• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eigen volk eerst of laatst

    Vluchtelingen worden niet beschouwd als staatsburgers. De staten zien hen niet als hun eigendom, dat zij dus ook niet hoeven te beschermen. In de jaren dertig worden ze op een aparte manier geregistreerd en behandeld en als het in 1939 oorlog wordt tussen de staten, groeit het wantrouwen tegen hen.

    Zelfs bij de jodenvervolging wordt nog een onderscheid gemaakt tussen joodse vluchtelingen en Nederlandse joden. Wat betreft de anti-joodse maatregelen zijn de Nederlandse autoriteiten van mening: eigen volk laatst, buitenlandse joden eerst.

    De papieren mens

    Besluit Bevolkingsboekhouding 1936: ‘Een persoon die in Nederland geboren is, daar woont of zich daar blijvend vestigt, dient te zijn ingeschreven op een persoonskaart.’ De nieuwe persoonskaart volgt de persoon ‘van de wieg tot het graf’. De persoon verhuist, vertrekt naar het buitenland, overlijdt na geboren te zijn – waarvan allemaal akte op de persoonskaart.
    De maker van de kaart, Lentz, directeur van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters, had nog wel meer gewild. Er was immers nog ruimte genoeg om aan te tekenen of de betreffende persoon ‘een hazelip, nomadische neigingen, een pensioen had, of onvolwaardig, onvruchtbaar, blind, armlastig, onder curatele gesteld was.’ Zover zou het niet komen, wat niet wegneemt dat een tijdgenoot van Lentz triomfantelijk kon opmerken: “Nergens ter wereld vindt men een bevolkingsregister, dat wat volledigheid en nauwkeurigheid aangaat, met het onze op een lijn kan worden gesteld.”
    Lentz’ Papieren Mens – de Nederlandse staatsburger – staat niet alleen beschreven op een persoonskaart. Hij/zij woont in een huis en ook dat staat geregistreerd en wel in een afzonderlijk woningregister.
    Niet in een woningregister bevinden zich de zwervers. Zij wonen niet in een huis, maar leven wel binnen de staatsgrenzen. Ze zijn niet erg standvastig en bewegen aldoor. En eigenlijk geldt hetzelfde voor zigeuners en woonwagenbewoners. Hebben die trouwens wel een nationaliteit? En aan welke staat behoren ze toe?
    En dan zijn er ook nog de vluchtelingen.
    Zij komen in de jaren twintig vooral uit Oost-Europa. Het zijn Poolse joden en statenloze joden: statenloos geworden door de oorlogen waarbij bestaande staten verdwijnen en nieuwe ontstaan.
    Na 1933 worden het meer en meer Duitse joden, maar ook nog steeds Poolse, in Duitsland niet welkom. Erg welkom zijn ze ook niet in Nederland. De Polen nog minder dan de Duitsers – ze zijn armer. Veel werk hebben geen van beiden.
    Hebben ze wel werk, dan is dat evenmin in hun voordeel. Want als vluchtelingen werken, werken er Nederlandse burgers niet. Zij, de vreemdelingen maken het werk van de eigen burgers op. Vandaar dat er in 1934 een wet voor buitenlandse arbeidskrachten komt, de ‘Wet tot regeling van het verrichten van arbeid door vreemdelingen’. Wanneer voor bepaalde bedrijfstakken Nederlandse arbeidskrachten beschikbaar zijn, zo staat in de wet, krijgen deze de voorkeur boven buitenlanders. Oftewel: eigen volk eerst. Werk is een probleem, maar geen werk ook, want zonder werk beschik je over ‘onvoldoende middelen van bestaan ‘, gevolgd door alweer problemen met je verblijfsvergunning. Heb je geen verblijfsvergunning, dan ben je illegaal, ben je illegaal, dan…. enz., enz..

    Dachau nummer 2

    Op 19 december 1938 vaardigt het departement van Binnenlandse Zaken een beschikking uit voor de registratie van ‘Joodse en z.g.n. niet-arische vluchtelingen.’ De beschikking geldt voor vluchtelingen die na 1 maart 1938 Nederland zijn binnengekomen. Die datum is niet willekeurig gekozen. In maart is de massale uittocht van joden begonnen uit het door Duitsland ingelijfde Oostenrijk. Na de ‘Kristallnacht’ in november 1938 volgen in groten getale de joden uit Duitsland zelf.
    Deze ‘Joodse en z.g.n. niet-arische vluchtelingen’ mogen volgens de nieuwe beschikking van Binnenlandse Zaken de eerste vijf jaar van hun verblijf in Nederland niet in het bevolkingsregister worden opgenomen. Voor hen dus geen persoonskaart in het gemeentelijk bevolkingsregister, maar aparte kaarten in een apart persoonsregister. Lichtgroene voor mannen en roze kaarten voor vrouwen.1
    Woonde je in een kamp, dan werd je meestal,voor alle zekerheid, dubbel ingeschreven: een keer in de kampadministratie en een keer in het speciale vluchtelingenregister van de gemeente waar het kamp zich bevond. In Amsterdam was dat bijvoorbeeld het geval met de bewoners van de voormalige quarantaine-inrichting aan de Zeeburgerdijk.2
    Eerst hadden onder toezicht van Binnenlandse Zaken Duitse joodse kinderen aan de Zeeburgerdijk verbleven. Daarna waren tweehonderd volwassen vluchtelingen gekomen. Ze waren legaal Nederland binnengekomen, dat wil zeggen ze hadden reeds in Duitsland vergunning gekregen om via een officiäle doorlaatpost Nederland binnen te komen. Vandaar dat ze ook onder het ministerie van Binnenlandse Zaken vielen (illegalen vielen onder Justitie).3 Maar ondanks hun legale status werden ze scherp bewaakt, aan de buitenkant van het kamp door de Amsterdamse politie en binnen door rijksveldwachters.
    In een rapport over het kamp schrijft een Amsterdamse inspecteur van politie: ‘Ten aanzien van de nieuwe bewoners van het kamp zullen andere – strengere – bewakingsmaatregelen moeten gelden dan voor kinderen. (…) Toegezien zal worden dat van buiten geen personen via de omheining contact onderhouden met de kampbewoners, terwijl zal worden tegengegaan, dat de kampbewoners zich op onregelmatige wijze uit het kamp verwijderen.’4
    Je mocht het kamp alleen bij bepaalde gelegenheden verlaten ân met een legitimatiebewijs van de kampcommandant. Begaf je je zonder toestemming naar buiten, dan dreigde uitgeleiding: naar het land van herkomst.
    Je toekomst was onzeker. Al was je legaal het land binnengekomen, het beste waar je op kon hopen was een verblijfsvergunning van tien tot dertig dagen. Na die termijn beoordeelde de vreemdelingenpolitie elke keer opnieuw of je kon blijven of niet.
    Verbleef je illegaal in Nederland, dan zag het er natuurlijk nog slechter voor je uit. Werd je dan ergens aangehouden, dan kon je rekenen op uitgeleiding: naar het moorddadige land van herkomst. Was je een legale illegaal dat wil zeggen had je geen verblijfsvergunning, maar was je bij de autoriteiten wel bekend, dan kwam je terecht in een kamp onder toezicht van Justitie. Dan was uitgeleiding echter ook niet uitgesloten.
    Erwin Kampelmacher was een illegale vluchteling. Aanvankelijk verbleef hij in een pension in Amsterdam totdat hij zich bij de vreemdelingenpolitie moest melden. ‘In een zijsteeg staan meerdere bussen, wat me te denken geeft.’ Inderdaad gebeurt dat waarvoor hij bang is: hij en honderden anderen worden in de bussen geladen en moeten Amsterdam verlaten. Ze hebben geen idee waar de tocht naartoe gaat. Naar het oosten, in ieder geval. Duitsland vreest Kompelmacher. Het zal uiteindelijk Veenhuizen worden, waar ze na 10 uur rijden aankomen, in interneringskamp Norg: getraliede ramen, hekken met prikkeldraad. ‘Dachau nummer twee, merkt iemand achter me op.’5

    Iedere ‘Joodse en z.g.n. niet-arische vluchteling’ was sinds de Beschikking van december 1938 geregistreerd, dubbel, driedubbel, op aparte kaarten. Maar de illegale vluchtelingen brachten het niet eens zo ver. Zij bevonden zich vrijwel naamloos, ergens in een kamp in Veenhuizen of in een school in Reuver. Ze waren meestal slechts even ingeschreven in het kampregister en daarna weer doorgestreept met een pennestreek. Aangekomen, waar vandaan? En vaak weer verdwenen, zonder een spoor achter te laten.
    Het was vooral Rijksvreemdelingendienst die erop aandrong de illegale vreemdelingen niet officieel te registreren. De Dienst was bang dat hun verwijdering uit Nederland moeilijker zou gaan als zij werden geregistreerd. Ze mochten daar eens rechten aan ontlenen!

    Het niet registreren van illegale en het afzonderlijk registreren van legale vluchtelingen, ging natuurlijk wel ten koste van de uniformiteit van de Nederlandse bevolkingsboekhouding. Terwijl toch de bedenker ervan, Lentz, die boekhouding zo had opgezet dat ieder individu, iedere groep zonder grote problemen kon worden ingepast.
    Maar Lentz vond aan de andere kant ook, net als de Rijksvreemdelingendienst, dat opname in het bevolkingsregister een (voor)recht was dat niet zonder meer voor iedereen was weggelegd. Men werd er een staatsburger door en een stukje van de staat zelf: staatseigendom dat tegen indringers moest worden verdedigd.

    Oorlog in Europa

    In september 1939 wordt het weer oorlog in Europa. Eân van de vele maatregelen die in verband daarmee in Nederland worden genomen, is de uitreiking van distributiebescheiden. En opnieuw komt de positie van de legale, illegale, statenloze en dus rechteloze vluchtelingen aan de orde.
    Iedere Nederlander kreeg een distributiestamkaart6 uitgereikt waarmee levensmiddelen konden worden verkregen. Bovendien betekende het bezit van een dergelijke kaart dat men was ingeschreven in het bevolkingsregister.
    En de vluchtelingen? Zij stonden niet ingeschreven in het bevolkingsregister. Moesten zij soms niet eten of leefden ze van de lucht en hadden ze geen distributiestamkaart nodig? Natuurlijk wel. De distributie geldt voor iedereen, er wordt geen onderscheid gemaakt. Iedereen moet eten. Dus ook distributiekaarten voor de vluchtelingen. Maar hoe? Door ze eerst in te schrijven in het bevolkingsregister? Maar dan dreigden ze weer een soort staatsburgers te worden met aanspraak op allerlei rechten. Op 5 september 1939 schrijft Lentz aan zijn ‘amice’ Sijdzes, chef van het Amsterdamse bevolkingsregister, over de distributiebescheiden voor vluchtelingen: ‘Het beste zou zijn om telkens weer opnieuw distributiebonnen aan de vluchtelingen uit te reiken. ‘Ik acht het wel nuttig, dat dat volkje zich nu en dan eens vertoont.’ 7 Maar als dat niet mogelijk is, dan maar in godsnaam een stamkaart, zij het een andere dan die van de echte Nederlanders, met een andere kleur. En zo gebeurde het ook. In Amsterdam krijgen de joodse vluchtelingen in oktober een distributiestamkaart. De kleur is inderdaad een andere, een vreemde: niet groen maar rood, en de uitreiking vindt gescheiden plaats. De niet-arische vreemdelingen kunnen hun kaart afhalen in de Diamantbeurs aan het Weesperplein. Ook de kampbewoners van de Zeeburgerdijk en de gasten van het Lloyd-vluchtelingenhotel dienen zich daar te vervoegen. Zij moeten natuurlijk wel een legitimatiebewijs bij zich hebben van de kampcommandant, om zich buiten het kamp te bewegen.
    De oorlog komt dichterbij. In april 1940 valt het Duitse leger Noorwegen binnen en in Nederland wordt de Staat van Beleg afgekondigd. De angst voor de vreemde vijand groeit en daarmee het wantrouwen tegen alles wat vreemd is binnen de eigen landsgrenzen.
    In Amsterdam bevinden zich in 1940 23.500 vreemdelingen, die gecontroleerd worden door de Vreemdelingendienst onder leiding van een hoofdinspecteur, Stoett, zeven inspecteurs en 36 rechercheurs.8 De Dienst stuurt zijn rechercheurs regelmatig de stad in voor ‘scherpe controles’. Vooral in de uitgaanscentra zoals het Leidseplein worden ‘s avonds vaak de papieren gevraagd van mensen die op het oog of om hun tongval een vreemde, dat wil zeggen illegale indruk maken.9
    Op 6 mei worden bij het Minervaplein in Amsterdam-Zuid zeventig É tachtig veelal Duitse vluchtelingen opgepakt en naar het Hoofdbureau van Politie opgebracht. Daar worden hun passen en andere verblijfspapieren die zij altijd bij zich moeten hebben, gecontroleerd.10

    Oorlog in Nederland

    Vier dagen later worden weer vluchtelingen opgepakt, maar deze keer veel meer dan op 6 mei. De oorlog was nu echt begonnen, de Vijand was het Vaderland binnengevallen en hij zou ongetwijfeld, zoals een echte Vijand nu eenmaal doet, ook in de rug aanvallen. Overal werden vermomde vijanden vermoed. Een vreemd accent of in de ogen van de politie, een niet-vaderlands uiterlijk, was voldoende om gearresteerd te worden.
    Honderden buitenlandse joden werden samen met Duitse en Nederlandse nationaal-socialisten in Amsterdam opgebracht en in loodsen gevangen gezet. Anderen werden in Hoorn, in de voormalige Rijkswerkinrichting geÜnterneerd.
    De vluchtelingen die zich in kampen bevonden, moesten daar blijven en in sommige gevallen werd tot de evacuatie van het kamp besloten, zoals in het geval van Westerbork.
    In Westerbork bevonden zich 750 legale en illegale joodse vluchtelingen die op 10 mei naar Leeuwarden geävacueerd werden. Vanaf 11 mei wisselde men voortdurend van kwartier omdat sommigen ‘een zekere angst toonden met het oog op eventuele gevolgen, om onder de gegeven omstandigheden de Duitse Joden huisvesting te verlenen.’11 De huisvesting van deze groep die ‘er na de overhaaste vlucht uit het kamp uiteraard niet bijster aantrekkelijk uitzag’ bleef moeilijk. En op 21 mei keerde het gezelschap na zijn vele omzwervingen, weer terug naar Westerbork, in afwachting van de dingen die zouden komen.
    In Amsterdam intussen, waar zich de meeste buitenlandse joden bevonden, was het onder die groep na de Duitse binnentocht op 15 mei tot talrijke zelfmoorden gekomen. Een tevreden functionaris van het begin juni gearriveerde Einsatzkommando III der Sicherheitspolizei meldt daarover het volgende: ‘Wie mir der Leiter der hiesigen Kriminalpolizei glaubw?rdig mitteilte, sind in der Nacht von 15. zum 16.5.1940, also kurz nach der Kapitulation der Niederlande, insgesamt ?ber 80 Selbstmorde in der Stadt Amsterdam festgestellt worden. An den folgenden Tagen kamen noch etwa 40 dazu, so dass sich demnach die Anzahl der Selbstmorde in der Stadt Amsterdam auf bisher 120 bis 130 Fãlle …’ (rest onleesbaar J.S)12 13 14

    Proefkonijnen

    De vluchtelingen worden gearresteerd, vertrekken, komen soms terug, worden weer gearresteerd, nu door de nieuwe machthebbers, plegen zelfmoord. Zij bewegen altijd, of beter, zij worden bewogen. Want zonder toestemming mogen zij zich niet verroeren. Op 24 juni 1940 bepaalt secretaris-generaal Tenkink van Justitie dat ‘…vluchtelingen die na 1 maart 1938 in Nederland zijn binnengekomen, hun domicilie niet naar een andere gemeente in ons land mogen overbrengen dan met mijn vooraf verleende toestemming’.15
    Vier dagen later volgt Tenkinks vordering, ‘…in verband met door mij ontvangen aanwijzingen’, dat alle ‘niet-arische vreemdelingen’ die na 1 januari 1933 Duitsland hebben verlaten zich bij de plaatselijke politie moeten aanmelden teneinde een centrale registratie van alle niet-arische vreemdelingen mogelijk te maken.16
    De meest onbetrouwbaren onder hen, bijvoorbeeld zij die ân joods ân communist waren, werden door de Sicherheitspolizei in samenwerking met de Nederlandse politie opgepakt. Het ging om personen die zich, net als iedereen, bij de distributiekantoren vervoegden, en toen door de Nederlandse politie met behulp van vreemdelingenlijsten werden gearresteerd en overgedragen aan de Sicherheitspolizei.17 ‘Weiter wurden folgenden bereits vor Ausbruch des Krieges durch die Hollãndische Polizei festgenommen und im Internierungslager Nieuwersluis untergebrachten Deutschen Emigranten von der Einsatzgruppen ?bernommen.’18

    De niet-arische vreemdelingen ondergaan veel van wat de andere joden later pas meemaken als eerste. ‘Proefkonijnen’ zijn ze genoemd en dat zijn ze eigenlijk al voor de Vijand het land binnenviel.19 Registratie, razzia en gedwongen transporten waren hun deel geweest nog voor de Duitse machten waren verschenen.
    Na 15 mei ging dat door, soms in samenwerking met, dan weer onder druk van de Duitse autoriteiten. Maar wat ook op aandrang van de Duitsers gebeurde – een verhuisverbod voor niet-Nederlandse joden, hun gedwongen verhuizing uit de kuststreek in september 1940, opnieuw registratie – het bleven voor de Nederlandse autoriteiten maatregelen die tegen vreemdelingen waren gericht. De Duitsers kwamen nog niet aan de burgers die aan de Nederlandse staat toebehoorden. Vooralsnog werd dat staatseigendom met rust gelaten en hoefde de Nederlandse staat zich niet te verdedigen.20

    Alfred Kohn en Ernst cahn

    Alfred Kohn en Ernst Cahn zijn Duits-joodse emigranten. Ze bezitten twee ijssalons – onder de naam Koco – in Amsterdam-Zuid. Op 19 februari 1941 dringt Duitse Ordnungspolizei de ijssalon in de Van Woustraat binnen. Daar zou volgens de Duitse politie met bijtende vloeistof op hen zijn gespoten en er zou zijn geschoten. Naar alle waarschijnlijkheid is dat niet waar, maar wat doet het ertoe? Cahn en Kohn zijn Duitse joden, dus worden ze gearresteerd. Op drie maart 1941 wordt Ernst Cahn door een vuurpeleton doodgeschoten. Hij, een Duitse jood, is de eerste in Nederland die dat lot treft.
    Wat na de arrestatie van Kohn en Cahn volgt, is bekend. Als represaille voor het optreden van de ‘j?dische Emigranten’ volgen op 22 en 23 februari twee razzia’s waarbij 425 joodse mannen worden opgepakt. Als gevolg daar weer van, komt het in Amsterdam op 25 februari tot een grote staking.
    Minder bekend, maar minstens zo opmerkelijk, is de positie van de joodse vluchtelingen in de februaridagen van 1941.
    Als de staking voorbij is en de Duitse autoriteiten op zoek zijn naar, in hun ogen, de schuldigen en veroorzakers van de staking, meent âân van hen dat men de razzia’s beter had kunnen houden onder Duitse joden in plaats van zoals nu in de Amsterdamse jodenbuurt: ‘Meines Erachtens wãre die Erregung der Amsterdamer BevÓlkerung wesentlich geringer gewesen, wenn man die Geiselaktion gegen die in Amsterdam-S?d sesshaften j?dischen Emigranten durchgef?hrt hãtte.’21
    Ongefundeerd – dit vermoeden dat een razzia onder joodse vluchtelingen tot minder protest zou hebben geleid ? Misschien, maar een voorstel van de Nederlandse autoriteiten wijst in dezelfde richting: ‘Zou men niet kunnen bereiken, dat 400 Joodse emigranten (worden) geruild tegen de 400 Nederlandse joden? ’22 Het was toch onrechtvaardig om Nederlanders – al waren het dan joden – te straffen voor wat emigranten hadden misdaan. Of in de woorden van die zelfde Nederlandse autoriteiten: ‘Het Nederlandse rechtsgevoel is gekrenkt door het feit dat men geen verband kan zien tussen mogelijke emigranten-relletjes en het mishandelen en wegvoeren van 400 joden uit Nederland.’23
    De volgende razzia in Amsterdam, in juni 1941, was dan waarschijnlijk wat meer in overeenstemming met het Nederlandse rechtsgevoel wat betreft de keuze van de slachtoffers: deze keer ging het tenminste vooral om emigranten.
    De Duitse autoriteiten zouden in het vervolg de uitzonderingsstatus van de niet-Nederlandse joden respecteren. De vreemdelingen zouden bij veel anti-joodse maatregelen als eerste bedacht worden: in december 1941 moesten zij zich melden voor ‘vrijwillige emigratie’ en als begin 1942 de joden uit de provincie naar Amsterdam dienen te vertrekken, is voor de buitenlandse joden de bestemming al Westerbork.
    Op 22 juni 1942 laat Obersturmbannf?hrer Eichmann vanuit Berlijn weten dat met de ‘Arbeitseinsatz in Auschwitz’ voor 40.000 Nederlandse joden kan worden begonnen. Andere Duitse instanties hebben geen bezwaar, maar zouden wel graag zien dat eerst de buitenlandse joden vertrokken: om ‘psychologische R?ckwirkungen’ is het beter eerst de niet-Nederlandse joden ‘zu erfassen’.24

    noten

    1 Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RvO) CNO BIZA 159 e, doos 104
    2 Quarantaine-inrichting omdat daar oorspronkelijk besmettelijke zieken werden geÜsoleerd.
    3 Kampen voor illegalen bevonden zich o.a. in Hoek van Holland, Reuver, Hellevoetsluis, Norg. De behuizing was slechter dan in ‘legale’ kampen, het eten juist voldoende en het kampregime veel strenger. Zie. D. Cohen.levend en dolend. De joodse vluchtelingen in Nederland in de jaren 1933-1940, z.p. 1955 p. 130
    4 C.K. Berghuis. Joodse vluchtelingen in Nederland 38-40. Documenten betreffende toelating, uitleiding en kampopname. Kampen z.j. Rapport inspecteur van politie Bessems 8 januari 1939. p. 68.
    5 Dagboek Erwin Kampelmacher 1 januari 1938 -31 december 1938. In: Berghuis. Joodse vluchtelingen in Nederland.38-40. p. 51 en 52.
    6 Een distributiestamkaart is een soort identiteitsbewijs waarmee je distributiebonnen kon krijgen en met die distributiebonnen kon je dan produkten aanschaffen die op dat moment ‘op de bon’ waren.
    7 Afdeling Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister en verkiezingen, GAA 5176 ,map 103 (distributie)
    8 Jaarverslag Gemeente Amsterdam 1940. Politie (GAA)
    9 De Telegraaf 1 februari 1940 (ochtendblad) en 13 maart 1940 (avondblad).
    10 Volksdagblad 6 mei 1940.
    11 J. Koolhaas Reevers, Evacuaties in Nederland 1939-1940. z.p., 1950, p. 266.
    12 RvO, collectie 206, 500-3-151, Lage bericht Einsatzkommando III, 3 juni 1940.
    13 RvO, collectie 206, 500-3-151, Lagebericht Einsatzkommando III van 3 juni 1940.
    14 RvO 206 . 500-3-155. Lagebericht Einsatzkommando III SIPO 3 juni
    15 RvO, CNO Departement van Justitie 19 L
    16 RvO, CNO Departement van Justitie 19L.
    17 RvO, Meldungen aus der Niederlanden 3 6 juli 1940. HSSPF 28a
    18 RvO, collectie 206, 500-3-151, Lagebericht Einsatzkommando Sipo/SD III, 3 juni 1940.
    19 J. Presser, Ondergang, Den Haag 1985.deel 1, p. 421.
    20 Ook de Franse staat zag net als de Nederlandse de buitenlandse vluchtelingen niet als zijn burgers. Zij hoefden niet tegen Duitse ingrepen te worden beschermd. Kwamen de Duitsers aan Franse burgers, dan werd het anders. Dat werd gezien als een aanslag op de Franse soeveriniteit. Dan was de reaktie: zelfverdediging.
    ‘The refugees were poor, alone and conspicuous. Above all, they had too little protection.(…) These immigrants were more vulnerable to anti-Jewish action than the established segment.(…) In France, Jewish immigrants were sacrificed in an attempt to save the long-assimilated Jews.’ R. Hilberg. The destruction of the European Jews. New York 1985. p. 569
    21 RvO 10-22. Brief Hans BÓhmcker aan Seyss-Inquart 8 maart 1941.
    22 RvO CNO notulen secretarissen-generaal 27 februari 1941. De secretarissen-generaal vormen de hoogste Nederlandse autoriteiten in bezet Nederland.
    23 notulen secretarissen-generaal 27 februari 1941.
    24 Presser Ondergang p. 246/247. Uiteindelijk blijkt alles toch chaotischer te zijn verlopen. In de eerste trein die op 15 juli 1942 van Westerbork naar Auschwitz vertrekt, bevinden zich 950 joden uit Amsterdam – Nederlandse en niet-Nederlandse – 50 joodse weeskinderen en 100 volwassenen uit kamp Westerbork zelf. Deze groep van 150 bevat alleen buitenlandse joden. Zie: F.Schwarz. Treinen op dood spoor. Amsterdam 1994. p.113-114.