• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Uitsluiting als ideologisch instrument

    De overheid laat zich meer leiden door de vrije markt, en haar aandachtsveld verschuift van het opbouwen en instandhouden van de opgebouwde concensus-samenleving naar het verder uitbouwen van de beheersingsinstituties. De sterke overheid is niet meer aanwezig als vangnet voor hen die niet mee kunnen komen in de vaart der volkeren, maar is aanwezig als bewaker van hen die in staat zijn rechten te verwerven. Deze verschuiving is terug te vinden in een toenemende controle en registratie. Met de ‘controlerende staat’ breken er gouden tijden aan voor Justitie.

    Een ‘nieuw’ besef

    In de jaren ’70 begint het algemene geloof in de onbeperkte groei van de economie langzaam af te brokkelen. Sindsdien vragen meer en meer politieke en economische beleidmakers zich af of het blijven tegemoetkomen aan de eisen en verwachtingen van de lagere economische groepen, niet een bedreiging zou vormen voor die groei en daarmee voor hun eigen bevoorrechte positie. Het aantal mensen dat nog gelooft dat ‘the American way of life’ geleidelijk bereikbaar is voor de hele wereldbevolking is afgenomen. En inderdaad, als iedereen op deze aarde zou leven volgens dit model, dan was de totale ineenstorting van het ecologische systeem waarschijnlijk allang een feit geweest.
    Dit relatief nieuwe besef dat het model niet geschikt is voor wereldwijd gebruik heeft geleid tot een verandering in het gedrag van de heersenden, tot een ideologische en politieke reactie. Gedurende de jaren ’70 en ’80 is zodoende (onder aanvoering van de neo-liberalen Reagan en Thatcher) het principe van de welvaartsstaat openlijk ter discussie gesteld; het bestrijden van (begin van) onvrede door het doen van concessies.
    De neo-liberalen zijn tot de -waarschijnlijk terechte- conclusie gekomen dat een vrije markt economie die gebaseerd is op winstmaximalisatie en concurrentie geen verdere concessies kan doen, niet op economisch gebied, niet op het gebied van politieke participatie, en niet op het gebied van toegang tot rechten. Het belangrijkste politieke doel van de neo-liberalen is dientengevolge gericht op het afbreken van alle mechanismen voor herverdeling en geschillen-oplossing binnen de welvaartsstaat. Deze mechanismen worden door hen beschouwd als een blokkade voor een soepel functionerend economisch systeem.

    De deregulatie, zoals deze afbraak ook wel wordt genoemd, is echter niet alleen gericht op de economische sector of mechanismen voor verdeling van de welvaart. Zij gaat gepaard met de afbraak van die normgevende en institutionele kaders van de staat die bedoeld waren voor het oplossen van conflicten op basis van consensus.
    Onderdeel hiervan is het inperken van de toegang tot rechten en voorzieningen die voorheen werden gegarandeerd door de staat. In plaats van een ‘eerlijke’ verdeling door een welvaartsstaat zien we de vorming van formele criteria die uitsluiting moeten rechtvaardigen.
    In dit opzicht is het misleidend te spreken van de ‘terugtredende overheid’: de staatsmacht wordt namelijk niet zwakker, maar verstevigt haar positie door van karakter te veranderen.

    De functie van de staat

    De traditionele liberale visie op de democratische staat benadrukte de bescherming van de burgers tegen de inbreuk van de staat op hun rechten en vrijheden. Onder het heersende neo-liberalisme gaat het om een heel andere visie: de staat heeft een belangrijke rol bij het in stand houden van veiligheid en orde, de burger wordt meer en meer gezien als verdacht en ook als zodanig tegemoet getreden. De samenleving moet beschermd worden tegen hen die van normen afwijken, marginalen en dissidenten. Zij zijn immers een bedreiging voor het gladjes functioneren van het systeem. Het gevolg is dat ‘vrijheid’ vooral de vrijheid is voor de veronderstelde loyale meerderheid in tegenstelling tot de ‘outsiders’, ‘vrijheid’ is het recht geworden voor geprivilegieerden om met rust gelaten te worden en niet te worden geconfronteerd met eisen van hen die uitgesloten zijn.
    De staat wordt de borg van de toepassing van de wet tegen enig afwijkend gedrag. De staat is niet langer bereid rechten te verlenen aan vragende burgers, maar in plaats daarvan staat de staat altijd in zijn recht tegenover de burger.
    Straalde de traditionele visie het wantrouwen van burgers over staatsmacht uit, de moderne veiligheidsgerichte staat institutionaliseert het wantrouwen van de staat tegenover de burger. De deregularisatie van de normen en waarden houdt niet in dat er in de veiligheidsstaat minder wetten worden gemaakt. Het is het karakter van de wetten dat wijzigt. Duidelijke wettelijke omschrijvingen maken plaats voor vage, alomvattende bepalingen die neerkomen op een blanco cheque in handen van de uitvoerende organen van de overheid – natuurlijk ten koste van de rechten en vrijheden van burgers.

    Controle

    Het neoliberale concept van de binnenlandse politiek bestaat uit twee pijlers; enerzijds de ontmanteling van democratische rechts-instrumenten, anderzijds het opzetten van een apparaat voor pro-actieve controle. Politieke actie met als inzet het vinden van oplossingen op basis van overeenstemming is vervangen door conflictstrategieän met een voornamelijk ‘politie’karakter die in eerste instantie gericht zijn op het beheersen van hen die zijn uitgesloten.
    Gecomputeriseerde databestanden spelen een ondersteunende rol bij het bepalen van uitsluitingscriteria en het beperken van toegang tot rechten en voorzieningen die voorheen werden gegarandeerd door de overheid. Zij zijn een technisch vereiste voor een totale controle, die op haar beurt voorwaarde is voor het realiseren van de uitsluiting en beperking. De opkomst van totale controle beperkt zich niet slechts tot het terrein van de veiligheid en openbare orde. Het komt terug op al die terreinen waar mensen toegang eisen tot voorzieningen.

    Technieken

    Momenteel wordt op een toenemend aantal vlakken geäxperimenteerd met de invoering van zogeheten Computerized Resource Management Systems (CRMS) bij de overheid. De bedoeling van deze systemen is het terugbrengen van de overheidsuitgaven door ‘fraudeurs’ en andere ‘niet-rechthebbenden’ op te sporen. Zo wordt in Duitsland geäxperimenteerd met een systeem om verstrekkingen binnen de medische zorg te beperken. Het systeem bevat onder andere patiäntgegevens, behandelend arts, verstrekte medische behandelingen en diagnostieke gegevens. Momenteel worden de gegevens gebruikt om zicht te krijgen op de economische doeltreffendheid van de medische zorg door uitgebreide koppeling van gegevens, met als doel bezuinigingen. Particuliere ziektekostenverzekeraars en beroepsgroepen van artsen vragen nu al om invoering van een persoonsgebonden chip-card voor de gezondheidszorg. De chip-card zou alle persoonlijke medische gegevens van de houder moeten bevatten. Voorstanders van de invoering zeggen dat zo gecontroleerd kan worden of iemand vrijwillig preventief onderzoek ondergaat, of bijvoorbeeld aan sport doet, wat wil zeggen actief betrokken is bij ‘gezondheidsbevorderende’ activiteiten, of anderzijds juist betrokken is bij risico-activiteiten, zoals roken. Gezondheidsbevorderende activiteiten kunnen dan beloond worden met premieverlaging, verslechterende activiteiten met premieverhoging. Uitgebreide uitwisseling van gegevens zou ook kunnen bijdragen aan het vaststellen van de meest kostendekkende medische behandeling voor iedere ziekte. Doktoren die dan de gestandaardiseerde kostenlimiet voor de behandeling van een specifieke ziekte overschrijden kunnen vervolgens worden bestraft. Critici van het gezondheidszorg-CRMS vrezen dat een dergelijke controle vroeger of later zal resulteren in een zorg ‘op maat’, waarbij ‘dure’ behandelingen voor bepaalde categorieän patiänten worden beperkt of zelfs onmogelijk worden.

    Een ander en zeer typisch voorbeeld van gecomputeriseerd management is te vinden in Bremen, waar een nieuw elektronisch systeem is geÜntroduceerd dat het mogelijk maakt zicht te krijgen op de hoeveelheid geproduceerde afval per huishouden. Op deze manier kunnen huishoudens worden aangeslagen voor de werkelijk geproduceerde hoeveelheid afval. Het vereist echter wel dat persoonlijke gegevens elektronisch worden opgeslagen, en nu al hebben sociale diensten toegang gekregen tot de bestanden om te kijken of de hoeveelheid afval van een huishouden wel overeenkomt met het aantal mensen dat er officieel woont.
    Het is duidelijk dat deze vormen van gegevensuitwisseling vooral serieuze consequenties heeft voor mensen in een ‘niet-normale’ situaties en in het bijzonder voor illegalen. Gevreesd moet worden dat de volgende stap zal zijn dat de lokale ‘vuilnisbestanden’ gekoppeld worden aan het ARZ, de Duitse variant van het VAS.
    Controle en registratie kunnen dan ook niet van elkaar gescheiden worden. Er zijn genoeg voorbeelden van registratie die al operationeel zijn of worden op het vlak van het wegverkeer etc.. Kort gezegd komt het er steeds op neer om uitgeslotenen uit te filteren en te scheiden van hen die wel rechten hebben of kunnen betalen.

    Uitsluiting

    We hebben hier als voorbeeld gekozen voor de CRM systemen, omdat zij hetzelfde doel en functie hebben als de elektronische registers op het terrein van binnenlandse veiligheid en openbare orde: Ze zijn gebaseerd op het verwerpen van het principe van de veronderstelde onschuld, oftewel een omkering van de bewijslast. Het is de geest van de criminaliteitsbestrijding die wordt uitgebreid tot alle facetten van de maatschappij. Totdat het tegenovergestelde is bewezen, is een ieder schuldig en dus onderhevig aan pro-actieve controle. En hoe nijpender de positie van een individuen of sociale groepen, des te verdachter zij zijn in de ogen van de staat.
    De uitbreiding van elektronische systemen is nauw verbonden met het handhaven van de maatschappelijke status quo. Onder een dergelijk beleid dient de opgeslagen informatie als een ‘boekhouding voor uitsluiting’ en kan dan ook beschouwd worden als een buitengewone vorm van inlichtingenverzameling. Dit enorme databestand is een absolute voorwaarde voor het effectueren van een beleid dat op af- en uitsluiting is gericht.

    Veiligheid

    In dit verband moet nog een andere ontwikkeling worden opgemerkt die nodig is voor een ‘controlerende staat’: de toenemende integratie van de drie belangrijkste instanties die zich met veiligheid bezig houden, de politie, geheime dienst en het leger. We hebben al kunnen zien dat het gebruik van data die in verschillende systemen zijn opgeslagen niet beperkt blijft tot politie. Ook andere vormen van het ‘bevoegd gezag’ hebben direct of indirect toegang. De vage definities van wat er bestreden moet worden maakt het de drie diensten mogelijk te zeggen dat ieder afzonderlijk bevoegd en deskundig is op dit terrein. Tegelijkertijd klinkt de roep om uitbreiding van hun bevoegdheden. De politie claimt een rol in de pro-actieve fase van een onderzoek (inlichtingen-vergaring), en eist geavanceerde apparatuur die oorspronkelijk ontwikkeld was voor militair gebruik. De geheime diensten roepen overal om een rol in de bestrijding van de misdaad, een rol die ze dan ook steeds vaker krijgen. In een aantal landen heeft het leger zich een belangrijke rol toegeäigend in de bescherming van de binnenlandse veiligheid.
    De noodzaak voor geheime diensten en het militaire apparaat hun bestaansrecht aan te tonen na de ineenstorting van communistische regimes heeft geleid tot een rivaliteit tussen de drie diensten. Paradoxaal genoeg lijkt deze rivaliteit juist het proces van samensmelting van deze drie te versnellen.

    De doelen van de gecomputeriseerde controles zijn nauw verbonden met het creären van een nieuw vijandsbeeld na het plotseling verdwijnen van ‘het communisme’. De nieuwe vijanden zijn de uitgeslotenen, die een bedreiging vormen voor de positie van de welgestelden door een stuk van de cake te eisen terwijl ze daar volgens die welgestelden geen recht op hebben – de vluchtelingen en migranten die het beschermde paradijs van de rijken bestormen, een internationale maffia die onze BMW en Mercedes komt stelen, maar ook de werklozen, de oude van dagen, de zieken en gehandicapten, die er allen van beschuldigd worden de samenleving tot last te zijn. Geautomatiseerde databestanden maken het mogelijk hen te ontdekken, te controleren en hun uitsluiting te formaliseren.
    De aanbidders van de veiligheidsstaat schijnen echter een belangrijk detail te vergeten: hoe meer de staat zich richt op uitsluiting en controle, hoe meer de daardoor getroffen groepen zullen proberen, zoveel mogelijk, contact met de staat te vermijden. Formeel zal het doel, het laten verdwijnen van de uitgeslotenen, worden bereikt. Maar in de praktijk zullen deze groepen blijven bestaan, levend in een omgeving die hen richting criminaliteit drijft, in een extreme legale en sociale onzekerheid die inherent is aan (semi-)illegaliteit.
    Hun aantal zal gestaag toenemen.

    Onveiligheid

    Op deze manier wordt, in plaats van veiligheid en orde te handhaven, door de staat een parallelle maatschappij van ‘vogelvrijen’ gecreäerd, een situatie waar zelfs de best uitgeruste politie geen antwoord op heeft. Met andere woorden: door een totaal controlesysteem op te zetten om de veiligheid te garanderen wordt er juist een situatie van onveiligheid gecreäerd die niet te controleren is.
    Het Flynn-rapport van de Europese Commissie voor migratie- en asielbeleid (februari 1994) refereert impliciet aan deze mogelijke averechtse effecten: ” Potentiäle asielzoekers kunnen hun toevlucht nemen tot illegale immigratie als asielprocedures niet langer voor allen toegankelijk zijn. Het is onwaarschijnlijk dat de kosten die gemoeid zijn met het effectief bestrijden van deze illegale migratie minder zijn dan de werkelijke kosten voor het in behandeling nemen van de asielaanvragen van deze groep. Het voordeel van de asielprocedure is echter dat in het grootste deel van de gevallen, en vooral die van ‘kennelijk ongegronde’ aanvragen, de gegevens van de aanvrager worden geregistreerd, terwijl in het geval van illegale migratie vrijwel zeker veel moeite zal moeten worden gedaan de betrokken personen op te sporen”. In feite geeft de Commissie hier toe dat het huidige beleid dat tot doel heeft immigratie te verminderen door regels aan te scherpen, heeft gefaald. De Commissie heeft gelijk waar zij de angst uitspreekt dat de beperking van legale inreis-mogelijkheden zal leiden tot een stijging van de illegale immigratie. De noodzakelijk conclusies worden door de Commissie echter niet getrokken. De verwachting dat potentiäle migranten de asielprocedure bij ruimere toegang daartoe zullen blijven gebruiken als middel om binnen te komen is nogal naÜef, juist omdat die procedure leidt tot registratie en mogelijk effectieve uitzetting.

    Het is de vraag of iemand een beroep zal doen op de asielprocedure als duidelijk is dat de kansen op werkelijk verblijf daardoor kleiner zijn dan in het geval van illegale binnenkomst. Welke maatregelen van controle en repressie er ook genomen worden, feit blijft dat hoe meer de legale mogelijkheden worden afgesloten, des te meer mensen gedwongen worden tot illegale immigratie. Zij geven de voorkeur aan een hachelijk leven in de clandestiniteit, in het fort van de rijken, boven de onzekerheid en ellende in het land van herkomst.