• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_21

    209 Enkele  Colombiaanse  bedrijven,  die  als  afzenders  bij  containers  met  soft  drugs  betrokken  waren, fungeerden  later  ook  als  afzender  van  containers  waarin  cocaïne  werd  aangetroffen.  Aan  de  andere kant  bleek  dat  een  aantal  Nederlandse  bedrijven  dat  werd  gebruikt  als  ontvanger  van  de  containers met    marihuana    later    wederom    gebruikt    werd    als    ontvanger    voor    één    of    meer    containers    met verdovende middelen (meestal marihuana). 9.5.3 Het vervolg op en het gebruik van het parallel-proces-verbaal In    een    samenwerkingsverband    tussen    het    LRT    en    de    rijksrecherche    werd    medio    1998    een strafrechtelijk   onderzoek   gestart   naar   de   mogelijke   in-   en   uitvoer   van   verdovende   middelen   in Nederland  met  behulp  van  zeecontainers.  Dit  onderzoek  van  het  onderzoeksteam  96061  was  een vervolg op het hierboven beschreven parallel-proces-verbaal. Het   onderzoek   werd   ingesteld   om   te   komen   tot   een   verdere   onderbouwing   van   de   in   het genoemde proces-verbaal beschreven parallel-importen. De betrokkenheid van de rijksrecherche (met vijf  rechercheurs)  vloeide  voort  uit  het  streven  om  de  rol  van  ambtenaren  van  politie  en  douane/FIOD binnen deze trajecten nader te onderzoeken.464  Hoewel,  zoals  eerder  geschetst,  de  aandacht  van  het LRT  in  het  061-onderzoek  inmiddels  verschoven  was  naar  actuele  strafbare  handelingen  van  J.,  kan uit het feit dat toch een nader onderzoek werd ingesteld naar de parallel-importen worden afgeleid dat de deur naar het verleden door Noordhoek nog niet definitief in het slot was gegooid. Begonnen  werd  om  voor  elke  in  dat  proces-verbaal  genoemde  container  een  spreadsheet  te maken  waarop  alle  bekende  gegevens  van  deze  container,  zoals  de  verzender,  de  ontvanger,  de tussenpersoon,  de  inhoud,  de  verklaringen  over  de  container,  et  cetera  werden  verzameld.  Hierbij werd gebruik gemaakt van: — De  Fort-team  administratie,  met  uitzondering  van  het  gedeelte  dat  in  beheer  was  van  de  CID- LRT; — De administratie van voormalig FIOD-medewerker De J.; — De door de Districts Informatie Afdeling van de douane te Amsterdam (DIA) beschikbaar gestelde informatiemappen. Hierin zijn containers opgenomen die in de Amsterdamse haven binnenkwamen gedurende de jaren 1991-1995. Hierbij speelde De J. een rol. In  totaal  werden  in  de  periode  juli  1998  –  december  1998  door  het  onderzoeksteam  ongeveer  50 dossiermappen   nauwkeurig   doorgenomen   op   de   aanwezigheid   van   informatie   over   de   containers genoemd  in  het  parallel-proces-verbaal.  Na  bestudering  van  deze  gegevens  bleek  de  onderbouwing van de parallel-importen in recherchetactische zin evenwel nog te zwak. Het   onderzoeksteam   van   de   rijksrecherche   had   de   stellige   indruk   dat   er   CID-matig   meer informatie over deze containers en onderzoeken beschikbaar moest zijn. Om de her en der in het land aanwezige 00- en 01-informatie tactisch bruikbaar te maken was het team echter aangewezen op de CID-sectie van het LRT. In hoofdstuk 13 zal worden geschetst in hoeverre het LRT bereid en in staat was de betreffende CID-informatie te vergaren. 9.6 Conclusie De   gebeurtenissen   in   1998   maken   duidelijk   dat   het   strategische   doel,   inzicht   verschaffen   in   de werkelijke  gang  van  zaken  in  de  IRT-periode,  binnen  de  diverse  sporen  nog  steeds  gedeeld  werd, maar   dat   de   opvattingen   over   de   wijze   waarop   deze   doelstelling   gerealiseerd   kon   worden   steeds sterker  divergeerden.  Als  gevolg  van  het  feit  dat  de  oorspronkelijke  bronnen,  die  tot  de  start  van  het 061-onderzoek   hadden   geleid,   waren   “opgedroogd”,   werd   in   april   1998   ingezet   op   het   intensief                                                 464 Rapport van twee rijksrechercheurs van het onderzoeksteam 061 d.d. 24 maart 1999 (C8).