• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage XI – 3.3. Prostitutie, vrouwenhandel en (kinder-)pornografie

    3.3. Prostitutie, vrouwenhandel en
    (kinder-)pornografie

    Prostitutie, of in elk geval de grootschalige systematische
    exploitatie van prostitutie, wordt van oudsher ook beschouwd als
    een vorm van georganiseerde criminaliteit. In de jaren tachtig werd
    deze visie op de Amsterdamse kermis als het ware herontdekt door
    toedoen van al dan niet feministisch gemotiveerde actiegroepen die
    zich keerden tegen een van de meest schrille exponenten van de
    uitbuiting van prostitutie, namelijk internationale vrouwenhandel.
    De Amsterdamse politie haakte, zoals in het vorige hoofdstuk werd
    aangegeven, reeds in het begin van de jaren tachtig op deze nieuwe
    ontwikkeling in, met haar onderzoek naar de Ghanees-Nederlandse
    vrouwenhandel. Maar ook later in de jaren tachtig en in de jaren
    negentig heeft zij bij herhaling onderzoek naar uitingsvormen van
    deze handel verricht. Dankzij dit onderzoek zijn wij enigermate in
    staat te beschrijven hoe ook via vrouwenhandel de prostitutie-markt
    van Amsterdam wordt bevoorraad.

    3.3.1. Een beeld van de prostitutie in de stad

    Door de sociale jeugd- en zedenpolitie van de politie
    Amsterdam-Amstelland zijn er tot op heden in Amsterdam in totaal
    750 seksbedrijven geregistreerd.
    Op de eerste plaats gaat het hier om seksclubs. Naar schatting zijn
    er 77, waaronder 11 homoclubs en 3 sm-clubs. Daar kost een uur met
    een vrouw of een man al gauw 200 gulden. Meestal is de helft van
    dit bedrag voor de eigenaar en de rest voor de prostitu(e).

    Dan is er de veelbesproken raamprostitutie. Volgens de
    zedenpolitie zijn er momenteel 420 raambordelen in Amsterdam. Zij
    zijn voornamelijk gevestigd op de Wallen en aan de Ruysdaelkade.
    Het team decentrale controle prostitutie, dat in maart 1994 aan het
    bureau Warmoesstraat is opgericht, tracht een vertrouwensband op te
    bouwen met de prostitues op de Wallen, zodanig dat zij bereid zijn
    zich vrijwillig te laten registreren. Door dit team waren begin
    april 1995 in het Wallengebied 934 raamprostitues geregistreerd.
    Zij vertegenwoordigden 56 nationaliteiten. Deze zijn als volgt
    verdeeld:

    Tabel
    Onder deze 934 raamprostitues bevonden zich 703 vreemdelingen,
    waarvan er 513 illegaal in Nederland verbleven. Half mei 1995 was
    het totale aantal geregistreerde raamprostitues opgelopen tot
    1.005. Zij hadden de volgende nationaliteit:

    Tabel
    Het totale aantal vreemdelingen in deze groep was 757. Hiervan
    waren er 549 illegaal in Nederland. Het grote aantal illegalen
    wordt (nog) gedoogd. Het team decentrale controle prostitutie heeft
    de indruk dat een aanzienlijk percentage van de geregistreerde
    vrouwen niet (geheel) vrijwillig haar werkzaamheden uitoefent. Het
    vermoeden bestaat dat nogal wat vrouwen een zogenaamde
    werkovereenkomst hebben met een pooier, waarbij sprake is van een
    uitbuitingssituatie. Het team komt echter pas in actie als de
    betrokkenen zelf aangeven problemen te hebben. Het zal dan
    bijvoorbeeld het projectteam prostitutie en vrouwenhandel
    inschakelen.

    Voor de ramen wordt, afhankelijk van de lokatie, het tijdstip,
    de bescherming en de bewaking, per dagdeel tussen de f.100,- en
    f.200,- aan huur betaald. Om onderverhuur van ramen, en daarmee
    verdere uitbuiting tegen te gaan, mag een raam per 1 januari 1996
    alleen nog maar worden verhuurd aan de persoon die er ook
    daadwerkelijk gebruik van maakt. Meer dan de helft van de
    raambordeelhouders heeft zich georganiseerd in de SOR, de Stichting
    Overleg Raambordelen. Deze stichting behartigt de belangen van de
    raamverhuurders. Er werken naar schatting zo’n 600 700 vrouwen in
    de tippelprostitutie; 60% daarvan is Nederlands, 20% is Duits en
    20% heeft een andere nationaliteit. Het is opvallend dat sinds het
    uitbreken van de oorlog in voormalig Joegoslavi steeds meer vrouwen
    uit dit gebied in de straatprostitutie zijn gaan werken. In de
    zomer zijn er trouwens nogal wat toeristen die zich op straat
    prostitueren; waarschijnlijk om geld voor de terugreis te verdienen
    (Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, 1994). Momenteel
    is er een tijdelijke tippelzone ingesteld aan de Oostelijke
    Handelskade. Het plan voor een tippelzone aan de Transformatorweg
    is, na een verhit protest uit de nabijgelegen Spaarndammerbuurt,
    ingetrokken. Opnieuw wordt overwogen of het zeer gesoleerd gelegen
    terrein aan de Theemsweg, dat een half uur lopen van de bewoonde
    wereld ligt, een geschikte lokatie is. Daarnaast wordt er ook op
    andere lokaties getippeld, zoals in de Bijlmer en aan de De
    Ruyterkade.

    Er staan verder zo’n 65 escortbureaus geregistreerd. Hoeveel
    vrouwen bij deze bureau’s werken, is op dit moment niet bekend. De
    thuiswerkende prostitu(e)s vormen evenwel de meest onzichtbare
    groep; tot op heden zijn 100 thuiswerkende mannen en vrouwen
    geregistreerd. Verwacht wordt dat dit aantal zal toenemen als de
    controle op de raamprostitutie per 1 januari 1996 zal worden
    opgevoerd. Het totale aantal jongens dat in Amsterdam in de
    prostitutie werkt wordt op jaarbasis geschat op zo’n 500. De
    jongens werken in clubs en op priv-adressen, maar ook op straat, op
    het Centraal Station en in de Paardenstraat, tussen de Amstel en
    het Rembrandtplein. Bovendien zijn er zo’n 55
    homo-ontmoetingsruimten in de stad, waar jongens ook tegen betaling
    seks bedrijven. Meer dan de helft van deze jongens is van
    Tsjechische, Slowaakse en Roemeense herkomst. De Nederlandse,
    Engelse en Duitse jongens zijn bijna zonder uitzondering drugs- of
    gokverslaafd.

    Tenslotte de peepshows. Hiervan zijn er in Amsterdam zeven
    geregistreerd. Ook hier werken veel Oost-Europese jongens en
    meisjes, waaronder ook minderjarigen.
    Wie dit kolossale aanbod overziet, kan slechts tot de vaststelling
    komen dat er in Amsterdam een gigantische vraag is naar seksuele
    dienstverlening, in al haar varianten. Dit roept natuurlijk de
    nodige vragen op naar de mensen die van deze dienstverlening
    gebruik maken: met hoevelen zijn ze? waar komen ze vandaan hoeveel
    uit Amsterdam zelf, hoeveel uit Nederland, hoeveel uit het
    buitenland? wie zijn ze – naar leeftijd, naar sociaal- economische
    status, enzovoort? Aan de andere kant is vooral de vraag aan de
    orde naar de mensen die deze dienstverlening organiseren: met
    hoevelen zijn zij? waar komen zij vandaan – hoeveel uit Amsterdam
    zelf, hoeveel uit Nederland, hoeveel uit het buitenland? Wie zijn
    ze – naar leeftijd, naar sociaal-economische status,
    enzovoort? Kortom, net als in het geval van de drugshandel kan ook
    hier de vraag worden opgeworpen in hoeverre het prostitutiewezen in
    Amsterdam min of meer een plaatselijke aangelegenheid is, dan wel
    is ingericht op het niveau van een internationale markt.

    In het kader van dit rapport ligt het voor de hand om vooral
    door te gaan op de vraag naar de mensen die het aanbod op deze
    markt organiseren, en haar speciaal toe te spitsen op diegenen
    onder hen, die groepen eventueel, die niet zomaar gelegenheid geven
    tot het bedrijven van prostitutie, maar die mensen die dit laatste
    doen, of hen, erger nog, op uiteenlopende manieren dwingen om zich
    te prostitueren. Met andere woorden: het probleem waarom het hier
    gaat, is het probleem van de vrouwenhandel.

    3.3.2. Vrouwenhandel in Amsterdam

    De buitenlandse vrouwen die in Nederland in de prostitutie
    werken, kunnen worden onderscheiden in drie categorien: (a) vrouwen
    die als zelfstandige naar Nederland zijn gekomen; (b) vrouwen die
    naar Nederland zijn gevlucht, en (c) vrouwen die via vrouwenhandel
    naar ons land zijn gebracht. De eerste groep is meestal in
    Nederland terecht gekomen via connecties, familie, vrienden of
    kennissen. Zoekende naar werk komen deze vrouwen op de een of
    andere manier, vrijwillig of gedwongen, in de prostitutie terecht.
    De vrouwen die behoren tot de tweede categorie hebben in Europa al
    in meer landen geprobeerd een vluchtelingenstatus te krijgen. Zij
    gaan in de prostitutie werken om in hun levensonderhoud te
    voorzien. Het is een zeer kwetsbare groep. Vaak zijn ze zonder
    papieren en komen ze ook niet in aanmerking voor de status van
    vluchteling. Bovendien zijn ze voortdurend bang voor de politie. In
    deze paragraaf wordt echter alleen op de derde groep vrouwen
    ingegaan.

    Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig zijn steeds meer
    vrouwen uit zogenaamde Derde-Wereld landen via vrouwenhandel in
    Europa in de prostitutie terechtgekomen. In Nederland ging het
    hierbij hoofdzakelijk om Aziatische vrouwen (uit Thailand en de
    Filippijnen), maar begin jaren tachtig meer en meer ook om
    Latijns-Amerikaanse (uit Columbia en de Dominicaanse Republiek) en
    West-Afrikaanse vrouwen (uit Ghana en Nigeria). In de loop der
    jaren is de smaak van de prostituanten echter opnieuw veranderd.
    Waren het eerst de exotische, warme vrouwen die goed in de markt
    lagen, sinds het wegvallen van het IJzeren Gordijn nemen vrouwen
    uit Oost-Europa een aanzienlijk marktaandeel voor hun rekening (De
    Stoop, 1992; Altink, 1993; Fijnaut, 1994).

    Gelet op de omvang van de prostitutie in Amsterdam spreekt het
    voor zichzelf dat deze stad ook haar deel van het probleem van de
    vrouwenhandel heeft. Maar wie wil weten welk deel heeft hier het
    raden naar. De Amsterdamse politie schenkt sedert een aantal jaren
    zeker wel aandacht aan het probleem van de vrouwenhandel, maar de
    unit prostitutie en vrouwenhandel heeft slechts zeer beperkte
    mogelijkheden om onderzoek naar deze handel in te stellen. De
    cijfers waarover deze unit op dit punt beschikt zeggen dus niet
    zoveel over de aard en de omvang van het probleem.

    Tussen 1982 en 1992 heeft de Amsterdamse politie 15 gevallen van
    vrouwenhandel onderzocht. Hiertoe behoort onder meer het onderzoek
    naar de handel in Ghanese vrouwen dat in hoofdstuk 2 reeds werd
    aangestipt. Maar het heeft er op zijn minst de schijn van dat het
    probleem sinds die tijd zeker niet is afgenomen. Want alleen al
    tussen november 1993 en oktober 1994 werden er 29 aangiften van
    vrouwenhandel gedaan. De onderzoeken die naar aanleiding van deze
    aangiften werden gestart, leverden uiteindelijk 25 verdachten op,
    waarvan er 16 zijn voorgeleid aan de officier van justitie. De
    aangehouden verdachten hadden de Russische, Joegoslavische,
    Marokkaanse, Turkse, Braziliaanse en Nederlandse nationaliteit.

    Om de werkelijkheid duidelijk te maken die achter deze schaarse
    cijfers schuilgaat, is door ons een aantal gevallen van
    vrouwenhandel nader onderzocht. Wij hebben het oog laten vallen op
    die zaken die enerzijds het beste weerspiegelen wat vrouwenhandel
    dezer dagen in Amsterdam betekent en die anderzijds het meest
    passen bij de definitie van georganiseerde criminaliteit die in dit
    onderzoek wordt gehanteerd. Zij laten, hoe dan ook, zien op wat
    voor manieren vrouwen op de Amsterdamse seksmarkt worden verhandeld
    en onder welke omstandigheden zij hier worden gedwongen om zich te
    prostitueren.

    Wat deze gevalsbeschrijvingen niet laten zien – omdat ze al te
    zeer zijn gekoppeld aan individuele strafzaken -, maar wat men bij
    lezing ervan wel moet bedenken, is dat blijkens vertrouwelijke
    informatie de betrokken gevallen tot op zekere hoogte slechts
    momentopnamen van een doorlopende, vaak gewelddadige,
    handelsactiviteit vormen. Het is, ook op grond van de beschikbare
    achtergrondinformatie, alleen moeilijk te zeggen hoelang deze
    activiteit al werd uitgeoefend en hoeveel vrouwen er het
    slachtoffer van zijn geworden. Evenmin mag bij lezing van de
    hiernavolgende gevalsbeschrijvingen uit het oog worden verloren dat
    er in de vrouwenhandel annex prostitutie bij herhaling sprake is
    van protectie-praktijken. Zo zijn er in 1993-1994 redelijk
    betrouwbare berichten geweest, dat Joegoslavische geweldenaars,
    onder meer behorend tot n van de groepen die hiervoor in het kader
    van de drugshandel is genoemd, niet alleen Nederlandse pooiers maar
    ook Joegoslavische souteneurs onder wapengekletter hebben gedwongen
    tot het afgeven van flinke sommen geld.
    Aan deze praktijken zou momenteel nog geen einde zijn
    gekomen.

    3.3.3. Zes gevallen van vrouwenhandel

    3.3.3.1. Vrouwenhandel vanuit Rusland
    In krantenadvertenties in Rusland werd gevraagd naar jonge meisjes
    die in het buitenland wilden gaan werken. Aangezien veel Russinnen
    nauwelijks boven het bestaansminimum leven en weinig
    toekomstperspectief hebben in hun eigen land, dromen velen van
    betere tijden in het buitenland. Het is dus niet verwonderlijk dat
    Anna, Vickie, Tella, Marja, en zeer waarschijnlijk nog vele
    anderen, op het aanbod ingingen. Er volgde een gesprek met A. Het
    ging om een baan in de prostitutie in Belgi. Het salaris zou $
    1.000 per maand bedragen. Dit zou maandelijks worden betaald of na
    afloop van de gewerkte termijn. Op deze wijze zijn er zeker meer
    dan tien vrouwen naar Nederland gelokt.

    De vrouwen reisden (vergezeld van nog andere vrouwen die
    hetzelfde werk zouden gaan doen) onder begeleiding van A met de
    trein naar Moskou, om daarna met het vliegtuig naar Duitsland te
    gaan en vervolgens met de trein naar Nederland. Anderen gingen met
    de trein naar Kiev, vlogen daarna naar Parijs en gingen van daaruit
    met de trein naar Nederland. Op de overstapplaatsen werden de
    vrouwen opgewacht door de broer van A (B) en een handlanger, C.
    Onderweg werd aan de vrouwen iets meer verteld over het werk: om
    die $ 1.000 per maand te krijgen moesten er 20 klanten per dag
    worden afgewerkt en kon maar n vrije dag per maand worden
    opgenomen.

    De vrouwen verbleven in een woning ergens bij de Dam en werkten
    achter de ramen op De Singel en in de Oude Nieuwstraat. Ze werden
    naar en van het werk gebracht en gehaald door A, B of C, die hen
    ook gedurende het werk aldoor in de gaten hielden. Tijdens en na
    afloop van de werkdag kwam n van deze beschermers de ongebruikte
    condooms tellen; dit was een indicatie voor het aantal klanten en
    het bedrag dat daarmee verdiend moest zijn. Als hieruit bleek dat
    het aantal van 20 klanten per dag niet was gehaald, werd er flink
    gedreigd. Met name C sloeg de vrouwen regelmatig.

    Anna heeft ruim een jaar voor de organisatie van A gewerkt en
    altijd al het door haar verdiende geld afgestaan. Omdat Vickie soms
    30 klanten per dag afwerkte kreeg zij buikklachten en stopte na
    ruim drie maanden met het werk. Na afloop van deze periode hield
    zij $ 400 contant en voor $ 1.000 aan kleding over. Tella werkte
    vier maanden voor A en zijn bondgenoten en kreeg na afloop $ 2.350.
    Na haar vertrek werd de moeder van Tella nog regelmatig gebeld door
    B en C die informeerden naar de verblijfplaats van Tella. Marja
    ging na drie maanden terug naar Rusland en kreeg $ 2.000 contant
    betaald. Later is zij op eigen houtje teruggegaan naar Nederland om
    opnieuw in de prostitutie te werken, maar dit keer voor zichzelf.
    Ook Tella en Vickie zijn om deze reden naar Nederland
    teruggekeerd.

    In een andere Russische vrouwenhandelzaak was sprake van een
    gestage invoer van vrouwen uit Moskou, St. Petersburg, Kiev en
    omstreken. De vrouwen werden geronseld op universiteiten en in
    discotheken. Er werd hen werk in Nederland aangeboden als tulpen-
    en kaasmeisje, fotomodel, striptease-danseres of prostitue. Een
    uitzonderlijk hoog dagloon werd in het vooruitzicht gesteld,
    waarvan zij de helft in eigen zak zouden mogen steken.

    De groepering die de handel organiseerde bestond uit ongeveer
    negen personen. Er was sprake van een duidelijke hirarchische
    structuur en taakverdeling. Aan de top van de organisatie stond A
    en op de tweede plaats zijn plaatsvervanger B, beide
    ex-politiemensen uit Moskou. De samenwerking binnen de organisatie
    was onder meer gebaseerd op vertrouwen en familiebanden. A verbleef
    veel in Rusland alwaar hij zich voornamelijk bezighield met het
    recruteren van vrouwen. B regelde woon- en werkruimte voor de
    vrouwen in Amsterdam. De vrouwen woonden veelal in Amsterdam
    Zuid-Oost en werkten in Amsterdam of Den Haag achter de ramen. De
    zoon van A maakte ook deel uit van de organisatie; hij trad samen
    met C op als chauffeur en begeleider van de vrouwen. Daarnaast
    hielden zij de vrouwen gedurende hun werkzaamheden en op hun
    verblijfplaats voortdurend in de gaten. Er bestonden ook contacten
    met Nederlanders die een uitvoerende rol vervulden in de
    organisatie, zoals D, die uitnodigingen maakte ter verkrijging van
    visa voor de vrouwen. Tevens bleek dat touroperators, die reizen
    organiseerden vanuit de voormalige Sovjet-Unie, ongewild een rol
    speelden.

    Alle kosten verbonden aan de reis en de tewerkstelling van de
    vrouwen in de prostitutie in Nederland werden door de organisatie
    voorgeschoten. De vrouwen werden gedwongen de ontstane schuld af te
    lossen door een groot deel van het verdiende geld af te staan.
    Wanneer zij weigerden te werken of te betalen werden forse
    dreigementen geuit, veelal gericht op de achtergebleven familie in
    Rusland. De reisdocumenten van de vrouwen werden achtergehouden. De
    vrouwen werkten meestal twee dagdelen achter elkaar, van 19.00 tot
    7.00 uur en hadden zelden een dag vrij. Nadat zo’n 25 tot 30
    vrouwen hier drie maanden hadden gewerkt, kwamen
    er nieuwe troepen. Sommige vrouwen gingen na hun verblijf in
    Nederland naar Duitsland, Luxemburg of Belgi om aldaar in de
    prostitutie te werken; er bestond een soort carrousel-systeem met
    deze landen. Naast de vrouwenhandel trachtte de organisatie ook
    investeringsactiviteiten te ontwikkelen. Er werd door A en B een
    vennootschap opgericht. Zij schreven hun bedrijf in bij de Kamer
    van Koophandel als een im- en exportbedrijf van groothandel in
    levensmiddelen. Er werden contacten gelegd met bedrijven in de
    olie- en vleeshandel. De beoogde im- en export van deze produkten
    is evenwel nooit echt van de grond gekomen. Tevens was er sprake
    van kleinschalige autohandel met Rusland. De organisatie had ook
    plannen om te gaan handelen in juwelen en om geld te investeren in
    het aankopen van grond in Rusland. 3.3.3.2. Vrouwenhandel vanuit
    Thailand

    A had als klant de Thaise B leren kennen. B was een gescheiden
    vrouw die door haar ex-man werd gedwongen zich te prostitueren. Ze
    hertrouwde met A en samen kregen ze enige tijd later een kind. B
    werkte voor periodes van twee tot drie weken achter het raam in
    Antwerpen. Ze had, zeker voor Thaise begrippen, heel wat geld
    verdiend in de prostitutiebusiness; in Thailand stond ze dan ook
    bekend als een rijke vrouw. B en haar moeder bemiddelden in
    Thailand voor meisjes die graag in Nederland wilden gaan werken. De
    meisjes werd meegedeeld dat het werk betrof waarbij seksuele
    handelingen verricht dienden te worden. De afspraak was dat zij
    eerst een x bedrag (dit varieerde van 75.000 tot 100.000 DM) zouden
    terugbetalen voor alle kosten die werden gemaakt, zoals het regelen
    van het paspoort, het ticket en het visum. Daarna konden zij een
    groot deel van het verdiende geld houden.

    De vrouwen werden naar Nederland gebracht via Duitsland of
    Denemarken en te werk gesteld achter de ramen in de Oude
    Nieuwstraat te Amsterdam. Zij woonden op een bovenverdieping van
    het pand, samen met C, de broer van B; hij zorgde voor de bewaking
    van de meisjes en, samen met nog twee handlangers van A, voor de
    afdracht van het door de meisjes verdiende geld. De paspoorten van
    de vrouwen werden achtergehouden totdat de schuld zou zijn
    afbetaald. A en B hadden steeds drie meisjes die tegelijkertijd
    voor hen werkten. Ook de oudere zus van B speelde een rol in dit
    familiebedrijf. Zij woonde in Duitsland en regelde partners voor
    schijnhuwelijken. Na enige tijd te hebben gewerkt gingen de vrouwen
    trouwen in Duitsland, om vervolgens in Nederland weer in de
    prostitutie terug te keren.

    Regelmatig werden de vrouwen door A bedreigd. Als zij het zouden
    wagen om niet al hun geld af te dragen zouden zij worden vermoord
    of te werk worden gesteld op een schip in Denemarken. Na een
    politiecontrole werden de vrouwen door A gedwongen een verklaring
    te ondertekenen, waarin stond dat hij hen met alles had geholpen en
    dat zij nooit geld aan hem hadden afgestaan.

    De tweede vrouwenhandelzaak die hier moet worden vermeld, start
    met een persoon in Bangkok. Deze persoon ronselde op grote schaal
    vrouwen voor werk in de prostitutie in vrijwel geheel West-Europa,
    Hongkong en Monaco; het zou om honderden of duizenden Thaise
    vrouwen per jaar gaan. De vrouwen wisten veelal dat het ging om
    werk in de prostitutie, maar hadden geen benul van de torenhoge
    schuld die zij aangingen en vervolgens moesten afbetalen. De
    ronselaar maakte gebruik van valse paspoorten, regelde via zijn
    eigen reisbureau tickets en organiseerde toeristenvisa via de
    Duitse en Zweedse ambassade. In de verschillende landen had hij
    mensen die de vrouwen aldaar uitzetten. Zo ook in Nederland. De
    persoon waar het in Nederland om ging liet zich omringen door
    diverse bodyguards en was in het bezit van veel onroerend goed in
    Amsterdam. Hij werd terzijde gestaan door een advocaat die zijn
    netwerk aan firma’s en bv’s regelde. Bovendien had hij twee
    garantstellers in dienst voor het regelen van visa. En daarvan had
    nog f.75.000,- tot f.80.000,- te goed van de genoemde handelaar in
    onroerend goed. De ontvanger van de vrouwen betaalde f.15.000,- per
    vrouw aan de ronselaar in Bangkok. De vrouwen werden voor de deur
    van de club afgeleverd door een flyer; dit was meestal een
    Europees persoon, vaak een leraar die de Engelse taal goed beheerst
    en die de vrouwen van Bangkok naar Nederland begeleidde. Deze
    persoon keerde terug naar Bangkok met de retourtickets van de
    vrouwen. Die werden daar dan ingeleverd en omgewisseld. De
    opbrengst van deze wisseloperatie was de beloning voor de
    flyer. 3.3.3.3. Vrouwenhandel vanuit Roemeni

    De twee zussen, Angela en Zora, kenden de familie A al wat
    langer. Zij woonden in dezelfde stad in Roemeni. De zoon B en de
    dochter C van de familie A boden Angela en Zora werk aan in een bar
    in Nederland. B zou een appartement hebben in Amsterdam en daar
    konden de zussen verblijven. De vriend van C smokkelde de vrouwen
    via Polen de grens over naar Duitsland alwaar zij werden opgevangen
    door B en C, die hen uiteindelijk naar Nederland brachten. Maar
    niet naar het beloofde appartement in Amsterdam; de zussen werden
    afgezet bij een asielzoekerscentrum in Zeewolde met de opdracht
    daar onder een valse naam
    asiel aan te vragen. Na enige tijd werden zij weer opgehaald door
    B; hij had werk voor ze gevonden in Amsterdam. Dit bleek
    prostitutiewerk in een vitrine.
    Hevig geschokt begonnen zij met het werk op de Nieuwmarkt. Zij
    kregen alle dagen patat en hamburgers te eten. Twee neven van B en
    C bewaakten de vrouwen voortdurend en dreigden ze met de dood en de
    politie. De vrouwen konden geen kant op. En van hen werd in de loop
    van de maanden tot acht keer toe verkracht door de vriend van C. De
    zussen verdienden goed in de tijd dat zij werkten; Angela zelfs
    f.65.000,- in drie maanden. Het geld moest zij echter tot op de
    laatste cent aan B geven. Zora verdiende door te werken van 19.00
    tot 5.00 uur, zo’n f.400,- tot f.500,- per dag, na aftrek van de
    huur van het raam. Maar ook zij moest al haar geld afstaan aan B.
    Op een dag kreeg de vriend van C het in zijn bol en bepaalde dat
    Zora f.32.000,- aan hem moest betalen om van hem af te komen.

    3.3.3.4. Vrouwenhandel vanuit (voormalig) Joegoslavi De
    Russische Nina werd overgehaald door de Joegoslaaf A om in
    Nederland in een fabriek te gaan werken. Nina reisde samen met twee
    kennissen, Veronica en Joshua, via Kiev, naar Polen, van daaruit
    naar Duitsland en vervolgens naar Nederland. Eenmaal aangekomen op
    de plaats van bestemming kregen de vrouwen te horen dat zij negen
    maanden lang in de prostitutie moesten gaan werken om de gemaakte
    onkosten terug te betalen. De vrouwen kregen, samen met twee
    Joegoslavische mannen, de beschikking over een woning in Amsterdam.
    De mannen brachten de vrouwen iedere dag naar de Spuistraat, naar
    hun respectievelijke vitrines. Nina, Veronica en Joshua werden dag
    en nacht bewaakt door de mannen. De vrouwen werden er gek van dat
    ze voortdurend in de gaten werden gehouden. Op voorwaarde dat zij
    het door A vastgestelde bedrag zouden verdienen, zouden zij per
    maand ieder $ 1.500 betaald krijgen. Al het verdiende geld moest
    tot op de laatste stuiver worden afgegeven aan A. Hun paspoorten
    waren ingenomen door B, de baas van A. Hij dreigde de vrouwen te
    vermoorden als zij hun werk niet naar behoren zouden uitvoeren.
    Joshua had als nachtclubdanseres in Joegoslavi gewerkt. Via een
    uitzendbureau voor danseressen die in het buitenland wilden gaan
    werken, was zij met B in contact gekomen. Veronica wist, toen zij
    naar Nederland ging, dat het werk in de prostitutie betrof. Zij zou
    de helft van het door haar verdiende geld zelf mogen houden. De
    eerste maand verdiende zij f.26.000,- waarvan zij f 4.000,- kreeg.
    De tweede maand verdiende zij f.40.000,- waarvan zij f.4.500,- zelf
    mocht houden. Veronica had soms meer dan 20 klanten per avond. B en
    A betaalden de bewakers van de vrouwen ieder f.150,- per dag. Zij
    moesten f 600,- per dag aan huur voor drie ramen betalen.

    3.3.4. Vrouwenhandel: georganiseerde criminaliteit?

    Beziet men de gevallen van vrouwenhandel die zoven zijn
    beschreven in het licht van de definitie die in de inleiding is
    aangehaald, dan staat het buiten kijf dat in al deze gevallen
    diverse elementen van deze definitie zijn terug te vinden. Er
    werden uit meedogenloos winstbejag ernstige misdaden gepleegd en op
    allerlei manieren – ondertekening van een verklaring, continue
    bewaking, enzovoort – werd gepoogd het optreden van de overheid
    ertegen te belemmeren, maar vooral door (de dreiging met) geweld
    ten aanzien van de vrouwen in kwestie. Ook is er in diverse
    gevallen geen twijfel aan dat deze misdaden door de betrokken
    figuren bij herhaling, zo niet systematisch zijn bedreven. Het
    enige punt waarop niet in alle gevallen zo’n goed zicht bestaat, is
    het (organisatorische) verband waarbinnen de vrouwenhandel werd
    bedreven. In enkele gevallen gebeurde dit kennelijk op een haast
    institutionele manier, in andere gevallen was er – op het eerste
    oog althans hebben kunnen uitwijzen dat er ook in sommige van deze
    laatste gevallen meer achter zat, bijvoorbeeld een – slechts sprake
    van kleine groepjes criminelen, of zelfs dit nog niet. Nader
    politie-onderzoek zou wellicht bende (Joegoslaven of Russen) die in
    Amsterdam is gesettled en tegen een of andere vorm van betaling
    (protectie) gedoogt dat dergelijke groepjes hier hun gang gaan.
    Maar in geen van de bedoelde gevallen is het politile onderzoek
    zover gegaan dat duidelijk werd of dit wel of niet het geval
    was.

    3.3.5. Kinderpornografie: geen georganiseerde
    criminaliteit?

    Binnen de seksbusiness is niet alleen de exploitatie van de
    prostitutie een belangrijke sector, maar ook de produktie en
    distributie van pornografie. Het belang van deze laatste sector –
    alleen nog maar voor Amsterdam videotheken. Van zulke winkels
    bestaan er in Amsterdam tussen de 95 en 135. Een videotheek heeft
    gemiddeld – kan onder meer worden afgeleid uit de schaarse gegevens
    omtrent de hoeveelheid pornografische banden in tussen de 3.000 en
    5.000 banden in voorraad. Van dit aantal zou volgens de n – de
    Nederlandse Video Detaillisten Organisatie – 7% tot 20%
    pornografisch materiaal bevatten en volgens de ander 30% tot 40%.
    Daarnaast zijn er nog de nodige seksshops (tussen de 22 en 26) waar
    ook pornografie wordt verkocht. En de rol
    die bijvoorbeeld postorderbedrijven en warenhuizen in dit verband
    spelen, mag eveneens niet worden uitgevlakt. Ook al zijn er geen
    exacte gegevens over hun aandeel op deze markt bekend. Met het oog
    op het probleem van georganiseerde criminaliteit is klassiek
    natuurlijk vooral de produktie en distributie van pornografie
    interessant. Immers, waar pornografie geheel of ten dele een
    verboden goed is, zullen er mensen, wellicht organisaties, zijn die
    aan de vraag naar dit goed op de een of nadere manier trachten te
    voldoen, zeker ook om er zelf financieel beter van te worden. En
    het mag bepaald niet uitgesloten worden geacht dat degenen die in
    deze (geheel of ten dele illegale) sector van de seksbusiness
    hebben genvesteerd, van alles en nog wat willen doen om hun
    belangen af te schermen tegen overheidsoptreden. In de Nederlandse
    verhoudingen betekent dit dat de georganiseerde criminaliteit in de
    sector van de pornografie nooit een cht groot probleem kan zijn.
    Eenvoudig om de reden dat de produktie en distributie van
    pornografie slechts op zeer beperkte schaal strafbaar zijn gesteld
    en de overheid, daarbovenop, zich reeds sinds jaren in het algemeen
    terughoudend opstelt ten aanzien van de handel in pornografische
    films, geschriften en wat dies meer zij. In de Amsterdamse setting
    gaat deze stelling zeker ook in verregaande mate op. Dat kan
    iedereen constateren die de moeite neemt om door de binnenstad te
    wandelen. Maar er moeten niettemin twee voetnoten bij deze
    vaststelling worden geplaatst.

    De eerste voetnoot is dat sinds jaar en dag, in elk geval door
    de politie in Amsterdam, een van de grootste Nederlandse
    producenten en distributeurs van pornografie in de wereld, A, wordt
    beschouwd als een belangrijke figuur in de wereld van de
    Amsterdamse, zo niet de Nederlandse georganiseerde criminaliteit.
    Deze visie op zijn persoon, ontwikkeld rond 1990, was niet zozeer
    ingegeven door zijn rol in de porno-business sec, maar
    berustte bovenal op vermoedens ten aanzien van zijn grote
    betrokkenheid bij zo’n duidelijke vorm van georganiseerde
    criminaliteit als de drugshandel (de laatste jaren vooral
    (voor-)financiering van drugstransporten) enerzijds en zijn
    betrokkenheid bij witwasoperaties (ook in samenwerking met
    anderen), via een ingewikkeld netwerk van binnenlandse en
    buitenlandse bedrijven, anderzijds. Er is echter niet voldoende
    onderzoek verricht om het waarheidsgehalte van deze vermoedens te
    kunnen bepalen. De tweede voetnoot sluit enigermate bij het
    vorenstaande aan. Zij heeft betrekking op het probleem van de
    kinderpornografie. Al in de jaren tachtig werd dit probleem van
    tijd tot tijd aan de orde gesteld, ook in relatie tot de heer A.
    Ook hij werd er tot op het einde van de jaren tachtig immers van
    verdacht kinderpornografie te (laten) produceren. Deze verdenking
    is niet helemaal geweken – zeker niet op het vlak van de
    distributie van kinderpornografie -, maar onder druk van de
    maatschappelijke discussie over Amsterdam als internationaal
    handelscentrum van kinderpornografie, staat deze verdenking niet
    meer op zichzelf. Een landelijk onderzoek dat de sociale jeugd- en
    zedenpolitie in de voorbije jaren heeft verricht, toonde immers aan
    dat van de 61 producenten van kinderpornografie die men op het
    spoor kwam, er 34 in Amsterdam actief zijn. En evenzo met de
    distributeurs: van de 61 zijn er 23 in deze stad gevestigd. Van de
    67 afnemers van kinderpornografie wonen en werken er ruim 20 (22)
    in Amsterdam en de rest buiten de stad (Hoek en Holla, 1995). Nu
    mag men uit voorgaande cijfers – met de figuur van A voor ogen –
    niet de conclusie trekken dat Amsterdam dan toch tenminste op het
    vlak van de kinderpornografie een belangrijk internationaal centrum
    van georganiseerde criminaliteit vormt. Want zoals de schrijvers
    van het rapport waaruit zoven werd geciteerd, zelf stellen: Er (is)
    bij kinderporno in principe geen sprake van georganiseerde
    criminaliteit. Daders opereren veelal in kleine groepjes en
    onderhouden onderling contacten in de vorm van netwerken. Zo
    gesteld is het inderdaad aanvaardbaar om tegen te spreken dat hier
    in het algemeen van georganiseerde criminaliteit sprake zou zijn.
    Niet alleen – zo blijkt ook uit de verdere onderzoeksgegevens –
    opereren veel daders gewoonlijk op (zeer) kleine schaal, niet
    systematisch en ook niet uit winstbejag, maar zij pogen ook niet
    hun illegale gedragingen op een actieve manier af te schermen tegen
    overheidsoptreden; wat iets anders is dan alleen maar proberen de
    gedragingen in kwestie te onttrekken aan het zicht van de overheid.
    Dit neemt evenwel niet weg dat onder bepaalde omstandigheden ook de
    handel in kinderpornografie kan uitgroeien tot een vorm van
    georganiseerde criminaliteit, bijvoorbeeld wanneer de vraag ernaar
    zou stijgen en de overheid navenant zou gaan investeren in de
    bestrijding ervan.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken