260 had ook niet de overtuiging dat het verhaal van de parallellen klopte. Het probleem met het parallel-pv was dat het een juridisch misbaksel was, een parallel-verhaal. Geen feiten, wel conclusies.” Het wederzijdse onbegrip over het toegankelijk maken van CID-informatie leidde tot een impasse. Het rapport, zoals opgemaakt door twee rijksrechercheurs op 24 maart 1999, eindigde dan ook met het advies om het team van de rijksrecherche terug te trekken in afwachting van de beslissingen die genomen moesten worden over de verstrekking van de CID-informatie. Dit advies werd opgevolgd en de onderzoeksactiviteiten werden gestaakt. 13.6 Problemen met toegang tot RCID-Kennemerland. De in de vorige paragraaf beschreven problemen inzake de toegang tot relevant geachte CID- informatie in het kader van de onderbouwing van het parallel-proces-verbaal stonden niet op zichzelf. Immers, in hoofdstuk 9 is in het kader van de bespreking van de discussies die ontstonden omtrent het gebruik van de verklaringen van de bedreigde getuige NN1 vastgesteld dat door het Haarlemse parket het gebruik van deze verklaringen gekoppeld werd aan de verstrekking van de door het LRT zo vurig gewenste CID-informatie door de registerbeheerder van het korps Kennemerland. In hoofdstuk 12 is vervolgens geconstateerd dat het college van procureurs-generaal niet expliciet van een directe relatie tussen de NN-verklaringen en het verstrekken van CID-informatie uitging. Het college besliste uitsluitend dat de 00-informatie over/van de groei-informant bij het 060- onderzoek diende te worden betrokken.590 Snijders interpreteerde dit besluit niettemin als een impliciete opdracht aan Noordhoek c.s. om de verklaringen uit het NN-GVO te gebruiken. In een schrijven aan zijn hoofdofficier stelde hij dat de CID- Kennemerland niet van zins was de 00-info prijs te geven.591 Was het volgens Snijders onontbeerlijk om gebruik te maken van de bedreigde getuigenverklaring teneinde de mogelijke dubbelrol van de informant aan te tonen, het LRT-team dacht hier anders over. Het team was van mening dat het op basis van de beschikbare gegevens (exclusief de bedreigde getuigenverklaring) wel gerechtvaardigd was om te concluderen dat deze informant van de RCID Kennemerland een dubbelrol had gespeeld. 13.6.1 Een ambtelijke aanwijzing en de weigering van Visser Het verschil van inzicht over de toegang tot de informatie die zich bij de RCID van de regio Kennemerland bevond, bleef dus ook na de collegevergadering van 6 oktober 1998 voortduren. De slepende kwestie werd door een brief van de Commissie-Kalsbeek d.d. 24 februari 1999 nog urgenter. In deze brief verzocht de commissie aan de minister om geïnformeerd te worden over de uitkomsten van de post-Fort-onderzoeken. Op 13 april 1999 zond de minister aan de commissie het bericht dat het onderzoek gestaag vorderde. In de laatste zin van de brief verheelde hij evenwel niet dat er problemen waren: “daar waar spanningen optreden nemen de betrokken hoofdofficieren en korpschefs – en waar nodig het college – hun verantwoordelijkheid en treden met de betrokkenen in overleg om de voortgang van het onderzoek te bevorderen”.592 Met deze laatste zinsnede werd ongetwijfeld gedoeld op het conflict tussen het LRT/Landelijk Parket en “Haarlem” over het verkrijgen van de CID-informatie. 590 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 6 oktober 1998 (A4). 591 Ambtsbericht van J. Snijders d.d. 21 december 1998 aan H. van Brummen (D21). 592 Brief van de minister van justitie d.d. 13 april 1999 aan de voorzitter van de Tijdelijke Commissie Evaluatie Opsporingsmethoden (D25).
275 — Waarom is De J. niet gehoord? Gebrek aan tastbare verdenking of andere redenen? — Tegen hoeveel overheidsfunctionarissen bestaat er op dit moment een verdenking en wie zijn dat? — Hoeveel verdenkingen worden nu tactisch onderzocht? In hoeverre vallen daar de vermeende corruptie en de liquidatie(s) onder? Kunnen we stellen dat 060 via het onderzoekssubject de parallel-importen onderzoekt? Zijn er aanwijzingen van welke aard ook die duiden op parallel- importen na 94? — In welke zaken lopen de gerechtelijke vooronderzoeken? — Zit er nog wel staatsgeheim op het Fort-dossier en is het niet zo dat het college dit in incidentele gevallen al heeft opgeheven? — Wie heeft dat dossier precies besmet verklaard en hoe relevant is dit? — Heeft K. zijn waarborg al betaald? — Waarom is er niets voor de chauffeur in het XTC traject gedaan? 15.3 Informatieverstrekking aan het college Het college van procureurs-generaal ontving op 18 mei 1999 achtereenvolgens de hoofdofficieren van Haarlem, het landelijk parket en Amsterdam en vroeg hen met betrekking tot het gehele post- Fort/post-IRT-complex in een ambtsbericht aan het college de volgende vragen te beantwoorden: — Welke informatie is er door de officier van justitie van het eigen parket die door de TCEO is gehoord (respectievelijk Snijders, Noordhoek en Teeven) aan deze commissie gemeld? — Wat voor problemen zien de betrokken officieren en wat moet er naar het oordeel van de betrokken officier(en) gebeuren om uit de ontstane impasse te geraken? — Welk deel van de verstrekte informatie dient in de visie van de hoofdofficier door het college serieus genomen te worden? — Wat voor problemen ziet de hoofdofficier en wat moet er naar zijn oordeel gebeuren om uit de ontstane impasse te geraken? Het doel van deze exercitie was tweeledig. In de eerste plaats wilde het college kunnen anticiperen op de publicatie van het rapport van de Commissie-Kalsbeek. Men wilde voorkomen dat er een informatieachterstand van het college op de commissie en wellicht de minister zou ontstaan. In de tweede plaats wilde het college meer achtergrondinformatie over de moeizame gang van zaken in het 060-onderzoek.631 De drie hoofdofficieren voldeden weliswaar aan de verplichting om een ambtsbericht op te stellen, maar over de inhoud daarvan was het college niet in alle gevallen tevreden. Zo werd op 1 juni vastgesteld dat alleen het ambtsbericht van Holthuis voldeed aan de vragen die op 18 mei aan de hoofdofficieren waren gesteld. De ambtsberichten van Haarlem en Amsterdam gingen naar het oordeel van het college geheel of gedeeltelijk langs de gestelde vragen heen. Aan van Brummen en Vrakking werd opgedragen een nieuw ambtsbericht te concipiëren waarin de gestelde vragen wel werden beantwoord. In de richting van Haarlem stelde het college bovendien twee aanvullende vragen. De eerste vraag had betrekking op de verwijzing van Van Brummen in diens eerste ambtsbericht naar een verzoek van het college en de minister van Justitie aan Snijders om informatie te verzamelen over de IRT-periode. Het college wilde dienaangaande weten waaruit deze verzoeken bleken en of deze op schrift stonden. De tweede vraag was op welke wijze door Haarlem uitvoering 631 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 18 mei 1999 (B2).
1.5 Georganiseerde criminaliteit in Nederland
Aan de bestrijding van de zware georganiseerde criminaliteit
behoort een goed onderbouwd inzicht in de aard, ernst en omvang van
de criminaliteit ten grondslag te liggen. In navolging van de
studie van de onderzoeksgroep-Fijnaut, die in opdracht van de
parlementaire enquêtecommissie is uitgevoerd, heeft de
minister van Justitie een tweejaarlijkse rapportage over de aard
van de georganiseerde criminaliteit in Nederland en te signaleren
ontwikkelingen toegezegd. Onlangs verscheen het resultaat van de
eerste WODC-monitor van de georganiseerde criminaliteit (december
1998) gebaseerd op recent afgesloten opsporingsonderzoeken op dit
terrein. Een van de twee hoofdbevindingen luidt dat niet gesproken
kan worden van verweving tussen onder- en bovenwereld; er zijn wel
raakvlakken geconstateerd. De tweede conclusie laat zien op welke
wijze criminelen gebruik maken van netwerken
(samenwerkingsverbanden en sociale relaties) in plaats van
hiërarchische relaties zoals voorheen wel werd aangenomen.
3.8 Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD)
De Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) heeft ingevolge de Wet
op de inlichtingenen veiligheidsdiensten (WIV) tot taak het
verzamelen van gegevens omtrent organisaties en personen die
aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar
vormen voor de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid
of voor andere gewichtige belangen van de Staat (Wet op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, artikel 8, tweede lid). Naast
deze taak is aan de BVD wettelijk opgedragen het verrichten van
veiligheidsonderzoeken voor de vervulling van vertrouwensfuncties
en het bevorderen van maatregelen ter beveiliging van gegevens
waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat wordt
geboden. Deze gegevens kunnen zowel overheidsinformatie betreffen
als gegevens van het bedrijfsleven. Voor de laatste categorie geldt
dat het gegevens betreft die naar het oordeel van de
verantwoordelijke minister van vitaal belang zijn voor de
instandhouding van het maatschappelijk leven. De (zijdelingse)
betrokkenheid van de BVD met de georganiseerde criminaliteit heeft
de commissie doen besluiten aandacht te besteden aan de
werkzaamheden van de BVD. Op basis van de beslispunten van de Kamer
komt de commissie tot de volgende onderzoeksvragen:
Het volledige rapport van de enquêtecommissie
opsporingsmethoden en het Rijksrechercherapport RCID Kennemerland.
Bijna 5500 bladzijden, met een full-text zoekmogelijkheid.
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 15
13 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
woensdag 13 september 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. J.J.Th.M. Pieters
Aanvang 14.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 31
28 september 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 28 september
1995 in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
Haag
Verhoord wordt mr. O.R. Dros
Aanvang 14.30 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 47
9 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
maandag 9 oktober 1995 in de
vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt mr.
ing. J.W.P. Snijders
Aanvang 17.15 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 63
20 oktober 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
vrijdag 20 oktober 1995 in de
vergaderzaal van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mevrouw mr. E.M.A. Schmitz
Aanvang 10.00 uur
Openbaar verhoor enqutecommissie
Opsporingsmethoden
Verhoor 79
2 november 1995
Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
parlementaire
enqutecommissie opsporingsmethoden op
donderdag 2 november 1995
in de vergaderzaal van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
Verhoord wordt
mr. C.V. van der Voort
Aanvang 15.30 uur
3.2. De karakteristiek van het beroep
3.2.1. De plicht tot dienstverlening
Als openbaar ambtenaar c.q. als de functionaris wiens
tussenkomst dwingend is voorgeschreven, heeft de notaris veel
minder speelruimte dan bijvoorbeeld de advocaat of de accountant om
clinten of diensten te weigeren. Sterker nog, hij is volgens de
heersende leer in beginsel zelfs verplicht om zijn diensten te
verlenen als daarom wordt gevraagd. Op deze ministerieplicht kan
alleen uitzondering worden gemaakt als de notaris gegronde redenen
heeft om zijn dienst te weigeren. In de gedragsregels, die de KNB
onlangs heeft gepubliceerd, en in de ontwerpwet op het Notarisambt
zijn enkele gronden gespecificeerd.
1.4. Opbouw van het verslag
In dit rapport zullen achtereenvolgens de advocaat, de notaris
en de accountant worden beschreven. Hierbij zal steeds dezelfde
opzet worden gehanteerd. Begonnen wordt met het presenteren van de
kerngegevens over de beroepsuitoefening, gevolgd door een
karakterisering van het beroep. Vervolgens zal de aandacht worden
gelegd op wat er fout kan gaan. Wat zijn, anders gezegd, de
kwetsbare punten en hoe werkt het tuchtrecht als
controlemechanisme? Voorts wordt een aantal verschijningsvormen van
betrokkenheid bij criminele organisaties beschreven.
1. INLEIDING
1.1. Onderzoeksvragen en begripsbepaling
In dit deelrapport wordt aandacht besteed aan illegaal optreden
in legale bedrijfstakken en sectoren. Georganiseerde criminaliteit
wordt al te gemakkelijk vereenzelvigd met de levering van illegale
goederen of diensten (drugs!). Ook in ons onderzoek neemt de
beschrijving van de drughandel een belangrijke plaats in. Maar er
is geen enkele reden om de analyse van de georganiseerde misdaad
hiertoe te beperken. Fraude in het handelsverkeer of oplichting van
banken kan eveneens aan de elementen van onze definitie van
georganiseerde misdaad voldoen. Deze criminele activiteiten, die
worden ontplooid binnen de reguliere sectoren van de economie,
vormen, althans indien zij voldoen aan de elementen van de
definitie, een integraal onderdeel van de problematiek van de
georganiseerde misdaad.
9.3. Gegevens over het aantal MOT-meldingen
De MOT-wetgeving is mede in het leven geroepen om een eerste dam
op te werpen tegen de implementatie van het chartale geld, dat
afkomstig is van criminaliteit, in het girale circuit. Gewaakt
dient te worden voor de aantasting van de integriteit van het
financile stelsel, hetgeen door de inbreng van de grote
hoeveelheden crimineel geld kan geschieden. Wij willen ons niet
wagen aan schattingen over de omvang van het witwassen. Schattingen
die gebaseerd zijn op bijvoorbeeld de uitstroom en terugkeer van
guldensbiljetten of de opbrengsten uit misdaad, zijn op teveel
onzekerheden gebaseerd (zie ook: Van Duyne, 1993). Uit de
landelijke CRI-inventarisatie 1995 komt naar voren dat 251 van de
450 door de politie geregistreerde criminele organisaties op
enigerlei wijze witwassen. De CRI-definitie van witwassen is
overigens breed; de definitie omvat de verschillende onderdelen van
een witwasconstructie, zoals regelmatig wisselen en investeringen
in de legale economie (CRI-inventarisatie, 12).
3. VERSCHIJNINGSVORMEN VAN FRAUDE
3.1. Inleiding
Bij het exploreren van het omvangrijke en complexe fraudegebied
dient ten behoeve van de overzichtelijkheid enige ordening te
worden aangebracht. Anders dan de meeste van de tot dusverre
ondernomen pogingen om tot een vorm van categorisering te komen, is
in de onderhavige studie niet het accent gelegd op het object of de
aard van de fraude – resulterend in de bekende reeks van
belasting-, premie-, beleggings-, faillisementsfraude enz., maar is
bij de beschrijving van de aangetroffen fraudepatronen gekozen voor
een tweedeling die gebaseerd is op de impact die de fraude heeft op
de reguliere marktverhoudingen. Een onderscheid is aangebracht
tussen fraudes die in hoofdzaak parasitair van aard zijn en
fraudes waarin sprake is van een symbiose met de wettige
omgeving.
