• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_68

    132 De methode die wel min of meer systematisch werd toegepast was die van het interview. In totaal werden   er   in   de   periode   20   december   1996   –   14   februari   1997   22   interviews   afgenomen   van politiemensen – vooral hoofden van divisies georganiseerde criminaliteit of criminele inlichtingendiensten – en ervaren (zaaks- en/of CID-)officieren van justitie. Er waren er aanvankelijk 28 gepland.  Van  al  deze  interviews  –  voor  het  grootste  deel  opgebouwd  rond  de  stellingen  die  in  de plannen  van  aanpak  waren  neergezet  –  werd  een  proces-verbaal  opgemaakt;  de  verslagen  van  de interviews werden er als bijlagen aan toegevoegd.231  De  lengte  van  deze  verslagen  varieert  nogal  en ook hun inhoud. In sommige verslagen worden bij bepaalde zaken man en paard genoemd, in andere blijft het veeleer bij algemeenheden; er zijn er echter ook waarin beide voorkomen. De ene keer wordt veelvuldig  verwezen  naar  andere  personen  die  meer  zouden  afweten  van  bepaalde  verwonderlijke kwesties,   de   andere   keer   blijft   dit   soort   verwijzingen   zo   goed   als   achterwege.   Wat   de   verslagen natuurlijk  gemeen  hebben,  zijn  de  blijken  van  grote  interesse  van  de  interviewers  voor  niet-integere en/of  corruptieve  relaties  van  politiemensen,  justitiefunctionarissen,  advocaten,  medewerkers  van  de douane   en   ook   wel   leden   van   het   openbaar   bestuur.   Tientallen   (verhalen   over)   voorbeelden   van (mogelijks)  zulke  relaties  werden  tijdens  de  interviews  genoemd.  Waarbij  moet  worden  aangetekend dat  geen  enkele  keer  bewijs  werd  aangedragen  voor  grootschalige  of  indringende  corruptie  bij  de overheid   of   aan   de   kant   van   individuele   ambtenaren.   Diverse   van   de   meer   belangrijke   gevallen werden trouwens ook reeds in het kader van de werkzaamheden van de Commissie-Van Traa openlijk en  binnenkamers  genoemd  of  zijn  anderszins  –  via  de  normale  perskanalen  –  bekend  geworden. Overigens  werd  in  diverse  rapporten  wel  gewezen  op  mogelijk  belangrijke  bronnen  van  corruptie, bedenkelijke contacten met criminelen en ondoorzichtige subsidieregelingen. De verslagen van de teamvergaderingen die op gezette tijden – om de week, meestal echter om de  twee  en  soms  drie  weken  –  werden  gehouden,  verschaffen  eveneens  een  beeld  van  de  al  met  al schaarse onderzoeksactiviteiten die door het (kleine) team werden ondernomen. Hieruit blijkt dat er op een  gegeven  moment  over  werd  gedacht  om  dossiers  over  onder  meer  advocaten  samen  te  stellen. Verder werd gepoogd inzicht te krijgen in de rol van buitenlandse inlichtingendiensten op Nederlandse bodem.  Ook  wordt  af  en  toe  gemeld  dat  er  bezoeken  werden  afgelegd  bij  andere  teams  zoals  het Prisma-team in Den Haag. Geregeld werd er interesse aan de dag gelegd voor het fenomeen van de liquidaties.  En  bij  gelegenheid  werden  er  kennelijk  eveneens  meer  strategische  kwesties  besproken. Begin maart 1997 rees bijvoorbeeld de vraag of het team zich toch niet meer op de periode voor 1992 moest richten. Volgens een van de deelnemers lag “daar de oplossing”.232 Ook   het   dagjournaal   van   het   Argus   team   dat   tot   11   maart   1997   onder   deze   naam   werd bijgehouden,  werpt  enig  bijkomend  licht  op  de  onderzoeksactiviteiten.233  Wat  het  onder  meer  beter dan  de  vergaderverslagen  laat  zien,  zijn  zowel  de  moeilijkheden  die  het  team  ondervond  bij  de  start van   zijn   onderzoek   als   de   medewerking   die   het   op   andere   plaatsen   ondervond.   Zo   werd   op   12 december  1996  gemuteerd  dat  het  bezoek  van  de  leiding  van  het  LRT  en  spoor  1  aan  het  kernteam Amsterdam  “ook  voor  spoor  2  een  blokkade  (met  instemming  van  hoofdofficier  Amsterdam)”  had opgeleverd. Daarentegen werd op 20 december 1996 vastgelegd dat het interview met de leiding van de  recherchedienst  in  Gooi-  en  Vechtstreek  plezierig  verliep.  Op  27  januari  1997  bleek  echter  dat  dit gesprek   de   nodige   deining   had   veroorzaakt   en   moest   worden   stilgelegd.   Het   interview   met   een bepaalde  officier  van  justitie  had  dan  wel  weer  onbelemmerd  kunnen  plaatsvinden  en  veel  informatie gegenereerd.  Tevens  laat  dit  journaal  zien  dat  het  team  –  kennelijk  in  het  verlengde  van  de  eerder gemaakte afspraken – af en toe van de CRI inderdaad de beschikking kreeg over uiterst vertrouwelijke informatie. In aansluiting hierop kan worden vastgesteld dat Zwerwer in de loop van januari 1997 werd betrokken bij besprekingen met een informant die door de CRI zouden worden “begeleid”.                                                 231 De onderhavige processen-verbaal en verslagen zijn opgenomen in een apart bestand “Interviews “Argus team” (F7). 232 Deze verslagen bevinden zich onder meer in F11. 233 Dit journaal bevindt zich in F7.