• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • IX – Inleiding – INLEIDING

    Gerben Bruinsma (Universiteit Twente)Frank Bovenkerk
    (Rijksuniversiteit Utrecht)

    INLEIDING

    Bij georganiseerde misdaad, ook volgens de definitie die ten
    grondslag ligt aan deze gehele serie rapporten ten behoeve van de
    Parlementaire Enqutecommissie Opsporingsmethoden, gaat het in de
    eerste plaats om de produktie en handel van illegale goederen en
    diensten, en uit dien hoofde heeft deze vorm van criminaliteit
    niets te maken met het gevestigde bonafide bedrijfsleven. Veruit de
    meeste misdaad die in deze serie wordt beschreven heeft betrekking
    op de import en handel van soft en hard drugs en met de handel in
    wapens en vrouwen.

    Systematische misdaad die haar basis heeft in de sfeer van de
    illegaliteit, kan zich echter ook manifesteren in de legale takken
    van handel en nijverheid. Dat kan op uiteenlopende wijzen gebeuren.
    Met Martens (1986) onderscheiden we twee hoofdvormen van mogelijke
    betrekkingen tussen de georganiseerde misdaad en het bedrijfsleven.
    Deze relatie kan parasitair van aard zijn wanneer de eerste
    uitsluitend profiteert en de betrokken bedrijven tot slachtoffer
    maakt. Zij kan echter symbiotisch zijn en dan profiteren
    beide partijen ervan door samen te werken. Dit alles moet worden
    afgezet tegen typen van criminaliteit waarbij het bedrijfsleven
    betrokken kan zijn: witte-boordencriminaliteit in de zin dat
    individuele (hooggeplaatste) figuren in het bedrijf zich ten eigen
    bate verrijken, en corporate crime of
    organisatiecriminaliteit wanneer leden van een gerespecteerde en
    bonafide organisatie misdrijven, individueel of groepsgewijs,
    plegen binnen het kader van de uitoefening van organisatorische
    taken (Van de Bunt, 1992, p. 6). In beide gevallen wordt de
    georganiseerde misdaad daar als aparte instantie buiten gehouden en
    deze vormen van misdaad vallen om die reden buiten ons
    onderwerp.

    De eenvoudigste vorm van parasitisme is afpersing door criminele
    groepen van het bedrijfsleven door middel van dreiging met geweld
    of door ontregeling van het produktieproces. Afpersing kan
    incidenteel voorkomen (bijvoorbeeld bij produktafpersing), maar het
    gaat hier om een systematische criminele activiteit over een
    langere periode. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer
    misdadige organisaties op vaste basis straatbelasting verlangen van
    ondernemers die opereren binnen het territorium dat zij als het
    hunne beschouwen. Nieuwgevestigde horeca-ondernemers worden in
    verschillende Nederlandse steden wel bezocht door organisaties die
    dwingend aanbieden om in dit gebied de bescherming van de openbare
    orde voor hun rekening te nemen. Dit geschiedt tegen regelmatige
    betaling en met het doel moedwillige vernieling te voorkomen.
    Andere vormen van systematische afpersing zijn fraude ten koste van
    de onderneming of systematische oplichting van
    verzekeringsmaatschappijen. Ingewikkelder zijn vormen van afpersing
    die in de Verenigde Staten racketeering worden genoemd.
    Doorgaans heeft de criminele organisatie een vitale schakel in
    handen gekregen in de sfeer van toeleverende bedrijven en eist zij
    een exuberante vergoeding voor verdere levering. Berucht zijn
    cementfabrieken zonder welke het bouwbedrijf niet verder kan werken
    of manipulatie van plaatselijke vakbonden zonder welke de
    werknemers niet op komen dagen. Door middel van racketeering brengt
    de georganiseerde misdaad niet n of enkele bedrijven onder haar
    controle, maar een gehele branche. Op deze wijze wordt de
    georganiseerde misdaad een factor van politieke en economische
    betekenis. We onderscheiden daarom verschillende gradaties van
    parasitaire verwevenheid: afpersing als incident, als systematische
    activiteit, en als strategisch middel om een hele bedrijfstak onder
    controle te brengen. Indien het bedrijfsleven en de onderwereld
    samenspannen in de vorm van een incidentele of duurzame symbiose,
    kan het initiatief uitgaan van een van beide partijen. Het
    initiatief gaat uit van het bedrijfsleven wanneer een directeur of
    directie uit de bedrijfsproblemen tracht te raken door de hulp in
    te roepen van de plaatselijke mob. Als hun legale
    kredietmogelijkheden uitgeput zijn, kunnen ze in deze sfeer tegen
    woekerrente kapitaal krijgen (loan sharking); als zij een
    concurrent uit willen schakelen kunnen zij zich tot een organisatie
    wenden die bereid is bedrijfsspionage te plegen of intimiderend op
    te treden; als ze de winst weer op peil willen brengen kunnen zij
    zich wenden tot smokkelorganisaties en hun infrastructuur ter
    beschikking stellen. Het initiatief komt van de andere kant als de
    georganiseerde misdaad automobielbedrijven vraagt wagens te
    verhuren op grond van voor haar gunstige lease-contracten; als zij
    horeca-gelegenheden uitzoekt als plaats van samenkomst of als plek
    om drugs te verkopen; als zij van bedrijven vraagt opslagruimtes
    ter beschikking te stellen om gesloten of gesmokkelde waar te
    verbergen; als zij uitzoekt welke transportbedrijven zodanig in
    financile moeilijkheden verkeren dat zij zijn over te halen te
    helpen bij de smokkel van wapens, drugs of mensen. Bedrijven in
    moeilijkheden kunnen zich geconfronteerd zien met aanbiedingen die
    je niet kunt weigeren, maar ook ondernemers die moreel zwak in hun
    schoenen staan en die hun wel renderende bedrijf
    om reden van extra winst, macht of prestige willen zien groeien,
    kunnen voor de verleiding bezwijken. Een symbiotische relatie kan
    ontaarden in de volledige controle van een bedrijfstak door de
    georganiseerde misdaad en kan een machtsfactor van betekenis
    worden. Hier zijn dezelfde drie gradaties van verwevenheid te
    onderscheiden: eenmalige samenwerking, langdurige symbiose, en het
    controleren van een hele bedrijfstak. Parasitaire en symbiotische
    relaties kunnen in elkaar overgaan. Een misdaadorganisatie die zich
    ten koste van een aantal bedrijven of een hele bedrijfstak heeft
    verrijkt, kan besluiten met die bedrijven mee te doen en later
    zelfs geheel legaal te gaan werken. Dat laatste is in de Verenigde
    Staten vele malen aangetoond (zie hieronder), maar in Nederland nog
    niet. Het omgekeerde treft men wel veelvuldig aan: de ondernemer
    gaat met de onderwereld in zee, maar merkt na enige tijd dat hij
    (via chantage of intimidatie) moet gaan dansen naar de pijpen van
    de misdadige baas. Een ondernemer vertelde ons het volgende
    verhaal:Een handelaar in mijn vaderland waar ik vanuit Nederland
    regelmatig zaken mee deed, hield op een gegeven moment op met
    betalen. De tijden waren slecht en heel wat ondernemers dreigden
    daar failliet te gaan. Zijn schuld was zo hoog opgelopen dat ik
    zelf dreigde onderuit te gaan en daarom was ik gedwongen om
    maatregelen te treffen. Had de kwestie zich in Nederland afgespeeld
    dan zou ik hem een proces aandoen, maar in mijn vaderland heeft dat
    geen enkele zin. Het kan jaren duren voordat de zaak voorkomt en
    met de grote inflatie die daar heerst, zou ik toch niets hebben
    overgehouden. Zoals veel ondernemers dat doen in mijn positie, ben
    ik toen naar hen toegegaan en ik heb ze gevraagd of zij konden
    zorgen dat ik mijn geld kreeg. Dat lukte ze, ik kreeg het meeste
    terug, maar vanaf dat moment was ik geen eigen baas meer, want zij
    wilden van toen af bepalen met wie ik zaken zou doen en welke
    transportfirma’s voor mij zouden werken.De affaire is deze
    ondernemer slecht bekomen omdat hij op beschuldiging van smokkel
    terecht is gekomen in de Nederlandse gevangenis. De symbiotische
    relatie gaat gemakkelijk over in een parasitaire wanneer de
    belangen van beide partijen op korte termijn overeenstemmen, maar
    niet op lange termijn. Een legale ondernemer tracht zijn bedrijf in
    stand te houden, winst te maken en zijn personeel in dienst te
    houden. Het doel van de criminele organisatie is zo veel mogelijk
    geld te verdienen en wordt niet gehinderd door overwegingen van
    continuteit en moraliteit. Deze overweging speelt op het niveau van
    de gehele bedrijfstak. Samenwerking met de georganiseerde misdaad
    kan een aantal bedrijven van de ondergang behoeden of bedrijven aan
    superwinsten helpen: dit veroorzaakt altijd oneerlijke concurrentie
    en verstoring van het marktmechanisme en dat maakt de
    concurrentiepositie van de branche als geheel, zowel ten opzichte
    van andere soortgelijke branches als ten opzichte van dezelfde
    branche in het buitenland, op de lange termijn zwakker. Wij gaan
    uit van het principile verschil tussen bona fide ondernemers en
    misdaadondernemers. De bona fide ondernemers beogen winstbejag
    volgens de regels die in de betreffende economische sector gelden.
    De misdaadondernemers richten bedrijven op om winst te maken door
    de regels te overtreden. De scheidslijn tussen beide typen is in de
    praktijk niet altijd makkelijk aan te geven. Enkele Amerikaanse
    onderzoekers relativeren het onderscheid dan ook (Smith, 1991).
    Niettemin kan men in theorie volhouden dat sprake is van een
    continum. Aan het ene uiterste staat de strikt legaal werkende
    ondernemer; daarna volgt de ondernemer die in beginsel legaal werkt
    maar die zich voor een deel van zijn activiteiten verlaat op de
    georganiseerde misdaad; dan volgt de ondernemer die zijn firma
    heeft opgezet met de bedoeling illegaal te werken, maar die een
    legale faade voert; en tenslotte zijn er ondernemers die geheel
    illegaal opereren. Alvorens in te gaan op de vraag of het
    Nederlandse bedrijfsleven bij de georganiseerde misdaad betrokken
    is, moeten we de vraag stellen welke belangen de georganiseerde
    misdaad hierbij kan hebben. We onderscheiden er vier. (1) De
    faciliterende functie. Legale bedrijven kunnen in technische
    zin worden gebruikt in faciliterende zin. De transportondernemer
    biedt internationale vervoersmogelijkheden, het automobielbedrijf
    heeft mogelijkheden om gestolen auto’s om te katten, enzovoort. (2)
    De legitimerende functie. Legale bedrijven bieden een faade
    voor illegale activiteiten. Het bedrijfsterrein, de
    bedrijfsgebouwen en de gehele bedrijvigheid bieden de mogelijkheid
    onopgemerkt te opereren. De administratie biedt de mogelijkheid
    transacties te legitimeren. (3) De witwasfunctie. Legale
    bedrijfsactiviteiten, de geldstromen die daardoor worden
    gegenereerd en het papierwerk dat dit oplevert, biedt de
    mogelijkheid een legale bron aan te wenden voor illegaal verkregen
    vermogen. (4) De spenderende functie. Legale bedrijven
    bieden de mogelijkheid om de revenuen van criminele activiteiten te
    spenderen. Dit geldt voor de uitbundige levensstijl die sommigen
    zich permitteren (bepaalde seksbedrijven, casino’s, garages,
    juweliers en dergelijke profiteren daarvan en ook het investeren
    bij firma’s die doen in onroerend (het aannemingsbedrijf,
    enzovoort). De gedachte dat het bedrijfsleven in Nederland
    genfiltreerd zou kunnen zijn door de georganiseerde misdaad of
    daarmee op een andere manier banden zou onderhouden, is nieuw. In
    de Verenigde Staten zijn zulke relaties feitelijk lang geleden
    vastgesteld. Zeer veel thans gerenommeerde bedrijven en ook
    aanzienlijke captains of industry zijn de erfgenamen van leiders in
    de georganiseerde misdaad. Abadinsky (1990) wijdt in zijn tekst
    over de georganiseerde misdaad een heel hoofdstuk aan de
    Amerikaanse Robber Barons die hij ziet als de voorloper van de
    moderne georganiseerde misdaad in dat land. De groei van het
    moderne industrile kapitalisme vanaf het einde van de negentiende
    eeuw, bood de georganiseerde misdaad de
    mogelijkheid geld te verdienen aan informele marktregulering.
    Hetzelfde argument wordt ook wel gebruikt om de onstuimige
    ontwikkeling van de Russische mafia te verklaren. Illustere
    grootindustrilen klommen omhoog met behulp van de mob die
    met geweld tegen concurrenten hun monopolieposities effectueerden,
    die met intimidatie van de werknemers arbeidsrust forceerden en die
    grote delen van de vakbeweging beheersten. De geschiedenis van het
    Nederlandse bedrijfsleven lijkt daar niet op. De industrie
    ontwikkelde zich langzamer en de vakbeweging is niet door de
    georganiseerde misdaad genfiltreerd. Naar verhouding hebben de
    ondernemers zich correct gedragen. Veel grondleggers van het
    Nederlandse bedrijfsleven hadden wel iets op hun kerfstok als het
    ging om de arbeidsvoorwaarden (Regout, Scholten) of de manier
    waarop zij vreemde markten penetreerden (Philips, Shell), maar zij
    wendden zich nimmer tot de onderwereld om hun belangen te
    verdedigen. De bedrijfsgeschiedenissen die Wennekes (1989, 1993)
    over de grote ondernemingen in Nederland schreef, hebben zoiets
    niet aangetoond. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft geen criminele
    traditie.

    Dit zou echter wel eens kunnen zijn veranderd. Op grond van een
    globaal inzicht dat we kunnen ontlenen aan de gelegenheidstheorie
    in de criminologie, kunnen we ten minste zeggen dat het
    bedrijfsleven van nu heel wat gecompliceerder en veel minder
    doorzichtig is dan zeg 20 jaar geleden. Dit biedt mogelijkheden.
    Verder is het Nederlandse bedrijfsleven steeds meer gentegreerd in
    de wereldeconomie en er worden zaken gedaan met landen die een
    uitgekristalliseerde georganiseerde misdaad kennen. Voorts heeft de
    overheid veel regels ontworpen, en wordt de economie gereguleerd
    door internationale regelgeving. Dit levert meer mogelijkheden op
    die regels te overtreden en het biedt criminele organisaties meer
    mogelijkheden aan welbewuste overtreding van die regels te
    verdienen. Voorts worden bedrijven gezocht voor het witwassen en
    investeren van de grote sommen geld die door de handel in illegale
    goederen en diensten worden gegenereerd. Deze lijst is alles
    behalve uitputtend, maar de kans dat het bedrijfsleven betrokken
    raakt is toegenomen. In welke branches en sectoren kunnen we de
    druk of de verlokking van de georganiseerde misdaad het eerst
    verwachten? Onze keuze is in de eerste plaats praktisch bepaald
    door alarmerende berichten in de pers of in de wetenschap. Van deze
    lijst hebben we enkele bedrijfstakken verwijderd omdat hun
    betrokkenheid in andere onderzoeksrapporten aan de orde komt. We
    hebben bedrijfstakken op het oog die weliswaar legaal zijn, maar
    die in moreel opzicht binnen het bedrijfsleven een aparte positie
    innemen, zoals prostitutie, pornografie en gokken. Deze
    activiteiten zijn in tegenstelling tot de Verenigde Staten en veel
    andere landen in Nederland in beginsel niet verboden.
    Niettegenstaande pogingen van brancheverenigingen om de slechte
    reputatie van zich af te schudden, komen we in hun midden ook leden
    van criminele organisaties tegen. In dit rapport gaat het echter om
    de vraag in hoeverre bonafide sectoren in de economie nu te maken
    hebben met de georganiseerde misdaad. Wij voeren de volgende
    argumenten aan voor onze selectie van de te onderzoeken branches.
    We kunnen aansluiten bij het rapport dat is vervaardigd voor de
    President’s Commission on Organized Crime aan het einde van de
    jaren tachtig (Edelhertz en Overcast z.j., 72). Aan een panel van
    professionele deskundigen vroegen de auteurs in welke branches zij
    infiltratie verwachtten. De grootste bleken te zijn: voeding en
    drank (horeca), de bouwnijverheid, de legale gokindustrie (Las
    Vegas, paardenrennen), de afvalindustrie, clubs en hotels
    (prostitutie), de autobranche en de kledingconfectie. Grotendeels
    zijn dit ook de branches die wij in Nederland hebben onderzocht,
    met uitzondering van de clubs en de hotels. Wij onderbouwen onze
    selectie van de branches met de volgende vijf (speculatieve)
    veronderstellingen: a. Het gaat in de meeste gevallen om branches
    waarmee leden van criminele organisaties technisch en financieel
    vertrouwd zijn. De bouwnijverheid, de automobielbranche, de horeca
    en het transportwezen liggen binnen het gezichtsveld en de
    betrokken misdadigers beschikken vaak over persoonlijke netwerken
    die binnen deze bedrijven doordringen. Ze kennen de technische
    faciliteiten die de bedrijven kunnen bieden en de mogelijkheden om
    geld wit te wassen. Kennis over deze sectoren behoort tot het
    sociaal en cultureel kapitaal van de sociale klasse waar een groot
    deel van de georganiseerde misdaad uit voorkomt. b. Het gaat om
    sectoren die een lage drempel van toetreding kennen. Er zijn weinig
    diploma’s vereist om als zelfstandig ondernemer te beginnen en het
    is niet moeilijk om iemand met de benodigde papieren als
    zaakwaarnemer of katvanger op die plaats neer te zetten. Voorts is
    het niet moeilijk om financiering te vinden voor de start van zulke
    bedrijven.

    c. Het zijn meestal branches die naast enkele grotere bedrijven
    een heleboel kleine ondernemingen kennen en die zijn steeds
    verwikkeld in harde onderlinge concurrentie. De continuteit is lang
    niet altijd verzekerd omdat zij deel uitmaken van ketens van
    economische activiteiten die zij niet kunnen beheersen. Meestal
    betreft het kleine bedrijven die kunnen rekenen op de loyaliteit
    van hun personeel. Voorts zijn het bedrijfstakken waar veel cash
    geld omgaat. Dit biedt mogelijkheden activiteiten en inkomsten niet
    in de administratie op te nemen. d. Het gaat soms om economische
    sectoren waar (nog) weinig is geregeld, waar de regels
    gecompliceerd zijn, tegenstrijdig of in de praktijk onwerkbaar.
    Slechte regelgeving is vaak een symptoom van niet-opgeloste
    economische, sociale en technische problemen. Dit geldt in hoge
    mate voor de relatief jonge afvalverwerkingsbranche waar de
    technische normen vaak te scherp zijn geformuleerd. Ook geldt het
    voor de horeca-sector in binnensteden waar het probleem van de
    openbare orde niet onder controle is. Het geldt voor
    economische sectoren die zonder het inschakelen van goedkope
    illegale arbeid niet kunnen voortbestaan. Bovenkerk (1992) heeft
    beredeneerd dat de georganiseerde misdaad vaak op korte termijn
    problemen wel oplost maar tegelijkertijd een oplossing op langere
    termijn in de weg staat omdat zij belang heeft bij het voortbestaan
    van het probleem. Sectoren die kampen met slechte regelgeving
    kunnen de neiging vertonen zich van de buitenwereld af te sluiten
    om de controle moeilijk te maken. In de woorden van Sally Falk
    Moore (1978) vormen zij een semi-autonoom sociaal veld en deze
    autrice illustreert dit met het empirische voorbeeld van de
    Newyorkse textielbranche die lange tijd door de georganiseerde
    misdaad is beheerst. e. Tenslotte is er een factor waar
    waarschijnlijk alleen criminologen op komen. Sommige branches zijn
    veelvuldig slachtoffer van vormen van kleine en grote
    criminaliteit. Dit kan normovertredend gedrag in de hand werken
    indien men de overtuiging heeft dat de overheid niet ten gunste van
    het slachtoffer optreedt (of kan optreden). Een simpel voorbeeld:
    nadat twee maal of drie maal iemands fiets is gestolen en de
    politie niet meer doet dan de aangifte opnemen, kan de gedupeerde
    er gemakkelijk toe overgaan zelf ook een fiets te stelen. De
    caf-baas die tevergeefs de politie belt als er stennis is in zijn
    zaak of zelfs zijn vergunning dreigt te verliezen als hieruit
    blijkt dat hij de orde in zijn bedrijf niet kan handhaven, komt
    licht in de verleiding potige types aan te trekken of in zee te
    gaan met een portiers-service.

    Welke takken van economische bedrijvigheid zijn door ons
    onderzocht? We beginnen met een blokje over transport. Dit zal geen
    verbazing wekken gezien de centrale rol in de handel in (te
    vervoeren) drugs in de georganiseerde misdaad. Eerst komt de rol
    van het (internationale) goederenvervoer over de weg aan de orde.
    Vervolgens komen de zeehaven van Rotterdam en de luchthaven
    Schiphol aan de beurt. Daarna volgt een reeks branches die op grond
    van genoemde overwegingen zijn uitgekozen: de autobranche, de
    horeca en de sector van gokautomaten, de bouwnijverheid, de
    afvalverwerkingsbranche, de verzekeringsbranche en de
    wildlifebranche. Aan deze lijst voegen wij nog een mogelijke vorm
    van georganiseerde misdaad toe die op zichzelf eigenlijk geen
    branche vormt, maar waarover in de afgelopen jaren wel alarm is
    geslagen: de illegale handel in nucleair materiaal.

    Ofschoon de beschikbaarheid van het materiaal uiteenliep, hebben
    we wel geprobeerd in grote lijnen dezelfde indeling na te streven.
    Eerst hebben we onderzocht welke de kenmerken zijn van de
    betreffende sectoren van handel en nijverheid en hoe de
    bedrijfsresultaten zich ontwikkelen. Dit stelt ons in staat om al
    of niet naar analogie van buitenlandse, Amerikaanse, voorbeelden –
    aan te geven waar mogelijk zwakke plekken zitten die zich lenen
    voor exploitatie door misdaadorganisaties. Bovendien besteden wij
    aandacht aan diverse vormen van organisatiecriminaliteit binnen
    zo’n branche. Niet zelden worden verschijnselen als
    organisatiecriminaliteit en georganiseerde misdaad met elkaar
    verward en onder n noemer geplaatst. Daarna gaan we – binnen de
    grenzen die ons materiaal toestaat – na in hoeverre er werkelijk
    sprake is van parasitaire of symbiotische relaties met de
    georganiseerde misdaad en zo ja: in welke mate dit het geval is. De
    brancheorganisaties zelf en al het materiaal dat zij over deze
    onderwerpen hebben verzameld (speciaal onderzoek, bijdragen in
    vaktijdschriften, statistische gegevens over de branche enzovoort)
    vormen in dit rapport naast de politiebronnen de belangrijkste
    bronnen van informatie. Per sector geven wij aan welke
    gesprekspartners zijn genterviewd. In sommige branches is naar
    verhouding over dit onderwerp veel bekend, in andere helemaal niet
    of onze gesprekspartners deden daarvan in ieder geval geen
    mededeling. In een enkel geval is het mogelijk geweest om ook met
    insiders uit de georganiseerde misdaad van gedachten te
    wisselen. Het materiaal dat ons door de politie ter hand is
    gesteld, dient ter completering van het beeld Noot .

    Aan het einde van onze rondgang door de verschillende branches,
    proberen we kort aan te geven wat deze onderzoeken naar
    georganiseerde misdaad opleveren aan kennis over de aard en de
    omvang van de georganiseerde misdaad in Nederland.


    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken