• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Politie laat zich laatdunkend uit over burgers. Slechts 1 van de 8 dagelijkse klachten over onheuse bejegening door de politie wordt gegrond verklaard. (analyse)

    Bij de klachten over de politie wordt over één element van politieoptreden al jaren consequent veel geklaagd, bejegening. Volgens de jaarverslagen van de Nationale politie staat bejegening sinds 2013, het oprichtingsjaar, op de eerste plek van de klachten top drie. Uit de jaarverslagen van de klachtencommissies blijkt dit ook, hoewel enkele jaren niet bejegening maar bijvoorbeeld onjuiste actie en/of onvoldoende actie (vooral bij de eenheid Den Haag) op één staat.

    De klachtencommissies schrijven over bejegening door politiefunctionarissen: “ongepast taalgebruik; tutoyeren; kauwgom kauwen; niet behulpzaam zijn; zonnebril ophouden; roken; geen uitleg geven.” De commissies schrijven ook dat in “veel klachten wordt geschreven over onfatsoenlijk, brutaal, intimiderend, autoritair of arrogant gedrag van politiemedewerkers.” De eenheid Noord-Nederland omschrijft deze houding van de politie in 2023 als het feit dat “klagers zich niet altijd gehoord en begrepen voelen en ervaren dat politiemedewerkers niet altijd open staan voor dialoog.”

    Per jaar gaat het volgens de Nationale politie om grofweg 3.000 klachten, acht klachten per dag. De meeste klachten worden in de zogenaamde eerste fase door de klachtenbehandelaar van de politie zelf behandeld. De commissie van de eenheid Limburg schrijft in 2019 dat “de klachtbehandelaar bemiddelingsgesprekken voert en zo probeert te komen tot een voor de klager bevredigende oplossing.” Wat die ‘oplossing’ voor de klager precies inhoudt wordt niet duidelijk uit de jaarverslagen. Slechts een fractie van de bejegeningsklachten komt bij de ‘onafhankelijke’ commissies terecht.

    Discriminatie is een vorm bejegening, met het grote verschil dat discriminatie een strafbaar feit is. Dit verklaart het feit dat slechts 3% van de discriminatieklachten (in totaal 7) tegen de politie in de afgelopen twaalf jaar gegrond zijn verklaard. Ook het lage percentage gegronde bejegeningsklachten (gemiddeld 20,4%, 2024 17,5%) zal daarmee samenhangen. De politie-eenheid Limburg stelt dat de “maatstaf voor de beoordeling van politieoptreden voor de commissie de behoorlijkheid is” (2019). Wat behoorlijkheid inhoudt wordt niet verduidelijkt, maar zij stelt wel dat “in de ogen van een burger evident onbehoorlijk optreden, het meest geëigende politieoptreden is.” Dit is een opvallende uitspraak van eenheid waarbinnen jarenlang politieambtenaren functioneerden van seksistische, racistische appgroepen als ‘Game of Thrones’.

    De voorbeelden die in deze analyse worden aangehaald, schetsen een beeld van politieoptreden dat gekenmerkt wordt door machtsmisbruik, autoritair soms zelfs ronduit arrogant en onbeschoft gedrag. De analyse eindigt met klachten van nabestaanden en van slachtoffers van seksuele misdrijven. Deze klachten roepen de vraag op of het niet alleen gaat om falend gezag, maar om een falende organisatie. De voorbeelden blijken exemplarisch zoals de Amsterdamse klachtencommissie in 2016 schrijft: “De zaken zijn representatief voor de klachten die worden ingediend.”

    Onbeholpen bejegening of discriminatie dan wel intimidatie

    De omschrijving, “tutoyeren; kauwgom kauwen; zonnebril ophouden; roken; geen uitleg geven”, die door veel politie-eenheden wordt gebruikt klinkt nog onschuldig, gewoon onbeholpen gedrag. De omschrijving uit klachten die Noord-Nederland daaraan toevoegt lijkt die houding van de politie nader te omschrijven: “politiemedewerkers staan niet altijd open voor dialoog.” Het is echter ernstiger gesteld met de relatie tussen politie en burgers want in veel verslagen staat dat burgers het gedrag “onfatsoenlijk, brutaal, intimiderend, autoritair of arrogant” vinden. Dat klinkt al veel dreigender en lijkt te duiden op een politie die zichzelf niet in de hand heeft.

    Bejegening en discriminatie lijken in de jaarverslagen dicht naast elkaar te staan. In het jaarverslag van 2013/2014 van de eenheid Amsterdam staat de veelzeggende zin dat uit “een klacht duidelijk naar voren komt waarom klager zich onheus bejegend voelt: ‘ik werd gediscrimineerd’.” Het is een veelzeggende zin omdat de politie en klachtencommissie blijkbaar klachten over discriminatie als bejegening archiveert. Of dit consequent en welbewust gebeurd is niet duidelijk omdat specifieke gegevens over klachten (bij de politie ingediend) en in het bijzonder discriminatie door de politie niet openbaar zijn. Zeeland West-Brabant schrijft in 2014 wel over bejegening dat “een groot aantal klachten zijn weggeschreven onder deze rubricering.”

    Gezien het geringe aantal discriminatieklachten, het feit dat commissies aangeven dat veel klagers klagen over discriminatie, klagers zich niet herkennen in de herformuleringen van klachten door politie en commissies en het grote aantal bejegeningsklachten, kunnen aanwijzingen zijn dat er meer aan de hand is bij de relatie tussen bejegening en discriminatie.

     

    Jarenlange stijging van onheuse bejegening

    Het toch al hoge aantal klachten over de bejegening van burgers door de politie vertoont een stijgende lijn. In 2013/2014 schrijft de eenheid Amsterdam dat “bejegening een klacht is die al jaren hoog scoort.” Volgens het jaarverslag van de Nationale Politie ging het in 2013 om 1.919 bejegeningsklachten en was dit in 2016 al gestegen tot 2.480. Na een korte daling in 2017 steeg het door naar 3.331 in 2021 om vervolgens te dalen en opnieuw te stijgen naar 2.948 in 2024. In twaalf jaar zijn er ruim dertig duizend (28.866 zonder gegevens van 2018) klachten over de houding van agenten jegens burgers ingediend.

    De politieklachtencommissies schrijven in de loop der jaren steeds minder over de mogelijke achtergronden van de bejegening/discriminatie en het onvermogen van de politie om de open te staan voor een dialoog met de burger. In 2014 was dat anders. De eenheid Noord-Nederland schreef toen dat “de commissie met enige regelmaat signaleert dat … politiemedewerkers zich soms moeilijk kunnen verplaatsen in de beleving van de klager.” Dialoog is dan niet meer mogelijk. Dezelfde eenheid heeft het in 2023 over een gesloten houding van politiemensen bij hoorzittingen over klachten, waar in 2024 plotseling geen sprake meer van zou zijn. Wat is gebleven van 2013 tot en met 2024 is dat “klagers zich niet altijd gehoord en begrepen voelen.”

     

    Wie intimideert wie

    In Zeeland West-Brabant is van dat verplaatsen in het geheel geen sprake, agenten gaan een stap verder. Zij vinden dat niet de politie “onfatsoenlijk, brutaal, intimiderend, autoritair of arrogant” was, maar de klagers “onbehoorlijk gedrag hebben vertoond.” De commissie van die eenheid schrijft in 2014 dat het gedrag van die klagers door de agenten “uiteraard niet is beschreven.” Het woord “uiteraard” is opvallend want de commissie maakt niet duidelijk waarom dit niet is gebeurd terwijl een burger die een agent “intimideert” mogelijk een strafbaar feit begaat. En als bejegening en discriminatie inwisselbaar zijn dan is dat al helemaal het geval.

    Zonder enige onderbouwing lijkt de bewering van de agenten in Zeeland West-Brabant en de klachtencommissie van die eenheid op drijfzand gebaseerd. Het app-gedrag van veel politiefunctionarissen van die eenheid (10-15%) lijkt de gemankeerde relatie tussen agenten en burgers te onderstrepen zeker als daaraan de opmerking uit een AGFA (Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren) oordeel over een “een hardnekkige cultuur van discriminatie, racisme en seksueel overschrijdend gedrag” wordt gevoegd. In dat perspectief toont de eenheid Den Haag in 2013 meer realiteitszin door te schrijven dat “burgers geregeld klaagden dat zij een politieambtenaar intimiderend vonden overkomen.”

     

    Een ongelijkwaardige verhouding

    Die klacht, ‘intimiderend overkomen’ wordt door de eenheid Amsterdam nader omschreven als een ongelijkwaardige verhouding. “De verhouding tussen een burger en een politieambtenaar die verbaliserend of anderszins optreedt, is per definitie een ongelijkwaardige verhouding,” schrijft de Amsterdamse commissie in 2015 en 2016. Opsporingsinstanties hebben dan altijd een grotere verantwoordelijkheid bij de dialoog dan de burger.

    Vandaar dat Amsterdam de volgende maatstaaf hanteert: “Van de politieambtenaren mag worden verwacht dat dat zij steeds professioneel, onpartijdig en de-escalerend optreden. Het vereiste van correcte bejegening impliceert dat de politie burgers zoveel mogelijk correct te woord staat en op zakelijke wijze ingaat op vragen of opmerkingen, ook wanneer de communicatie stroef verloopt.” Een duidelijke maatstaaf waarbij de politie de verantwoordelijkheid heeft om zakelijk, professioneel, onpartijdig te blijven. Amsterdam voegt daar in 2016 de ‘behoorlijkheidswijzer’ van de Nationale Ombudsman uit 2012 toe. Kernwaarden van overheidsoptreden zijn: “Open en duidelijk, Respectvol, betrokken en oplossingsgericht en eerlijk en betrouwbaar.”

    Dat kan natuurlijk weleens misgaan, maar drieduizend keer per jaar? Ruim acht keer per dag. En dertigduizend keer in twaalf jaar. En dat zijn klachten van mensen die de moeite hebben genomen om in de pen te kruipen, wat veel burgers toch niet zullen overwegen. Het feit dat er over bejegening veel wordt geklaagd en daarmee dus mogelijkerwijs over discriminatie is dan ook een veeg teken. Helemaal als dan ook nog blijkt dat Amsterdam in 2013 en 2014 met die duidelijke maatstaaf stelt dat “klachten over bejegening vaak lastig te beoordelen” zijn.

    “Lastig te beoordelen” terwijl het volgens de commissie in Amsterdam ook om “feitelijk gedrag” van politiefunctionarissen gaat. “Feitelijk gedrag” volgens de commissie zelfs in haar eigen voorbeeld het strafbare discriminatie, “soms komt uit een klacht duidelijk naar voren waarom klager zich onheus bejegend voelt, ‘ik werd gediscrimineerd’, ‘ik werd geïntimideerd’ of ‘er werd niet naar mij geluisterd’,” zou lastig te beoordelen zijn? In de tien jaar daarna wordt er verder niet meer over gesproken terwijl de bejegening van burgers door de politie erger is geworden. In die zin is de opmerking uit Den Haag (2018) veelzeggend: “En waarom is het zo moeilijk een keer “sorry!” te zeggen, zeker als dat de kou uit de lucht en de klacht van de lijst haalt?”

     

    3% discriminatie-, 20% bejegenings-klachten gegrond

    Dat een discriminatieklacht tegen een politiefunctionaris slechts in 3,41% van de gevallen gegrond wordt verklaard lijkt logisch. Politieklachtencommissies beschermen de politie en discriminatie is een strafbaar feit. Erkenning van het bestaan van discriminatie door de commissies betekent dat agenten vervolgd moeten worden. Wat er met de zeven gegronde discriminatieklachten tegen de politie is gebeurd schrijven de commissies niet, maar waarschijnlijk hebben commissies niet geadviseerd de functionarissen te gaan vervolgen.

    Bejegening is veel minder problematisch. Het kan weg worden geredeneerd als een conflict tussen twee burgers, hoewel blijkbaar de eenheid Amsterdam spreekt over een ongelijkwaardige relatie, waarbij de agent in het voordeel is. Den Haag spreekt in 2013 zelfs over het feit dat burgers spreken over een machtspositie van een functionaris. Dat overwicht over de burger heeft de politie ook bij klachten over bejegening. Klachtencommissies stellen in het merendeel van de klachten agenten in het gelijk. Gemiddeld genomen is dat in 59,45% van alle klachten. Wie de klachten waar geen oordeel is geveld meerekent komt op bijna 80% uit. Burgers trekken altijd aan het kortste eind (gemiddeld 20,44%).

    En het recht om “onfatsoenlijk, brutaal, intimiderend, autoritair of arrogant” te vertonen lijkt in de loop der jaren zelfs toe te nemen. In 2014 en 2015 werden nog 24% van de bejegeningsklachten gegrond verklaard (in 2013 was dat 16%), terwijl in 2024 dat was gedaald naar 17,56%). In 2020 was er zelfs een dieptepunt van 11,97% gegronde bejegeningsklachten terwijl “zakelijk, professioneel, onpartijdig” optreden toch een duidelijk te verifiëren leidraad zou zijn. De vraag is dan ook gerechtvaardigd waarom klachtencommissies in twaalf jaar het woord bodycam slechts in twee jaarverslagen (Amsterdam 2022 en Den Haag 2024) hebben gebruikt.

     

    Bodycams staan uit

    In beide gevallen gaat het niet om de aanbeveling om de bodycams te allen tijde bij interacties met burgers aan te zetten, maar om twee klachten. In Amsterdam is de bodycam niet aangezet: “De klager verzocht de betrokken politieambtenaar om zijn bodycam aan te zetten, maar hij (de agent red.) deed dit niet.” En in Den Haag zijn de beelden vernietigd door “de betrokken politieambtenaar”: “De betrokken politiemedewerker maakte filmopnamen met zijn bodycam. … De advocaat van klager heeft binnen drie weken na het incident gevraagd de beelden veilig te stellen. Bodycambeelden worden standaard achtentwintig dagen bewaard en indien niet gearchiveerd automatisch vernietigd. Vast staat tevens dat de bodycambeelden na afloop zijn bekeken door de betrokken politieambtenaar. … De commissie merkt op dat de vraag of beelden bruikbaar zijn, ter beoordeling is van de commissie.”

    U raadt het al, beide klachten zijn niet gegrond verklaard. In Amsterdam adviseerde de commissie de politie om de handreiking ‘Inzet en gebruik Bodycams’ (bodycams zijn primair bedoeld ter ondersteuning van de politietaak) te verduidelijken en in Den Haag stelde commissie “over onvoldoende informatie te beschikken” en onthield zich van een oordeel. Ook de commissie gedraagt zich blijkbaar op de “zakelijke, professionele en onpartijdige” manier zoals de politie functioneert. Bodycams niet aanzetten en beelden vernietigen vallen niet in het voordeel van de burger uit.

     

    Tanend gezag

    De bodycam voorbeelden duiden op een disrespect voor de rechtstaat door politiefunctionarissen. In het algemeen suggereert de overheid steeds vaker dat de burger gewelddadig en doorgeslagen is. Het volk toont geen respect meer voor het bevoegd gezag. Een voorbeeld uit 2015 lijkt dat ook te onderstrepen. Een klaagster krijgt daar geen gelijk. Zij fietst op het trottoir in Amsterdam. Wordt aangesproken door een agent, maar rijdt door. De politieambtenaar houdt haar vervolgens staande. Haar man komt nog te hulp, zegt advocaat te zijn en dat de functionaris haar onheus heeft bejegend en haar geweld heeft aangedaan.

    Hoewel de klacht niet in detail wordt beschreven lijkt de politieagent kalm te blijven en de vrouw beleefd aan te spreken. De hoogzwangere vrouw reageert niet en rijdt verder op de stoep. Het beeld dat uit het voorbeeld naar voren komt is een burger die geen boodschap heeft aan de klacht van een ander, in dit geval een agent, maar het zou evengoed een andere burger kunnen zijn geweest. De ambtenaar blijft rustig en slingert haar op de bon.

    Vraag is natuurlijk of dit een voorbeeld is van een agent die zich professioneel gedraagt, of gewoon als een burger die een andere burger beleefd aanspreekt. Want hoewel er burgers zijn die onbeschoft zijn, geldt dit niet voor de meerderheid van inwoners van Nederland. Veel vergelijkbare voorbeelden van het tanende gezag staan er niet in de jaarverslagen. Drie voorbeelden uit Den Haag suggereren dat verval wel. In 2019 klagen drie mensen over “bejegening, houding en gedrag van de politie” bij stopgesprekken. De commissie oordeelt dat “een dergelijk normatief gesprek nu eenmaal op directieve toon wordt gevoerd.”

    Bij stopgesprekken worden burgers aangesproken op hun gedrag. Alleen in het licht van het diepgewortelde racisme bij de Haagse eenheid roepen de klachten wel vragen op, zeker nu ze niet in detail worden beschreven. Burgers wijzen op hun gedrag is iets anders dan ze onheus bejegenen en daar lijken de klachten over te gaan. Mensen aanspreken op hun gedrag is iets anders dan bedreigd overkomen, dat is niet als aanspreken te bestempelen.

    Een ander voorbeeld uit 2016 wijst op een dieper probleem. Bij klachten over “fysiek en verbaal agressieve” bejegening schiet de advocaat van de klagers plots de politie te hulp. Burgers klaagden over intimidatie en schreeuwen door politieambtenaren. Zonder bodycam beelden zijn er twee perspectieven, die van de agenten en de burgers. Gelukkig schiet een derde agent de twee aangeklaagde agenten te hulp om hun kant van het verhaal te ondersteunen. Dit gebeurt vaker.

    De klagers worden niet door de klachtencommissie geloofd. Tijdens de hoorzitting verklaarde de advocaat van de klagers dat de verklaring van deze derde functionaris geloofwaardig was. Einde klacht. De houding van de advocaat lijkt sprekend op de houding van de advocaat in het verhaal van de burger uit Emmen uit 2023 (‘Veiligheidsapparaat politie, justitie en rechterlijke macht dekken elkaar altijd’). Die verdachte moest zelf op zoek naar de waarheid. De advocaat vond dat de persoon niet moest zeuren, de politie had gelijk. De camerabeelden ontkrachten echter het verhaal van de agenten. Zou dit hier ook zijn gebeurd als er bodycam beelden beschikbaar waren?

     

    Zonder gelijkwaardigheid geen gezag

    In de ongelijkwaardige relatie tussen politiefunctionaris en burger trekt de klager dus aan het kortste eind. Bij de waarheidsvinding rond een klacht lijkt zelfs het klachtenrechtssysteem ook altijd in het voordeel van het opsporingsapparaat te vallen. Een voorbeeld uit Noord-Holland in 2016 over een klacht dat “een aantal medewerkers van politie hem (de klager red.) op onbehoorlijke wijze te woord hebben gestaan” schetst hoe klachtencommissies klachten proberen te pareren. De klager krijgt ongelijk, door zijn houding, ”mede in het licht van de opstelling van klager.”

    Deze opstelling wordt niet verduidelijkt, maar het zou kunnen dat de persoon geïrriteerd was door het gebrek aan professionaliteit en onpartijdigheid van de politie. Iets heeft de klager getriggerd om in de pen te kruipen en een klacht in te dienen. De klachtencommissie erkent dat zelfs door uit te wijden over het alleen surveilleren van een van de betrokken medewerkers waarover is geklaagd: “Bij deze werkwijze moet ervoor worden gewaakt dat het -in teamverband werken besloten liggende- effect van leren van elkaars werkwijze en elkaar aanvullen waar dat nodig is.” Waarom de commissie dit schrijft bij een klacht die geheel te wijden is aan de “opstelling van klager” wordt in het midden gelaten, maar het roept allerlei vragen op, niet over “het leren van elkaars werkwijze”, maar over de professionaliteit van de politie.

    De eenheid Den Haag erkent in 2019 die ongelijkwaardigheid bij drie klachten wel. Bij deze klachten wordt verwezen naar een professionele houding en zich niet laten verleiden tot machtsmisbruik. Bij twee klagers was sprake van miscommunicatie en liepen de emoties bij zowel de burger als de politie op. De klagers kregen gelijk. De derde klacht had betrekking tot een verkeerssituatie en oordeelde de commissie dat “de politieambtenaar zich onnodig had laten verleiden tot het staande houden van de klager.”

    Ook in 2021 worden drie klachten gegrond verklaard, nu in verband met “de starre houding van agenten” bij respectievelijk een bekeuringssituatie, een conflict tussen ex-echtlieden en een verkeersongeluk waarbij de echtgenoot van het slachtoffer is aangesproken. En alsof er een gegrond quotum is geeft de Haagse commissie ook in 2022 bij drie klachten in het kader van burenconflicten de klagers wel gelijk omdat politieagenten zich volgens de commissie te star opstelden.

    ‘Te star’, het toverwoord in de gegronde klachten, in de zin van onwrikbaar, mogelijk niet onpartijdig, zich duidelijk niet kunnen verplaatsen in de burger, niet open te staan voor dialoog. Onpartijdigheid staat naast professionaliteit en zakelijkheid bij het functioneren van de politie. Gebrek daaraan creëert een situatie waarin het vertrouwen in en gezag van de politie verder erodeert.

    Opvallend is dan ook dat bij zeven andere klachten uit 2019 de politie wel gelijk krijgt. Al deze Haagse klachten hadden betrekking op bevooroordeeld zijn van functionarissen bij burenconflicten. De klachten worden niet gedetailleerd beschreven maar bevooroordeelde bejegening klinkt ernstig en kan duiden op starheid op niet partijdigheid mogelijk zelfs discriminatie.

    De Haagse klachtencommissie beoordeeld de partijdigheidsklachten in 2019 als ongegrond net als de Amsterdamse politie in 2013/2014 twee klachten over discriminatie ongegrond verklaard. Amsterdam stelt wel dat de bejegening van de klagers “niet ter zake doende” en “niet professioneel” was. De Haagse commissie rept niet over de bejegening van de klagers, maar de Amsterdamse voorbeelden laten zien dat het verschil tussen onheuse bejegening en discriminatie flinterdun is. Zo maakte een agent bij een bekeuring naar aanleiding van een verkeersovertreding “een vervelende niet ter zake doende opmerking.” En bij de andere klacht lachten drie politiefunctionarissen twee burgers die ze hadden staande gehouden uit.

    De Amsterdamse commissie was misschien nog coulant ten aanzien van deze Amsterdamse klagers door wel de klacht over de bejegening gegrond te verklaren, maar vaak wordt ook in Amsterdam net als in Den Haag en andere regio’s het gebrek aan professionaliteit van de politie getolereerd zoals bij een duidelijk geval van discriminatie in 2016. De klager stelde dat een agent “wat doe je hier dan? Waarom ga je niet terug naar je eigen land, man!” had gezegd. De betreffende ambtenaar had anders verklaard en bij gebrek aan bodycam beeld of geluid krijgt de politie toch gelijk.

    Agenten krijgen vaak gelijk in situaties van “bejegening van de politie tijdens controles, bekeuringssituaties en aanhoudingen.” In Den Haag stelt de klachtencommissie in 2021 bij veertien en in 2022 bij twaalf klachten dat de politie in 2022 professioneel handelde. In de jaarverslagen staan geen details en ook niet of er sprake is van bodycam beelden of context zoals de controles zelf, staten van dienst van de politieambtenaren, systeembevragingen en omstandigheden van de klachten.

    Slechts een klacht over een controle wordt gegrond verklaard, “klager bleek te voldoen aan het door het slachtoffer opgegeven signalement en werd ondanks zijn vragen echter niet geïnformeerd over de reden van de controle.” Onduidelijk is of de klacht in zijn geheel gegrond is verklaard of slechts een deel zoals bijvoorbeeld het klachtelement over de al dan niet bestaande gelijkenis tussen signalement en de gezochte persoon.

     

    Gebrek aan gezag of gewoon machtsmisbruik

    Alle bovenstaande voorbeelden zijn nog weg te schrijven als verschillen van mening, een ander perspectief van de twee protagonisten. Een agent en een burger staan tegenover elkaar.  De ratio waarom in een situatie de een gelijk krijgt en de ander niet is niet precies te achterhalen bij de voorbeelden. De politie wint natuurlijk wel in bijna 80% van de gevallen. De burger staat vanaf het begin op achterstand en moet zelf al het onderzoek doen om zijn gelijk te halen. De commissies zijn weinig geïnteresseerd in waarheidsvinding en lijken er bijna vanuit te gaan dat de klager bij voorbaat verdacht is.

    Een Amsterdams voorbeeld uit 2022 maakt duidelijk hoe dat in de praktijk uitpakt. Een politieagent gaat op bezoek bij de klager “in verband met een bijtincident waarbij zijn hond betrokken was.” Bij incidenten waar twee burgers tegenover elkaar staan, kan een politiefunctionaris bij beide personen langs gaan als om te bemiddelen en de feiten vast te stellen. In het geval van deze klacht leek de agent in kwestie langs te komen voor een bemiddelingspoging, maar tijdens het gesprek bleek de klager als verdachte te worden verhoord. De ambtenaar had de klager daar niet over ingelicht.

    De commissie beoordeelde dat de houding van agent en de bejegening van de burger niet neutraal waren, maar dat er geen sprake was van “stemverheffing, machtsvertoon, machtsmisbruik en het onvoldoende aandacht hebben voor een slachtoffer van mishandeling.” Dat de commissie spreekt over een “slachtoffer van mishandeling” wordt niet toegelicht. Opmerkelijk is dat de commissie vindt dat er geen sprake is van machtsvertoon en machtsmisbruik, terwijl de agent duidelijk niet neutraal was, de burger niet wees op de status van het gesprek en zijn rechten en blijkbaar de bestaande machtsongelijkheid tussen burger en politie uitvergrootte. De gegronde bejegeningsklacht is duidelijk als zoethouder aan de klager gereikt, terwijl het machtsmisbruik door de commissie zelf is aangetoond. Of de klager al dan niet in overtreding was doet daar niets aan af.

    Ook van de eenheid Noord-Holland krijgt een klager in 2017 een zoethouder. De klachtencommissie schrijft dat “de telefonische bejegening van zijn vrouw als gegrond wordt beoordeeld.” Het is opmerkelijk dat de politie zelfs zover gaat om de echtgenote van een klager onheus te bejegenen. De klacht zelf, die niet beschreven wordt door de commissie, wordt ongegrond verklaard. Waarom staat niet in het jaarverslag want de klager voelde zich duidelijk geïntimideerd door de politie. De politieambtenaar vergrootte duidelijk de ongelijkwaardigheid en maakte misbruik van die macht.

    De klachtencommissie schrijft namelijk: “Zo heeft de betrokken medewerker de klager een ophoudkamer laten zien, om het verschil te illustreren met de verhoorkamer waarin klager mocht blijven. Op klager is het echter zeer intimiderend overgekomen dat hem een ophoudkamer getoond is.” Opvallend is dat de commissie aan de beschrijving van de klacht toevoegt dat de functionaris “meer empathie” had kunnen tonen, wat aansluit bij de algemene analyses van de commissies dat de politie zich niet kan verplaatsen in burgers.

    Het gebrek aan empathie en machtsmisbruik komt ook terug bij het zes uur lang insluiten van een depressieve vrouw door de politie-eenheid Midden-Nederland in 2014. Deze vrouw was opgepakt omdat haar echtgenoot de politie inlichtte over een mogelijke zelfdodingspoging van haar. Zoals de commissie het verhaal over haar beschrijft wilde de familie niet in gesprek met haar gaan. Op het politiebureau werd de depressieve vrouw in het arrestencomplex opgesloten in afwachting van de GGZ-crisisdienst. Deze had het blijkbaar druk waardoor het zes uur duurde. De politie legt daarmee de verantwoordelijkheid voor de vrijheidsbeneming volledig bij die crisisdienst. De klachtencommissie vindt de bejegening van de vrouw door de agenten correct.

    De Nationale Ombudsman waar de vrouw vervolgens haar verhaal ook doet is het met de commissie eens, “de individuele politieambtenaren hadden geen andere keuze hadden dan verzoekster over te brengen en in te sluiten op het politiebureau.” De NOM vindt echter wel dat de organisatie schuldig is aan het personen in psychische nood worden ingesloten. De ombudsman spreekt niet over schuld, maar over verwijt terwijl in het oordeel fundamentele vrijheden (grondrechten) van een burger zijn geschonden: “Verzoekster had geen strafbare feiten gepleegd, maar werd desondanks in een politiecel geplaatst.” Natuurlijk is de organisatie medeschuldig als er geen goede oplossingen zijn geboden, maar uiteindelijk hebben functionarissen gehandeld en hun macht misbruikt als zij niet creatief zijn omgegaan met een situatie waarin een persoon om hulp vraagt en vervolgens duidelijk wordt gestraft.

    Over de eenheid Den Haag oordeelt de ombudsman in 2022 tweemaal over fundamentele rechten. Bij een klacht gaat het over huisvredebreuk door de politie. In 2020 forceerde de Haagse politie de toegang tot een huis “naar aanleiding van de huiselijk geweld melding in een woning waarin kleine kinderen aanwezig zouden zijn.” De NOM noemt het “begrijpelijk en prijzenswaardig” in lijn met het ongegrond verklaren van de klacht van de bewoner door de klachtencommissie. Nu is een dergelijke situatie met kinderen erg alarmerend en complex, maar de ombudsman schrijft dat er geen sprake was van een noodsituatie waardoor binnentreden niet opportuun was. Hier was duidelijk sprake van machtsmisbruik en de vraag is of de kinderen waar sprake van zou zijn gebaat zijn met een dergelijk bruut politieoptreden.

    Van machtsmisbruik is ook sprake door de Haagse klachtencommissie zelf. Bij een klacht uit de periode van de avondklok uit 2020 verklaart de ombudsman de bejegening correct. Het oordeel is opmerkelijk want terwijl de burger slechts aan de ambtenaar in functie vraagt wat er aan de hand was, krijgt hij niet alleen te horen dat hij zich er niet mee moest bemoeien ook nog een persoonlijke opmerking toegeworpen “dan kan jij me wel aan blijven kijken met je waterige oogjes.”

    Die laatste opmerking is niet als professioneel en zakelijk te bestempelen, helemaal omdat de politie erkent dat de klager “de juiste intenties had en de motoragent wilde helpen.” Blijkbaar vond de motoragent, die niet alleen opereerde omdat er ook een politieauto in de buurt was, dat de burger wat te lang bleef dralen. Dat deze bejegeningsklacht niet als gegrond wordt verklaard door de NOM is des te opmerkelijk omdat in het oordeel ook staat dat politie en klachtencommissie “niet in overeenstemming met het vereiste van luisteren naar de burger hebben gehandeld en te lichtvaardig is besloten de klacht af te wijzen.” De bejegeningsklacht was door de Haagse eenheid niet in behandeling genomen, zoals vaker klachten terzijde worden geschoven. Een andere klacht van een burger die zich in 2020 mengde in een gesprek was wel in behandeling genomen maar ook ongegrond verklaard. De agent zou zich professioneel gedragen, maar details ontbreken.

     

    Van machtsmisbruik naar autoritair optreden?

    Machtsmisbruik kan ook doorslaan en dan is er geen sprake van misbruik, maar van autoritair optreden. Onderzoek van Buro Jansen & Janssen heeft dit de afgelopen decennia vaak aangetoond bij politieoptreden zoals ten tijde van de invoering van de Wet op de Identificatieplicht en preventief fouilleren. Bij de klachten zitten verhalen waar duidelijk sprake is van burgertje pesten door de politie (burgers in Rotterdam spreken al jaren over treiteren door de politie in discriminatieklachten).

    Zo zit in 2015 een dakloze man op de trappen van het beursgebouw in Amsterdam te eten. Twee agenten spreken de man aan dat hij daar niet mag zitten en ook geen aardappelschilmes mag hebben. Als de man zijn eten wil opruimen valt het op de grond. De politiefunctionarissen lachen hem uit en bedreigen hem met boetes voor het bezit van een mes, zitten en vervuilen van terrein van de gemeente. De klachtencommissie stelt de klager in het gelijk. De politie had geen reden om de persoon aan te spreken, hij zat te eten en verstoorde de openbare orde niet en daarom was er ook geen reden om naar zijn identiteitsbewijs te vragen.

    De Amsterdamse commissie spreekt over niet behoorlijk optreden door de agenten, maar de klager voelde zich “onheus bejegend en beledigd” en zelfs gediscrimineerd.” Dat gaat verder dan onbehoorlijk, ook omdat de “klager vermoedt dat hij is aangesproken omdat hij allochtoon is.” Een serieuze commissie zou werk maken van dit pestgedrag en de uitingen van de ambtenaren in functie en de staat van dienst van deze agenten doorlichten op discriminatoir optreden.

    Een ander Amsterdams voorbeeld uit hetzelfde jaar schetst eenzelfde beeld. Een persoon zit in de buurt van het Centraal Station van Amsterdam een joint te roken. Twee agent gebieden hem zich te legitimeren, de persoon wordt ook gevorderd weg te gaan en de ambtenaren voegen daaraantoe dat hij moet “oprotten.” Als de man weigert weg te gaan wordt hij aangehouden wegens verstoring van de openbare orde en hardhandig gefouilleerd op het politiebureau.

    Opnieuw spreekt de klachtencommissie over niet behoorlijk gedrag door de agenten ten aanzien van het wegsturen. Op de plek waar de man zich bevond was er geen sprake van een verbod op het gebruik van softdrugs en ook veroorzaakte hij geen overlast. Van enige wettelijk grond voor het vorderen van een identiteitsbewijs en de aanhouding was dan ook niet sprake. Vervolgens wordt dit autoritaire optreden van de politie door de commissie wel goedgepraat, want de bejegening van de klager was correct. Mensen aangeven dat ze moeten “oprotten” is blijkbaar professionele bejegening want de “commissie acht de door de politieambtenaren afgelegde verklaringen aannemelijk.” Ditzelfde geldt voor de fouillering en het geweld tegen de burger die als behoorlijk worden bestempeld. Niet de klager wordt geloofd, maar de autoritaire agenten.

    Een andere klager uit 2015 stelt dat hij “ten onrechte is aangehouden op verdenking van winkeldiefstal.” Deze klacht lijkt op de discriminatieklacht uit 2018 over een signalement alleen met dit verschil dat de klager zich nog in de winkel bevond en beveiligers hem hadden aangewezen als verdachte. Of dit uiteindelijk juist bleek staat niet in de klacht, maar er was alle reden voor de politie om de persoon aan te houden, dat door de commissie als behoorlijk wordt beoordeeld. Dat moet echter wel correct gebeuren. En daar gaat het mis.

    Vijf agenten gebruiken buitensporig veel geweld om de verdachte veel te strak te boeien. De klager stelt dat hij niet is verteld waarom hij werd aangehouden en is uitgelachen. De commissie gelooft hem niet. Daarentegen zijn het buitensporig geweld door vijf agenten en te strak boeien wel vastgesteld door de commissie ondanks de afwezigheid van bodycam beelden. Iedereen moet blijkbaar een beetje gelijk krijgen van de klachtencommissie, de politie echter altijd iets mee.

    Een klacht over een aanhouding uit 2017 laat zien dat de klachtencommissie Amsterdam wel degelijk heldere richtlijnen hanteert voor het gedrag van agent. Zo schrijft dat commissie dat “politieambtenaren aan hoge gedragsnormen moeten voldoen.” Vervolgens wordt verwezen naar de relatie tussen burger en politie die “per definitie ongelijkwaardig” is helemaal als die burger het niet eens is met het bevoegd gezag. De commissie stelt dat in die omstandigheden “van de politieambtenaar mag worden verwacht dat hij professioneel en de-escalerend kan optreden.”

    Heldere taal en het oordeel bij deze klacht is overeenkomstig met deze richtlijn. De aanhouding van “de verdachte van de mishandeling van zijn echtgenote” was behoorlijk en omdat de man naakt was moest hij overgebracht worden naar een andere etage. De verdachte was het echter niet eens met de politie en geeft ook aan de commissie toe dat hij zich verzette en provoceerde, maar de agenten de-escaleerden niet. Zij stelden dat de boze verdachte zijn kop moest houden en dat hij een zielig mannetje was. Dit heeft mogelijk bijgedragen tot meer duw- en trekwerk dan misschien noodzakelijk was en daarom wordt de bejegening als onbehoorlijk beoordeeld.

     

    Autoritair optreden of is het arrogantie

    Een dergelijk oordeel bij een klacht van een verdachte van mishandeling is opvallend, er staan er heel weinig in de jaarverslagen. Het geeft echter wel duidelijk aan wat de grenzen zijn van professioneel handelen. In de algemene omschrijving van onheuse bejegening staan ook duidelijk punten zoals “zonnebril ophouden.” De burger niet in de ogen kijken. Dat gebeurde in 2019.  Een burger stelt dat een functionaris zijn zonnebril ophield. De klacht werd echter ongegrond verklaard omdat volgens de commissie de politieagent die vrij snel zou hebben afgezet en er vervolgens een gesprek plaatsvond van een half uur. Waarom de klager toch een klacht indiende maakt de commissie niet duidelijk, maar blijkbaar toonde de agent niet veel respect anders had de klager niet besloten de klacht in te dienen en die door te zetten.

    In hetzelfde jaar klaagde een burger over een motoragent die de helm ophield. De commissie oordeelt opnieuw in het voordeel van de agent, zijn verbindingsmiddelen zitten in de helm. Toch zette ook deze klager zijn klacht door en vond de agent arrogant overkomen niet alleen in verband met het ophouden van de helm, maar ook omdat de agent “de hand op de koppel hield.” Volgens de commissie was er een gesprek, maar de burger vond dat de hand op de koppel houden (lees vuurwapen red.) blijkbaar geen respect tonen. Door het ontbreken van enige context, lijkt het in deze gevallen (het zonnebril en helm incident) om vervelende burgers zou gaan, terwijl deze wel degelijk tegen de stroom in een klacht hebben ingediend. Blijkbaar was er iets aan de hand.

    Twee andere klachten uit Amsterdam (2024) en Den Haag (2020) schetsen de context wel en dan blijkt dat de klagers wel degelijk een punt hadden. In Amsterdam wordt een bestuurder van een scooter staande gehouden. De politieagent blijft in zijn auto zitten. Zie hier het beeld van een agent die zijn arm op het openstaande raam laat rusten, andere hand op het stuur en de burger terecht wijst. Net als bij de zonnebril en het ophouden van de helm een gelijkenis met stoere agenten uit politiefilms. Met professionaliteit en zakelijkheid heeft het niets te maken.

    Bij deze klacht wordt dit nog extra duidelijk omdat de functionaris de klager “de reden van de staande houding” niet direct meedeelde. De scooterrijder reed zonder helm maar de politieambtenaar had dit in eerste instantie niet gezegd en wijdde blijkbaar uit over het feit dat hij haast had in verband met een spoedmelding. Het beeld van de stoere agent wordt nog absurdistischer omdat blijkbaar de ambtenaar niet in staat was om een normaal gesprek te voeren. De commissie schrijft dat het naar aanleiding van dit ‘incident’ adviseert “om uit te leggen waarom de politie bepaalde vragen stelt om te voorkomen dat de vragen op de burger als onbehoorlijk overkomen.” De commissie lijkt zelf ook te willen bijdragen aan het absurdisme van de stoere agent, want hoewel er een advies is, is onduidelijk of de klacht nu gegrond is verklaard of niet.

    Duidelijk is de klachtencommissie in Den Haag wel in 2020 waar een klager deels in het gelijk was gesteld omdat een politieambtenaar “tijdens een controle met een zaklamp in klagers gezicht bleef schijnen.” Volgens de agent wilde hij voorkomen dat hij “continue gefilmd” zou worden. Of dat in dit geval ook aan de hand was, laat de commissie in het midden. Ondanks het gelijk van de klager is het echter ernstiger dat de klachtencommissie een misplaatste opmerking maakt over het feit dat “de politie ongehinderd en veilig haar werk” moet kunnen doen ook bij filmen. Die opmerking is misplaatst omdat de commissie verzuimt in te gaan op de mogelijke slechte relatie tussen de klager en de agent in kwestie en zelfs het mogelijk discriminatoir gedrag van de functionaris.

    Op het eerste gezicht lijkt het verhaal van de klager duidelijk. De agent schijnt met een zaklamp in het gezicht van de persoon. Aan deze klacht ging echter een andere klacht over een uit de hand gelopen gesprek. De commissie wil over die eerdere klacht geen oordeel vellen. Het stelt wel dat “de klager de Nederlandse taal niet geheel machtig was” en dat dat “de ontstane miscommunicatie en het oplopen van emoties bij zowel klager als de politie” zou hebben veroorzaakt. Waar de opmerking over de Nederlandse taal vandaan komt, maakt de commissie niet duidelijk, maar is volstrekt niet ter zake doende. Van belang is dat beide klacht, de miscommunicatie en het in het gezicht schijnen, aan elkaar gekoppeld zijn. De commissie legt dit verband niet, maar het gebrek aan vertrouwen van deze burger door die eerste niet erkende klacht kan ertoe hebben geleid dat hij de agent is gaan filmen. De klager had daar reden toe omdat de agent zich eerder niet professioneel, zakelijk en onpartijdigheid had opgesteld. Zeker bij de eenheid Den Haag met de vele racistische incidenten, zou een steviger oordelende klachtencommissie de burger beter beschermen.

     

    Is de politie gewoon onbeschoft?

    Autoritair optreden kan voortkomen uit het gebrek aan gezag, de tijden zijn veranderd, de burger heeft ook een mening. Machtsmisbruik, arrogant gedrag liggen dan zeker op de loer, maar het politieoptreden kan ook voortkomen uit een gebrek aan beschaving. Handelt de politie gewoon onbeschoft? Zo klaagde een Amsterdammer in 2016 over een politieambtenaar die “nors, onvriendelijk en onbeschoft” was. De klager sprak de agent beleefd aan over discriminatie bij een horecagelegenheid, maar de agent blafte hem af. De commissie vond alleen dat de politieagent onbehoorlijk was omdat deze de klager bleef tutoyeren. Dit zou blijken uit de beelden van het gesprek tussen de twee, maar hoe dit is vastgesteld is onduidelijk. Commissie stelt opnieuw toch ook de politie in het gelijk.

    In een andere klacht uit 2016 wordt de klager voor zover duidelijk wel volledig in het gelijk gesteld. Een agent, onduidelijk of het dezelfde is, noemde een burger “schijnheilig en asociaal.” De context staat niet in het jaarverslag wel dat de klachtencommissie vindt dat “de opmerkingen niet stroken met het vereiste van een objectieve, onpartijdige en professionele bejegening.” In Den Haag werd een klacht van een burger ook gegrond verklaard omdat “een politieambtenaar zich denigrerend uitliet over een hobby van de persoon.”

    In 2022 wordt een op het oog vergelijkbare klacht niet gegrond verklaard door zowel de klachtencommissie als de Nationale Ombudsman. In het jaarverslag van de Haagse commissie staan geen details wel dat “de vraagstelling naar klagers mentale gezondheid in het kader van de hulpverlening iets genuanceerder had gekund.” Dit klinkt niet als een “professionele, zakelijke en onpartijdige” communicatie van een ambtenaar. Het ontbreken van de precieze uitspraken, maar ook de context en het feit dat klager zich blijkbaar beleefd uitte ten aanzien van de politie roept extra vragen op over de ongegronde oordeel. De ongelijkwaardigheid tussen politie en burger is blijkbaar niet meegewogen en dat wordt ook duidelijk uit het feit dat het in de klacht aan de NOM ook gaat over de “vraagstelling van de commissie.” Klagers waren daar blijkbaar niet over te spreken. Dat sluit aan bij allerlei vragen over de neutrale wijze waarop klachtencommissies opereren bij discriminatie en bejegeningsklachten.

    Die neutrale wijze van handelen en communiceren die van politie en zeker klachtencommissies kan worden gevraagd gaat natuurlijk over de vraag, ben je als politieagent burger of kunnen er “hoge gedragsvormen” worden gevraagd aan functionarissen. Renate van den Boom (coördinator Preventie & Integriteit, afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) Landelijke Eenheid) zegt daarover in het jaarverslag van 2019: “Team VIK van de Landelijke Eenheid ontvangt regelmatig meldingen van burgers die zich beklagen over hachelijke verkeerssituaties of onheuse bejegening door collega’s in burger tijdens een staandehouding buiten diensttijd. Wanneer je in je vrije tijd zelf betrokken bent bij een verkeersruzie, kan er een situatie ontstaan waarbij het zelfstandig optreden juist als agressiekatalysator werkt.” Zij spreekt daarnaast over “belangenverstrengeling” en een melding doen in plaats van handelen. Als agent ben je niet zomaar burger, de ongelijkwaardigheid verdwijnt niet op het moment dat het uniform wordt uitgetrokken.

     

    Bejegening in contacten met familie van het slachtoffer

    De politieagent als burger daar ging het eerste voorbeeld over van de zwangere vrouw die op de stoep fiets. Een beleefde agent sprak haar aan, zoals misschien een willekeurige voetganger dat had gedaan. De agent blijft rustig, houdt haar staande en slingert haar op de bon, zelfs met een toegesnelde tegenstribbelende advocaten echtgenoot tegenover zich. Dit voorbeeld van een professionele, neutrale en onpartijdige opererende functionaris lijkt voorbeeldig, zelfs als er kritiek zou komen op het feit dat de vrouw zwanger was. Waarom haar staande houden? Zonder context is het moeilijk de situatie precies te beoordelen, maar de ambtenaar in kwestie had in eerste instantie haar aangesproken en wilde met haar in dialoog. De vrouw luisterde niet fietste gewoon door en deed alsof de andere persoon niet bestond. Logisch dat er dan vervolgstappen worden gezet.

    Zo ook door burgers die het gevoel hebben dat de politie niet in staat is om zich in te leven in de positie van klagers of de dialoog niet open aangaan. Het relaas van de familie van de vermoordde Willeke Weeda schetst het verhaal van nabestaanden die bij opsporingsinstanties op een muur van onwil stoten. Dat is ook wat andere nabestaanden voelen bij de politie-eenheid Midden-Nederland. Twee klachten uit 2015 en 2019 gaan over de bejegening van nabestaanden. De klacht in 2015 gaat over de communicatie van de politie bij “een man die na een worsteling met een GGZ-medewerker in een GGZ-instelling was overleden” en in 2019 gaat het over “een man die suïcide pleegde.”

    In beide gevallen lijkt de politie vooral bezig te zijn met het zoeken naar redenen om vooral geen excuses te hoeven aan te bieden. In 2015 zouden er niet voldoende familierechercheurs zijn in verband met het door Rusland neergeschoten MH-17 toestel. In 2019 bevond het “werken met een familieagent zich in de pilotfase.” Natuurlijk wordt er ook door de commissie geen excuses aangeboden. De klacht uit 2015 wordt ongegrond verklaard en in 2019 onthoudt de commissie zich van een oordeel. De Nationale Ombudsman die ook naar beide klachten keek oordeelde in beide gevallen dat de politie andere keuzes had kunnen of moeten maken.

    Opvallend in het oordeel over de 2015 klacht is dat het aanspreekpunt voor de familie “de rechercheur die het onderzoek naar de doodsoorzaak van de GGZ-patiënt uitvoerde” was. Dat is natuurlijk opmerkelijk en zonder dat er details over de klacht in het jaarverslag staan, roept het de vraag op of de agent in kwestie wel onpartijdig in zijn communicatie met de nabestaanden kon zijn. Bij deze klacht staat niets over de inhoud van de communicatie tussen de politiefunctionaris en de nabestaanden, maar met in het achterhoofd het verhaal van de depressieve vrouw die zes uur wordt opgesloten in een politiecel in 2014 zonder dat er sprake is van een strafbaar feit, is het wel de vraag of de politie zich kan verplaatsen in burgers en open staat voor een dialoog.

    Bij de klacht uit 2019 staat dat “de ouders en broer van de overledene steeds minder te spreken over het optreden van de familieagent.” De Nationale Ombudsman stelt dat “de familieagent er op verschillende momenten … niet in is geslaagd om de familie adequaat te informeren.” Klachtencommissie en NOM willen niet echt oordelen. De commissie zegt dat beide partijen tegenover elkaar stonden zoals zo vaak bij de communicatie tussen politieagent en een burger. De NOM stelt dat er “onvoldoende duidelijkheid bestaat over de rol en de taken van de familieagent” bij de politie. De oordelen zullen voor de nabestaanden als een klap in het gezicht voelen. Daar waar een gepast excuses op zijn plaats was geweest, komt er eigenlijk een oordeel dat in het voordeel van de politie uitvalt. Beetje onhandig en een onduidelijke functieomschrijving zullen als oordelen van klachteninstanties als een trap na voor de nabestaanden hebben gevoeld.

     

    Een naar binnen gekeerd apparaat

    Die klap of trap is natuurlijk groter als er klachten worden in gediend over onprofessioneel politieoptreden in het kader van strafbare feiten als stalking en seksueel geweld. Eigenlijk kan er dan niet meer echt gesproken worden over onheuse bejegening, maar is het vooral een bewijs van een naar binnen gekeerde politie. De klacht over stalking loopt vanaf 2017 en in 2021 oordeelt de klachtencommissie dat de zaak “vanaf het begin niet voortvarend is opgepakt.” Ook de commissie heeft niet echt daaraan bijgedragen blijkt uit een mislukte interventie in 2019, naast een onzorgvuldig opsporingsonderzoek in 2020 en successievelijke mislukte vervolging door het openbaar ministerie.

    De verkrachtingszaak is eigenlijk alleen maar zeer tragisch te noemen. Als een slachtoffer in 2014 een klacht indient en zeven jaar later hoort dat de commissie vindt dat de politie “ernstig te kort is geschoten” kan de vraag worden gesteld of de klachtencommissie er nog wel toe doet. Politie en openbaar ministerie hebben de zaak tegen de verdachte bij zijn vrijlating uit voorarrest direct geseponeerd en ook nog eens geen forensisch onderzoek uitgevoerd. Of dat allemaal niet erg genoeg is, is het slachtoffer ook ontmoedigt door de opsporingsdiensten tot het doen van aangifte. Niet de politie, openbaar ministerie of de politieklachtencommissie hebben de zaak vlot getrokken, maar het slachtoffer die een klachtprocedure bij het gerechtshof is gestart om de verdachte te vervolgen.

    Schokkend is dat de commissie in 2021 schrijft dat “uitsluitend door de vasthoudendheid van de klagers uiteindelijk resulteerden in een opsporingsonderzoek en een veroordeling door een rechter,” maar niet aan introspectie wil doen. In de klacht over de afhandeling van verkrachtingszaak verwijst de commissie naar een onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid een onderzoek naar de taakuitvoering van zedenrechercheurs en specifiek daarbinnen de bejegening van slachtoffers. Het jaarverslag rept over het gebruik van de ‘casus’ voor leerdoeleinden en al ingezette verbeteringen in de huidige werkprocessen. Geen boetedoening, diepe kniebuiging, zelfs geen minimale sorry, zoals de Haagse commissie in 2018 nog zegt, over zo’n gigantische fuck up.

     

    Politie is laatdunkend gewoon over burgers

    De verkrachtings- en stalking klachten stammen uit 2014 en 2017. Tien jaar later zal de politie toch iets geleerd hebben. Afgaande op de nieuwsstroom over de politie lijkt dat echter niet het geval. Capaciteitsgebrek, lange procedures, plankzaken, onderzoek naar ernstige misdrijven die worden gestopt, de schier eindeloze rij aan excuses is voor slachtoffers niet echt bemoedigend. Vandaar dat een slachtoffer tegen De Nieuws BV in 2023 aangeeft: “Ik zou het andere slachtoffers van seksueel misbruik niet aanraden om aangifte te doen.”

    Wie de bovenstaande klachten in dat perspectief plaatst vraagt zich af wat klachtencommissies en de politie zelf eigenlijk voor zin hebben. Beide slachtoffers hebben het opsporingsonderzoek en de vervolging zelf op poten moeten zetten. De ene succesvoller dan de ander. Dit contrast, een ineffectief klagend opsporingsapparaat en volhardende klagers, wordt nog scherper als daarnaast veroordelingen door rechters worden gezet. Het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie en Veiligheid) spreekt over acht van de tien zaken die tot een veroordeling leiden. Het NPO Radio1 programma Misdaadbureau rond het naar boven af en komt op negen op de tien zaken (86%).

    Blijkbaar is een veroordeling binnen handbereik, maar rond die berichtgeving begint de politie de slachtoffers de schuld te geven. Ze doen geen aangifte, er is geen bewijs, moeilijk, moeilijk, moeilijk. Eigenlijk verwonderlijk dat mensen nog aangifte doen bij een apparaat dat vooral met zichzelf bezig is, terwijl Het tv-programma de Monitor aangeeft dat vijf procent van de aangiften leiden tot een veroordeling en de meeste mensen nooit meer iets horen over hun aangifte. Nu gaat dit onderzoek niet over het gebrek aan actie bij de politie maar om de bejegening van burgers. Bij de verkrachtings- en stalking klachten gaat het echter voor een belangrijk deel wel om bejegening. “Niet voortvarend”, “niet echt bijgedragen”, “mislukte interventie”, “onzorgvuldig”, “niet uitgevoerd”, “seponeren”, “ontmoedigd”, het zijn zomaar wat woorden uit de beschrijvingen van de commissie.

    Natuurlijk begint goed onderzoek bij taal, bij communicatie, professioneel, zakelijk en onpartijdig, zoals veel klachtencommissies het verwoorden. De kernwaarden van overheidsoptreden: “Open en duidelijk, Respectvol, betrokken en oplossingsgericht en eerlijk en betrouwbaar.” Als het bij die communicatie in eerste instantie al misgaat, kan van de opsporing niets meer worden verwacht. Zie het als een diagnose door de niet luisterende arts. De behandeling wordt nooit wat. Zo schrijft de commissie van de eenheid Noord-Nederland in 2014 dat de politie zich “laatdunkend over betrokken burgers” uitlaat wat vaak leidt tot het “niet opnemen van een aangifte” en “gebrekkige interne communicatie” wat vervolgens leidt tot “slechte terugkoppeling over het afhandelen van de aangifte en het opsporingsonderzoek.” Zie hier de keten van een falend apparaat dat met de rug naar de samenleving staat. Niet zakelijk, professioneel en onpartijdig, maar zelfingenomen.

     

    Samenvatting

    Politie laat zich laatdunkend uit over burgers. Slechts 1 van de 8 dagelijkse klachten over onheuse bejegening door de politie wordt gegrond verklaard. (data)