• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Verhoren – mr. J.A. Blok

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 80

    2 november 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 2 november 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. J.A. Blok
    Aanvang 17.15 uur

    lees meer

    Bijlage X – 3.3. De tuchtrechtspraak

    3.3. De tuchtrechtspraak

    3.3.1. Twee vormen van tuchtrecht

    Het notariaat kent twee vormen van tuchtrecht: het wettelijke
    tuchtrecht en het verenigingstuchtrecht. Het verenigingstuchtrecht
    is in het kader van deze bespreking niet van belang. Via deze
    procedure worden de relatief mineure klachten over de
    beroepsuitoefening van de notaris behandeld. Het betreffen klachten
    over bijvoorbeeld het gebrek aan snelheid in het notarile optreden
    of over de hoogte van de declaratie. De uitspraken van het
    scheidsgerecht (eerste aanleg) en het college van beroep zijn
    bindend. Zo kan de uitspraak luiden dat de notaris zijn declaratie
    moet verlagen.

    lees meer

    Bijlage X – 6.1. Inleiding

    6. SCHADE, OPBRENGSTEN EN BESTEDINGEN

    6.1. Inleiding

    Het laatste hoofdstuk van deel 1 staat in het teken van het door
    de criminele groepen gegenereerde wederrechtelijk verkregen
    voordeel en de wijze waarop dit besteed wordt. Deze vragen behoren
    tot de moeilijkste uit het onderhavige onderzoek, aangezien in een
    niet gering aantal fraudegevallen een duidelijk inzicht in de winst
    en vermogenspositie van de betrokkenen ontbrak. Dit gebrek aan
    kennis kan niet los worden gezien van het feit dat het concept van
    financieel rechercheren – dat kort gezegd inhoudt dat behalve de
    goederenstromen ook de geldstromen in beeld gebracht worden – pas
    recentelijk ingang heeft gevonden bij de opsporingsinstanties en
    het OM. Ook de wetgeving ter verruiming van de mogelijkheden tot
    toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk
    verkregen voordeel en andere vermogenssancties – die populair ook
    wel wordt aangeduid als Plukze-wetgeving – vigeert pas sinds 1
    maart 1993. Het nieuwe instrumentarium om criminele winsten af te
    romen en de opsporing en vervolging van strafbare feiten gepaard te
    laten gaan met een meer buitgerichte aanpak, is derhalve nog
    slechts in beperkte mate beproefd.

    lees meer

    Bijlage X – 3.2. Parasitaire fraudevormen

    3.2. Parasitaire fraudevormen

    Zoals in paragraaf 1.1 is vermeld, is de essentie van fraude dat
    er misbruik wordt gemaakt van het vertrouwen van de reguliere
    marktpartijen. De komende paragrafen geven enig inzicht in de
    verschillende gedaanten waarop bedoelde misleiding gestalte kan
    krijgen. De eerste verschijningsvorm van parasitaire fraude die we
    in deze paragraaf zullen behandelen, betreft het opkopen en
    leegplunderen van slecht lopende bedrijven. Zoals het voorbeeld
    laat zien, beperken fraudeurs zich daarbij meestal niet tot deze
    hoofdactiviteit, maar wordt een scala van nevenactiviteiten
    ontplooid waarmee verscheidene partijen worden benadeeld. CASUS
    1

    lees meer

    Bijlage XI – 8. BIBLIOGRAFIE

    8. BIBLIOGRAFIE

    Aalberts, M.M.J. en Dijkhof, N., Illegale vreemdelingen,
    vreemdelingenbewaring en uitzetting, in Justitile
    Verkenningen
    , jaargang 8, 1992, p. 8-29.
    Altink, S., Dossier vrouwenhandel; De feiten, de verhalen, de
    ervaringen
    , Sua, Amsterdam, 1993. Amerongen, A. van, Boris en
    de mafia, in De Groene Amsterdammer, 3 mei 1995. Amersfoort,
    J.M.M. van, De Antillianen, in H. Verwey-Jonker (red.), Allochtonen
    in Nederland, Ministerie van Cultuur, Recreatie en
    Maatschappelijk Werk, ‘s-Gravenhage, 1971.

    lees meer

    Bijlage I – 3.1 De begroting

    HOOFDSTUK 3 ORGANISATIE EN FINANCIN

    3.1 De begroting

    In het voorstel van het Presidium aan de Kamer werden de kosten
    van de enqute voor het jaar 1995 op f.3,27 mln + PM geraamd
    Noot , conform de opgave van de enqutecommissie. De
    raming werd verwerkt in de suppletoire begroting 1995 samenhangend
    met de Voorjaarsnota 1995. De PM-post werd bij de suppletoire
    begroting samenhangend met de Najaarsnota nader ingevuld en bedroeg
    f.0,4 mln. Toen begin november bleek dat de enqutecommissie niet in
    staat zou zijn binnen de haar toegestane termijn verslag uit te
    brengen, werd een aanvullende raming ingediend. Deze aanvulling
    wordt in de suppletoire begroting samenhangend met de Voorjaarsnota
    1996 opgenomen.

    lees meer

    Inhoud Bijlage IV

    Bijlage IV – Verhoren 60-93

    60. mr. T. de Waard
    61. de heer K. Kuijper
    62. drs. E.E. Nordholt
    63. mevrouw mr. E.M.A. Schmitz
    64. mr. Th.U. Hiddema
    65. de heer H. Wierenga
    66. mr. E.F.G.M. Gelderman
    67. mevrouw mr. J.M.E. in ‘t Velt-Meijer
    68. mr. J.H.M. Willems
    69. de heer J.L. Brand
    70. mr. H.P. Wooldrik en mr. A.
    Zwanenburg

    71. de heer F. van der Putten
    72. mr. J.M. Valente
    73. mr. J. Koers
    74. mr. J. Wortel
    75. mr. R.W.M. Craemer
    76. de heer K. Langendoen
    77. de heer J. van Vondel
    78. mr. L.A.J.M. de Wit
    79. mr. C.V. van der Voort
    80. mr. J.A. Blok
    81. mr. E.M. d’Hondt
    82. mr. J.J.H. Suyver
    83. mr. A.W.H. Docters van Leeuwen
    84. mr. A.H. Korthals
    85. mr. A. Patijn
    86. mr. drs. G.J. Wolffensperger
    87. drs. E. van Thijn
    88. mr. drs. L.C. Brinkman
    89. mr. P.R. Stoffelen
    90. mr. dr. V.A.M. van der Burg
    91. prof. mr. E.M.H. Hirsch Ballin
    92. mevrouw mr. W. Sorgdrager
    93. de heer H.F. Dijkstal

    lees meer

    Bijlage V – Leander

    Leander

    EHRM 26 maart 1987, NJCM-bulletin 13-2 (1988) p. 148-166
    (Artt. (6,) 8, 10 en 13 EVRM + 13 Besluit Veiligheidsonderzoeken
    Zweden (uitvoeringsinstructie: een geheim KB))

    De klacht van Leander kwam er in hoofdzaak op neer dat hem, naar
    Zweeds recht onvoldoende mogelijkheden werden geboden zich teweer
    te stellen tegen de te zijnen aanzien uitgesproken verdenking een
    verhoogd veiligheidsrisico te zijn. Leander wenste in aanmerking te
    komen voor een (tijdelijke) aanstelling in openbare dienst bij het
    marine-museum. Het betrof een vertrouwensfunctie omdat uit de
    hoofde van die functie ook (mogelijk beperkt) toegang zou zijn tot
    een aantal magazijnen en historische objecten op de naastgelegen
    marinebasis. Het veiligheidsonderzoek omvatte onder meer onderzoek
    van gegevens uit een geheim politieregister van de Nationale
    politie raad. Het opnemen van gegevens over Leander geschiedde
    hoofdzakelijk op grond van een geheim KB uit 1973, een
    instructiebesluit ter uitvoering van het Besluit
    Veiligheidsonderzoeken 1969. Voor registratie van gegevens en
    verstrekking daarvan zouden in genoemd KB allerlei garanties zijn
    ingebouwd ter verzekering van de juistheid. Leander vermoedde dat
    zijn verleden (dat is zijn vroegere lidmaatschap van de Zweedse
    communistische partij, het deel uitmaken van een links-liberaal
    tijdschrift, het tijdens zijn diensttijd actief zijn in de
    soldatenvakbond en de Zweedse bond voor bouwarbeiders en het maken
    van enkele reizen naar Oostbloklanden) de negatieve uitkomst van
    het veiligheidsonderzoek had bepaald.

    lees meer

    Bijlage V – 5.3 Juridische grondslag

    5.3 Juridische grondslag

    Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet
    in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. Hoewel art. 1
    Sv bepaalt dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij
    de wet voorzien, heeft deze bepaling tot nu toe in de rechtspraak
    niet in de weg gestaan aan de toepassing van infiltratie. In de
    jurisprudentie is sedert het Tallonarrest (HR 4 december 1979, NJ
    1980, 356 m.nt ThWvV) infiltratie als opsporingsmethode erkend.
    Reeds in dit arrest kwam de mogelijkheid aan de orde dat de
    infiltrant strafbare feiten (mede)pleegt.

    lees meer

    Bijlage V – 9.4 Gecontroleerde aflevering

    9.4 Gecontroleerde aflevering

    9.4.1 Casus

    (Mede-)plegen van strafbare feiten

    lees meer

    Bijlage VI – 4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    4.3.1 Zaken

    Omdat de regionale, centrale recherche-eenheden in grootte
    variren, verschilt ook het aantal onderzoeken dat de centrale,
    tactische recherche-afdelingen per jaar tot een einde brengen. Het
    gaat om tussen de n en zeven zaken. Meer dan de helft van het
    aantal onderzoeken dat de regionale rechercheteams doen, heeft
    betrekking op drugs. Daarnaast treffen we in volgorde van afnemende
    hoeveelheid respectievelijk onderzoeken aan naar fraude en
    witwassen, hooggeorganiseerde overvallen en afpersingen,
    georganiseerde autodiefstallen, levensdelicten, vrouwenhandel en
    milieuzaken.

    lees meer

    Bijlage VI – 8.5 Informatievergaring, -opslag en -verstrekking

    8.5 Informatievergaring, -opslag en -verstrekking

    8.5.1 Wettelijk kader

    Artikel 13, eerste lid, WIV schrijft voor dat de diensten
    elkaar, mede door het verschaffen van gegevens, zoveel mogelijk
    medewerking verlenen. De mogelijkheid tot informatieuitwisseling
    tussen de Binnenlandse veiligheidsdienst en de Militaire
    Inlichtingendienst is daarmee onbegrensd. In artikel 14 WIV is de
    zorg voor geheimhouding van gegevens en bronnen alsmede voor de
    veiligheid van personen met wier medewerking gegevens worden
    verzameld, opgedragen aan de cordinator van de inlichtingen- en
    veiligheidsdiensten en de hoofden van deze diensten. De bepaling
    biedt daarmee onder meer bescherming aan informanten en
    agenten.

    lees meer

    Bijlage VII – V.2. De horeca

    V.2. De horeca

    De horeca in Nederland is over het algemeen een goed lopende,
    bloeiende sector waarin veel geld omgaat. Mede vanwege de lage
    toetredingseisen komen er nog steeds veel caf’s, restaurants en
    snackbars bij en hun gezamelijke omzet stijgt. In totaal zijn er
    bijna 40.000 horecagelegenheden in ons land. Het is een financieel
    interessante branche waarin veel wordt verdiend. De gemakkelijke
    toetredingsvoorwaarden trekken veel onervaren en laag opgeleide
    ondernemers aan die niet altijd opgewassen zijn tegen de realiteit
    van het horecabedrijf. Vooral voor de kleinere bedrijven in de
    grote steden wordt de spoeling steeds dunner en is de concurrentie
    zwaar. Ruim een kwart van de cafetariahouders heeft directe
    concurrentie van vijf of meer andere snackbar-uitbaters, nog eens
    60 procent ondervindt broodstrijd van n tot vijf
    collega-ondernemers (Lenting en partners, 1991). De
    modegevoeligheid van het uitgaanspubliek vergt ondernemersinzicht n
    kapitaal voor nieuwe investeringen. Door een stijging van de kosten
    balanceert een aantal kleine horecabedrijven op de grens van het
    faillissement. De toenemende plaatsingsbeperking van speelautomaten
    kan voor velen de zaak naar de verkeerde kant doen overhellen.
    Minder vermogende horeca-uitbaters vinden hun financiering zelden
    bij de reguliere geldinstellingen en zijn aangewezen op leningen
    van brouwerijen en – in toenemende mate – van
    speelautomatenexploitanten. Zo worden velen van hen afhankelijk van
    geldschieters die hun financile belangen in deze sector hebben
    geconcentreerd. Vooral de zwakke broeders onder de
    horeca-exploitanten hebben hierin weinig keus.

    lees meer

    Bijlage VIII – 1. ALGEMENE INLEIDING

    1. ALGEMENE INLEIDING

    De Parlementaire Enqutecommissie Opsporingsmethoden moet onder
    meer antwoord geven op de vraag: wat is de aard en omvang van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland? Het zal duidelijk zijn
    dat deze eenvoudige vraag – wil men recht doen aan de werkelijkheid
    die erin besloten ligt – slechts op een complexe manier kan worden
    beantwoord. Een van de manieren waarop in dit onderzoeksproject
    naar een antwoord is gezocht, is door na te gaan welke groepen zich
    op welke manieren met welke vormen van georganiseerde criminaliteit
    bezighouden. Een deel van de resulaten van dit onderzoek is
    neergelegd in het rapport over de rol van buitenlandse en
    allochtone groepen in de georganiseerde criminaliteit in Nederland.
    Het andere deel is vervat in dit rapport over de rol van autochtone
    groepen. In het eerstgenoemde rapport wordt reeds in de inleiding
    geschetst hoe in het algemeen wordt gedacht over de rol van
    buitenlandse en allochtone groepen in de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland, en wordt vervolgens per hoofdstuk (per
    groep) dit beeld verfijnd. Het ligt voor de hand om in dit rapport
    een wat andere werkwijze te volgen. Eerst wordt, in hoofdstuk 2,
    het bestaande beeld van de geschiedenis van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland behandeld. In de daaropvolgende
    hoofdstukken worden dan de resultaten van het eigen onderzoek naar
    de tegenwoordige toestand van de georganiseerde criminaliteit
    weergegeven.

    lees meer

    Bijlage VIII – III.8. Conclusie

    III.8. Conclusie

    De oude Balkanroute die in de handel Europa met Azi verbond,
    heeft er een functie bijgekregen: de smokkel van herone via de
    Turkse infrastructuur in Turkije zelf en in West-Europa. Over de
    Turkse onderwereld die deze smokkel organiseert, is via berichten
    in de media zeer veel bekend en het Turkse publiek kent de grote
    families even goed als de Amerikanen hun mafia-prominenten. Deze
    houden zich bezig met afpersing, smokkel van goederen waarover
    belasting behoort te worden betaald, goudhandel en zeker ook
    racketeering in de bouwnijverheid. Vanaf het moment dat zij de
    verwerking en export van opiaten over konden nemen van de
    producenten in de Gouden Driehoek, heeft deze illegale handel de
    traditionele mafiose activiteiten voor een belangrijk deel
    verdrongen. Het is voor de politie in West-Europa ondanks deze
    openbaarheid in Turkije lang niet gemakkelijk om de werkzaamheid
    van Turkse organisaties in eigen land te herkennen. Ten eerste zijn
    de Turkse mafia’s zo verweven met de bovenwereld, dat het van
    hieruit lastig is om de criminele activiteit in volle omvang te
    doorzien. Bovendien manifesteren de grote mafia-families zich nu
    lang niet zo duidelijk in het buitenland als ze het tien jaar
    geleden nog deden. Zij laten in toenemende mate het initiatief aan
    opkomende drugsondernemers onder de Turkse minderheden in de landen
    van emigratie. De mafia’s kunnen worden onderverdeeld in drie
    soorten en die hebben alle hun eigen invloedssector in Duitsland,
    Frankrijk, Spanje, Engeland en zeker ook Nederland. Er is een
    klassieke mafia in de zin dat het deze puur om economisch gewin is
    te doen en ook dat deze niet is voortgekomen uit een politieke
    beweging. Dat laat onverlet dat de klassieke mafia er wel hand- en
    spandiensten voor politieke organisaties levert. Ter rechterzijde
    zijn mafiose
    groepen te vinden die voortkomen uit de vroegere organisatie der
    Grijze Wolven (Amsterdam is voor hen een duidelijke plaats van
    concentratie) en te linkerzijde zijn de PKK, Dev Sol en andere
    kleinere groeperingen actief met de mafia verbonden (een duidelijke
    kern bevindt zich in Arnhem), maar deze zijn minder gericht op de
    handel in hard drugs.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>