• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • IX – De branches horeca en gokautomaten – 7.1. Inleiding

    7. CRIMINALITEIT IN DE SPEELAUTOMATEN-BRANCHE

    7.1. Inleiding

    De automatenbranche heeft het imago van een besmette sector. De
    gokwereld wordt van oudsher geassocieerd met de handel in drugs en
    andere criminele activiteiten. Veel harde feiten om de slechte
    reputatie van het gokwezen te bewijzen, zijn er niet, hoewel enkele
    gerichte onderzoeken plaatselijke gegevens opleveren die er niet om
    liegen. Het Bedrijfschap Horeca trok in 1993 aan de bel; een
    vertrouwelijk onderzoek van het recherchebureau Hoffman wees op een
    vergaande vervlechting van georganiseerde misdaad met de legale
    horeca-branche, die liep via de handel en exploitatie van
    gokautomaten. De Rotterdamse hoofdcommissaris Ottevanger beweerde
    in 1992 dat twintig procent van de speelautomatenhandelaren in de
    stad gelieerd is aan organisaties die zich bezighouden met de
    handel in verdovende middelen en andere vormen van zware
    criminaliteit. Horeca Nederland kwam met een schatting in dezelfde
    orde van grootte (Fijnaut e.a. 1993). Ook Boerman noemt in zijn
    onderzoek in Rotterdam (1994) de betrokkenheid van leidende figuren
    uit het criminele circuit in de speelautomatenhandel. Het al eerder
    genoemde politieonderzoek van het Amsterdamse HIT-team toonde aan
    dat een vijftal criminele organisaties een groot deel (70 %) van de
    speelautomaten in handen heeft, en de betrokkenen zich bezig
    hielden met de handel in drugs, wapens en prostitutie (Brief van
    Van
    Riessen aan de burgemeester van Amsterdam, 1993).
    Fijnaut cum suis (1993) stellen dat we te maken hebben met forse
    problemen van georganiseerde misdaad. Zij wijzen daarbij vooral op
    de parallel tussen de directe en indirecte gokspelen; vooral
    daar waar automaten in het geding zijn; investeringen in het
    benodigde onroerende goed, het opdringen van zakenrelaties, het
    genadeloos exploiteren van andermans inspanningen, de dreiging met
    geweld en de toepassing daarvan en meer.
    Overigens wijzen
    Fijnaut en de zijnen eveneens op de dubieuze rol die de
    gemeentelijke overheid in de bestudeerde Rotterdams zaak heeft
    gespeeld: willens en wetens werden zakelijke overeenkomsten
    gesloten met een vooraanstaand lid van de onderwereld die de
    financile middelen grotendeels verkreeg uit illegale activiteiten.
    Tegen deze persoon liep tijdens de onderhandelingen zelfs een
    grootscheeps justitieel onderzoek. Ook in de pers verschijnen
    regelmatig publikaties waarin gesproken wordt over calamiteiten die
    wijzen op inmenging van de georganiseerde criminaliteit in de
    exploitatie van speelautomaten. Zo staat in een artikel van Missets
    Horeca (1993) te lezen dat er bonussen van 10.000 tot 15.000 gulden
    worden betaald aan horeca-ondernemers voor de plaatsing van
    gokkasten. Ook het aanbieden van leningen teneinde startende
    ondernemers te binden, waarna de terugbetaling geschiedt door
    middel van automaten-exploitatie om niet. Over de aard en omvang
    van alle genoemde feiten blijft het tasten in het duister, maar dat
    er iets aan de hand is, lijkt duidelijk.

    Boerman spreekt in zijn onderzoek (1994) het vermoeden uit dat,
    nadat als gevolg van politie-optreden een groot aantal illegale
    casino’s in Rotterdam hun deuren moest sluiten, de betrokken
    gokbazen zich op de automatenexploitatie hebben gestort. Deze
    leidende figuren waren daarmee plotseling voor een belangrijk deel
    van hun inkomsten en de legitimering van inkomsten uit andere
    activiteiten afhankelijk van de gokautomatenexploitatie, meent de
    onderzoeker. Daartoe sloegen zij op grote schaal aan het vergroten
    van hun afzetgebied. Boerman constateert dat bijna tien procent van
    de door hem onderzochte 106 prominente horeca-ondernemers eveneens
    betrokken is bij de exploitatie van gokautomaten; naast hun
    horecaonderneming(en) hebben zij een speelautomatenbedrijf.
    Overigens kon de onderzoeker weliswaar aantonen dat er sprake was
    van een concentratie-tendens, maar niet dat dit een zaak was van de
    georganiseerde misdaad. Boerman noemt wel een aantal indirecte
    manieren waarop automatenhandelaren betrokken kunnen zijn bij de
    horeca. Zo kunnen ze de horeca-onderneming op naam van een stroman
    runnen of de zaak verpachten onder de voorwaarde dat er automaten
    worden geplaatst. Ook door de financiering van een startende
    horeca-onderneming kan deze voorwaarde worden gesteld.

    Het Ministerie van Justitie schrijft in een concept-nota (1994)
    dat de gokautomatenbranche kampt met een criminaliteitsprobleem.
    Zij geeft toe dat het beperkende kansspelbeleid nog een andere
    reden heeft dan de bestrijding van gokverslaving alleen: het
    ministerie uit in de nota haar bezorgdheid over geruchten over
    misbruik van speelautomaten voor het
    witwassen van criminele
    vermogens en de druk die wordt uitgeoefend op horeca-exploitanten
    en bestuurders om automaten op te kunnen stellen (1994:3).

    Laten we nu onderzoeken welke aanwijzingen voor georganiseerde
    misdaad er bestaan in de speelautomatenbranche.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken