• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • De weg terug: Internationale informatiestromen

    Veel vluchtelingen zijn bang dat informatie over hen terechtkomt bij de politie of de geheime dienst in het land van herkomst. Deze angst wordt vaak niet serieus genomen of als paranoia terzijde geschoven. Maar is de angst van deze asielzoekers wel zo misplaatst?
    Om voor een vluchtelingenstatus in aanmerking te komen moet de vluchteling een zo compleet mogelijk beeld geven van zijn geschiedenis, zonder dat hij de garantie heeft dat die informatie uitsluitend en alleen voor de beoordeling van zijn asielverzoek gebruikt wordt. Daarnaast wordt zijn vluchtverhaal gecontroleerd in het land van herkomst, waarbij niet altijd even zorgvuldig te werk wordt gegaan. De BVD beschikt bovendien over een grote hoeveelheid informatie die voor de geheime dienst van het land in kwestie zeer interessant kan zijn. Contacten tussen inlichtingendiensten van verschillende landen kunnen voor de vluchteling een groot gevaar opleveren.

    In oktober 1990 organiseerde Amnesty International Nederland een symposium, over de vraag hoe de overheid aan relevante informatie over asielzoekers komt. Daarbij stond de rol van het ministerie van Buitenlandse Zaken centraal. Vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken, maar ook van de politie benadrukten dat informatie over vluchtelingen en hun asielprocedure niet terecht mag komen in het land van herkomst van de vluchteling. Een woordvoerster van Buitenlandse Zaken op het Amnesty-symposium zei hierover: “Een (…) belangrijke overweging is, dat in een onderzoek de identiteit van een asielzoeker niet bekend mag worden bij de autoriteiten in het land van herkomst. Dit zou immers gevaar kunnen opleveren voor hemzelf, zijn familie of bekenden.”
    Het is maar zeer de vraag of Justitie en Buitenlandse Zaken kunnen instaan voor de bescherming van gegevens over en afkomstig van asielzoekers.
    Tijdens dit onderzoek zijn ons gevallen ter ore gekomen waarin uiterst gevoelige overheidsinformatie over asielzoekers terechtkwam bij regimes die uit waren op opsporing en vervolging van deze mensen. Op verzoek van de betreffende vluchtelingen is echter besloten niet in detail op deze gevallen in te gaan.
    Wel is na te gaan op welke wijze de internationale contacten gevaar op kunnen leveren voor asielzoekers. Het onzorgvuldig omgaan met gegevens kan grote gevolgen hebben voor de asielzoeker die wordt teruggestuurd naar zijn eigen land. De arm van geheime diensten reikt echter verder dan het land in kwestie, de risico’s beperken zich niet tot de grenzen van het land van herkomst. Buitenlandse inlichtingendiensten blijken mensen in te zetten om als spion informatie te verzamelen over activiteiten van voormalig landgenoten in Nederland. En daar blijft het niet bij. Politieke organisaties worden geïnfiltreerd en acties gesaboteerd. In sommige gevallen lopen mensen het risico geliquideerd te worden en is men nergens veilig. De achtervolging houdt niet op.
    Dat de PID en de BVD zeggen in dit soort gevallen bescherming te kunnen bieden, komt in een nogal vreemd licht te staan als je je realiseert dat hun samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten de gevaren juist vergroot.
    Bij het achterhalen van informatie over politieke tegenstanders maken landen van herkomst van vluchtelingen actief gebruik van bestaande contacten tussen ambassades, diensten en ministeries.
    In dit hoofdstuk wordt een eerste inventarisatie van de verschillende kanalen voor gegevensuitwisseling, de diverse ‘informatie-routes’ gemaakt.

    Uit de verhalen van de geïnterviewde vluchtelingen bleek, dat informatie via diverse kanalen op een verkeerde plek terecht kan komen. Aangevuld met gegevens uit literatuuronderzoek zijn uit de wirwar van officiële, officieuze en informele internationale contacten in elk geval vier verschillende informatie-stromen te herleiden:

    1. via de Nederlandse ambassades in het buitenland,
    2. via informatie-overdracht tussen politie en justitie-diensten,
    3. via contacten tussen inlichtingendiensten onderling,
    4. via buitenlandse inlichtingendiensten in Nederland.

    de nederlandse ambassades.

    Ambassades en consulaten vertegenwoordigen hun regering in het buitenland. Officieel vallen de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
    Eén van de taken van het Nederlandse consulaat is de afgifte van visa en de behandeling van aanvragen voor politiek asiel in Nederland. Hoe dat in zijn werk gaat blijkt bijvoorbeeld uit het rapport dat het Inspraak Orgaan Turken in november 1990 publiceerde over de procedure voor het verkrijgen van visa in Ankara:
    “Voor het Nederlandse consulaat kan men zich vanaf 4.00 uur in de morgen <MI>bij de Turkse politie<D> laten inschrijven voor het afhalen van een aanvraagformulier. De politie is bij alle ambassades in Ankara met een wachthuisje op het trottoir voor het gebouw aanwezig. Alleen bij de Nederlandse ambassade is de politie ingeschakeld bij het werk van de ambassade.”
    Om vervolgens te concluderen:
    “De Nederlandse overheid tracht het aanvragen van een toeristen visum door Turkse burgers bewust te ontmoedigen. Eén van de middelen die daartoe wordt gehanteerd, is de hondse behandeling van het Turkse publiek door de Nederlandse consulaire vertegenwoordiging.(..) Het aantal klachten over slechte behandeling door het personeel van de Nederlandse ambassade is de afgelopen jaren sterk toegenomen.”
    De hierboven genoemde situatie heeft tot gevolg dat Turken, die in Ankara bij het Nederlandse consulaat politiek asiel aan willen vragen, tegelijkertijd bij de Turkse autoriteiten als asielzoeker bekend worden.
    Een andere taak van de diplomatieke vertegenwoordiging is het controleren van vluchtverhalen van asielzoekers. Door middel van algemene ambtsberichten maakt de ambassadeur aan het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag melding van de actuele situatie in het land. Er zijn ook persoonlijke ambtsberichten die gaan over individuele asielzoekers. Deze ambtsberichten moeten het ministerie van Justitie helpen bij de beoordeling van asielaanvragen.
    Amnesty International schrijft in de bundel Het Nadeel van de Twijfel over de ambtsberichten:
    “Aangezien bij de ambtsberichten niet aangegeven wordt welke bronnen worden gebruikt of op welke wijze informatie uit deze bronnen wordt verwerkt, is de totstandkoming van de ambtsberichten allerminst duidelijk. (…) Het ministerie van Buitenlandse Zaken geeft feitelijk nooit inzicht in de wijze waarop de gegevens in het ambtsbericht zijn verkregen. Desondanks wordt over het algemeen grote waarde gehecht aan hetgeen in ambtsberichten wordt vermeld. Ook met betrekking tot de zogenaamde persoonlijke ambtsberichten is dit het geval. Oncontroleerbare uitspraken worden over het algemeen voor waar aangenomen. Het betreft hier zaken als bijvoorbeeld de authenticiteit van documenten, of het gegeven dat een bepaalde asielzoeker niet zou voorkomen in detentie-registers van een bepaalde gevangenis.”
    Voor deze ‘onduidelijkheid’ omtrent ambtsberichten geeft mevrouw Frank, woordvoerster van het ministerie van Buitenlandse Zaken een aantal redenen:
    “Ten eerste omdat openbaarheid van methoden en technieken er toe kan leiden dat de identiteit van de asielzoeker aan de autoriteiten in het land van herkomst bekend wordt, met alle eventuele gevolgen van dien. Ten tweede omdat openbaarheid van methoden en technieken er toe kan leiden dat nader onderzoek in den vervolge zal worden bemoeilijkt, iets dat ook tot nadeel van toekomstige asielzoekers kan strekken, of de creativiteit van degenen die documenten vervalsen kan prikkelen en hen door kennis daarvan tot verfijning van hun activiteiten kan aansporen. Ten derde omdat onze informanten recht op bronbescherming hebben. Ten vierde omdat openbaarheid van methoden en technieken tot spanningen in landen van herkomst zou kunnen leiden, hoe legaal deze methoden ook mogen zijn.”
    De persoonlijke ambtsberichten van Buitenlandse Zaken zijn gebaseerd op onderzoeken in het land van herkomst, die door diplomatieke vertegenwoordigers worden uitgevoerd.
    Mevrouw Frank, voorheen plaatsvervangend chef de poste op de Nederlandse ambassade in Ankara en daar actief betrokken bij controle op vluchtverhalen, schrijft verder:
    “In 1989 stelden wij in een kleine achthonderd asielzaken een onderzoek in. Deze onderzoeken leiden voortdurend tot een intensieve wisselwerking met onze diplomatieke vertegenwoordigingen.”
    De onderzoeken kunnen ertoe leiden dat in het land van herkomst bekend wordt wie als politieke vluchtelingen in Nederland verblijven. Hieronder wordt ingegaan op de drie belangrijkste manieren waarop de medewerkers van de diplomatieke vertegenwoordigingen zulke onderzoeken doen:
    – raadpleging van openbare bronnen,
    – informatie afkomstig van ‘vertrouwenspersonen’,
    – onderzoek ter plaatse.

    Openbare bronnen

    De ‘openbare bronnen’, voornamelijk kranten en tijdschriften, worden bijgehouden op bijvoorbeeld demonstraties, arrestaties, politieke ontwikkelingen en strafprocessen. In veel dictatoriaal geregeerde landen is de betrouwbaarheid van de informatie in de officiële media echter twijfelachtig. Het is dan ook de vraag hoeveel waarde de diplomatieke vertegenwoordiging aan dergelijke bronnen moet hechten.
    Daarnaast wordt gebruik gemaakt van informatie afkomstig van onafhankelijke organisaties, zoals kerken of Amnesty International. Volgens Amnesty International is haar informatie echter nauwelijks in de ambtsberichten terug te vinden. Hooguit in een contekst die moet aantonen dat het in een bepaalde regio met de mensenrechten eigenlijk wel meevalt.

    Vertrouwenspersonen

    De ‘vertrouwenspersonen’ van de diplomatieke vertegenwoordigingen zijn in veel gevallen advocaten, die bepaalde informatie voor de ambassade kunnen controleren. Zij hebben soms toegang tot relevante stukken zoals strafdossiers, detentielijsten van gevangenissen en dergelijke. Met behulp van deze bronnen kunnen ze de ambassadeur helpen bij de beoordeling van de opgegeven vluchtreden van een asielzoeker. ‘Vertrouwenspersonen’ worden gescreend. Hun identiteit wordt echter “in het belang van de Nederlandse Staat” door het ministerie van Buitenlandse Zaken angstvallig geheim gehouden. Alleen de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State kan, op voorwaarde van geheimhouding, inzage krijgen in deze informatie.
    Hoe betrouwbaar deze ‘vertrouwenspersonen’ werkelijk zijn is de vraag. Aangezien niet bekend is hoe het ministerie van Buitenlandse Zaken de betrouwbaarheid onderzoekt, valt daarover in eerste aanleg weinig te zeggen. Maar het feit dat zulke ‘vertrouwenspersonen’ hun eigen regering tegenwerken, maakt hen wel gevoelig voor chantage door de politie of de geheime dienst.
    Zij helpen immers een andere staat met inlichtingenwerk gericht tegen de belangen van hun eigen land. Aangezien elke ambassade, ook de Nederlandse, goed in de gaten wordt gehouden (onder andere in verband met mogelijke sabotage of spionage) bestaat het gevaar dat de identiteit van een ‘vertrouwenspersoon’ bekend wordt bij de geheime dienst van het land in kwestie.
    Het is niet ondenkbeeldig dat vertrouwenspersonen daarna gedwongen worden als een soort dubbel-agent te werken, waarbij zij zowel de Nederlandse ambassade als hun geheime dienst van informatie voorzien. Dat is voor de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging nauwelijks te controleren. Vertrouwelijke overheidsinformatie, waaronder gegevens over asielzoekers, kan op deze wijze in handen van een regering terechtkomen. Er bestaat zelfs het gevaar dat via vertrouwenspersonen ‘gekleurde’ informatie aan de ambassade wordt gegeven, waardoor het verloop van de asielprocedure van vluchtelingen in Nederland negatief kan worden beïnvloed.

    Onderzoek ter plaatse

    Het (be-)zoeken van getuigen, wordt veelal door medewerkers van de vertegenwoordiging zelf of door de vertrouwenspersonen van de diplomatieke vertegenwoordiging uitgevoerd. Men probeert met vrienden, bekenden of familie van de asielzoeker in contact te komen. Deze contacten kunnen, als de diplomatieke vertegenwoordigers daar niet zorgvuldig mee omspringen, een gevaar opleveren voor de getuigen. Twee voorbeelden uit de praktijk van de Afdeling Vluchtelingen van Amnesty International tonen aan, dat in sommige gevallen zeer onzorgvuldig wordt omgesprongen met dit soort onderzoeken:
    “De burgemeester van een heel klein dorpje wordt aan de telefoon geroepen. Het enige toestel dat het dorp heeft. Er is iemand uit de hoofdstad aan de lijn, die zich niet verder wenst te identificeren. Met de mededeling dat het ‘voor een goed doel’ is, vraagt hij aan de burgemeester: ‘Heeft U een briefje geschreven voor B?’. De burgemeester, die niet weet wie hij aan de telefoon heeft, noch waar en onder welke omstandigheden B. zich op dat moment bevindt, beweert ter bescherming van zichzelf en de familie, B. niet te kennen.”
    “Een asielzoeker heeft wegens politieke delicten in de gevangenis gezeten met een man, die later advocaat geworden is. Op een cocktailparty wordt de advocaat benaderd door twee heren die zijn aandacht vragen. Zij laten hem een serie recente foto’s zien van de asielzoeker en vragen: ‘Kent U deze man?’ De advocaat, die niet weet wie deze heren zijn en hoe zij aan die foto’s komen, antwoordt natuurlijk: ‘nee’.”
    Dergelijke onderzoekmethoden leveren gevaar op voor de getuigen (de burgemeester, de advocaat). Daarnaast is het ook voor de geïnteresseerde autoriteiten mogelijk te achterhalen wie er in Nederland asiel hebben aangevraagd. Daarmee is de veiligheid van de vluchteling niet gediend.
    Van de drie manieren die de diplomatieke vertegenwoordigers hanteren om informatie over asielzoekers in te winnen, vormen er twee een direct gevaar voor de asielzoeker, omdat diens identiteit en/of verblijfplaats bij de autoriteiten bekend kan worden.
    De ‘vertrouwenspersonen’ die voor het ministerie van Buitenlandse Zaken werken kunnen gelijktijdig voor twee opdrachtgevers werken. Buitenlandse Zaken kan daarop geen enkele controle uitoefenen. Het onderzoek ter plaatse doet nog het meest denken aan scènes uit een slechte B-film. Getuigen, asielzoekers en hun familieleden kunnen daardoor in problemen komen.

    Informatie-overdracht tussen politie en justitie-diensten.

    De informatie die internationaal tussen de verschillende politie-en justitiediensten wordt uitgewisseld is de tweede informatiestroom die hier beschreven wordt.
    Onder meer via reguliere informatie-overdracht, bijvoorbeeld in het kader van strafvordering of internationale opsporing van misdadigers kunnen gegevens over asielzoekers en vluchtelingen in het land van herkomst terechtkomen.
    Uitwisseling van informatie kan verlopen via politie, via justitiële diensten of via persoonlijke contacten.
    contacten tussen politie-diensten
    De Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) functioneert als landelijke ondersteunende dienst voor de plaatselijke politiekorpsen in Nederland. Niet alleen worden er landelijke registraties bijgehouden van onder andere gestolen goederen, gebruikte vuurwapens en vingerafdrukken, ook de Nederlandse afdeling van Interpol is gehuisvest op het CRI-kantoor in Den Haag. Bij Interpol, de internationale politie-organisatie ter opsporing en signalering van verdachten en gevaarlijke personen, zijn 133 landen aangesloten, die onderling informatie uitwisselen. Verschillende nieuwe ontwikkelingen, zoals verregaande automatisering, het aanstellen van verbindingsofficieren en de vorming van gespecialiseerde opsporingsteams, leveren specifieke gevaren op voor asielzoekers.

    Havank

    De laatste jaren zijn steeds meer registraties en bestanden van de CRI geautomatiseerd. In september 1990 bijvoorbeeld, is Havank in gebruik genomen, een nieuw landelijk vingerafdrukken registratie- en opsporingssysteem.
    In het Havank -computersysteem zijn nu al zo’n 6 miljoen vingersporen opgeslagen. Bij de ingebruikname van Havank werd duidelijk dat het computersysteem, oorspronkelijk uitsluitend bedoeld voor de versnelde opsporing van criminelen, ook gebruikt zou worden voor de registratie van vingerafdrukken van asielzoekers. Dat is volgens Justitie noodzakelijk om dubbele asielaanvragen effectiever tegen te kunnen gaan. In de praktijk houdt dit in dat criminelen en asielzoekers in hetzelfde computerbestand door elkaar heen geregistreerd worden. Inmiddels is bekend geworden dat meer dan 50% van de capaciteit van Havank wordt gebruikt voor het controleren en opslaan van vingerafdrukken van asielzoekers.
    Een land dat via Interpol om opsporing van een ‘crimineel’ verzoekt, kan zodoende gevluchte politieke tegenstanders van het regime opsporen.
    De gezamenlijke gegevensopslag zorgt niet alleen voor criminalisering van asielzoekers, maar heeft bovendien tot gevolg dat via Interpol-Nederland in het land van herkomst bekend kan worden welke personen zich als asielzoeker in ons land bevinden.

    Verbindingsofficieren

    Via de CRI bestaat in het kader van de drugbestrijding een intensieve internationale samenwerking met buitenlandse politiediensten. Zo is bij de CRI in Den Haag een Turkse politie-verbindingsofficier werkzaam, die informatie uitwisselt met Nederlandse politiediensten over bijvoorbeeld heroïnetransporten vanuit Turkije. In Turkije bevindt zich evenzo een Nederlandse politieman, die daar door de CRI permanent is gestationeerd voor directe contacten met de Turkse politie.
    Het lijkt niet waarschijnlijk dat de Turkse verbindingsofficier bij de CRI in Den Haag zich alleen met drugszaken bezighoudt. Hij zit immers precies op de juiste plek voor het inwinnen van allerlei andere informatie, die voor zijn regering interessant is. Hij kan bijvoorbeeld de bij de CRI opgeslagen antecedenten van tegenstanders van het Turkse regime nagaan.
    Niet voor niets werd in november 1990 in Den Haag gesproken over een ‘gedragscode’, waaraan in ons land gestationeerde liaison -officieren van buitenlandse politie-diensten zich zouden moeten houden. De Turkse regering heeft overigens als eerste de ontwerp-gedragscode ondertekend. Uit de noodzaak van het instellen van een gedragscode valt op te maken, dat zelfstandige operaties van buitenlandse recherchediensten en oneigenlijke samenwerking en informatie-uitwisseling met de Nederlandse politie en CRI vaker voorkomen dan wij te horen krijgen.
    De Criminele Inlichtingendienst van Breda, die in 1990 op eigen houtje informatie over hasjhandel doorgaf aan een Canadese verbindingsofficier in Den Haag, vormt blijkbaar geen uitzondering.

    Turkenteam

    In oktober 1987 werd een landelijk ‘Turkenteam’ opgericht, bestaande uit meer dan zestig mensen. Dit politieteam werd gestationeerd op het Hoofdbureau van politie in Utrecht en deed gedurende een jaar officieel onderzoek naar “Turkse heroïne-lijnen”. Bij de onderzoeken die dit team verrichtte is ook veel aandacht besteed aan Turkse politieke groeperingen in Nederland en hun connecties met het buitenland. Het team heeft daarbij intensief samengewerkt met de BVD en de Bijzondere Zaken Centrale van de CRI (BZC), die zich bezighoudt met de bestrijding van terrorisme en gewelddadig politiek activisme.
    De NRC meldde op 1 oktober 1988, amper een week na de opheffing van het team, dat uit de onderzoekingen van het team was gebleken dat de opbrengsten van de Turkse heroïne-handel ten dele ten goede zouden komen aan Turkse extreem linkse en -rechtse organisaties. In het artikel werden de communistische Devrimci Sol , de Koerdische Arbeiders Partij, PKK, en de fascistische Grijze Wolven genoemd. Door het afpersen van heroïne-bazen zouden deze organisaties wapens en andere ‘politiek gewelddadige activiteiten’ financieren.
    Volgens Officier van Justitie mr. J.W. Wabeke, verbonden aan het Turkenteam, zouden de meeste Turkse heroïne-bazen zich illegaal in Nederland bevinden. Ze zouden gebruik maken van valse paspoorten of hier verblijven als politiek vluchteling. Het onderzoek van het Turkenteam zou weliswaar “niet specifiek” gericht zijn op deze politieke organisaties, maar gezien de verregaande bemoeienissen van de BVD en de BZC had een aantal zaken wel degelijk een politieke achtergrond.
    Uit Turkije kwamen voor een aantal onderzoeken zelfs speciaal de Turkse president van het hof van Staatsveiligheid, de Turkse advocaat-generaal, belast met opsporing, en de Turkse directeur van Interpol, afdeling Ankara, naar Nederland.
    Het oprollen van de drughandel staat, gezien de daarmee gepaard gaande samenwerking met de Turkse autoriteiten, op gespannen voet met de bescherming van gegevens over Turkse politieke vluchtelingen en asielzoekers. Politie-informatie over mogelijke verdachten, al dan niet asielzoekers, wordt klaarblijkelijk zonder meer uitgewisseld met de Turkse autoriteiten. In de afweging die moet worden gemaakt tussen het belang van opsporing en het belang van bescherming van asielzoekers weegt het laatste blijkbaar niet op tegen het eerste. De gevolgen van de informatie-uitwisseling worden gedragen door die politieke vluchtelingen, die ten onrechte in de ‘criminele’ kaartenbakken van de politie en de CRI terecht zijn gekomen.

    Contacten tussen justitiële diensten.

    Elk land kan uitlevering van onderdanen verzoeken op grond van ‘commune delicten’; algemene strafbare feiten. Acties tegen de regering, demonstraties en andere feiten met een politieke achtergrond, worden in veel landen als commuun delict beschouwd. Daarvoor kan dan ook een uitleveringsverzoek worden ingediend.
    Een verzoek om uitlevering kan worden gebruikt tegen politieke tegenstanders die in het buitenland verblijven (asielzoekers), door de werkelijke reden van het verzoek te verzwijgen. Zo kan de verzoekende partij vragen om uitlevering van iemand waarvan ze met documenten kan ‘bewijzen’ dat het een drugdealer is, terwijl het in feite een politieke tegenstander van het regime betreft. Het land van herkomst verzoekt dan om uitlevering van de opponent om daarna alsnog tot politieke strafvervolging over te kunnen gaan.
    Nederland levert, evenals de meeste andere westerse landen, principieel niet uit als het gaat om politieke strafbare feiten. Ook Interpol mag volgens haar eigen reglementen niet aan politieke of militaire opsporing meewerken. Toch wordt soms justitiële informatie over politiek vervolgden doorgegeven aan landen van herkomst. Mogelijk ligt de verantwoordelijkheid daarvoor bij de afdeling Internationale Rechtshulp (IR) van het ministerie van Justitie. Op deze afdeling worden uitleveringsverzoeken in behandeling genomen.
    De afdeling IR klaagt hardop over het feit dat sommige ‘criminelen’ zich proberen te onttrekken aan bestraffing in hun land van herkomst door in Nederland een asielprocedure te starten. De afdeling zegt zich echter wel te houden aan de regels, en over asielzoekers geen informatie te verstrekken aan landen van herkomst, al betreft het soms criminelen. Door Justitie wordt ontkend dat informatie via de officiële kanalen naar bijvoorbeeld Turkije uitgelekt kan zijn. De afdeling Internationale Rechtshulp wijst intussen met het vingertje in de richting van Interpol. Dáár zou het lek best eens kunnen zitten.

    Persoonlijke contacten

    Naast de ‘officiële kanalen’ zijn er ook informele, rechtstreekse contacten tussen bijvoorbeeld Turkse en Nederlandse politiemensen, die de bescherming van gevoelige informatie over en afkomstig van asielzoekers niet ten goede komen. Zo zijn er een aantal ‘Turkenspecialisten’ van Vreemdelingendiensten, waaronder die van de Rotterdamse gemeentepolitie, de afgelopen jaren naar Turkije gereisd om “kennis te maken” met hun collega’s, en zich er “nader te informeren” over de situatie in het land.
    Nu is het voor de Turkenspecialisten allicht handig veel te weten over de situatie in Turkije en de taal enigszins te beheersen, zodat zij daarvan kunnen profiteren tijdens hun dagelijkse werk. Maar voor PID-ers die zich met Turken en Turkse politieke organisaties bezig houden en die vaak werkzaam zijn bij een Vreemdelingendienst is het natuurlijk een eerste vereiste goed ‘ingevoerd’ te zijn in de situatie in Turkije. Of er tijdens de ‘studiereizen’ vanuit Rotterdam ook PID-ers naar Turkije zijn gegaan is ons niet bekend, en of de Turkse collega’s misschien (ook) voor de Turkse politieke politie werkten weten we ook niet. Het kan echter absoluut niet worden uitgesloten.
    De contacten met de Turkse collega’s hebben zich zeker niet tot het noodzakelijke beperkt. Men bracht samen de dag door, maakte vrienden en wisselde allerlei gegevens uit. Beide kanten hebben immers belang bij samenwerking en een goede verstandhouding. Na terugkeer in Nederland werd bij het politie-werk door de Turkenspecialisten volop gebruik gemaakt van de persoonlijke contacten die werden opgedaan.
    De Turkse politie is eveneens geïnteresseerd in informatie-uitwisseling met de Nederlandse collega’s. Waarschijnlijk zelfs met name in de handel en wandel van politieke tegenstanders in Nederland. Vluchtelingen dus, die zich als asielzoeker in ons land bevinden.
    Informatie over asielzoekers kan via persoonlijke politiecontacten terechtkomen in landen van herkomst van vluchtelingen. De intensivering van de persoonlijke contacten tussen de Nederlandse politie en de politie in een land als Turkije brengt met zich mee dat informatie kan worden uitgewisseld zonder dat dit ooit te achterhalen is.

    Contacten tussen inlichtingendiensten

    De BVD, de Inlichtingendienst Buitenland, de Militaire Inlichtingendienst, en niet te vergeten Operatieën en Inlichtingen, de Nederlandse tak van Gladio ), werken nauw samen met andere geheime diensten. Binnen het toekomstig Fort Europa zijn de banden de afgelopen jaren stevig aangehaald. Zo wordt intensief informatie uitgewisseld met onze buurlanden, en vindt regelmatig overleg plaats tijdens internationale ontmoetingen en conferenties. Binnen het Schengen- en het Trevi -overleg bestaan commissies, waarin inlichtingendiensten in internationaal verband informatie uitwisselen.
    In april 1986 verplichtten de EG-lidstaten zich in Den Haag tot het onderling uitwisselen van informatie over “verdachte reizigers”, zonder dat voor die verdenkingen gegronde aanleiding nodig was. In september van dat jaar besloten de ministers van Binnenlandse Zaken van de EG tot de oprichting van een gemeenschappelijk Centrum, voor de verzameling van informatie over “de gevaarlijkste terroristen, die de veiligheid van Europa bedreigen”.
    Bij bovengenoemde besluiten zijn geen maatstaven aangegeven die gehanteerd moeten worden bij het uitwisselen van informatie.
    In de Bondsrepubliek werd in 1982 het bestaan bekend van een Tabu-liste waarop de namen van zogenaamde ‘terroristische personen’, voornamelijk leden van de Koerdische Arbeiders Partij (PKK), voorkomen. De BRD verplichtte zich in 1979 in NAVO-verband tot de uitwisseling van gegevens over deze personen. Een deel van hen was asielzoeker in de BRD. Het bestaan van een Nederlandse Tabu-liste is nooit ontdekt, maar het is vrijwel zeker dat de BVD op soortgelijke wijze informatie over ‘terroristen’ (deels dus asielzoekers) uitwisselt met de Turkse overheid.
    In Nederland is de betekenis van sleutelbegrippen als ‘staatsveiligheid’ en ‘gewichtige belangen van de Staat, toch nog een geheel andere als in bijvoorbeeld België en de Bondsrepubliek Duitsland. Een discussie over de invulling van dergelijke begrippen is in Nederland nooit openlijk gevoerd. De inlichtingendiensten hebben er zèlf reeds jaren geleden hun eigen inhoud aan gegeven.
    Welke informatie inlichtingendiensten onderling uitwisselen is voor buitenstaanders niet na te gaan. De gegevens die internationaal worden uitgewisseld zijn niet of nauwelijks te controleren. Aangezien onderlinge contacten zich niet in het openbaar afspelen, kan alleen informatie vanuit de diensten zelf meer duidelijkheid scheppen. De weinige gegevens die voorhanden zijn tonen echter al ruimschoots aan dat samenwerking met dictaturen als Turkije en Zuid-Afrika reeds jarenlange praktijk is. Het is niet ondenkbaar dat bij de BVD opgeslagen informatie over asielzoekers en vluchtelingen op een gegeven moment terechtkomt bij het regime waarvan deze vluchteling vervolging te duchten heeft. Inlichtingendiensten hebben vrij spel zolang de controle via de vaste kamercommissie voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten zich beperkt tot de incidenten die zo nu en dan naar buiten komen.

    Buitenlandse inlichtingendiensten in nederland

    Als laatste informatie-route over asielzoekers naar de landen van herkomst wordt hieronder de activiteiten van buitenlandse geheime diensten in Nederland besproken. Het werken met spionnen is een veel gebruikte mogelijkheid voor een regering om informatie over politieke tegenstanders in het buitenland te verzamelen. In de praktijk betreft het vaak vluchtelingen. Uit het onderzoek is gebleken dat onder andere Turkije, Iran, Roemenië en Jordanië spionnen naar Nederland sturen, om hier de politieke tegenstanders in de gaten te houden. Een compleet overzicht maken van andere landen die zich hiermee inlaten, is voor een buitenstaander niet te doen.
    Grof gezegd zijn er drie manieren waarop buitenlandse geheime diensten te werk gaan:
    a. Diplomatieke vertegenwoordigers houden zich naast hun reguliere werkzaamheden bezig met spionage,
    b. Spionnen verblijven met behulp van visa, verblijfsvergunning of asielaanvraag voor een bepaalde tijd in ons land,
    c. Via samenwerking met Nederlandse politie, justitie en de BVD.
    Spionage door diplomatiek vertegenwoordigers
    In principe is elke ambassade het werkterrein van geheime diensten. Ook in Den Haag werken op elke buitenlandse diplomatieke post één of meer geheim agenten. Spionagewerkzaamheden vanuit de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigingen worden door de Nederlandse autoriteiten oogluikend toegestaan. Onder het toeziend oog van de BVD kunnen spionnen in de regel gewoon hun gang gaan, tot ze een keer een té opvallende fout begaan en een zaak bijvoorbeeld in de publiciteit komt of dreigt te komen. In dat geval kan de Nederlandse regering diplomatieke stappen ondernemen, zoals bijvoorbeeld uitwijzing van de vertegenwoordiger(s) in kwestie.
    De terughoudendheid met uitwijzingen of het ontnemen van diplomatieke status heeft te maken met het beleid van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ons land heeft per slot van rekening ook diplomatieke posten in het buitenland, onder de verantwoordelijkheid van Buitenlandse Zaken, waar Nederlandse spionnen werken. En als hier een diplomaat wordt uitgewezen wegens (vermeende) spionage-activiteiten, volgt in de regel direct uitwijzing van een Nederlandse diplomaat uit dat land.

    voorbeeld: de iraanse geheime diensten
    Het Iraanse bewind is er zeer goed van op de hoogte welke vluchtelingen zich in Nederland bevinden, en waar. Zo ontving een asielzoeker, die voor hij wegging een kritisch artikel in een Iraans dagblad publiceerde, op zijn geheime onderduikadres in Nederland een brief van de redactie, waarin zijn vlucht een ‘laffe daad’ genoemd werd. Vaak valt moeilijk te verklaren waar deze precieze kennis vandaan komt. Waarschijnlijk wordt deze informatie in Nederland verzameld door de Iraanse geheime diensten, de Savama en de Isar .
    Van de Iraanse ambassades is bekend dat zij van haar regering de opdracht hebben politieke tegenstanders in het buitenland op te sporen en in kaart te brengen. Inbraken van Iraanse vluchtelingen in 1982 en 1984 in de Iraanse ambassades van Parijs, Brussel en Den Haag brachten papieren aan het licht, afkomstig van Ayatollah Khomeini, waarin dit wordt bevestigd.
    De Iraanse ambassademedewerkers houden zich in Nederland op verschillende manieren bezig met informatie-inwinning over Iraanse asielzoekers en vluchtelingen. Observatie is daarvan één van de meest opvallende. In 1987 werd bekend dat medewerkers van de Iraanse ambassade vanuit een auto tegenover een pand van Vluchtelingenwerk in Amsterdam Iraanse asielzoekers fotografeerden. De BVD, die hiervan op de hoogte werd gesteld, deed niets. De bedreigde vluchteling vroeg zijn advocaat de zaak uit te zoeken. Pas toen enkele maanden later een medewerker van dezelfde ambassade, samen met enkele stevige heren op het Delftse Marktplein een Iraanse politieke vluchteling in elkaar sloeg, voelde de BVD zich gedwongen wél maatregelen te nemen. De diplomatieke onschendbaarheid van de ambassade-medewerker werd opgeheven en vervolgens werd hij uitgewezen.

    Buitenlandse geheime diensten gaan soms ook op een andere manier te werk. Agenten komen met behulp van inreisvisa of werkvergunningen als asielzoeker of zelfs ‘politiek vluchteling’ naar Nederland met de opdracht politieke tegenstanders in de gaten te houden. Deze spion-asielzoekers volgen meestal de ‘normale’ asielprocedure en houden zich intussen bezig met hun inlichtingen-opdrachten.
    Het komt voor dat andere vluchtelingen op de hoogte zijn van deze praktijken. Hun verhalen worden echter zelden geloofd.
    In asielzoekerscentra kan de spanning ten gevolge van wantrouwen of, terechte dan wel onterechte, verdenking van vluchtelingen onderling, hoog oplopen. Voor buitenstaanders is dan nauwelijks te volgen wat zich op zo’n moment tussen de verschillende groepen asielzoekers afspeelt, ook al omdat de verhalen vanuit de Nederlandse situatie zeer moeilijk te controleren zijn.

    nogmaals: de iraanse geheime diensten
    Regelmatig komen spionnen van de Savama en Isar als asielzoeker naar ons land. Hun activiteiten beginnen soms al voordat ze in Nederland aankomen. Ze duiken dan bijvoorbeeld op in vluchtelingenkampen in Turkije waar veel Iraniërs in eerste instantie terechtkomen. Door aansluiting te zoeken bij een bepaalde politieke groep reizen ze na enige tijd samen met andere kampbewoners door naar een land dat hen wil opnemen, bijvoorbeeld Nederland. Ook in Nederland proberen ze zich te mengen in groepen die actief zijn tegen het bewind in Iran.
    Als zij uiteindelijk geen asiel krijgen, dan is dat geen probleem. De Iraanse regering is namelijk dermate bang voor beïnvloeding door westerse ideeën, dat agenten meestal geen toestemming hebben langer dan twee jaar in het buitenland te blijven.
    Wanneer deze agenten tegen de lamp dreigen te lopen kunnen ze hun heil zoeken in de Iraanse Ambassade en op die manier terugkeren naar hun eigen land.
    Een Iraanse vluchteling vertelde:
    “Een Iraanse spion kwam als asielzoeker naar Nederland. Hij gaf zich uit als lid van de Mujahedin en werd super actief, verzamelde handtekeningen, geld etcetera. Na enige tijd kreeg deze man zelfs een bestuursfunctie in de Mujahedin in Nederland. Op die manier had hij de beschikking over informatie met betrekking tot allerlei contacten van de Mujahedin in en buiten Iran. Na twee jaar dreigde bekend te worden wie hij in werkelijkheid was. De man verdween plotseling en bleek terug te zijn naar Iran. Hij stapte naar de Iraanse Ambassade in Den Haag en weg was ‘ie. In de week na zijn vertrek werden in Iran een aantal arrestaties verricht, dat waren mensen die deze spion had verraden.”

    Samenwerking met justitie, politie en de BVD

    Samenwerking van spionnen van buitenlandse inlichtingendiensten in Nederland met de Nederlandse autoriteiten is, of dat nu wordt ontkent of niet, een realiteit. Spionnen die in Nederland zijn om politieke tegenstanders in de gaten te houden, hebben alle belang bij een goede verstandhouding met de politie, justitie en de BVD. Via deze ingangen hebben zij de mogelijkheid snel aan gedegen informatie te komen, die voor de regering van het land waarvoor ze werken van belang kan zijn. De contacten van de buitenlandse ambassades en de buitenlandse justitietolken met de Nederlandse politie en de BVD fungeren daarbij als ongewenste informatie-route naar de landen van herkomst.

    Ook wat betreft de contacten van de Nederlandse politie en de BVD met ambassades levert de Iraanse ambassade weer het beste voorbeeld. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat Iraniërs via contacten met diplomatieke vertegenwoordigers van Iran zonder problemen toestemming krijgen om zich in Nederland te vestigen, veelal voor onbeperkte tijd.
    Een Haagse advocaat: “Het is twee keer voorgekomen dat ik dacht: hé, dat gaat wel erg gemakkelijk. Dat was bij de Vreemdelingendienst hier in Den Haag. Toen ik ernaar vroeg werd mij gezegd dat het om familieleden van ambassadepersoneel ging.” Uit het onderzoek is verder een gebleken dat spionnen van de Iraanse ambassade in Den Haag samenwerken met agenten van de BVD en de PID. Zo vertelde een woordvoerder van een Iraanse politieke oppositiegroep in Nederland een verhaal over een dubbelspion:

    “Een Iraniër had twee jaar lang een asielprocedure lopen, die hij daarna afbrak. Hij handelde in allerlei geïmporteerde artikelen, die hij in Iran duur verkocht. Ook was hij verslaafd aan drugs. Hij probeerde bij een psychiater om daar vanaf te komen, wat niet lukte. Deze man verzamelde in die tijd informatie over allerlei Iraanse vluchtelingen die in Nederland woonden. Binnen de Iraanse vluchtelingen-gemeenschap ontstond argwaan tegen hem vanwege zijn veelvuldige bezoeken aan de Iraanse ambassade.
    Later bleek dat hij ook voor de Nederlandse politie werkte. Hij verklikte aan de Vreemdelingendienst in Amsterdam waar bepaalde Iraniërs vandaan kwamen, dus waar zij in Iran precies gewoond hadden. Verder gaf hij aan de politie door als een Iraanse vluchteling niet op zijn inschrijfadres woonde. Hijzelf reed intussen rond in een hele dure auto, droeg altijd een semafoon op zak en woonde in de chicste buurt van Amsterdam.
    Bij de vreemdelingendienst in Amsterdam wisten ze dat hij voor de ambassade werkte, maar dat vonden ze geen probleem. Wij zijn erachter gekomen dat hij alles tot in details aan zijn psychiater vertelde. Dat hij voor allebei de diensten werkte en dat hij het alleen maar deed voor het geld. Later is hij verdwenen, waarschijnlijk naar Canada.”

    Wanneer de PID en BVD op hoogte zijn van de dubbelrol van hun informanten, hebben ze daar klaarblijkelijk geen enkele moeite mee. Uit voorbeelden blijkt dat het zelfs een prae is, als asielzoekers worden voorgedragen door landgenoten die zelf bij een (bevriende) dienst hebben gewerkt. Een advocaat in Amsterdam:
    “Ik had een Iraanse asielzoeker als cliënt die werd begeleid door een man van de SAVAK , de Iraanse geheime dienst ten tijde van de Sjah, die contacten met de BVD onderhoudt. Mijn cliënt kende de familie van deze SAVAK -agent ook al vanuit Iran, zodoende waren ze hem tot voorspraak.”

    Justitietolken

    Voor een buitenlandse spion is een baan als justitietolk een interessante plek, omdat tijdens het tolken veel informatie bij elkaar komt over vluchtelingen. Bovendien kan een tolk invloed uitoefenen op het verloop van het Eerste of Nader Gehoor . Met betrekking tot deze tolken van de Vreemdelingendiensten en het ministerie van Justitie is van verschillende kanten informatie gekomen.
    Eerder kwam al naar voren dat er veelvuldig slechte ervaringen werden opgedaan met tolken van de Vreemdelingendienst en van Justitie. Opzettelijk verkeerde vertalingen, wat kan blijken door de vervolgvragen die een contactambtenaar stelt, en ruzies tijdens de vertaalwerkzaamheden leidden soms zelfs tot de situatie dat asielzoekers gingen liegen omdat ze de tolk niet vertrouwden. Veel asielzoekers hebben het vermoeden dat bepaalde tolken van Justitie ‘niet te vertrouwen’ zijn. Over een aantal tolken wordt hardop de verdenking uitgesproken dat hij/zij voor de ambassade van het land van herkomst zou werken.
    Daarnaast is de plek van een tolk ook interessant voor het ministerie van Justitie en voor de BVD. Zo wordt door Justitie van tolken verlangd informatie over landgenoten door te geven. Een coördinatrice van een plaatselijke Vluchtelingenwerk-groep noemt een concreet voorbeeld:
    “Een asielzoeker die al jaren voor Vluchtelingenwerk vertaalde solliciteerde bij Justitie naar een vaste aanstelling als tolk. Hij werd uiteindelijk niet bij Justitie aangenomen omdat hij weigerde bepaalde, met name politieke informatie over landgenoten door te geven.”
    Waarschijnlijk geldt ook voor de Vreemdelingendiensten, dat zij alleen tolken nemen die ‘coöperatief’ zijn, en bereid zijn tijdens de vertaalwerkzaamheden informatie over de asielzoekers te verzamelen. In de Amnesty-bundel Het Nadeel van de Twijfel weidt mr. H.P.A. Nawijn, hoofd directie Vreemdelingenzaken van het ministerie van Justitie uit over de tolken van Justitie:
    “Nagegaan wordt of tolken betrouwbaar zijn te achten en geen criminele antecedenten hebben. Gezien het gevoelige karakter van het werk worden alle tolken ook gecheckt bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst op hun betrouwbaarheid en inzetbaarheid .” (cursivering FM).
    Geconcludeerd kan worden dat justitietolken werkzaamheden kunnen verrichten voor de BVD, of buitenlandse geheime diensten. Dat kan voor asielzoekers verstrekkende gevolgen hebben. Tegelijkertijd kunnen tolk-spionnen tegelijkertijd Justitie van ‘gekleurde informatie’ voorzien over bepaalde asielzoekers, wat wellicht van invloed is op het verloop van hun asielprocedure, en informatie inwinnen voor hun eigen regering.

    Gevolgen

    De Nederlandse politie, justitie en BVD onderhouden contacten met spionnen, die bijvoorbeeld als politiek vluchteling in Nederland verblijven. Deze contacten leveren voor beide partijen voordelen op. In ruil voor vertrouwelijke informatie over landgenoten en hun activiteiten, kan het verblijf van deze verklikkers in Nederland wat makkelijker gemaakt worden door de Nederlandse inlichtingendiensten.
    Buitenlandse inlichtingendiensten zijn in veel gevallen niet alleen uit op informatie over tegenstanders van het regime en het in kaart brengen van hun organisaties. Waar mogelijk zullen ze proberen politieke activiteiten te stoppen door mensen hier te intimideren of zelfs uit te schakelen.

    wederom: iran als voorbeeld.
    De Iraanse geheime dienst van de Sjah, de SAVAK , is na de islamitische revolutie van 1979 vrijwel geruisloos overgegaan in de SAVAMA , de huidige geheime dienst. De meeste spionnen van de SAVAK bleven gewoon op hun post en gingen vervolgens voor de nieuwe machthebbers aan de slag. Sinds 1987 plegen Iraanse spionnen van de SAVAMA aanslagen op politieke tegenstanders van het regime. Deze tegenstanders bevinden zich in het algemeen als vluchteling in West-Europa. In Wenen, op Cyprus maar ook elders in Europa, zijn de laatste jaren verschillende leidende politieke figuren uit het Iraanse verzet vermoord. De gebruikte tactiek is telkens min of meer dezelfde. Geheim agenten doen zich voor als tegenstanders van het bewind in Iran en vragen om een afspraak met de persoon in kwestie in een hotel. Wanneer diegene later vermoord wordt aangetroffen, zijn de daders uiteraard verdwenen.

    De BVD laadt, door haar contacten en informatie-uitwisseling met buitenlandse spionnen, de verdenking op zich andere geheime diensten behulpzaam te zijn met het in kaart brengen van de politieke tegenstander. Dit maakt de BVD medeverantwoordelijk voor de ronduit dubieuze praktijken van deze geheime diensten.
    de inlichtingendienst buitenland

     

    De Inlichtingen Dienst Buitenland (IDB) valt rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de minister-president en diens ministerie van Algemene Zaken. Op elke diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland zijn zogenaamde liaison -officieren gestationeerd. Zij verrichten werkzaamheden voor de IDB en de BVD. De agenten van de IDB werven in het buitenland ook contactpersonen voor het verrichten van bepaalde diensten. Toen men in 1971 het openbaar Koninklijk Besluit voorbereidde, waarin de ‘gebondenheid’ aan de wet en ‘ondergeschiktheid’ aan de minister zou worden opgenomen, verzette het hoofd van de IDB zich daar hevig tegen:
    “De aard van het (althans offensief) inlichtingenwerk brengt juist met zich mee, dat men zich niet al te zeer aan de wet bindt en aan de wijze, waarop de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden gediend, een eigen (in formele zin wellicht minder toelaatbare) interpretatie durft te geven.”
    Hij geeft daarmee bondig weer hoe strak men in het algemeen binnen de Nederlandse geheime diensten vast wenst te houden aan een eigen doctrine.
    Tien jaar later kostte de starre houding van de leiding de Inlichtingendienst Buitenland overigens bijna de kop. Het was de medewerkers van de IDB namelijk verboden lid te zijn van een vakbond. Toen een aantal van hen tòch naar de ABVA-KABO stapte en daar hun verhalen vertelde kwam de geschiedenis naar boven dat de IDB de Zuidafrikaanse inlichtingendienst ( BOSS ) jarenlang voorzien had van informatie over de SWAPO , de bevrijdingsbeweging van Namibia. De vaste kamercommissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten reageerde pas een jaar na het incident. De IDB werd in allerijl gereorganiseerd. Ongeveer 30 medewerkers vlogen eruit.