Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 1999-2000
Aanhangsel van de Handelingen
1069
Vragen van de leden Vendrik en Halsema (GroenLinks) aan de minister
van Justitie en de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat over de GSM
als peitzender (ingezonden 17 maart 2000)
Antwoord van minister Korthals (Justitie), mede namens de staatssecretaris
van Verkeer en Waterstaat. (Ontvangen 7 april 2000)
1. Kan door de dichtheid van antennes in stedelijke gebieden tot
op 10 meter nauwkeurig worden bepaald waar een specifiek GSM~toestel zich
bevindt? Zo neen, hoe nauwkeurig is de plaatsbepaling dan wel?
Antwoord: Die nauwkeurigheid van de plaatsbepaling waar een GSM-randapparaat
(toestel) zich bevindt, is afhankelijk van de celgrootte waarin dit GSM-randapparaat
zich bevindt. Deze celgrootte varieert inderdaad van enkele tientallen
meters in zeer drukke stedelijke gebieden tot enkele kilometers daarbuiten.
2.Welke mogelijkheden biedt de Wet op de Telecommunicatie voor het opvragen
van verkeers- en/of verplaatsingsgegevens c.q. het plotten van routes?
Antwoord: Artikel 126n en artikel 126u van het Wetboek van Strafvordering
(tot, 1 februari 2000 artikel 125f Sv) vormen een wettelijke basis op grond
waarvan bij de aanbieder van een openbaartelecommunicatiebedrijf of een
openbare telecommunicatiedienst gegevens gevorderd kunnen worden betreffende
het telecommunicatieverkeer. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat
locatiegegevens gegevens zijn betreffende het telecommunicatieverkeer.
Locatiegegevens geven namelijk informatie over de vraag via welk GSM-basisstation
het telecommunicatieverkeer heeft plaatsgevonden. De Wet op de Telecommunicatie
biedt geen mogelijkheden voor het opvragen van verkeers- c.q. locatiegegevens.
3. Behelst de toegang van de opsporingsinstantie en/of politie tot de
verplaatsingsgegevens van de klanten van telecombedrijven uitsluitend de
inzage of ook het vastleggen c.q. kopiëren van (delen van) databestanden?
Onder welke voorwaarden gelden dergelijke verkeers- en verplaatsingsgegevens
als wettelijk bewijs in strafzaken?
Antwoord: De officier van justitie heeft op grond van artikel 126n
of artikel 126u van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid tot het
vorderen van verkeersgegevens in het belang van een lopend opsporingsonderzoek.
De telecommunicatieaanbieders verstrekken op grond van de vordering van
de officier van justitie de gevraagde gegevens. Noch de officier van justitie,
noch de politie of andere opsporingsinstanties hebben toegang tot de databestanden
van de telecommunicatieaanbieders. Zij hebben derhalve niet de bevoegdheid
noch de mogelijkheid (delen van) databestanden te kopiëren of anderszins
vast te leggen. Het Nederlandse strafrecht kent een vrije bewijsleer. Dit
houdt in dat de rechter in voorkomende gevallen oordeelt over de bewijswaarde
van bepaalde gegevens. Het is goed denkbaar dat een locatiegegeven bijdraagt
aan de bewijsvoering in een strafzaak.
4. Onder welke voorwaarden en bij welke instanties is de integratie
van verschillende databestanden van telecombedrijven mogelijk c.q. toegestaan?
Bestaan er plannen voor het inlijven van de databestanden van telecombedrijven
in het kader van strafrechtelijk en/of pre-actief opsporings- c.q. inlichtingenonderzoek?
Antwoord: De verkeersgegevens die in het kader van een opsporingsonderzoek
worden gevorderd zijn altijd aan de personen die onderwerp zijn van het
opsporingsonderzoek gerelateerd. Er worden geen databestanden gevorderd
en derhalve ook geen databestanden geïntegreerd. Er bestaan geen plannen
tot het inlijven van databestanden.
5. Kunt u de Kamer inzicht verschaffen in de wijze waarop aanvragen
voor het plotten van routes c.q. het produceren van verplaatsingsoverzichten
van hun klanten, al dan niet op aanvraag van de overheid in het kader van
strafrechtelijk en/of pre-actief opsporings- c.q. inlichtingenonderzoek
tot stand (zullen gaan) komen? Wie houdt er toezicht op de verwerking,
archivering en vernietiging van de verstrekte gegevens?
Antwoord: De verkeersgegevens als bedoeld in de artikelen 126n en
126u van het wetboek van Strafvordering kunnen worden gevorderd door de
officier van justitie. Het openbaar ministerie heeft hiervoor modelvorderingen
opgesteld. De officier van justitie houdt toezicht op de verwerking, archivering
en vernietiging van de verstrekte gegevens. De artikelen 126n, 126u, 126cc
en 126dd Wetboek van Strafvordering voorzien in een wettelijke regeling
hiervan.
6. Wat is uw opvatting over de introductie van een notificatieplicht
en een gerechtelijke toetsing, zodat de betrokken burgers kennis kunnen
nemen van het feit dat hun gangen zijn nagegaan, en in staat zijn tegen
een dergelijke inbreuk op hun privacy in verweer te komen?
Voor de toepassing van de bevoegdheid tot het vorderen van gegevens
op basis van artikel 126n of artikel 126u Wetboek van Strafvordering schrijft
artikel 126bb Wetboek van Strafvordering reeds voor dat een notificatie
moet plaatsvinden, zodat de betrokken burgers kennis kunnen nemen van het
feit dat gegevens door opsporingsdiensten bij telecommunicatiebedrijven
zijn opgevraagd. Een gerechtelijke toetsing kan plaatsvinden indien een
strafzaak aan de rechter wordt voorgelegd. Artikel 126aa, vierde lid, Wetboek
van Strafvordering schrijft voor dat in de processtukken melding wordt
gemaakt van de toepassing van deze bevoegdheid. De notificatieplicht in
artikel 126bb Wetboek van Strafvordering is opgenomen in het licht van
artikel 13 EVRM, om inhoud te geven aan het recht van de burger zich over
de toepassing van de bevoegdheid bij een rechterlijke instantie te beklagen
(kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, blz. 12).
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere
vragen terzake van het lid De Wit ingezonden 14 maart 2000.