• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_8

    196 niet  door  gewijzigd.  Het  bericht  kwam  op  het  moment  dat  het  team  de  bakens  al  had  verzet.  De beslissing  om  te  gaan  tappen  impliceerde  dat  het  actuele  doen  en  laten  van  J.  werd  onderzocht. Hiermee  werd  weliswaar  niet  het  strategische  doel  van  het  onderzoek  gewijzigd  –  het  was  namelijk nog steeds de bedoeling via het onderzoek licht te werpen op de IRT-periode – maar wel (impliciet) de tactiek.  Immers,  de  aandacht  werd  in  het  opsporingsonderzoek  niet  meer  gericht  op  de  feiten  uit  het verleden,  maar  op  de  mogelijke,  actuele  strafbare  feiten  waaraan  J.  zich  schuldig  maakte.  Het  CID- bericht   sloot   wat   dit   betreft   niet   aan   bij   de   koers   die   inmiddels   was   ingezet.   Er   is   niet   op doorgerechercheerd. De  tweede  belangrijke  externe  impuls  was  afkomstig  uit  het  parket  Haarlem.  Het  betreffen  de verklaringen  die  twee  anonieme  getuigen  wilden  afleggen  over  de  wijze  waarop  drugstransporten vanuit  Colombia  naar  Nederland  onder  de  dekking  van  de  douane  zouden  hebben  plaatsgevonden. Deze  verklaringen  werden  op  instigatie  van  Snijders  door  de  twee  getuigen  in  een  zogenaamd  NN- GVO ten overstaan van een rechter-commissaris te Haarlem afgelegd. In  de  derde  plaats  kreeg  Noordhoek  in  juli  1998  de  beschikking  over  het  zogeheten  parallel- proces-verbaal  en  het  parallel-rapport.  Beide  documenten  waren  opgesteld  door  Schouten  en  Van Stormbroek onder verantwoordelijkheid van Snijders. In deze twee rapportages werd de al tijdens het Fort-onderzoek  ontwikkelde  hypothese  uitgewerkt  dat  onder  de  dekking  van  de  omstreden  Delta- methode niet alleen omvangrijke partijen hasj, maar ook duizenden kilo’s cocaïne vanuit Zuid-Amerika door de Nederlandse douane waren geloodst. Zowel de NN-verklaringen als het parallel-proces-verbaal worden hieronder uitvoerig besproken. 9.4 De NN-verklaringen 9.4.1 De strategie van Snijders Zoals   eerder   is   vermeld,   werd   eind   1997   door   betrokkenen   vanuit   het   060-onderzoek   en   het onderzoek  “Rollaag”413  gesproken  over  de  mogelijkheid  om  twee  getuigen  te  horen.  Deze  getuigen hadden  aangegeven  bereid  te  zijn  om  anoniem  een  verklaring  af  te  leggen  over  de  zogenaamde parallel-importen,  de  betrokkenheid  daarbij  van  overheidsdienaren  en  het  dubbelspel  dat  gespeeld zou zijn door de “groei-informant”. Het is voor een goed begrip van wat komen gaat van belang eerst inzicht te geven in de strategie van CID-officier Snijders. Hij was de auctor intellectualis van het gerechtelijk vooronderzoek dat werd geopend om de beide getuigenverklaringen te kunnen afnemen. Snijders  was  op  grond  van  onder  meer  de  –  door  Schouten  gemaakte  –  analyse  van  het  IRT- materiaal  tot  het  inzicht  gekomen  dat  in  de  periode  1990-1994  vermoedelijk  niet  alleen  softdrugs gecontroleerd  waren  doorgeleverd  maar  ook  harddrugs.  Daarnaast  zou  een  tactische  analyse  van allerlei  gegevensbestanden  hebben  uitgewezen  dat  er  sprake  was  of  was  geweest  van  de  invoer  van harddrugs  middels  parallel-importen  waarbij  enige  vorm  van  samenwerking  tussen  criminelen  en  de overheid niet werd uitgesloten. Tenslotte stelde Snijders dat het onderzoek hem duidelijk had gemaakt dat  enkele  criminele  informanten  een  dubbelrol  hadden  vervuld.  Alles  wees  erop,  aldus  Snijders,  dat de  informanten,  met  medeweten  van  de  criminele  organisaties,  hadden  samengewerkt  met  de  politie en   in   het   bijzonder   met   medewerkers   van   de   criminele   inlichtingendiensten   en   de   douane.   Meer specifiek   zou   het   gaan   om   criminele   organisaties   uit   Colombia   (“Cali-kartel”)   en   leden   van   de zogenaamde Delta-groepering.414                                                 413 De  term  “Rollaag”  is  door  Snijders  c.s.  bedacht  en  staat  voor  de  activiteiten  die  zijn  verricht  in  het  kader  van  het onderzoek naar de parallel-importen en de rol van informanten daarbij. 414 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door J. Snijders d.d. winter 1997/1998 (D19).