse zusterdiensten. Noot Evenmin als de
    Inlichtingendienst maakt het Douane informatiecentrum gebruik van
    informanten die worden gerund (gestuurd). Wel is er contact met
    tipgevers. Het DIC hanteert informatie van de belastingdienst, het
    CBS, databanken zoals Dunn & Bradstreet, Lloyds Seadata en het
    mainframe van Brussel Noot , alsmede het systeem van
    gestolen voertuigen, statistieken van Europese goederenstromen,
    spottingen van de kustwacht etc. Met dat al lijkt het
    branche-onderzoek de kinderschoenen ontgroeid, het heeft een
    duidelijke plaats in de dienst. Wel valt op dat dit onderzoek in de
    eerste plaats de controle dient, en minder de opsporing. Wellicht
    valt hieruit de les te trekken dat ook dit soort onderzoek –
    evenals het fenomeenonderzoek, dat de politie verricht – meer op
    het bestuurlijke terrein thuishoort dan op het justitile.

    7.2.2 De verantwoordingslijnen

    De FIOD werkt onder verantwoordelijkheid van de minister van
    Financin. Direct contact met het Directoraat-generaal der
    belastingen vindt plaats bij publicitair gevoelige zaken. Dit is
    ongeveer 25 keer gebeurd in het afgelopen jaar. Bij ernstige zaken
    wordt de staatssecretaris op de hoogte gesteld. Het gezag over de
    opsporing wordt gedragen door de officier van justitie, zij het
    dat, zoals hiervoor reeds is vermeld, artikel 80 Algemene wet
    inzake rijksbelastingen hierop een uitzondering maakt. Benadrukt
    wordt dat de snelle wisselingen onder de dikwijls goed gemotiveerde
    fraude-officieren bezwaarlijk zijn. Vanuit het OM is echter blijk
    gegeven van enige zorg over de controle op de samenwerking tussen
    de Douanerecherche en de politile CID. De indruk bestaat dat het OM
    hierover niet alle noodzakelijke informatie krijgt. Ook wordt
    gesignaleerd dat de douane regelmatig werkzaamheden doet die de
    Douanerecherche zou moeten doen, zoals het doen van observatie of
    het begeleiden van een observatieteam. De grens tussen controle en
    opsporing (sfeerovergang) kan dan door de Douanerecherche (te) ruim
    worden gehanteerd. Afgesproken is in een convenant tussen de FIOD
    en het OM dat in 1994 landelijk 452 fiscale zaken vervolgd zouden
    worden. Het jaarverslag over 1994 laat echter zien dat deze
    doelstelling niet gehaald is. Er zijn 423 zaken ingediend en in 199
    zaken is het tot een veroordeling gekomen. Noot De reden
    dat de FIOD minder zaken heeft aangeleverd is dat veel capaciteit
    in een aantal grote tijdrovende zaken is gestoken. De
    prioriteitenstelling van de te vervolgen zaken gaat als volgt: een
    zaak wordt door de belastingdienst of douane aangedragen in het
    selectie-overleg met inachtneming van de zogenaamde
    ATV-richtlijnen. Noot Deze richtlijnen zijn vastgesteld
    door de Vergadering van procureurs-generaal en gelden als recht in
    de zin van artikel 99 RO. Er vindt dan een prioriteitenbepaling
    plaats binnen dit selectie-overleg. Bij fiscale delicten nemen aan
    het selectie-overleg de fraudecordinator van de belastingeenheid,
    de FIOD en de contactambtenaar AWR deel. Bij douanedelicten nemen
    deel de FIOD en de contactambtenaar AWDA. Normaliter zal een zaak
    met zeven van de maximaal veertien te behalen ATV-punten terecht
    komen in het tripartite overleg, waaraan de contactambtenaar, de
    FIOD en het OM deelnemen teneinde opnieuw tot prioriteitenstelling
    te komen. Zaken die niet in het tripartite overleg worden
    ingebracht, worden administratief afgedaan door de
    belastingdienst.

    Vermeden moet worden zaken te rechercheren die uiteindelijk niet
    succesvol worden afgedaan. De Fiscale recherche in Eindhoven heeft
    de afgelopen jaren slechts n maal meegemaakt dat een FIOD-onderzoek
    niet leidde tot dagvaarding, maar tot schikking. Met nadruk wordt
    gesteld dat het niet voorkomt dat een strafrechtelijk onderzoek
    wordt gestart terwijl bekend is dat dit kansloos is. Dit zou
    aantrekkelijk kunnen zijn met het oog op de mogelijkheid dat de
    zodoende verkregen gegevens in het fiscale traject kunnen worden
    gebruikt.

    De heer Rabbae:
    Kan het ooit gebeuren dat de FIOD zo’n lading niet overneemt
    vanwege ondercapaciteit of uitvoeringsproblemen?
    De heer Huisman:
    Zoals iedere overheidsdienst zijn wij beperkt in de
    mogelijkheden. Ook de FIOD kan niet in alle zaken
    opsporingscapaciteit stoppen. Dus in een aantal gevallen kan het
    ook gebeuren dat er een inbeslagname plaatsvindt en dat het daarbij
    blijft. Dan praat ik voornamelijk over verdovende middelen. Bij
    fiscale
    fraude zal er bijna altijd opsporingscapaciteit in
    gestopt worden.
    De heer Rabbae:
    Maar bij drugs niet?
    De heer Huisman:
    Nee, in een aantal gevallen wordt daar dus geen capaciteit
    in gestopt, maar wordt het gelaten bij wat men in vaktermen vegen
    noemt. De verdovende middelen worden dus uit de container gehaald
    en onder toezicht van een officier van justitie vernietigd.

    Noot

    7.2.3 Samenwerking

    Samenwerking tussen de FIOD en de politie geschiedt het meest
    structureel – via convenanten – in de kernteams. De FIOD heeft
    onder meer geparticipeerd in het multidisciplinaire team voor de
    TCR-zaak. Daarbij stelt de FIOD steeds als eis de
    eindverantwoordelijkheid te kunnen dragen voor het financile
    onderzoek; alleen als ook een CRI-accountant meedraait is deze
    verantwoordelijk voor het Pluk ze-gedeelte. Pas aan het einde van
    het gezamenlijk financieel onderzoek gaat deze
    eindverantwoordelijkheid gelden.

    De heer Bakker:
    Het is mijn ambtenaar, die fysiek en feitelijk ook daar
    werkzaam was. Hij was werkzaam in het kantoor van de
    RCID-Kennemerland. De leiding van zijn werkzaamheden lag bij het
    hoofd-RCID, en alle werkzaamheden zouden plaatsvinden onder leiding
    van een RCID-officier.
    De heer Rabbae:
    Maar formeel bent u verantwoordelijk voor zijn doen en
    laten? Zo is het toch?
    De heer Bakker:
    Ik ben verantwoordelijk voor mijn mensen. Hij wordt door
    Financin betaald, en hij is in mijn team werkzaam. Als u dat zo
    wilt zien, dan mag dat. Maar ik geef u aan dat de functionele en
    materile aansturing van deze man alleen kon plaatsvinden door het
    hoofd-RCID. Dat was ook onderdeel van het convenant dat ik gesloten
    had: de feitelijke aansturing van deze man vond plaats door het
    hoofd-RCID. Het informeren van een
    CID-officier was een
    verantwoordelijkheid van het hoofd-RCID. Dat was onderdeel van het
    convenant.
    Noot

    Verder eist de FIOD in de regel een onderzoeksstrategieplan, een
    verhoorplan en een doorloopplan. Een belangrijk verschil tussen het
    functioneren van de politie en de FIOD binnen het kernteam zou
    liggen in de mate van begeleiding: de FIOD begeleidt veel
    nadrukkelijker de verbalisering en er wordt regelmatiger
    gevalueerd.

    Tijdens het onderzoek wordt zo optimaal mogelijk gebruik gemaakt
    van alle mogelijkheden tot het ontnemen van wederrechtelijk
    verkregen voordeel.
    In een aantal kernteams is de volgende
    samenwerkingsstructuur: in het beleidsoverleg participeren OM,
    teamleider politie en teamleider FIOD; het tactisch overleg, waar
    de operationele CID-informatie boven tafel komt onder
    verantwoordelijkheid van de
    CID-officier, wordt gevoerd door
    de cordinator van de politie en die van de FIOD. Ondanks
    afwezigheid van CID-status krijgt de FIOD-teamleider
    CID-informatie. Ook kunnen zij zelf CID-gegevens bezien. Overigens
    komt het volgens FIOD-ambtenaren geregeld voor dat open informatie
    als CID-informatie wordt gepresenteerd.

    Er gaan binnen de FIOD stemmen op om het verblijf in een
    kernteam te maximeren tot 3 jaar, maar niet iedereen is daar voor,
    gezien het verlies van know-how in de kernteams.
    Het komt voor dat een kernteam besluit iemand een hoge
    belastingaanslag toe te meten in de hoop dat hij contact zoekt met
    zijn financieel adviseur, zodat het kernteam de identiteit van deze
    adviseur te weten komt; omgekeerd komt het ook voor dat het
    kernteam de belastingambtenaar vraagt nog even te wachten met het
    opmaken van een aanslag, opdat betrokkene niet weet dat er
    aanwijzingen bestaan over zijn criminele betrokkenheid.

    De heer Rabbae:
    Weet u of de staatssecretaris op de hoogte is van het
    fiscaal aanslaan van criminele organisaties tot tientallen
    miljoenen guldens?
    De voorzitter:
    Laten wij het zo zeggen, er zijn personen in Nederland,
    althans met de Nederlandse nationaliteit, die ineens een heel grote
    aanslag in de bus krijgen, waar criminele inlichtingen een zekere
    rol bij spelen. Onze vraag was eigenlijk hoe de sleutel ligt van
    wat je opgelegd krijgt, omdat het een deel is van het ontmantelen.
    Het kan ook een fiscale aanslag zijn.
    De heer Van Blijswijk:
    Het kan alleen een fiscale aanslag zijn, als Financin er wat
    mee te maken heeft.
    De voorzitter:
    Het kan toch ook een fiscale aanslag zijn als middel om tot
    ontmanteling te komen, zoals in de stukken staat?
    De heer Van Blijswijk:
    Een fiscale aanslag is een instrument om te heffen over
    datgene wat is verdiend. Ik denk dat dit de taak is van de
    belastingdienst. Als er informatie is dat een persoon een bepaald
    inkomen of vermogen heeft verworven en daarover geen dan wel te
    weinig belasting heeft betaald, dan zal de verantwoordelijke
    eenheid van de belastingdienst op enig moment een aanslag
    opleggen.
    Noot

    In kernteamverband is het wel voorgekomen dat iemand interessant
    wordt gevonden als mogelijke informant en dat daarom bij een
    belastingcontact wordt gevraagd hoe het met zijn belastingen staat.
    Iemand die in een fiscale klem zit, is gemakkelijker te stimuleren
    om te praten. In principe weet de inspecteur, de FIOD-rechercheur,
    de teamleider en de officier van justitie hiervan. Het komt voor
    dat mensen in die
    omstandigheden zulke gevaarlijke dingen vertellen, dat ze volgens
    de FIOD – zonder dat ze er zelf om gevraagd hebben – toch vooral
    als informant in een CID-register moeten worden ingeschreven. Voor
    de bureaus financile ondersteuning (BFO’s) heeft de belastingdienst
    n procent van zijn capaciteit beschikbaar gesteld – dat wil zeggen
    45 tot 50 man, voornamelijk FIOD-mensen. Er wordt naar een andere
    vorm van uitlenen gezocht.

    De voorzitter:
    (…) heb ik het mis als ik zeg dat u niet helemaal gelukkig
    bent met het inschakelen van de FIOD bij de BFO’s, de bureaus
    financile ondersteuning van de politie zonder dat u daarbij als het
    ware medestuurman bent?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik denk dat het niet juist is te zeggen dat de FIOD is
    ingeschakeld bij de BFO’s. De belastingdienst heeft mensen ter
    beschikking gesteld in het kader van een convenant met Justitie en
    Binnenlandse Zaken om die werkzaam te laten zijn in BFO’s. De enige
    rol van de FIOD daarin is dat die mensen formeel, omdat zij ergens
    een plaats moeten krijgen, onder de FIOD zijn geplaatst. Feitelijk
    zijn het dus controlemedewerkers van de belastingdienst die voor
    een aantal jaren ter beschikking zijn gesteld van de BFO’s. Dat
    convenant is dacht ik in 1992 gesloten en loopt per 1 januari 1996
    af. In 1993 heeft de belastingdienst zich afgevraagd of het aan de
    hand van een convenant uitlenen van mensen wel de meest wenselijke
    manier van werken was. Vervolgens is een interdepartementale
    discussie gestart. Als het goed is, zal die discussie rond deze
    tijd haar voleinding moeten vinden.
    De voorzitter:
    Maar daar is de bureaucratische discussie nog over
    gaande.
    De heer Van Blijswijk:
    Die is nagenoeg afgerond. De lijn van de belastingdienst was
    aanvankelijk dat wij mensen in het kader van samenwerking ter
    beschikking zouden stellen. De ontwikkelingen gaan nu in die
    richting dat in principe de politie zelf een zekere mate van
    financile deskundigheid gaat aanwerven en dat, als dat in de
    overgangsfaseproblemen geeft, de belastingdienst bereid is
    gedurende een zekere tijd nog ondersteuning te bieden.
    De voorzitter:
    Dus u gaat zich daar meer uit terugtrekken?
    De heer Van Blijswijk:
    Het betekent dat wat betreft het uitlenen van mensen de
    belastingdienst zich terugtrekt, maar het betekent niet dat de
    belastingdienst zich terugtrekt uit allerlei vormen van
    samenwerking met de politie en
    bijzondere
    opsporingsdiensten. Noot

    De detachering duurt lang en de band met de moederorganisatie
    dreigt verloren te gaan. Wellicht speelt daarbij het
    cultuurverschil tussen FIOD en politie een rol – dat trouwens ook
    blijkt in de
    kernteams. Dit verschil is deels te verklaren
    uit de hogere opleiding van de FIOD-ambtenaren en de daarbij
    behorende salarisschaal: er zitten vijf schalen verschil tussen
    politie- en FIOD ambtenaren binnen een
    BFO. Voorts wordt de
    FIOD gezien als een platte organisatie met veel ruimte voor
    discussie en overleg, terwijl de politie veel hirarchischer is. Dat
    werkt door in de samenwerking. Een ander verschil tussen politie en
    FIOD zou zijn dat de FIOD eigenwijs is en alles wil weten, terwijl
    de politie weinig interesse voor andere zaken zou hebben dan de
    eigen opdracht. FIOD-ambtenaren achten zich anders fanatiek. De
    politie zou te zeer gericht zijn op concrete resultaten. Dit anders
    fanatiek wordt door een politie-ambtenaar als volgt omschreven: Die
    FIOD-mensen hebben een bepaalde werkwijze, zijn wat rcksichtslos en
    zeggen gewoon: Pats, dat willen we, en dan gaan ze blind bepaalde
    dingen doen (..). Zij waren niet gewend om voorzichtig te werk te
    gaan (..) en wilden meteen Bam, als een olifant door de
    porseleinkast heen.
    De Pluk ze-wetgeving wordt beschouwd als
    een ongelukkige wet, ook door politieambtenaren die ermee van doen
    hebben. Er bestaat daardoor de neiging om contacten bij de
    belastingdienst te gebruiken, al dan niet via de FIOD. Dat sluit
    aan bij de opvattingen die op het departement van Financin leven,
    namelijk dat indien er een belastingschuld is deze eerst moet
    worden vereffend en dat dan pas de beurt is aan een eventuele actie
    in het kader van Pluk ze. Maar bovendien kan de fiscus meer, omdat
    in de meeste BFO’s de belastingambtenaar in principe zijn
    bevoegdheden niet meer mag gebruiken. Een ander probleem is dat
    in een strafrechtelijk financieel onderzoek de inbeslaggenomen
    goederen op hun waarde gehouden moeten worden en dat kost geld: het
    gebeurde dat voor een sfo-beslagen boot maandelijks f.6500
    havengeld betaald moest worden door het
    BFO, waarna de
    deurwaarder de boot verkocht. Er is daarom weleens afgesproken dat
    de belastingdienst wacht tot de afloop van het sfo en de helft van
    de opbrengst krijgt.

    De problemen met Pluk ze zijn voornamelijk van
    niet-strafrechtelijke aard. De grote vraag is aan wie de
    vermogensbestanddelen feitelijk toebehoren: er zijn enorme
    problemen om te etiketteren en uit te winnen:
    Men moet dan door de faade breken die opgericht is en waarachter
    de werkelijke eigenaar is verborgen. Om daardoorheen te breken, dat
    is echt een ramp.

    Incidenteel wordt ten behoeve van fenomeenonderzoeken indirect voor
    de politie gewerkt door de Inlichtingendienst. Het DIC heeft een
    permanente vertegenwoordiger bij de CRI, waarmee bij maritieme
    operaties ook wordt samengewerkt.

    Wat betreft de samenwerking met andere bijzondere
    opsporingsdiensten het volgende. De Douanerecherche stemt veel
    EG-zaken af met de AID. De AID richt zich op subsidies en
    restituties; de douane op de heffingen. Beide diensten zijn
    aangesloten op het Assistance Mutuel-systeem van de Europese
    Commissie. Ook werken beiden met informatie van het DIC.

    De Fiscale recherche werkt bij grootschalige onderzoeken soms
    samen met het GAK, het Sociaal Fonds Bouwnijverheid e.d. Daar komen
    meer aanmeldingen voor opsporingsonderzoeken vandaan dan van de
    belastingdienst. Het wordt benadrukt dat samenwerking met
    bijzondere opsporingsdiensten goed is, mits de FIOD de eerste viool
    kan spelen. De FIOD roept eigenlijk alleen de hulp van andere
    diensten waaronder de douane in om menskracht te verkrijgen. Onder
    meer in Rotterdam wordt de douane gevraagd om partijen verdovende
    middelen te vegen of om mee te gaan met het OT. Ook wordt de douane
    wel gevraagd door de politie om behulpzaam te zijn bij het
    bevestigen van een peilzender aan een container die in de haven
    staat. De moeizame relatie tussen de douanesurveillance en de
    douanerecherche in Amsterdam is de vermoedelijke aanleiding geweest
    van het eigengereide optreden van de douane in de Coral Sea-zaak.
    Noot

    7.2.4 Wettelijke bevoegdheden

    Als belastingambtenaren kunnen de FIOD-ambtenaren
    belastingdossiers (‘leggers’) inzien ten behoeve van hun eigen
    werkzaamheden. Het wordt voor de gewone belastingambtenaren
    doorgaans verborgen gehouden dat informatie gebruikt wordt voor
    strafrechtelijk onderzoek doordat de FIOD zelf in de leggers kijkt.
    De Fiscale recherche werkt volgens sommigen in 99 procent van de
    strafzaken na een huiszoeking; volgens anderen in minder dan de
    helft van de gevallen. Huiszoeking bij een bank kan eventueel nodig
    zijn om toegang te krijgen tot een bankkluis. Bankgegevens kan de
    FIOD opvragen op grond van artikel 81 AWR en dat is gratis; als de
    FIOD op basis van artikel 105 Sv naar de bank gaat, kan de bank
    declareren bij de rechter-commissaris, in verband waarmee
    recentelijk richtlijnen zijn veranderd. Tegen deze achtergrond is
    te begrijpen dat FIOD-ambtenaren feitelijk rechtstreeks banken
    benaderen met verzoeken om inlichtingen. Ze trachten te vermijden
    te veel te vragen of bieden zelf aan de bankadministratie te
    bekijken, wat ook vaak gebeurt. Zo kunnen de personeelskosten voor
    de bank beperkt blijven.

    De FIOD beschikt over een eigen tap-centrale met zestien
    telefoon- en twee faxlijnen. Soms wijkt men uit naar de
    tapinstallaties van de Kmar, de AID of de politie en omgekeerd komt
    de politie soms tappen bij de FIOD. Het komt voor dat er drie taps
    lopen op hetzelfde adres zonder dat de verschillende
    arrondissementen dit van elkaar weten, aldus een medewerker van de
    tapkamer. Uit technisch perspectief is de PTT-Groningen centraal
    actief voor tapactiviteiten. Zij schakelt ook door naar andere
    steden. Er wordt niet getapt zonder rechterlijke machtiging. In de
    praktijk stemt de rechter-commissaris altijd in met een verzoek om
    een tap. Een bijzonder probleem doet zich voor bij het tappen van
    autotelefoonverkeer. Dat is dikwijls moeilijk, niet alleen vanwege
    het GSM-net, maar ook omdat de meeste vrachtauto’s op het Duitse
    telefoonnet zitten.

    7.2.5 Methoden

    De FIOD heeft een observatieteam dat bestaat uit drie ploegen
    waarvan de leden voornamelijk uit de douanewereld komen. In verband
    met capaciteitsproblemen wordt soms ondersteuning gevraagd bij de
    politie, de Kmar of de AID. Observatie is in douanezaken in de
    praktijk minder belangrijk. Heffingen over de import van een
    fraudegevoelig goed als sigaretten hoeven niet betaald te worden
    als de sigaretten worden doorgevoerd naar Polen, maar wel als ze
    worden ingevoerd in Nederland. Voorkomen moet worden dat iemand
    zegt dat hij doorvoert, maar in feite invoert zonder de heffingen
    te betalen die voor een container sigaretten zijn verschuldigd. Als
    een container sigaretten in Rotterdam aankomt, dan moet een
    expeditiebedrijf een T1-biljet opstellen en zich garant stellen
    middels een waarborgsom dat de heffingen op sigaretten niet
    ontdoken zullen worden: de waarborgsom verschilt per goed maar
    beloopt bij sigaretten

    honderd procent. Bovendien wordt per computer aangekondigd aan
    de grenspost dat men over een dag een vrachtauto kan verwachten.
    Zodra de vrachtauto de Duits-Poolse grens over rijdt, wordt het
    document afgestempeld en wordt de waarborgsom vrijgegeven; als het
    document niet wordt afgestempeld draagt de expediteur de schade.
    Dankzij de dubbele voorzorg (waarborgsom en computerverbinding) is
    het niet nodig alle auto’s te volgen.

    Maar ook als de Douanerecherche of de Fiscale recherche bij de
    zaak wordt betrokken, wordt volgens de meeste sprekers bij
    observatie niet of nauwelijks met andere middelen gewerkt dan met
    auto’s en het blote oog. In de auto’s zijn twee drie
    schaduwkentekens aanwezig. De observatieteams beschikken wel over
    mobilofoons, portofoons, verrekijkers, film- en video-apparatuur.
    Ter besparing van observatie-kracht wordt vanuit ruimten aan de
    overkant van een te observeren pand of vanuit een autobusje gefilmd
    met 24-uursbanden. De daarvoor benodigde time-lapse recorder wordt
    betrokken van het KLPD.

    Inkijkoperaties komen nauwelijks voor en in sommige gevallen is
    er bovendien twijfel over de vraag of zich in casu al dan niet
    sprake is van een inkijkoperatie. Zo is bijvoorbeeld in een aantal
    onderzoeken sprake van het huren van een loods door het
    opsporingsteam zelf, zodat de sleutel beschikbaar is. In EU-zaken
    wordt geen gebruik gemaakt van inkijkoperaties, maar bedacht kan
    worden dat sommige douane-ambtenaren permanent dienst hebben in
    opslagruimten en loodsen en dus hun ogen de kost kunnen geven.
    Getwijfeld wordt ook of het inkijken in containers door de
    Douanerecherche op het haventerrein, voordat een gecontroleerde
    aflevering aanvangt, een inkijkoperatie kan worden genoemd.

    Vuilnissnuffel gebeurt door de FIOD al sinds mensenheugenis. Dit
    wordt niet als onrechtmatig beschouwd. Peilzenders worden zeer
    zelden door de Douanerecherche betrokken van het KLPD; het
    aanbrengen van een peilzender gebeurt vooral in samenwerking met
    een arrestatieteam (AT). De inbouw van bewegingsmelders in
    containers komt voor. Het Franse en Amerikaanse voorbeeld van het
    gebruik van satellietzenders om boten te kunnen volgen, wordt niet
    door FIOD en douane nagevolgd. Wel wordt gebruik gemaakt van de
    informatie die dit oplevert over de verblijfplaatsen van schepen.
    De Nederlandse douane is een controledienst en daar horen geen
    zenders bij; HM Customs and Excise is echter veel meer dan een
    controledienst. Deze dienst leidt de Britse drugsbestrijding en
    maakt derhalve gebruik van satellieten.

    Er wordt geen gebruik gemaakt van bugs, maar er gaan stemmen op
    die uiting geven aan het verlangen om de mogelijkheid te hebben op
    afstand te luisteren of afluisterapparatuur te plaatsen. De FIOD
    heeft contact met informanten. Het woord informant heeft een
    beladen betekenis gekregen, zo bleek uit de verhoren.

    De heer Rabbae:
    (…) Sinds wanneer bestaan er informanten bij de
    FIOD?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik geef er de voorkeur aan om te spreken over tipgevers. Er
    worden veel begrippen voor gebruikt: tipgevers, relaties of

    informanten. (…)
    De heer Rabbae:
    U spreekt liever over tipgevers dan over informanten.
    Wij hebben hier de heer Teeven gehad. Hij is u wel bekend, want hij
    is hoofd geweest van een team van de FIOD waar de heer De Jongh ook
    onder ressorteerde. De heer Teeven heeft gezegd dat hij tien

    informanten had, die hij moest overdragen aan Kennemerland. De
    heer De Jongh heeft het in een brief aan u, gedateerd 14 maart
    1995, gehad over een

    informant die bij u wel bekend was, de chauffeur. Hoe kan ik uw
    mededeling nu plaatsen tegenover deze mededelingen van de mensen
    die in de praktijk met deze
    informanten hebben gewerkt?

    De heer Van Blijswijk:
    Dat kan ik wel uitleggen. Binnen de FIOD, maar ook binnen de
    douane is jarenlang gesproken over
    informanten. Tipgevers,
    relaties of mensen die informatie hadden ten behoeve van de
    belastingdienst in brede zin, werden vaak als
    informant
    betiteld. Een informant is in mijn ogen iemand die er
    door een runner actief op uit wordt gestuurd. Een tipgever is
    iemand bij wie mensen met informatie komen, terwijl de ontvangende
    partij verder lijdelijk blijft. Ik sluit niet uit dat er in het
    verleden binnen de belastingdienst, dus ook binnen de douane en de
    FIOD, mensen zijn geweest, van wie men nu kan zeggen dat zij
    kennelijk toch wel gerund zijn. Misschien is daar enige activiteit
    geweest, maar dan ook niet meer dan dat aan die mensen eens een
    keer vragen zijn gesteld en dat er regelmatig contact was.

    Noot
    De voorzitter:
    De FIOD heeft vroeger wel informanten gehad.
    De heer Bakker:
    Ik gebruik het woord informanten liever niet. Ik zou liever
    het woord relaties willen gebruiken. Het regime van
    informanten
    impliceert een CID-regime, dat wij als FIOD nooit hebben gehad.
    Dat hebben wij dus ook niet gebruikt. Het is wl juist dat we in het
    verleden signalen kregen van die relaties. Op het moment dat sprake
    was van heel frequente contacten, hebben wij die relaties
    uiteindelijk overgedragen aan RCID’s.
    De voorzitter:
    Maar dat waren toch eigenlijk mensen die te vergelijken zijn
    met
    informanten van de politie?
    De heer Bakker:
    Uiteindelijk zijn die mensen, doordat ze frequent
    kwalitatief gezien goede informatie leverden, informatie die ook
    vaak in een bredere context was dan informatie die wij als FIOD
    alleen nodig

    hadden, overgedragen, samen met hun informatie, aan de RCID’s.
    Het is mij bekend dat zij daar werden ingeschreven als

    informant.

    De heer Rabbae:
    Maar u wilt toch niet zeggen dat de FIOD geen
    informanten heeft gehad en ook niet heeft gerund?
    De heer Bakker:
    Ik heb al aangegeven dat ik spreek over relaties. In het
    verleden zijn er contacten geweest met die relaties.
    De heer De Graaf:
    Bent u bang voor het woord informant?
    De heer Bakker:
    Nee, ik ben niet bang voor het woord informant.
    De heer De Graaf:
    Waarom noemt u dan mensen die informatie leveren,
    relaties?
    De heer Bakker:
    Dat past in een veel bredere context van signalen die wij
    als FIOD soms krijgen.
    De heer De Graaf:
    Daar begrijp ik niets van.
    De heer Bakker:
    Wij krijgen tips, en wanneer er frequent tips van dezelfde
    persoon komen, is dat een relatie. Op het moment dat dat informatie
    is die bruikbaar is, kunnen wij dat niet gebruiken onder een
    CID-regime. Dus zeggen we dan: deze man moet worden overgedragen
    aan de
    RCID.
    De voorzitter:
    Wanneer zijn uw tipgevers/informanten overgedragen aan
    de
    criminele inlichtingendiensten?
    De heer Bakker:
    U suggereert dat wij lijsten met dat soort mensen hebben. Ik
    ken die lijsten en die personen niet. Ik heb zelf begrepen dat op
    enig moment dit soort contacten die binnen de douane en de FIOD
    aanwezig waren, zijn genventariseerd. De mensen die geen
    kwalitatief goede informatie meer leverden, zijn toen geschoond, in
    die zin dat daarmee geen contact meer is geweest. De

    informanten die kwalitatief gezien goede informatie leverden,
    zijn overgedragen. Dat is gebeurd in 1992.
    Noot

    Soms komen mensen binnenlopen die potentieel interessante
    informatie voor de FIOD hebben. Uit de gegevens van de NCID van
    december 1995 blijkt dat een aantal bijzondere opsporingsdiensten,
    waaronder de FIOD, informanten heeft aangemeld.

    Een particulier recherchebureau heeft aangegeven regelmatig
    contact te hebben met de FIOD. We hadden afspraken met de FIOD in
    een miljoenenzaak dat wij hen bepaalde informatie zouden leveren
    via onze opdrachtgever en dat de FIOD ons informatie zou
    verschaffen over een zaak die wij hadden lopen. Onze rapporten
    liggen dan bij de FIOD met afgeknipte briefhoofden.

    De heer Teeven:
    Ik heb uiteraard prima kunnen inventariseren bij mijn
    aantreden hoeveel
    informanten er bij de douanerecherche
    werden gerund. Ik heb moeten constateren dat tijdens mijn aantreden
    ook
    informanten werden gerund door de douane. Tijdens mijn
    functie als teamleider vond ik dat die douane-informanten niet door
    de douane konden worden gerund. Zij zijn in eerste instantie
    overgedragen aan de douanerecherche en op een bepaald moment
    overgedragen aan de
    RCID. Het waren er ongeveer tien, ze
    werden begeleid door De Jongh.
    Noot

    Er zijn tipgevers geweest die bij de FIOD alles open en bloot op
    tafel legden en niet moeilijk deden over hun identiteit, van wie
    later bleek dat zij CID-informant waren. Met personen die in een
    bepaalde, voor de FIOD interessante, branche werkzaam zijn is
    geregeld contact. Hierbij kan gedacht worden aan personen die bij
    een bank werken, bij de beurs, bij beleggingsfondsen, in de
    onroerendgoed- of koopsompoliswereld of bij produktschappen. Ook
    notarissen geven geregeld desgevraagd informatie, ondanks hun
    zwijgrecht. Het verschil tussen veelvuldig contact met dergelijke
    relaties en het runnen van informanten is, dat in het eerste geval
    de informatie open bruikbaar is.

    De FIOD heeft jarenlang een informant gerund die later actief is
    geweest in het sigarettentraject in Kennemerland. Met deze
    informant was geregeld contact vanaf 1989 en hij stond vanaf 1993
    in het FIOD-informantenbestand ingeschreven. In het
    sigarettentraject werd hij in combinatie met de RCID-Kennemerland
    gerund. Het komt wel vaker voor dat in een samenwerkingsverband
    iemand uit de bovenwereld wordt mee-gerund met een RCID, omdat de
    FIOD daartoe de inhoudelijke deskundigheid heeft. In het
    sigarettentraject is er echter wat misgegaan. In de praktijk
    opereerde de informant min of meer los van de runners omdat de
    RCID-Kennemerland en de FIOD-medewerker (de co-runner) allebei in
    de veronderstelling verkeerden dat de ander actief runde. In het
    kader van het sigarettentraject heeft de FIOD ook enkele
    proeftransporten laten uitvoeren door de informant. De
    Rijksrecherche geeft aan dat niet gebleken is dat hierover enig
    overleg met het OM heeft plaatsgevonden of dat daarvoor toestemming
    is gegeven. De informant heeft zich niet aan de afspraken gehouden.
    Hij meldde proeftransporten niet tevoren aan en kwam met
    bewijsstukken van uitgevoerde transporten uit een voorliggende
    periode.

    De heer Van Blijswijk:
    De FIOD heeft nooit een rol gehad bij het doorleveren.
    Waarvan ik op de hoogte ben en mijn voorganger op de hoogte was, is
    dat de FIOD ondersteuning verleent aan politie en justitie
    bij

    gecontroleerde afleveringen.

    De heer Rabbae:
    Faciliterend?
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Dit betekende in feite dat de heer De Jongh de papieren
    regelde bij de douane, zodat de containers ongecontroleerd door de
    douane gingen. Zo was het toch?
    De heer Van Blijswijk:
    In de situatie die u beschrijft, had de betrokken medewerker
    inderdaad een rol in het kader van zijn werkzaamheden voor de

    CID.
    De heer Van Blijswijk:
    Wat hij deed, deed hij onder verantwoordelijkheid van de
    CID. De activiteiten van de CID vonden plaats onder
    verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. Wat dit betreft,
    matig ik mij geen oordeel aan over het antwoord op de vraag of de
    werkzaamheden die hij in dat verband verrichtte juist of niet juist
    waren, gezien het feitdat de FIOD er altijd van is uitgegaan dat er
    sprake was van meewerken aan gecontroleerde afleveringen.
    De heer De Graaf:
    U zei dat uw medewerker De Jongh onder verantwoordelijkheid
    van de
    CID werkte.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Hij was niet bij de CID gedetacheerd, hij viel niet
    onder de hirarchische lijn van de
    CID, maar hij werkte samen
    met de
    CID. Dit betekent toch dat u als hoofd van de FIOD en
    dat de chefs onder u gewoon verantwoordelijk waren voor hetgeen de
    heer De Jongh deed?
    De heer Van Blijswijk:
    De vraag die gesteld moet worden, is onder welke condities
    de heer De Jongh is gaan werken bij de
    CID. Die condities
    zijn heel helder. Ik heb er bij mijn voorganger navraag naar
    gedaan. Medio 1992 is er een verzoek gekomen van de politie
    Kennemerland of de
    CID Kennemerland – dat heb ik niet kunnen
    nagaan – of de heer De Jongh ter beschikking kon worden gesteld van
    de
    CID om werkzaamheden te verrichten.
    De heer De Graaf:
    Werd gezegd: ter beschikking gesteld?
    De heer Van Blijswijk:
    De beslissing om dat te doen, is niet schriftelijk
    vastgelegd. Er wordt gesproken over gedetacheerd, ter beschikking
    gesteld, uitgeleend. Feitelijk is de situatie dat hij ter
    beschikking is gesteld van de
    CID. Noot Over
    de status van deze FIOD-medewerker die samen met een runner van de
    RCID betrokken informant runde,

    is onduidelijkheid. De korpsleiding Haarlem zegt dat geen sprake is
    geweest van een soort detachering bij de RCID.

    De voorzitter:
    Wat betreft het sigarettentraject, zegt u: de
    verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de FIOD?
    De heer Straver:
    Ja. Ik heb hier horen vertellen dat de heer De Jongh, die
    daarbij betrokken was, een medewerker was van de FIOD die bij
    mijn
    RCID gedetacheerd was. De heer De Jongh was een
    FIOD-rechercheur die CID-werkzaamheden verrichtte,
    informanten
    runde. Maar hij was absoluut niet gedetacheerd bij mijn korps of
    bij mijn
    RCID. Hij had daar geen werkplek, geen telefoon.
    Dat heb ik nagetrokken. Hij kwam af en toe, een of twee maal per
    week, bij ons en soms ook weken niet.
    Noot
    De heer Van Blijswijk:
    Er was bekend op hoofdlijnen dat hij CID-werkzaamheden zou
    verrichten. In de beginfase is niet duidelijk vastgelegd tussen
    FIOD en de politie Kennemerland wat precies die rol en die
    verantwoordelijkheden waren. Je kunt zeggen dat dit niet goed was,
    maar die situatie heeft zich wel voorgedaan.
    Noot
    Tipgeld speelt in de praktijk van de FIOD slechts een zeer beperkte
    rol. In 1994 is f.35.000 uitbetaald, op een

    totaalbudget van f.50.000. Zo er tipgeld wordt betaald geschiedt
    dit altijd na tussenkomst van de directeur Algemene fiscale zaken.
    Tipgeld wordt dan verstrekt op basis van een no cure no
    pay-regeling. Het maximale te verstrekken bedrag is echter vaak te
    weinig voor de informant: tipgevers vragen dikwijls tien procent en
    daar begint de FIOD niet aan. Noot Als tipgeld te
    beschouwen zou zijn het delgen van de belastingschuld van een
    belastingplichtige in ruil voor informatie. De belastingdienst wil
    hier niet aan beginnen: de overweging is dat iedereen in alle
    gevallen verplicht is belasting te betalen en de betrouwbaarheid
    van de informatie zou door deze benadering geenszins gegarandeerd
    zijn. Hier wordt aan toegevoegd dat er toch te veel aangeboden
    zaken zijn om te kunnen verwerken, al wordt erkend dat het
    vervelend is een mogelijke tip te laten lopen. Alle sprekers
    stellen dat de FIOD niet aan infiltratie doet. De infiltraties door
    Amerikanen in het internationale goederenverkeer blinken uit door
    knulligheid: om goed te infiltreren is zeer veel kennis nodig,
    omdat het anders dadelijk opvalt. In het CoPa-onderzoek zijn
    bijzondere methoden gebruikt: de politie zette een eigen vrachtauto
    met chauffeur in en huurde een loods.

    De FIOD verleent facilitaire diensten aan RCID-en ten bate van
    gecontroleerde afleveringen. De dienst kent tenslotte de
    douaneprocedures en heeft inzage in gegevens over al dan niet
    verdachte containers. De RCID-verzoeken tot medewerking lopen via
    vaste contactambtenaren van beide diensten. Het uiteindelijk
    resultaat is veelal dat de douane wordt verzocht de bewuste
    container zonder nadere controle door te laten gaan of dat een
    container voordat deze wordt afgehaald gecontroleerd wordt op
    verdovende middelen. Wanneer de container het douaneterrein verlaat
    en onder observatie wordt geplaatst, wordt daarmee de
    douane-bemoeienis beindigd. Deze procedure wordt reeds een aantal
    jaren door de FIOD gevolgd en is sinds januari 1994 in convenanten
    met RCID-en vastgelegd. Deze verzoeken om containers zonder te
    controleren door te laten, werden op een gegeven moment zo
    veelvuldig gesteld dat de douane ging checken bij het
    ministerie.

    De heer Rabbae:
    Ik heb begrepen dat op 10 januari 1995 een gesprek
    plaatsvond op het ministerie van Financin waarbij u ook aanwezig
    was.
    De heer Van Blijswijk:
    Dat klopt.
    De heer Rabbae:
    Dus eerder dan in maart 1995 moet u een signaal hebben
    gehoord.
    De heer Van Blijswijk:
    Op een gegeven moment eind 1994 is er inderdaad een signaal
    gekomen. Als wordt gewerkt met zaken als gecontroleerde
    afleveringen is een aantal mensen daarvan natuurlijk op de hoogte.
    Op enig moment is in het licht van wat men had ervaren de vraag
    gekomen van de kant van de douane in Amsterdam: is datgene waaraan
    wordt meegewerkt bij gecontroleerde afleveringen van de politie
    iets waar de leiding van FIOD en douane van op de hoogte zijn en
    loopt dat goed? Daarnaast was de vraag aan de orde: in hoeverre
    zijn daarbij veiligheidsrisico’s betrokken voor douanemensen en
    medewerkers van bedrijven die werken op haventerreinen? Dat was de
    aanleiding.
    (…) De heer Van Blijswijk:
    Gecontroleerde afleveringen kwamen met enige regelmaat voor
    en de vraag was: realiseert de leiding, in dit geval die van de
    douane, zich dat dit soort dingen gebeuren? Verder werd de vraag
    gesteld of aan het meewerken met de douane aan deze afleveringen
    geen grotere risico’s verbonden waren voor het personeel dan aan
    het normale, reguliere werk. Die signalen waren aanleiding voor een
    contact. Dat contact heeft ertoe geleid dat de directeur van de
    douane en ik hebben gezegd: wij moeten dat gewoon eens bespreken en
    de zaken helder op een rij krijgen. Vervolgens hebben wij een
    afspraak gemaakt. Bij het gesprek op het ministerie van Financin
    zijn mensen van de douane Amsterdam, onder wie de directeur Douane,
    en van de FIOD aanwezig geweest. Ik was daarbij ook
    aanwezig.
    De heer Rabbae:
    Wat is daaruit geresulteerd?
    De heer Van Blijswijk:
    Uit dat gesprek is naar voren gekomen dat de aanwezigen geen
    enkele aanwijzing hadden dat er iets anders gebeurde dan

    gecontroleerde aflevering. Wij hebben verder geconstateerd in
    dat gesprek dat de methode, die wij al jaren kenden, correct was en
    dat wij medewerking zouden blijven verlenen als onder
    verantwoordelijkheid en op verzoek van het OM onze bijstand werd
    gevraagd.
    Noot

    In douanekringen wordt gesteld dat vr 1992 geen ongecontroleerde
    gecontroleerde afleveringen in de haven van Rotterdam hebben
    plaatsgevonden. Alle gecontroleerde afleveringen zijn toentertijd
    in beslag genomen. Vooral de regio Dordrecht was zeer actief in dit
    opzicht. De afgelopen twee jaren springen Kennemerland en Gooi
    & Vechtstreek eruit als regio’s waar (on)gecontroleerd
    containers heengaan. Aangegeven wordt dat het omslagpunt ongeveer
    eind 1991 lag. Omstreeks die tijd zou de filosofie bij politie en
    justitie zijn ontstaan dat niet van delict naar dader gewerkt moest
    worden, maar van dader naar delict. Toen werd de douane
    geconfronteerd met het fenomeen dat zendingen moesten worden
    doorgelaten in het belang van het onderzoek. Noot

    De voorzitter:
    Hoeveel is er in het afgelopen jaar geveegd omdat de FIOD
    niet genoeg opsporingscapaciteit had?
    De heer Huisman:
    Ik schat dat dat ongeveer 80 ton is.
    De voorzitter:
    Hoe weet u dat?
    De heer Huisman:
    Omdat er teruggekoppeld wordt. Bij vegen wordt de douane
    betrokken, omdat die beschikt over meer transportmiddelen en
    middelen om goederen uit containers te halen dan de FIOD.

    Noot
    De heer Huisman:
    Dit jaar is het tot nu toe 80 ton, dus verleden jaar zal het
    60, 70 ton geweest zijn.
    De voorzitter:
    En de rest?
    De heer Huisman:
    Daar wordt opsporingscapaciteit ingestopt; er volgt dus een
    onderzoek en in het algemeen wordt er naar ons teruggekoppeld wat
    er in beslag is genomen en welke aanhoudingen er zijn
    verricht.
    De voorzitter:
    Tot die rest behoort ook wat er doorgelaten is?
    De heer Huisman:
    Dat is inderdaad een derde mogelijkheid. Wij hebben
    geselecteerd en wij zetten een partij uit, maar dan komt er een
    bericht van de FIOD dat die zending ongecontroleerd door moet gaan,
    dus via de normale procedures. Dat is ook in een aantal gevallen
    gebeurd.
    De heer Rabbae:
    Wat is de normale procedure?
    De heer Huisman:
    Als een zending door moet gaan, moet er normaal aangifte bij
    de douane worden gedaan.
    De heer Rabbae:
    Door wie?
    De heer Huisman:
    Meestal door een agent, een expediteur of een cargadoor.
    Zodra er aangifte gedaan wordt, bestaat er altijd nog het risico
    dat een douanier op een post de aangifte wil controleren. Bij
    doorlevering werd er ook voor gezorgd dat er geen controle
    plaatsvond.
    De heer Rabbae:
    En wie gaf de opdracht om niet te controleren?
    De heer Huisman:
    Die opdracht kwam van de FIOD. Wij stelden dan uiteraard wel
    de vraag of er contact over was geweest met een officier van
    justitie. Dat is in alle gevallen bevestigd en vanaf begin 1994
    hebben wij van de teamleider van de FIOD ook steeds een getekende
    verklaring gekregen met de naam van de betreffende officier.

    Noot

    Het OT van de FIOD heeft te maken gehad met gecontroleerde
    afleveringen. Er wordt geschat door het OT dat zij sedert 1 juni
    1994 ongeveer acht keer betrokken waren bij een gecontroleerde
    aflevering. Zij hebben naar hun zeggen nogal eens voor niets bij de
    grens staan wachten om een aangekondigde gecontroleerde aflevering
    van de Duitsers over te nemen. Een belangrijk deel van de
    grensoverschrijdende gecontroleerde afleveringen is bekend en wordt
    geschat op circa 40 in heel Nederland in de laatste
    twee-en-een-half jaar. Soms wordt in dat verband een verklaring
    vooraf verkregen van de officier van justitie, soms – als de douane
    goederen heeft aangetroffen – is er de verklaring dat er niet
    geveegd hoeft te worden. Het gaat voornamelijk om soft drugs.

    FIOD-ambtenaren worden benaderd om onder omstandigheden
    expertise te leveren voor het opzetten van een frontstore. Verder
    is aangegeven dat de FIOD meewerkt om frontstores fiscaal rond te
    krijgen.

    7.2.6 Informatie-uitwisseling

    Voor het ogenblik lijkt het erop dat de strafrechtelijke
    informatie in dossiers wordt opgeslagen en dat verder vertrouwd
    wordt op het geheugen. Het DIC heeft materiaal van de
    Douanerecherche wel in de computer. De Douanerecherche houdt
    volgens een spreker een register malafide ondernemingen bij in het
    kader van de BTW-fraude, anderen ontkennen dat.

    Informatieverstrekking van toezichthouders (belastingambtenaren
    en douane) aan de FIOD is formeel niet problematisch. Opmerkelijk
    is dat de douane op Schiphol geen contact zoekt met de
    Douanerecherche, maar rechtstreeks op de Kmar en de politie is
    gericht. De belastingcontroleur die functioneert in het Amsterdamse
    team voor de Noord-Zuidlijn heeft geen ontheffing van zijn
    geheimhoudingsplicht. Officieel kunnen er dan ook geen
    belastinggegevens over bijvoorbeeld aannemers verstrekt worden aan
    het team. Het is niet duidelijk of dit weleens gebeurt. Op het
    moment heeft de Directie rechtspersonen en criminaliteit van het
    ministerie van Justitie toegezegd gegevens te verlenen over
    rechtspersonen aan het Amsterdamse team. Hierbij zijn
    belastinggegevens eveneens betrokken.

    Een respondent die werkzaam is binnen een kernteam als
    FIOD-ambtenaar geeft aan dat merkwaardig genoeg uit bronnen van
    Financin absoluut geen gegevens worden verstrekt aan de
    FIOD-medewerkers in de kernteams als er geen fiscaal belang is.
    Maar dit wordt genuanceerd door het feit dat de naleving hiervan
    sterk afhangt van de aard van de relatie tussen diensten. Wanneer
    de band verandert van een zakelijke naar een collegiale en soms
    zelfs vriendschappelijke, is er eigenlijk geen toezicht meer op de
    informatie die wordt ingewonnen. Op een gegeven moment heeft
    niemand eigenlijk meer zicht op het feit of bij de
    informatievoorziening wordt gehandeld volgens de richtlijnen.

    De FIOD kan belastinggegevens onder omstandigheden doorgeven aan
    de politie. Het DIC informeert de politie in de regel via de FIOD
    maar heeft ook rechtstreekse contacten. Zo werd de CRI, met name
    het Maritieme informatiepunt, benaderd door het DIC over een
    producent in vruchtesappen, die voor de politie zou werken. Ook
    levert de FIOD soms gegevens van de belastingdienst desgevraagd aan
    de Binnenlandse veiligheidsdienst.

    Omgekeerd informeert de FIOD de CRI en de NCID over de voortgang
    van bepaalde zaken. Dit contact wordt vergemakkelijkt door een
    liaison- officer die is gedetacheerd door de FIOD bij de CRI. De
    FIOD levert ook wel opsporingsgegevens terug aan de
    belastingdienst. Wanneer uit een huiszoeking interessante
    informatie voor de belastingdienst komt, wordt wel om toestemming
    van officier van justitie of rechter-commissaris gevraagd om deze
    te mogen doorspelen. Anderen maken evenwel van ieder die
    aangehouden gaat worden een fiscaal rapportje op.

    De FIOD heeft regelmatig (informeel) contact met banken of met
    het Bureau kredietregistratie (BKR). Informatie werd door financile
    instellingen vrij gemakkelijk verstrekt; een redelijk argument was
    vaak voldoende. Sinds begin 1995 zijn de banken erg terughoudend
    geworden met het informeel verstrekken van informatie. Vooral wordt
    geklaagd over de manier waarop de FIOD omgaat met informeel
    verstrekte vertrouwelijke informatie. Dit
    zou veelvuldig terugkomen in officile stukken.

    De heer Bakker:
    In alle gevallen dat wij die gegevens van een bank krijgen,
    is sprake van toepassing van artikel 81 (AWR) of 105 (Sv). Het is
    wel gebeurd dat er, voordat we met een dergelijk verzoek kwamen,
    overleg was met de bank, in de trant van: wij komen met een
    dergelijk verzoek, verzamel vast de gegevens, want dat zijn vaak
    langdurige kwesties die uit de archieven, op de floppy’s of op de
    sheets te voorschijn moeten worden gehaald.

    Noot

    Er wordt informatie verkregen van ex-politiemensen die bij de
    beveiligingsdiensten van banken werken.

    7.2.7 Internationale samenwerking

    Het werk van de FIOD is niet alleen voor de Douanerecherche,
    maar ook voor de Fiscale recherche de laatste jaren vooral
    veranderd door de internationale dimensie. In het CoPa-onderzoek
    (kernteamonderzoek) werd met achttien landen samengewerkt; allemaal
    via formele rechtshulpverzoeken. Bijvoorbeeld de contacten met Togo
    waren zeer vruchtbaar, maar de VS namen weinig tijd voor het
    Nederlandse verzoek. Het komt voor dat buitenlandse
    politiefunctionarissen bij elkaar komen om het optreden op elkaar
    af te stemmen, maar dat gebeurt pas na de officile rogatoire
    commissies. Doorgaans geschiedt de cordinatie echter telefonisch.
    Om de weg in een vreemd land te vinden wordt gebruik gemaakt van
    een Nederlandse liaison-officer of van zusterdiensten (bijvoorbeeld
    de US Customs). Een wijd gedragen kritiekpunt is dat de afhandeling
    van rechtshulpverzoeken te langzaam gaat. Om een rechtshulpverzoek
    sneller te laten verlopen wordt het wel eens persoonlijk naar het
    buitenland gebracht om een verzoek tot huiszoeking of telefoontap
    ter plekke toe te lichten.

    Het DIC heeft liaison-officers in Bonn en in Parijs en in de
    nabije toekomst zal er een in London komen. Het DIC hoopt dat de
    wettelijke ruimte wordt geschapen er ook een in het Caribisch
    gebied te plaatsen. Verder is er een fiscale attach in onder andere
    Washington, voornamelijk met het oog op het IMF. Er zijn in
    Nederland naast de DEA en de FBI ook US douaneambtenaren ten
    behoeve van de fraudebestrijding. Bijstandsverzoeken worden door de
    Douanerecherche rechtstreeks gezonden aan het cordinatiecentrum van
    de Rijkswacht in Brussel.

    7.2.8 Corruptie

    Onder douaniers komt corruptie voor. Het tweede nationale
    Douanerecherche-team doet onder andere hier onderzoek naar.
    Dergelijke corruptie is onder meer gebleken bij oliefraudes in
    Rotterdam. Soms wordt er in dergelijke gevallen samengewerkt met de
    Rijksrecherche, als het bijvoorbeeld niet alleen gaat om omkoping
    maar ook om inbraak door een douane-ambtenaar. Er bestaan in dit
    verband richtlijnen voor de samenwerking tussen FIOD en
    Rijksrecherche. Vermoed wordt dat soms wordt gezegd dat de douane
    plat is, als excuus om de eigen informatie af te schermen. Eenmalig
    is aangegeven dat uit proactief onderzoek platte FIOD-ambtenaren
    die hand- en spandiensten verrichten voor verdachten, naar voren
    waren gekomen.

    7.2.9 Contra-observatie

    Soms heeft het OT van de FIOD last van contra-observatie.
    Daarbij valt onder omstandigheden niet op te maken of de verdachten
    zich beschermen tegen andere criminelen of tegen de politie. Er is
    in Amsterdam een man die stelselmatig kentekens noteert van
    observatieteams en deze verkoopt aan de onderwereld. De leden van
    het OT zijn wel eens thuisgebracht door een contra-observant.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken