• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Loopt u nog even met mij mee …?

    veertien benaderingen, De Vluchteling Achtervolgd

    De veertien verhalen, die in dit hoofdstuk staan, zijn geselecteerd uit 70 benaderingen onder asielzoekers en vluchtelingen. Voor de beschrijving van de gebeurtenissen is vooral geput uit de interviews. Daarnaast is gebruik gemaakt van gesprekken met advocaten, familieleden en vluchtelingenwerkers. Ieder verhaal begint met een korte schets van de achtergrond van de betreffende vluchteling.
    Voor veel betrokkenen vormt de publikatie van gegevens waardoor zij herkenbaar zouden kunnen zijn een groot probleem. Bij de keuze hebben we rekening moeten houden met de mogelijke gevolgen voor de vluchtelingen. Een aantal verhalen kon om die reden niet opgenomen worden.
    In de verhalen zijn de namen van de vluchtelingen vervangen. Ook andere details, zoals data, zijn, indien dat noodzakelijk was, veranderd. De namen die de agenten van de Vreemdelingendiensten, de BVD en de PID opgaven zijn onveranderd gebleven.
    Benadering Abdel Saleh te Amstelveen, 1987.

    In Iran behoort Abdel Saleh tot een socialistische groepering, de Rezman Degan (Strijder voor de Arbeiders). Abdel vlucht in 1981 naar Turkije en wordt erkend door de UNHCR, de vluchtelingen-organisatie van de Verenigde Naties. Saleh wil eigenlijk naar de Verenigde Staten. Hij wordt echter uitgenodigd als politiek vluchteling naar Nederland te komen. Hij krijgt een laisser-passer om naar Nederland te reizen. Abdel Saleh komt in oktober 1983 in Nederland aan. Hij is dan 20 jaar. Eénmaal hier wordt hem de A-status toegewezen.
    In eerste instantie komt Saleh in een vluchtelingen-opvangcentrum in Apeldoorn terecht, later in Leeuwarden en in 1985 uiteindelijk in Amstelveen. Zijn dossier verhuist elke keer mee. Als hij zich in Amstelveen opnieuw meldt bij de Vreemdelingendienst, ontmoet hij Pieter Boot voor de eerst keer. Boot spreekt in het Nederlands met Abdel Saleh, soms met een beetje Engels.
    “Pieter Boot werkt als een soort sociaal werker, als er bijvoorbeeld problemen zijn in de buurt. Hij zoekt dingen uit, praat een beetje bij, legt een beetje uit. Boot kreeg een hoop sympathie en vertrouwen, met name bij buitenlanders. Hij is ook altijd zeer behulpzaam en vriendelijk. Als je bijvoorbeeld je familie op bezoek vraagt, moet je financieel garant staan. Als je weinig geld hebt, valt er met Boot best wat te regelen. Hij wil daar dan in sommige gevallen wel wat voor terug zien: informatie.”
    “Ik weet dat Boot ook een beetje Farsi (Perzisch) verstaat. Bij onze eerste ontmoeting stelde hij al allemaal vragen: ‘Wat heb je meegemaakt in Iran? Waar kom je vandaan? Wat wil je doen? Studeren, wat wil je dan studeren?’ Pieter Boot weet waar buitenlanders snel Nederlands kunnen leren, waar je als vreemdeling cursussen kunt volgen. Wij leerden elkaar al aardig kennen die eerste keer: Pieter Boot zei: ‘Ik ben geïnteresseerd in Iran, ik ken veel Iraniërs’. Hij was goed op de hoogte met alle soorten paspoorten en verblijfmogelijkheden. Boot wist niet dat ik was uitgenodigd door de regering, maar ontdekte dat al snel.”
    “Ik werd actief in Amstelveen, samen met andere Iraniërs en Nederlanders. We bemoeiden ons onder andere met de oorlog tussen Iran en Irak. Bij een plak-actie, in Amsterdam, werd ik gearresteerd en zat ik een nacht vast in een politiecel. Toen ik een week later bij de Vreemdelingendienst ging tolken sprak Boot mij aan: ‘Waarom was je opgepakt, wat heb je gedaan?’ Ik was verbaasd dat Boot wist dat ik had vastgezeten. Boot vertelde me dat ieder politiekorps altijd de politie in de woonplaats van de arrestant inlicht, ze hadden hem gebeld. Maar Pieter Boot voegde er aan toe dat hij geen klachten over mij had. Hij zei dat hij een goed woordje voor me had gedaan tegenover zijn Amsterdamse collega’s. Toen merkte ik langzamerhand dat Boot veel dingen wist die andere mensen niet weten.
    Boot kwam vaak naar protestdemonstraties toe, dat vond hij leuk, zei hij. Boot kwam gewoonlijk met ene Peter, een collega van de Amsterdamse Vreemdelingendienst naar het Beursplein, waar demonstraties vaak beginnen. Daar maakte hij praatjes met de demonstranten en keek meteen rond wie er allemaal waren. Hij was op zoek naar informatie over de organisatoren en wilde weten wie vriendjes is met wie. Eens, na een vertaling op het bureau vroeg hij aan me: ‘Hoe kan dat? Er zijn helemaal geen demonstraties meer tegen de oorlog tussen Irak en Iran.’ Volgens Boot konden er ‘gevaarlijke dingen’ gebeuren, tijdens zulke demonstraties. Hij suggereerde dat hij de demonstranten beschermde tegen mensen van de Savama, de geheime dienst van Iran.”
    “Enkele maanden later zag ik Pieter Boot weer. Ik had ruzie met een Nederlandse buurman in onze flat. Ik ging naar Pieter bij de Vreemdelingendienst op de eerste etage van het bureau want ik wilde geen ruzie. Boot vroeg me: ‘Op welk nummer woont hij?’ en pakte vervolgens een heel dossier tevoorschijn met foto en alles van de betrokkene. Hij was een student, vertelde Boot: verslaafd, een ruziemaker, bekend bij de politie. Ik vroeg mij af hoe Pieter Boot aan het dossier kon komen. Boot wilde mij laten zien dat hij veel macht had en dat hij mij kon helpen als er iets was. ‘Kom maar langs als je problemen hebt’, net een sociaal werker.
    Pieter Boot raadde me aan een beetje afstand te houden van deze buurman. Toen liep Boot opnieuw weg en kwam terug met een dossier over een Iraniër die ook in de flat woonde. Deze landgenoot was volgens Boot ‘een onrustig iemand, die problemen had met zichzelf’. De Iraniër had beloofd zich rustig te houden. Maar nu maakte hij alweer problemen, volgens Pieter Boot. Hij vroeg mij of ik bij de Iraniër langs kon gaan. Om hem gerust te stellen kon ik zeggen dat ik door Boot was gestuurd. Ik moest een soort contactpersoon voor de Iraniër worden. Maar ik had daar helemaal geen zin in, dus ik weigerde. Daarna ging ik weg, en probeerde Pieter Boot zoveel mogelijk uit de weg te gaan. ”

    Benadering van Martina Mitrovitsch te Bussum, 1983.

    Martina Mitrovitsch is een Tsjechische vrouw van 35 jaar. Als TV-journaliste voor de Tsjechische staatsomroep heeft ze veel contacten in het buitenland. Op haar werk geldt een hoge mate van censuur. Alles wat ze doet wordt vooraf gecontroleerd door de censor. Interviews met buitenlanders moeten bijvoorbeeld telefonisch gehouden worden, zodat de geheime dienst alles in de gaten kan houden. Mevrouw Mitrovitsch krijgt in Tsjechoslowakije problemen omdat ze geen lid van de Partij is en ook geen lid wil worden. In 1983 vraagt ze een paspoort aan om naar het westen te kunnen reizen. In 1985 krijgt ze dat en mevrouw Mitrovitsch komt met vakantie naar Bussum, waar ze vrienden heeft die bij de Nederlandse televisie werken.
    Vanaf het begin van haar komst is het haar bedoeling niet meer terug te gaan. In Bussum vraagt mevrouw Mitrovitsch meteen politiek asiel aan.
    Bij haar aanvraag moet ze een papier invullen en er worden vingerafdrukken genomen en foto’s gemaakt. Voor een gesprek bij de Vreemdelingendienst wordt ze nooit uitgenodigd. Wel moet ze zich een jaar lang iedere week op het politiebureau melden voor een stempel.
    In januari 1986 verhuist ze naar Hilversum. Ze wacht in die tijd nog steeds op een gesprek met de contactambtenaar van Justitie.
    Als mevrouw Mitrovitsch net een maand in Hilversum woont, komt Martin Knaap van de Bussumse Vreemdelingendienst bij haar aan de deur. Hij vraagt haar of ze naar het bureau wil komen, omdat er iemand met haar wil praten. Mevrouw Mitrovitsch maakt daarop een afspraak. Als ze mevrouw Donders van de plaatselijke Vluchtelingenwerk-groep erover vertelt, zegt deze niets van een afspraak gehoord te hebben. Omdat dat vreemd is, besluiten ze dat mevrouw Donders mee zal gaan.
    Martina Mitrovitsch meldt zich op het afgesproken tijdstip op het bureau bij de Vreemdelingenpolitie. Haar begeleidster van Vluchtelingenwerk is er nog niet, maar Martin Knaap haalt mevrouw Mitrovitsch meteen op bij de balie en neemt haar mee naar zijn kantoor. Daar zit de man die met haar wil praten, hij is alleen. Martin Knaap woont het gehele gesprek bij maar bemoeit zich er niet mee. De man stelt zich voor als Jan den Adel van het ministerie van Binnenlandse Zaken: “Ik behartig de belangen van de vluchtelingen uit Oost-Europa, met name uit Tsjechoslowakije. Ik heb de taak om mensen uit Tsjechoslowakije te beschermen”. Mevrouw Mitrovitsch, die iemand van het ministerie van Justitie verwacht had, schrikt. Ze vermoedt met een geheim agent te maken te hebben, omdat Binnenlandse Zaken in Tsjechoslowakije hetzelfde betekent als ‘geheime dienst’. Al snel blijkt dat de BVD-er volledig op de hoogte is van de inhoud van haar dossier bij de Vreemdelingendienst.
    Jan den Adel vraagt haar uitgebreid naar haar verleden. Hij informeert naar broers en zusters, wat die doen, en vraagt waarom ze naar Nederland is gekomen. In feite stelt hij dezelfde vragen die later door de contactambtenaar van Justitie aan haar zullen worden gesteld. Jan den Adel vraagt of ze mensen van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Praag kent, en hoe die dan heeten. Hij is nogal gebrand op die namen. Verder wil hij weten hoe mevrouw Mitrovitsch zo goed Nederlands geleerd heeft: “Heb je in Tsjechoslowakije Nederlandse les gehad?” En als mevrouw Mitrovitsch dat ontkent: “Ook niet bij ..(naam)..in Praag?” Mevrouw Mitrovitsch woonde echter ver van Praag en heeft de Nederlandse taal gewoon in Nederland geleerd.
    Later beschrijft Martina Mitrovitsch de onaangename positie waarin ze verkeerde: “Je hebt geen enkele zekerheid. Je moet je elke week melden bij de Vreemdelingendienst, verder hoor je van niemand iets. Je weet niet hoezeer je van hem afhankelijk bent als asielzoeker. Bovendien speelt de gehoorzaamheid van de Tsjechen tegenover de staat een grote rol: je kunt je niet permitteren iets aan een ambtenaar te weigeren, je moet wel praten. Omdat ik nog niet lang in Nederland was, bracht dat extra onzekerheid met zich mee. Verder was ik gewoon nieuwsgierig naar wat hij eigenlijk van me wilde.”
    Tijdens het gesprek komt mevrouw Donders van Vluchtelingenwerk binnen. Martin Knaap komt onmiddellijk uit zijn stoel overeind en leidt haar de kamer uit. Blijkbaar is ze niet welkom. Als excuus komt hij met de smoes dat de Vreemdelingendienst in training is en dat mevrouw Donders daar niet bij kan zijn.
    Gaandeweg wordt het mevrouw Mitrovitsch echter duidelijk, dat Jan den Adel nog beter op de hoogte is van haar verleden dan zij aanvankelijk vermoedde. De BVD blijkt bijvoorbeeld op de hoogte van een telefoongesprek dat mevrouw Mitrovitsch direct na haar aankomst in Nederland met haar vader heeft gevoerd. Hij heeft haar toen verteld dat de Tsjechische autoriteiten hem naar Nederland wilden sturen om haar op te halen. Daarop had mevrouw Mitrovitsch gezegd dat als hij zou komen dat geen probleem was, maar dat ze in geen geval mee terug zou gaan naar Tsjechoslowakije.
    Maar Jan den Adel blijkt nog meer te weten. De vader van mevrouw Mitrovitsch is boswachter. Volgens Jan den Adel had een groep Tsjechische boswachters een visumaanvraag gedaan om naar Bussum te komen. De boswachters hebben allemaal op één opleidingsschool gezeten, en nu was de BVD bang dat deze mensen mevrouw Mitrovitsch zouden komen halen. Martina Mitrovitsch krijgt een telefoonnummer in Den Haag (070-3609940) voor het geval iemand met een Tsjechische nationaliteit haar zou willen ontvoeren. De BVD wil haar beschermen.
    Vervolgens laat Jan den Adel haar foto’s zien van alle visumaanvragers van die opleidingsschool. Het zijn kopieën van de formulieren, die de boswachters hebben ingeleverd bij hun visumaanvraag. De BVD-er vraagt haar of ze één van deze mensen kent. Mevrouw Mitrovitsch heeft de mannen op de foto’s nooit eerder gezien:
    “Het waren heel gewone schooljongens van een opleidingsinstituut voor boswachters ergens in Tsjechoslowakije.”
    “Ik vond het gesprek steeds onaangenamer worden. Jan den Adel vroeg waarom ik niet gewoon met een Nederlander getrouwd was. Dat had me tenminste de moeite gescheeld politiek asiel aan te vragen. Bovendien jagen volgens Jan den Adel ‘daar in Praag, in die internationale hotels de meisjes (prostituées) op de Westerse mannen om met ze te trouwen’. Ik zei dat ik nooit in een hotel gewerkt had en dat ik zijn vragen erg vervelend vond. Pas toen hield hij ermee op. Tijdens het gesprek speelde hij enorm de rol van de reddende engel, die kwam om mij te beschermen. Ik mocht verder ook absoluut met niemand over het gesprek praten. Dat maakte hij duidelijk aan het einde van de ontmoeting.”
    Na het gesprek, dat in totaal anderhalf uur duurde, is er geen contact meer tussen mevrouw Mitrovitsch en Jan den Adel geweest.
    Benadering van Omar Beshir te Amsterdam, 1983 en 1988.
    Omar Beshir is een Turkse politieke vluchteling die sinds 1983 in Nederland woont. Als leraar is hij in Turkije lid van een verboden leraren-vakbond. Hij wordt gezocht wegens politieke activiteiten tegen de junta en vlucht het land uit. In Nederland is hij betrokken bij verschillende acties tegen het Turkse bewind. Beshir krijgt eerst de B-status en wordt in 1988 genaturaliseerd. Hij wordt in een tijdbestek van vijf jaar twee keer door de BVD benaderd, de eerste keer bij de Vreemdelingenpolitie in Amsterdam, de tweede keer thuis.
    Omar Beshir: “In 1983 moest ik nog wekelijks stempelen bij de Vreemdelingendienst in Amsterdam. Tijdens zo’n bezoek werd ik aangesproken door een rechercheur, die zei dat ik nog even moest wachten. Na een half uur kwam ik op de gang een Turkse vriend tegen die ook kwam stempelen. Hij ging aan één van de rechercheurs vragen waarom ik zolang moest wachten. Elgersma, zo heette de rechercheur, zei tegen mijn vriend: ‘Er komt iemand om met Beshir te spreken, het gaat jou verder niets aan.’ Enkele minuten later werd ik naar een kamertje geroepen.
    De man die in dit kamertje zat noemde zijn naam niet, vertelde mij alleen voor ‘de politie’ te werken. ‘Zullen wij proberen te praten?’ zei hij. We zaten in hetzelfde kamertje als waar ik mijn Nader Gehoor met de contactambtenaar van Justitie had gehad. Ik verstond zijn Nederlands niet helemaal, maar ik begreep wel welke richting het gesprek op ging.
    De man zei dat hij op zoek was naar mensen die deskundigen zijn in de politieke situatie in Turkije. Het ging om de politieke partijen, maar ook om andere organisaties, waaronder de vakbonden, politieke verenigingen etc.
    Hij was geïnteresseerd in wat dit soort organisaties hier in Nederland doen en welke politieke richting ze opgaan. Verder wilde hij weten wie er bij betrokken zijn en wie hier de leidende figuren zijn. Het ging er vooral om welke acties ze in Nederland gingen doen en welke ze zouden kunnen gaan ondernemen. De namen Dev-Sol (Devrimci Sol, Revolutionair Links) en PKK (Koerdische Kommunistische Parti) vielen, die waren belangrijk. Namen van personen werden niet genoemd.”
    “Ik heb direct gezegd dat ik nooit met de politie samen zou werken, hoe dan ook. ‘Hoe kan je mij zoiets vragen?’ vroeg ik. Hij beantwoorde mijn vragen nerveus en hard. Daardoor kregen we een beetje ruzie.
    De man zei tegen mij: ‘Je bent een anarchist.’
    Ik vroeg: ‘Omdat ik niet voor jullie werk? Is iemand die niet met de politie werkt meteen een anarchist?’
    Hij antwoordde: ‘Nee, maar jouw toestand lijkt op anarchisme. Het lijkt me beter als je gewoon met ons meewerkt. Doe je dat?’
    Ik zei nee, wat het einde was van ons gesprek, dat ongeveer twintig minuten had geduurd. We stonden op en ik wilde weggaan.
    Toen zei hij: ‘Ik hoop dat dit gesprek gewoon tussen ons blijft.’ Ik antwoordde: ‘Ik ga meteen naar mijn advocaat en vertel hem alles.’ Daarop liep ik weg.
    De Turkse vrienden, die ik inlichtte, zeiden meteen tegen me dat ik niet de enige was. Er waren meer mensen benaderd.”
    Beshir was tussen 1984 en 1986 betrokken bij verschillende bezettingen en andere acties van Dev-Sol. Hij wordt daarvoor meerdere keren gearresteerd, maar tot een veroordeling komt het nooit.
    In 1987 verlaat hij met enige meningsverschillen de groep, hij besluit een nieuw leven te beginnen en verhuist met zijn vriendin naar een rustige buitenwijk van Amsterdam. Een jaar later probeert de BVD hem opnieuw te benaderen met vragen over Dev-Sol.
    Beshir: “Op een woensdagmiddag in november 1988 werd er gebeld, ik vroeg via de intercom wie er was. De reactie van beneden was dat ‘wij’ met mij wilden komen praten, door de intercom wilden zij verder niet duidelijk maken waarover het ging. Toen heb ik de benedendeur geopend, de deur bovenaan de trap liet ik op de ketting.
    Bovengekomen lieten de twee heren direct hun identiteitskaart zien, waaruit bleek dat zij voor het ministerie van Binnenlandse Zaken werkten. Aan de deur zeiden zij nogmaals dat ze met mij wilden praten, als ik ze binnen liet zou ik verdere uitleg krijgen. Omdat ik toch wel benieuwd was, wat ze van mij wilden, heb ik ze erin gelaten.
    Ze begonnen met een praatje over ‘de rustige buurt’ waar ik woon. Toen legden ze uit dat ze van een organisatie waren van het ministerie van Binnenlandse Zaken die informatie verzamelt over organisaties en mensen die voor de Nederlandse samenleving gevaarlijk zijn. Onmiddellijk daarna begonnen ze over Dev-Sol en de schietpartij van vorige zomer in de Wijttenbachstraat in Amsterdam. Ze zeiden dat zo’n schietpartij voor de Nederlandse samenleving onacceptabel is. Zij wilden over zulke activiteiten informatie krijgen met als doel ze te kunnen voorkomen. Daarom moesten ze meer weten over Dev-So en hun plannen, eventueel gewelddadige acties en informatie over de organisatiestructuur van Dev-Sol.
    Ik antwoordde niet op hun vragen, waarop ze verder gingen met hun verhaal. Zij maakten tussendoor opmerkingen als ‘dat zo’n rustige buurt toch slechts kan bestaan door de goede zorgen van de staat en dat ik daardoor aan de kant van de staat zou moeten staan’. Of wilde ik soms de Nederlandse staatsstructuur veranderen?
    Vervolgens werd het gesprek gebracht op mijn bezigheden, ‘wat ik zo deed zonder werk’. Ik vertelde dat ik werkte voor Radio 100, een lokale zender in Amsterdam. Na een tijdje vroegen ze of ik ook mensen kende van een bepaald kraakpand. Ze zeiden dat een jongen en een groep mensen van dat kraakpand ‘een negatieve kant’ opgingen. Daarbij noemde hij een aantal namen van mensen die ik niet goed kende, maar die ik wel eens ontmoet had.
    Terugkomend op mijn verleden bij Dev-Sol vroegen ze of ik soms’ een opening wist voor een infiltrant, zodat deze bij Dev-Sol terecht kon’. Ik antwoordde dat ik hen daarmee niet wilde helpen. Ook vroegen ze opnieuw naar mijn inschatting over toekomstige gewelddadige acties van deze groep. Ik vertelde dat ik daar weinig van afwist, omdat ik deze mensen al een tijd niet meer gezien had.
    Tenslotte kwam het gesprek nog op ambassades. De mannen van het ministerie verklaarden erop te letten dat buitenlandse mogendheden op Nederlands grondgebied geen acties ondernemen. Zij vertelden dat dit bijvoorbeeld ook geldt voor de Amerikaanse ambassade. Ik zei dat Nederland volgens mij samenwerkt met de Amerikanen, en ook met Turkije en met mensen van de Turkse ambassade. De twee heren antwoordden toen dat ze niet samenwerkten met de Turkse politie en dat ook in de toekomst niet zouden doen. Zij beëindigden het gesprek met de vraag of ik wist of de Turkse ambassade wel eens iets ondernam in Nederland. Toen ik antwoordde dat ik daarover niets wist zijn ze weggegaan. In totaal heeft het gesprek ongeveer drie kwartier geduurd. ”

    Benadering van Abdul Hussayn te Groningen, periode 1987-1989.

    In juli 1987 vlucht Abdul Hussayn, een van de Jordaanse Westbank afkomstige Palestijn, naar Nederland. Een week na zijn aankomst heeft hij een eerste gesprek bij de Vreemdelingendienst van Groningen. Zolang hij geen eigen huis heeft, woont hij bij zijn Nederlandse zwager. Met de BVD heeft hij vijf keer contact gehad.
    Hussayn: “In september 1987 was de eerste keer. Jaap Kist, zijn echte naam noem ik liever niet, kwam bij mijn zwager aan de deur. Hij opende de deur, en dacht dat het een ambtenaar van de Sociale Dienst was. De man stelde zich niet voor en vroeg naar mij. ‘Hussayn is er niet, die is de stad in, wat moet u van hem?’ vroeg mijn zwager. Daarop zei de man: ‘Ik wil hem ontmoeten, ik wil met hem praten.’ Maar aangezien ik er niet was ging de man weer weg.”
    Het is intussen oktober 1987. Abdul Hussayn moet elke week langs de Vreemdelingendienst om een stempel te halen voor zijn gele verblijfskaart.
    “Na afloop wandelde ik naar huis. Na honderd meter riep een man: ‘Abdul, Abdul!’ Ik was stomverbaasd dat iemand in Groningen mijn naam kende. Daarom liep ik door en deed alsof ik niets hoorde. De man haalde mij in en sprak me in het Engels aan: ‘Mijn naam is Jaap Kist, ik werk hier in het politiebureau van Groningen op de afdeling anti-spionage’. ‘Wat wilt u van me?’ vroeg ik.
    De man was dun en erg lang. Hij had grijs haar, en blauwe ogen. ‘Ik wil een privé-afspraak met u, met u praten, een discussie’.
    Ik maakte duidelijk dat ik daar niet van gediend was, en toen de man aandrong zei ik dan ook: ‘U kunt, als u dat wilt, een officiële uitnodiging van uw afdeling sturen. Dan licht ik mijn advocaat en enkele vrienden in, daarna kunnen we discussiëren. Dan kan ik ook ondertussen aan mijn advocaat vragen of u wel mag vragen wat u wilt weten.’ Jaap Kist antwoordde: ‘Een advocaat inschakelen is helemaal niet nodig, ik wil met u praten als een vriend. Privé, interessante informatie over de PLO bespreken.’
    Ik maakte hem duidelijk dat ik daar niet op in wenste te gaan, waarop hij zei: ‘O.K. Dan niet. Ik zie je wel weer een andere keer. En als je je nog bedenkt, ben ik via de administratie van de Vreemdelingendienst te bereiken.’ Daarop liep hij weg.”
    Navraag bij de Vreemdelingendienst leert dat Jaap Kist daar helemaal niet bekend is. Als Hussayn zijn relaas bij Vluchtelingenwerk doet, zeggen ze dat het de eerste keer is dat ze zoiets meemaken. Hussayn schakelt ook zijn advocaat in, maar die kan er niets tegen doen, hij adviseert Hussayn niet met de BVD te praten. Als Jaap Kist opnieuw lastig wordt, moet hij zijn advocaat maar weer bellen.
    Ook bij het Nader Gehoor met de contactambtenaar van het ministerie van Justitie komen de BVD en Jaap Kist ter sprake. De vluchtelingenwerker die met Hussayn mee is gekomen bespreekt Hussayns ervaringen met de BVD met de contactambtenaar. De ambtenaar van het ministerie schrijft het allemaal keurig op, maar gaat er verder niet op in.
    “In januari 1988 overkwam mij hetzelfde. Na het stempelen bij de Vreemdelingendienst wandelde ik naar huis. Een lichtblauwe Opel Record toeterde, maar ik reageer nooit op dit soort signalen. Toen stapte Jaap Kist uit en sprak mij aan. Hij zei: ‘Ik heb je interview met de contactambtenaar gelezen, het is een erg interessant verhaal. Ik weet nu dat je in de Sovjet-Unie, Tsjechoslowakije en Libanon bent geweest, en dat je al 18 jaar voor de PLO werkt. Dus ik weet dat jij belangrijke en interessante informatie hebt. Ik wil met jou een speciale discussie hebben over Rusland, en over Tsjechoslowakije, en over de PLO.’
    Ik zei tegen de man van de ‘afdeling tegen spionage’: ‘Alstublieft, ik verliet al die landen juist omdat ik moe ben van de oorlog en de problemen. Ik wil hier in vrede leven, gewoon als iedere andere Nederlander. Ik wil niet met enige partij of organisatie samenwerken. Ik heb genoeg problemen gehad, ik wil niet nog meer problemen. Ik heb bovendien helemaal geen interessante informatie voor u. Ik was geen leidende figuur van de PLO, ik nam daar geen beslissingen. En ik zag vanwege mijn functie nooit geheime informatie waar u op uit bent.’
    Jaap Kist zei: ‘Ik weet dat jouw familie hier komt, dat je een huis krijgt voor je hele gezin,’ en hij vertelde me dat hij allerlei informatie van de Vreemdelingendienst, van de Sociale Dienst, de gemeente en andere instanties verzameld had over mij en mijn familie. Dat ging op zo’n toon van: ‘Ik weet wel wat jij uitspookt’.
    Intussen bleef Kist de vriendelijkheid zelve; hij zei: ‘Ik wil toch alleen maar een kopje koffie met je drinken. Waarom weiger je dan, ik wil toch alleen je vriendschap?’
    Ik antwoordde: ‘We leven hier in een democratisch land. Je kan me niet dwingen jouw vriend te zijn of ooit te worden.’
    Jaap zei weer: ‘Ja, je hebt gelijk, dus ik ga nu. Maar denk er hard over na. Mocht je er toch anders over gaan denken, laat dan een boodschap achter op de administratie van de Vreemdelingenpolitie. Dan neem ik contact met je op. Over een paar maanden of een half jaar zie je me weer.’ Daarop verdween hij weer en liep ik door naar huis.”
    Precies een half jaar later, in juli 1988 komt Jaap Kist voor de vierde keer bij Abdul Hussayn. Wederom spreekt hij hem aan ná het stempelen bij de politie.
    “Ik was ditmaal erg nerveus, omdat ik net een vervelende aanvaring had gehad met een agent op het bureau. Ik probeerde nu aan de weet te komen wat deze Jaap Kist eigenlijk van mij wilde. Maar hij deed daar, net als tijdens de eerdere ontmoetingen, geen uitspraak over. Hij zei alleen: ‘Ik ben geïnteresseerd om met jou ergens te gaan zitten, in een café, en als vrienden met elkaar te praten. Natuurlijk ben ik met name geïnteresseerd omdat ik denk dat je speciale informatie hebt over de Sovjet-Unie en Tsjechoslowakije en de PLO.’ Ik antwoordde: ‘Dan kan ik u nogmaals vertellen, dat ik alles wat ik weet reeds tegen de contactambtenaar en bij de Vreemdelingendienst heb gezegd. Voor de rest is het publieke informatie die ik heb: oude, onbelangrijke gegevens, die kun je ook in de bibliotheek vinden.’
    Hij vroeg me vervolgens hoe lang ik eigenlijk al in Nederland was. Ik zei: ‘Dat weet je best’. Toen zei hij: ‘De meeste Palestijnen moeten wel drie jaar wachten op een positieve beschikking van het ministerie’. Hij wilde daarmee in feite zeggen dat als ik met hem zou gaan samenwerken, met hem zou praten of hem helpen, de BVD mij kon helpen met een verblijfsvergunning. Althans, een snelle verblijfstitel. Ik antwoordde dat ik net zo lief drie jaar wilde wachten op een verblijfstitel omdat ik me goed voelde in Nederland. Hij zei opnieuw te hopen dat ik nog van gedachten zou veranderen, dat ik alsnog contact met hem op zou nemen. Hij kondigde aan dat hij na een paar maanden weer van zich zou laten horen.”
    De vijfde en laatste benaderingspoging vindt plaats in december 1988. Hussayn is verhuisd en hoeft nu nog maar één keer per maand te stempelen bij de Vreemdelingendienst.
    “Toen ik op een keer net een uur thuis was, na een bezoek aan de Vreemdelingenpolitie, zag ik Jaap Kist in een auto aankomen. Hij kwam aan de deur en schudde mij vriendelijk de hand. Hij zei: ‘Hoi, hoi. Heb je erover nagedacht? Is er nog nieuws? Ben je van gedachten veranderd?’ ‘Nee, nee, nee,’ was mijn antwoord. Ik vertelde dat ik nog steeds niet met hem over politiek wilde praten. Maar als hij kon beloven dat het alleen over andere dingen zou gaan, hij best binnen mocht komen. Ik zei: “Dan luisteren we samen naar wat mooie muziek en praten we wat over onze cultuur. Alleen over politiek praten we niet.’ Maar hij wilde niet binnen komen. Hij bleef in de deur staan. Hij begon me zelfs te vragen wat ik vond van het voorstel tot de vorming van een Palestijnse staat, die discussie speelde toen. Om er vanaf te zijn verklaarde ik dat ik daarover geen uitgesproken mening had. Jaap Kist probeerde nog wat met losse opmerkingen, maar is uiteindelijk toch weg gegaan. ‘Tot ziens’, zei hij nog. Toen ik hem door het raam nakeek zag ik dat hij in zijn auto nog enige tijd aantekeningen maakte op een schrijfblok voordat hij tenslotte wegreed.”
    Benadering Nihat Urdül te Nijmegen, maart 1988.

    Nihat Urdül is in Turkije lid van de verboden communistische partij TDKP. Hij wordt verschillende keren gearresteerd, ontkomt ternauwernood aan foltering, en moet in 1984 onderduiken. Hij verblijft een jaar illegaal in Istanbul, waar hij intussen zijn vlucht zorgvuldig voorbereidt. Hij krijgt, om in Nederland te kunnen aantonen dat hij vervolgd wordt, via-via de originele rechtbankdocumenten in handen, waarin de politieke ‘misdaden’ waarvan hij wordt beschuldigd beschreven staan. Met valse papieren gaat hij uiteindelijk de grens over en komt enige tijd later aan in Nederland. Hij vestigt zich in Nijmegen.
    Eind maart 1988 ligt er een briefje bij Urdül op de deurmat. Afzender: Gemeentepolitie Nijmegen. Inhoud: ‘Wij verzoeken u dringend op 2 april 1988 om 10.00 uur te verschijnen op het Hoofdbureau van politie’. Urdül denkt aan een gesprek over zijn asielaanvraag en belt zijn advocaat op. Deze zegt dat het niet over de asielaanvraag kan gaan, maar dat Urdül niet bang hoeft te zijn. Hij kan hem altijd vanaf het bureau bellen als er iets aan de hand is.
    Bij de receptie van het Hoofdbureau geeft Urdül zijn briefje af. Er wordt gebeld en even later verschijnen er twee heren in burger, die hem meenemen naar een verhoorkamertje op de tweede verdieping van het bureau.
    De twee stellen zich niet voor, en beginnen te praten over de zegeningen van de Nederlandse democratie. Urdül spreekt in die tijd nog zeer slecht Nederlands maar kan hen wel enigszins verstaan. Het gesprek verloopt als volgt.
    De agenten: “Nederland is goed, want er is democratie. Er zijn veel Turken en Koerden in Nederland, jij bent ook een Koerd. In Turkije is geen democratie. Daarover willen we met je praten. We kennen je asielprocedure, we hebben je dossier, dat zit goed. Je kunt makkelijk politiek asiel krijgen. We kennen jou ook. Je praat met veel mensen, ook met de PKK.”
    Urdül zegt dat hij geen goede contacten met de PKK heeft. Hij is lid van een andere partij.
    De rechercheurs beginnen afwisselend op Urdül in te praten: “Je hebt veel contacten met allerlei politieke partijen. We weten dat je goede contacten hebt. Wij willen ook alle mensen kennen. We willen weten wie de chef is van de PKK.”
    Urdül vraagt of er niet een tolk bij kan komen voor de vertaling. De rechercheurs zeggen dat ze dat niet kunnen doen. Urdül zegt dat hij niet wil praten over politiek. Hij legt uit politiek vluchteling te zijn en dat hij naar Nederland is gekomen vanwege zijn vervolging door de Turkse autoriteiten. Verder vraagt hij waarom ze juist hem om deze informatie komen vragen.
    De rechercheurs blijken precies te weten op welke dagen Urdül met wie van zijn vrienden in een bepaald koffiehuis of kroeg had gezeten: “We weten dat je met (..naam..) en (..naam..) in koffiehuis A en B hebt gezeten. Op die en die dag (..volgt datum..) ging je daar en daar (..volgen plaatsnamen..) naartoe. We weten alles van je. Je bent getrouwd. We volgen jouw bewegingen. We willen dat je voor ons naar bijeenkomsten gaat en ons vertelt wie daar komen. Je moet naar Arnhem, Amsterdam en Rotterdam als er bijeenkomsten zijn. Je moet ons daarover informatie geven. Je asielprocedure ziet er positief uit. Als je ons geen informatie geeft is dat jammer voor je. Dan houden we je vast en ga je morgen met het vliegtuig terug naar Turkije. Daar ga je direct naar de gevangenis. Dat is goed voor jou.”
    Een van de PID-ers zegt: “Je moet een cursus Nederlands volgen om goed met ons samen te kunnen werken. Om ons goede informatie te kunnen geven.”
    Urdül zegt nogmaals dat hij met een tolk wil praten, maar er mag beslist geen tolk bij komen. Het is inmiddels ruim een uur later. Urdül geeft te kennen dat hij zijn advocaat wil bellen. De rechercheurs: “Je mag nu niet bellen. Als je straks je advocaat spreekt, of je vrienden buiten, en die willen weten wat je te bespreken had, dan zeg je dat het voor je asielprocedure was. Je mag niets zeggen tegen je advocaat. Je moet hem voorliegen.”
    En dan: “Als je ons informatie geeft heb je binnen een week politiek asiel.”
    Urdül weigert en wordt kwaad. De rechercheurs worden dan ook nijdig en blijven herhalen: “Je moet ons informatie geven.”
    Elke keer antwoordt Urdül dat hij dat niet wil.
    De rechercheurs: “Je moet ons helpen, want jullie willen in Turkije toch ook democratie? Als je ons niet wil helpen houden we je vast.”
    Urdül kondigt aan dat hij nu echt naar buiten gaat, waar zijn vrienden op hem wachten. “Je mag nu niet weg, en als je niet meewerkt ga je morgen met het vliegtuig terug naar Turkije.”
    Dan wordt Urdül heel erg bang. De rechercheurs gelasten hem tenslotte de volgende week op 9 april 1988 om één uur terug te komen. Nihat Urdül stemt daar op dat moment mee in, om een einde aan het gesprek te kunnen maken. In totaal duurde het anderhalf uur.
    Een week later gaat Urdül, ditmaal vergezeld van zijn advocaat, opnieuw naar het politiebureau. Op het moment dat twee agenten in burger Urdül aanspreken om hem mee te nemen naar de verhoorkamer komt de advocaat tussenbeide. Op vragen van de advocaat geven de twee geen antwoord. Wie zij zijn hoeft niemand te weten. Ze willen alleen een persoonlijk onderhoud met Urdül. Daarbij kan de advocaat helaas niet aanwezig zijn. Die wordt boos en roept uiteindelijk Coen Smits erbij, de chef van de Vreemdelingendienst.
    Smits wast zijn handen in onschuld: De CIA en de KGB, daar moet je de BVD mee vergelijken. Die zijn veel machtiger dan de gewone politie. Hij kan er ook niets aan doen en heeft simpelweg zijn dossiers aan de PID af te staan. Wel vindt hij het jammer dat het zo gelopen is.
    Diezelfde week wordt bekend dat Justitie negatief over Urdüls asielverzoek heeft geoordeeld. In de beschikking staat dat de Turkse justitiële autoriteiten hebben meegedeeld het nummer van het rechtbankdossier niet te kennen. De rechtbankstukken worden daarom door de Nederlandse justitie als niet authentiek beschouwd en de asielaanvraag wordt afgewezen. De advocaat spant een kort geding aan tegen de dreigende uitzetting van zijn cliënt. De zitting van het kort geding is de maanden daarop 5 keer uitgesteld.
    Nihat Urdül heeft intussen bij de Vreemdelingenpolitie zijn Turkse rechtbankdossier teruggevraagd en is op aanraden van zijn advocaat naar Parijs gegaan om daar asiel aan te vragen. In Frankrijk wordt geen moment getwijfeld aan de authenticiteit van de stukken van de Turkse rechtbank. Binnen twee maanden is de zaak rond en krijgt Urdül een Frans paspoort. In die tijd bezoeken rechercheurs van de Nijmeegse Vreemdelingendienst tweemaal tevergeefs de woning van Urdül in Nijmegen en informeren bij zijn buurvrouw waar hij gebleven is.
    Urdül heeft waarschijnlijk gesproken met Herman Oolbekkink en Pim van der Veer. Dat kan worden opgemaakt uit het boek De Tragiek van een geheime dienst , dat eind 1990 verscheen. In het boek zijn de namen, foto’s en andere privé-gegevens van acht agenten van de Nijmeegse PID gepubliceerd.
    Benadering van Dennis Robberts te Amsterdam, 1987.
    Dennis Robberts, een blanke Zuidafrikaanse dienstweigeraar, komt in april 1985 via Canada en Engeland naar Nederland. Hij vraagt asiel aan bij de Vreemdelingendienst in Amsterdam. Vluchtelingenwerk Amsterdam en een organisatie van Zuidafrikaanse dienstweigeraars steunen zijn aanvraag. In augustus 1986 heeft hij zijn Nader Gehoor bij de Vreemdelingendienst. Een jaar later krijgt hij de C-status. Het hoger beroep voor een A-status loopt nog. “Achteraf gezien is het allemaal niet zo erg, maar destijds was het wel heel groot en belangrijk. Ik woonde van juni 1986 tot maart 1987 in een woongroep. Daarna verhuisde ik naar een kamer in het centrum, nu woon ik in de Bijlmer. In de woongroep deelde ik alleen de keuken met de anderen, verder was ik veel alleen en erg op mezelf. In september 1987, toen ik al een half jaar uit die groep weg was, kreeg ik de eerste uitnodiging voor een gesprek. Het was een oproep van de Vreemdelingendienst. Een groene kaart, waarop een kamernummer van het politiebureau stond, waar ik me op een bepaalde dag en tijd moest melden. Zo’n oproep van de Vreemdelingendienst mag je niet weigeren.
    Ik meldde mij op de derde verdieping, de recherche-afdeling, en kreeg een gesprek met twee medewerkers van de Vreemdelingendienst. Ik denk dat ze voor de BVD werkten. Ze stelden zich wel als rechercheurs voor. Eentje heette De Wolf, de andere naam kan ik me niet herinneren. We gingen naar een kamertje op een hogere verdieping. Ze staken direct van wal: ‘Hoe gaat het met je? We weten dat je in een woongroep gewoond hebt. Wij ondersteunen de anti-apartheidsstrijd, maar we zijn tegen geweld. Als je zin hebt kun je met ons meewerken, daarna kan je zonder problemen terug naar Zuid-Afrika, met je leven verdergaan.’ Ik had het idee dat ze iets voor me konden regelen.
    ‘Heb je ooit gehoord van Onkruit ?’ vroegen ze. Dat had ik nog nooit. Op dat moment deden ze me een aanbod om bepaalde papieren te tekenen: er stond een koffer op tafel met een dikke map erin die ze eruit wilden halen als ik ja zou zeggen. Wat er in die map zat weet ik niet, die is niet open geweest. Ze vroegen weer: ‘Wil je meewerken?’ Ik zei dat ik er over na wilde denken. Het gesprek heeft een kwartier geduurd, toen ben ik weggegaan. Later die dag heb ik enkele vrienden ingelicht.”
    “Tussen de eerste en de tweede oproep van de vreemdelingenpolitie ben ik achtervolgd en in de gaten gehouden. Er werden toen meer mensen uit mijn omgeving in de gaten gehouden, zoals de mensen uit mijn woongroep en andere Zuidafrikaanse dienstweigeraars. Dat was heel duidelijk, vooral op straat, het maakte niet uit waar ik heen ging. Door het gesprek bij de Vreemdelingendienst lette ik erg op. Wie het waren weet ik niet, ik dacht de Zuidafrikaanse inlichtingendienst of misschien was het toch de BVD. Dat achtervolgen duurde twee weken, tot ik met mijn tweede oproep naar mijn advocate ging en haar alles vertelde. Toen stopten de achtervolgingen.”
    “Vanwege die tweede oproep ging ik weer naar de rechercheurs. Het waren dezelfde twee. Achter de balie zaten andere politiemensen die al gehoord hadden dat ik voor hen kwam werken. Binnen stond weer de koffer op tafel, met daarin die map die dicht bleef. Ze vroegen: ‘Heb je er over nagedacht?’
    In een opwelling antwoordde ik dat mijn huisgenoten goede mensen waren. Ik zei: ‘Ik doe het niet!’ Daarop ging ik weg.
    Buiten was ik opgelucht dat ik dat gedaan had. Tegelijkertijd vond ik ze racisten en ondersteuners van apartheid, maar dat heb ik niet gezegd. Het tweede gesprek duurde hooguit 5 minuten.”
    “Ik voelde me heel onevenwichtig in die tijd. Misschien was dat bekend bij de politie, want ik ging bijna akkoord met die twee. Ik had een culture-shock en weinig contact met anderen, ik wilde dat toen ook niet. Ik wist niet aan wie ik iets had. Ik zocht vooral aandacht. De eerste benadering vond ik heel indringend, het gevoel dat je niets kunt doen zonder dat er alweer iemand zich met je bemoeit. Na de eerste benadering sloeg ik bijna door.
    In die twee weken tussen de gesprekken was ik het ene moment heel sterk, het volgende moment was ik weer vreselijk labiel. Ik was in de war en bang vanwege de achtervolgingen op straat. Het leek bijna aantrekkelijk om door te slaan; deze mensen bieden me iets aan. Alsof ik mijn eigen politieke standpunten totaal kon omdraaien, waardoor samenwerken met hun heel gewoon leek, een oplossing. Ik kon niet zien waar het om ging, miste de grote lijnen. Ik betrok alles op mezelf, de benadering had heel direct met MIJ te maken. Maar het lag niet aan mij. Ik kon me niet voorstellen wat ze wisten, ze drongen binnen in mijn leven. In wat voor situatie zat ik nu? Ik had de indruk dat ze bedoelden: Wij houden jou in de gaten, we weten alles wat je doet.
    Ik kon achteraf alleen maar denken: er moet ergens een dossier over mij zijn, ze kennen mijn verleden in Zuid-Afrika. Het is schokkend om benaderd te worden. Ik ben er echt enorm van geschrokken. Vluchtelingen zouden op aandacht van een geheime dienst voorbereid moeten zijn, maar daarover is bij Vluchtelingenwerk geen stencil te vinden. Ik wist niet wat ik met die benadering aanmoest. Ik wilde er vanaf zijn, schoof het van me af. Terwijl hoe langer je het vooruit schuift, hoe bedreigender het wordt. Ik werd er wanhopig van.
    De mensen uit de woongroep hadden het druk. Ze wisten van de benadering en mijn labiliteit, maar ze hadden geen tijd voor me vanwege andere dingen. Ik was er ook al maanden weg. Toch hebben we er een keer over gepraat en daardoor ben ik er niet op ingegaan. Dat komt door één van die jongens uit de woongroep, die zei heel eenvoudig: ‘niet met ze meewerken’. Ik wist dus: niet meewerken! Alleen die woorden zorgden ervoor dat ik niet ben doorgeslagen.”
    Benadering van Mafuz Iyad, afkomstig van de Westbank, 1986-1988
    Mafuz Iyad, een Palestijnse man afkomstig uit de door Israël bezette gebieden, komt op 17 juli 1986 met zijn vrouw en zijn twee kinderen vanuit Damascus aan op Schiphol. Het gezin heeft een vliegticket naar Canada. Op Schiphol moeten zij overstappen op een toestel naar Montréal. Maar er komt helemaal geen vliegtuig naar Montréal. Min of meer gedwongen besluiten Iyad en zijn vrouw om in Nederland politiek asiel aan te vragen.
    Mafuz Iyad: “Alle andere asielzoekers gaven ze een formulier om in te vullen, maar ons niet. Ik vroeg aan een man van het vliegveld waarom zij ons er geen gaven. Hij zou voor me informeren maar gaf uiteindelijk alleen een telefoonnummer van een advocaat in Hoofddorp. Ik belde deze advocaat, die zei onmiddellijk te zullen komen. Drie uur later belde ik opnieuw naar de advocaat omdat hij nog niet was geweest. De advocaat zei dat hij wel geweest was, maar dat ik nog niet om asiel gevraagd had en dat hij daarom niet bij mij mocht komen. Als ik wat hoorde moest ik meteen weer bellen. De marechaussee zei dat ik geduld moest hebben. Ondertussen hadden ze van mijn geld dat ze in beslag hadden genomen, 450 dollar, een vliegticket terug naar Damascus gekocht. De man van Syrian Airlines had echter tegen de marechaussee gezegd dat ik niet terug mocht naar Syrië, vanwege de stempels in mijn paspoort. Ik heb namelijk een Palestijns vluchtelingenpaspoort. Ik ben meerdere keren in Syrië geweest. Daar kreeg ik steeds een visum voor maar drie maanden dat ik daarna moest verlengen, vanwege mijn problemen met de Syrische overheid. Ook was ik een aantal keren in het Oostblok geweest waarvan allerlei visa in mijn pas zitten. Om vijf uur ‘s middags kregen we het formulier eindelijk. Er gebeurde verder die hele avond niets.”
    “Pas om elf uur ‘s avonds kwam Joop. Ik dacht eerst dat hij mijn advocaat was. Joop zei dat hij van het ministerie van Justitie was. Hij zei in het Arabisch tegen me: ‘Ik ben een AMEN .’ Dat woord kan veel verschillende dingen betekenen: agent, of politie, of Binnenlandse Zaken, of veiligheid. Joop vroeg of ik ook een AMEN ‘ was. Hij stelde allerlei vragen over mijn paspoort en de stempels die erin zaten. Daarna vroeg Joop: ‘Heb je er bezwaar tegen als ik bij je langs kom als je hier in Nederland blijft om te praten over de Palestijnse kwestie? Ik weet er niet zo veel over en zou graag contact houden’
    Joop sprak tamelijk slecht Engels. Uiteindelijk zei hij: ‘Jij gaat ergens anders heen op Schiphol. Het is geen hotel maar het lijkt er wel op.’ Dat was het vluchtelingencentrum op Schiphol- Oost. Nadat Joop was vertrokken zijn wij per politieauto naar Schiphol-Oost gereden. Het eerste gesprek met Joop had ruim drie kwartier geduurd. Hij had me ook een telefoonnummer in Den Haag gegeven, waar ik hem kon bellen: 070-3657857.”
    “Op 7 november 1986 vond het Nader Gehoor plaats met een ambtenaar van het ministerie van Justitie en een tolk. Het verslag van het Nader Gehoor is negen pagina’s lang. Een groot deel gaat over mijn visa en de stempels. Ik heb van de vreemdelingenpolitie de door de marechaussee gekochte tickets teruggekregen en de rest van de 450 dollar. Justitie zou overwegen of wij, hangende het onderzoek, in Nederland mochten blijven. Enige dagen later kwam een agent van het asielzoekerscentrum op Schiphol die zei: ‘Ik heb goed nieuws voor je, je mag Nederland binnen.’
    Nog diezelfde dag vertrokken we van het opvangcentrum op Schiphol naar een pension voor vluchtelingen in Amsterdam. Van de Sociale Dienst kregen we een uitkering van 900 gulden en ze bekostigden het verblijf in het pension. We deelden de keuken en het toilet met drie andere families. Het was daar vreselijk. We zijn er een paar maanden gebleven. In maart 1987 verhuisden we naar de Bijlmermeer.”
    “In die tijd in het pension kwam Joop twee keer onverwacht langs. De eerste keer was in december 1986, vlak na de aanval op Athene en Rome door Abu Nidal, de Achille Lauro onder andere. Ik was erg verbaasd dat Joop mijn adres wist. Hij zei dat hij ‘toevallig’ in de buurt was en daarom eventjes langs kwam. Hij informeerde eerst naar mij en de kinderen, om daarna op een heel ander onderwerp over te gaan: ‘Ken je mensen van de Abu Nidal?’ Maar ik ken helemaal niemand van de Abu Nidal. Ik zei tegen hem: ‘Terwijl ons volk lijdt sinds 1917 vraag jij mij uit over een paar mensen.’
    Op het moment dat Joop langs kwam had ik erg veel pijn en moest eigenlijk dringend naar het ziekenhuis. Ik zei dat ik niet met hem kon praten en dat ik snel naar de dokter moest. Maar Joop dacht er niet aan mij met zijn auto naar het ziekenhuis te brengen en zei: ‘Laten we toch gezellig wat praten.’ Hij wilde het hebben over aanslagen in Europa en schreef ondertussen alles op wat ik zei. Om van hem af te zijn zei ik dat Mohammed Weetikveel bij Abu Nidal zat. Ik wilde hem weg krijgen.”
    Joop stapte na het afscheid in een auto en reed weg. Iyad werd die nacht voor een spoedoperatie opgenomen in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en bleef daar een tijdlang om te herstellen.
    “De tweede keer dat Joop in het pension kwam was in januari 1987. Het was erg slecht weer en ik klaagde over het vocht in het huis. Joop raadde me aan naar de Sociale Dienst te gaan omdat zij over het huurcontract gingen: ‘Die kunnen wel iets voor jullie regelen’. Daarna zei Joop dat hij nog wel een jas in zijn auto had liggen. Die is hij toen voor me gaan halen. Het was een tweedehands jas, een lange wollen overjas. Hij was erg warm maar ik heb hem niet veel gedragen. Ik heb later alle knopen er afgehaald en stukgeslagen om te kijken of er geen microfoontjes in zaten.
    Via een brief van de Sociale Dienst aan de woningbouwvereniging kregen we in maart 1987 een nieuw huis. Dat was in de Bijlmer. Na een week kwam Joop al kijken en zag de telefoon staan; ik gaf hem het nummer. Joop zei dat hij me wilde helpen. Ik vertrouwde hem niet. Toen liet Joop twee foto’s zien; de ene van een Iraanse vrouw die Niragy heet, Joop wist niet dat ze Iraanse was. Ik kende de vrouw van gezicht omdat ze bij ons in het pension had gewoond. De ander foto was van een Palestijnse man, Yasr, die in een vluchtelingenkamp op de Westbank had gezeten. Joop zei dat deze man met een Nederlandse vrouw getrouwd was. Hij vroeg: ‘Ken je die mensen?’ Ik zei van niet. Ik wilde niet voor hem werken. Toen zag ik dat Joop een agenda vol had met zulke mensen. Hij wist waar ze woonden, alles. Joop zei: ‘Ik ken veel Palestijnen hier. Heb jij contacten met de PLO? Ken jij Palestijnen hier? Die foto’s zijn niet belangrijk, het is gewoon maar een vraagje. Ik wil je helpen om je ouders hier te laten komen, ik kan hun visum regelen.’ Ik had niet tegen Joop gezegd dat mijn ouders zouden komen. Zij hadden bij de Nederlandse ambassade in Damascus een visum aangevraagd. Joop zei dat hij hun aanvraag toevallig had zien liggen. Mijn ouders hebben tot twee keer toe gewoon een visum gekregen, maar daar had Joop volgens mij niets mee te maken.
    Joop had elke keer een ander verhaal, de ene keer zei hij: ‘Je krijgt de A-status toch wel.’ De andere keer zei hij dat het heel moeilijk zou zijn, dat het niet zomaar zou gaan. Hij vertelde steeds iets anders.”
    “De tweede keer dat Joop naar de Bijlmer kwam werd ik heel boos op hem. Hij liet me een foto zien van iemand die ik zelf goed ken, van Feisal, een Palestijn uit hetzelfde dorp waar ik vandaan kom, we zijn verre familie van elkaar. Joop vertelde: ‘Deze man zat laatst met een paar Palestijnen op een terras bij het Centraal Station in Amsterdam. Ze hadden het over een andere Palestijn die verderop de krant zat te lezen. Die man zou in het bezit kunnen zijn van een Israëlisch paspoort, zoals zoveel Palestijnen hebben. Die Palestijnen verdachten de man met de krant ervan dat hij voor de Mossad , de Israëlische geheime dienst, werkte.’
    Toen ben ik heel boos op Joop geworden, ik wilde hem nooit meer zien. Ik heb gezegd: Ik ken hem! Je denkt toch niet dat wij terroristen zijn. Wij zijn vluchtelingen en hebben daarmee niets te maken. Wij komen uit Palestina en houden van ons land. Toen zei Joop: ‘Je kinderen moeten Palestina vergeten.’
    Feisal reageerde woedend op dit verhaal, hij zei: ‘Dat gaat over ons! Dat hebben wij gezegd!’ Feisal wilde Joop mores leren, ik heb hem toen gekalmeerd. Ik vraag me af hoe Joop dat verhaal kende.
    Joop weet veel over de Palestijnen. Hij kent alle èchte namen van ze, dus niet alleen de roepnamen. Hij weet waar ze wonen en met wie ze relaties hebben, dat iemand verliefd is op een verslaafde ….”
    “In mei 1988 probeerde ik Denemarken binnen te komen, omdat daar de asielprocedure veel beter is. Als Palestijn krijg je er makkelijk een vluchtelingenstatus. Aan de Deense grens werd ik echter teruggestuurd. Toen ik weer thuis was belde Joop mij alweer op: ‘Waarom heb je dat gedaan? Ik wil je toch helpen?’ Toen zei ik dat ik zijn hulp niet wilde. Joop vroeg me waarom ik dan niet naar Canada ging. ‘Dat kan toch makkelijk met een vals paspoort. Daar kan je zo asiel krijgen.’ Maar dat wilde ik helemaal niet.
    Ik vroeg: ‘Wil je dat ik mijn eigen volk ga bespioneren?’ Joop zei: ‘Ik heb je niet gevraagd om die mensen achterna te zitten, je moet me alleen alles vertellen wat je over die mensen weet. Ben je bang voor mij? Ik hoef niet speciaal bij jou thuis te praten. Als je dat liever wilt kunnen we ook in een restaurant afspreken.’ Dat wilde ik niet. Joop drong er op aan me nog te ontmoeten. Maar ik zei dat ik hem niet meer wilde ontmoeten. Toen hield het gesprek op. Daarna heb ik met mijn advocaat gebeld, want ik wist niet meer wat ik moest doen. Die zei: ‘Als je niet wilt dat hij nog komt moet je het hem zeggen. Anders moet je mij opbellen.’
    Op 3 juni 1988 besliste de minister van Justitie dat ik geen vluchteling ben, maar ik kreeg wel een verblijfsvergunning voor twee jaar, tot november 1990. Direct na deze beslissing verzocht mijn advocaat om herziening van de beschikking.”
    “Joop heeft me verder nooit iets aangeboden in ruil voor de informatie, die hij van mij vroeg. Wel nam hij altijd taartjes mee voor de kinderen, die ik eigenlijk niet wilde aannemen. Een keer wilde ik het gesprek met Joop opnemen om een bewijs te hebben voor mijn advocaat. Maar mijn vrouw was heel bang en dacht dat hij misschien een pistool of geweer kon hebben. Ook de kinderen waren altijd bang voor Joop als hij weer kwam.
    In totaal is Joop zes keer langs geweest en hij heeft ook ongeveer zeven keer opgebeld, dat was toen wij in de Bijlmer woonden. Ik ben twee keer van telefoonnummer veranderd, heb geheime nummers aangevraagd om van Joop af te komen. Maar hij wist toch telkens het nieuwe nummer.
    Joop kwam altijd naar mijn huis om mij te zien, hij wilde altijd discussiëren over problemen, de wereld, de Palestijnen. Hij probeerde altijd informatie uit je te trekken. Ik probeerde over andere dingen te praten. Joop heeft nooit verteld van de BVD te zijn. Hij zei ook nooit zijn achternaam.”
    Benadering van Sritharan te Oisterwijk, februari 1990.
    Meneer Sritharan is Tamil. Hij verblijft sinds 1988 als asielzoeker in Nederland. Hij was betrokken bij één van de Tamilgroepen die in Nederland actief zijn. Politieke rivaliteit tussen de verschillende Tamilgroepen in Nederland leidde tot onenigheid en onderlinge ruzies. Andere Tamils hebben hem en zijn familie in Sri Lanka bedreigd. Hij werd behoorlijk onder druk gezet. De bedreigingen waarvan Sritharan het slachtoffer is geweest, zijn in de gemeenteraad van Oisterwijk besproken. Om hem te beschermen werd besloten extra politie in te zetten.
    Meneer Sritharan meldt zich in februari 1990 bij de Vreemdelingendienst voor zijn wekelijkse stempel. Zijn groene meldkaart wordt hem afgenomen en er wordt gevraagd of hij even kan wachten. Er is iemand voor hem uit Den Haag, die zich met een pasje identificeert als Wim Lares. De man van de Vreemdelingendienst vertrekt na Wim Lares en Sritharan aan elkaar te hebben voorgesteld.
    Wim Lares neemt Sritharan mee naar een apart kamertje, waar het gesprek zal plaatsvinden. Hij vertelt voor het ministerie van Binnenlandse Zaken te werken en geeft een telefoonnummer in Den Haag, waar hij meestal te bereiken is: 070-3614401. De BVD-er stelt allerlei vragen over de bedreigingen door andere Tamils. Sritharan wil na lang aarzelen wel aan de BVD vertellen wat hij weet, want hem is nogal wat overkomen.
    Na afloop wordt hem op het hart gedrukt vooral met niemand over het gesprek te praten. In ruil voor informatie biedt Wim Lares hem bescherming aan. Dat is kort daarvoor echter ook al in de gemeenteraad aangekaart. Sritharan is weliswaar bang voor de mensen die hem bedreigen maar meer nog vreest hij voor het lot van zijn familie in Sri Lanka. Hij vraagt daarom aan Wim Lares of de BVD zijn gezin in Sri Lanka in bescherming kan nemen, bijvoorbeeld door hun komst naar Nederland te bespoedigen. Maar dat ligt volgens de BVD-er buiten de mogelijkheden.
    De week daarop gaat Sritharan opnieuw naar de politie voor een stempel. Wederom wordt hij naar een aparte kamer geroepen. Er is nu een andere BVD-er, die zich Kok noemt, en het gesprek van de week ervoor voortzet. Kok stelt een paar uur lang vragen over de politieke achtergronden van de onderlinge conflicten tussen de Tamils in Nederland. Ook de bedreigingen die Sritharan heeft ondervonden komen aan de orde.
    De Oisterwijkse Vluchtelingenwerk-groep nam naar aanleiding van deze gebeurtenissen contact op met het landelijke secretariaat van Vluchtelingenwerk Nederland. Vluchtelingenwerk liet weten dat ze dit vaker had meegemaakt, ook andere Vluchtelingenwerk-groepen hadden dergelijke ervaringen.
    Benadering van Youssef Yilderin te Venlo, januari 1990.
    Youssef Yilderin is een 25-jarige Palestijn uit Libanon. Samen met zijn broer, die oorlogsinvalide is, vraagt hij asiel aan bij de Venlose Vreemdelingendienst. Ze wonen sinds 1989 in een ROA-woning in Limburg. Beiden krijgen een negatieve beschikking van het ministerie van Justitie, maar mogen in Nederland blijven zolang de oorlog in Libanon voortduurt. De zogenaamde gedoogstatus.
    Op oudejaarsavond 1989 bereikt de broers het bericht dat twee van hun neven, respectievelijk 17 en 21 jaar oud, zijn omgekomen bij een auto-ongeluk in het noorden van Israël. Enkele dagen later wordt Yilderin benaderd door de BVD.
    Youssef Yilderin: “Op 2 of 3 januari 1990 kwam er een man aan de deur. De man was ongeveer 45 jaar oud. Hij was een beetje dik, droeg een bril en een keurig colbert. De man stelde zich niet aan mij voor, maar begon meteen in het Engels te praten. Hij zei dat hij ‘van het ministerie’ was. Ik liet hem binnen, omdat ik het onbeleefd vind iemand zomaar buiten te laten staan. In de hal vroeg ik hem naar zijn identiteitskaart. De man antwoordde mij dat hij die nu niet bij zich had, maar dat dat de volgende keer wel zou komen.
    In onze huiskamer waren, naast mijn broer, nog twee vrienden aanwezig. Meteen toen hij binnenkwam zei de man ‘van het ministerie’ tegen mij: ‘De zonen van uw broer zijn overleden in Israël. Als u naar Israël wilt om bij uw familie te zijn, kunnen we u en uw broer helpen.’ Ik vroeg mij direct af hoe deze man dat kon weten. Wij hadden het bericht net ontvangen en inmiddels besloten dat wij niet naar onze familie in Israël zouden gaan. Ik antwoordde: ‘We willen niet naar Israël. We willen geen hulp van u.’
    Toen ging de man zomaar bij de andere gasten zitten. Hij vroeg aan mij of er soms iets te drinken was, bijvoorbeeld koffie. Ik vond dit zeer onbeleefd. Daarom zei ik tegen hem dat de koffie op was en dat ik eerst naar de winkel moest om nieuwe te kopen.
    Vervolgens richtte de man zich tot onze gasten en begon over Palestina en politieke aangelegenheden te praten. Hij zei: ‘De PLO is op de goede weg, ze willen vrede. Nu is Israël slecht, want die willen oorlog. En Yasser Arafat is goed. Maar als je naar Israël wilt, kun je dat maar beter niet zeggen tegen de PLO.’ Ik begreep niet waarom de man daarover tegen onze visite begon. Hij bleef ongeveer een half uur zo doorpraten: over de Palestijnse kwestie, over Israël. Om te benadrukken dat we hem konden vertrouwen, voegde hij daaraan toe: ‘Ik werk niet voor Israël of de Mossad , ik werk voor Nederland.’
    Tenslotte stond de man op en ging naar de deur. Hij zei tegen mij: ‘Ik kom een andere keer terug.’ Maar ik hoopte dat hij dat niet zou doen. Ik was boos op deze ‘man van het ministerie’ die overal zijn neus in probeerde te steken. In het bijzonder omdat hij in het bijzijn van onze gasten over Israël had gesproken. Ons bezoek zou misschien kunnen gaan denken dat ik, of mijn broer, voor de Israëli’s werkte.
    Om te voorkomen dat mensen slecht over ons zouden gaan denken heb ik een afspraak gemaakt met een Palestijnse vriend om te vertellen wat er gebeurd was. Deze vriend heeft het verhaal goed opgenomen. Hij vertelde me dat hij vaker van zulke ervaringen had gehoord.
    Een dag of 10 later, ik was alleen thuis, kwam de ‘man van het ministerie’ opnieuw aan onze deur. Ik heb hem opnieuw binnengelaten. Puur uit beleefdheid. De man wilde weer beginnen over Israël en de Palestijnen. Maar daar had ik helemaal geen zin in. Ik zei tegen hem dat hij beter weg kon blijven en niet nog een keer terug hoefde te komen. Na enkele minuten vertrok de man weer. Hij stapte in een gele BMW en reed met hoge snelheid weg.”
    Benadering van Ludmilla Kerényi te Gorinchem, 1987.
    Ludmilla Kerényi is Hongaarse. Ze was danseres in een Hongaars gezelschap dat wel eens reizen naar het buitenland maakte.
    In 1982, zij werkt inmiddels drie jaar bij het dansgezelschap, wordt mevrouw Kerényi opgeroepen zich te melden bij de Rendörseg , de ‘volkspolitie’. Zij moet bij de eerstvolgende reis van het ballet naar Parijs inlichtingen inwinnen over een voormalig collega van het gezelschap, die in het westen is achtergebleven. Als ze zou weigeren kan ze op represailles rekenen, zo wordt haar te verstaan gegeven.
    Na terugkomst in Budapest wordt Mevrouw Kerényi opnieuw opgeroepen bij de Rendörseg . Men vraagt haar wat zij te weten is gekomen en of ze met de man in kwestie heeft gesproken. Mevrouw Kerényi ontkent hem gezien te hebben, wat overigens niet waar is. De man heeft de dansers opgezocht in het hotel waar zij logeerden en er is een feestje gevierd. Doordat ze niet alles vertelt, komt mevrouw Kerényi in de problemen. Ze krijgt een laag cijfer op de vervolgopleiding die ze is begonnen en haar wordt verteld dat zij haar carrière verder wel kan vergeten.
    In 1983 wordt zij beschuldigd van samenzwering tegen de staat. In 1984 sluit zij zich aan bij een beweging voor democratische hervormingen. Ook haar vriend Zsolt is actief in die organisatie. De Rendörseg probeert haar ook dan nog voor werkzaamheden te winnen. Zij blijft echter weigeren en verhuist naar een andere stad in Hongarije waar ze inmiddels werk heeft gevonden. In 1984 wordt ze ontslagen.
    Begin 1986 vluchten mevrouw Kerényi en haar vriend naar Nederland en kloppen aan bij een oude vriend, ook een danser uit Hongarije, die in Gorinchem woont. Ze zijn niet in staat geweest hun kind mee te nemen.
    Direct de volgende dag gaan ze naar de Vreemdelingendienst in Gorinchem om politiek asiel aan te vragen. Ze vertellen meteen dat hun kind in Hongarije is achtergebleven. Dat leidt er toe dat de Nederlandse Ambassade in Budapest tot in 1987 probeert voor het kind een visum te krijgen, echter zonder resultaat.
    In mei 1987 vindt het Nader Gehoor met Justitie plaats. Een medewerkster van de plaatselijke Vluchtelingenwerk-groep is daarbij aanwezig. Haar valt op dat Mevrouw Kerényi haar verhaal bij de contactambtenaar heel slecht doet, zonder overtuiging. Ludmilla maakt een uitgebluste indruk. Terwijl ze normaal zeer gedreven en overtuigend is, vertelt ze het hele verhaal vrijwel emotieloos. Dat wekt argwaan bij Vluchtelingenwerk en bij de vaste begeleidster van Ludmilla Kerényi en Zsolt.
    Een maand later krijgen mevrouw Kerényi en Zsolt een negatieve beschikking van het ministerie van Justitie. Er wordt wel direct schorsende werking verleend, waardoor zij Nederland voorlopig niet hoeven te verlaten.
    Als de begeleidster van de Vluchtelingenwerk-groep later een keer bij hen op bezoek is, vertelt Zsolt haar dat ze iets moeten vertellen maar dat ze moeilijk kunnen zeggen wat er precies aan de hand is. De begeleidster ziet de ernst van de situatie niet meteen in en grapt: “Hoezo niet kunnen vertellen, het lijkt wel BVD.” Daarop zegt Zsolt dat het inderdaad om de Nederlandse geheime dienst gaat. In het gesprek dat volgt vertellen mevrouw Kerényi en haar vriend voor het eerst aan een buitenstaander wat hen overkomen is.
    De BVD had verschillende malen contact met hun gezocht: ze hadden mevrouw Kerényi opgebeld, een afspraak gemaakt en waren komen praten. De Hongaarse situatie kwam ter sprake, met name over de Rendörseg wilde de BVD meer informatie hebben. In ruil daarvoor kon de BVD misschien wel iets doen voor haar kind. Om die reden was mevrouw Kerényi geneigd de BVD tegemoet te komen. Maar haar vriend wilde dat persé niet. Ze waren juist gevlucht, om van de veiligheidsdiensten af te zijn!
    Mevrouw Kerényi moest van de BVD naar de Hongaarse ambassade in Den Haag gaan, om met een man te praten die daar werkte. Daar zou ze moeten proberen zelf iets voor haar dochtertje te regelen, zelf te onderhandelen. De BVD zou Ludmilla beschermen door buiten mensen neer te zetten, zodat er niets kon gebeuren. Mevrouw Kerényi was bang dat ze de ambassade niet meer uit zou mogen.
    De BVD is een keer of vijf bij haar thuis geweest om daar over te praten. En steeds maar weer werden er vragen gesteld over de situatie in Hongarije. De BVD-er wilde almaar met hen uit eten, maar dat wilden ze niet. Mevrouw Kerényi moest beloven met niemand over haar contact met de BVD te praten.
    Toch bracht ze het verhaal over de nieuwsgierige BVD-er ter sprake bij de Vreemdelingendienst in Gorinchem. Een rechercheur van de Vreemdelingendienst vertelde haar dat dat heel normaal was in Nederland. Dat gebeurde met alle vluchtelingen, dat de BVD langs komt. Daarover hoefden zij zich geen zorgen te maken.
    Ludmilla Kerényi was bang dat haar kind uiteindelijk niet in Nederland zou worden toegelaten, mede omdat zij en haar vriend een negatieve beschikking hadden gekregen. Daarom werd het kind over de grens gesmokkeld en belandde het op een goede dag in Nederland. Mevrouw Kerényi stapte direct naar de ambtenaar van de Vreemdelingendienst om dat mee te delen. Die was echter helemaal niet blij voor haar. Hij liep zelfs rood aan van woede en viel boos tegen haar uit: “Hoe heb je dat gedurfd, heb je dan helemaal geen vertrouwen in de aanpak van Nederland?”
    Benadering van Aran Yiliz te Rotterdam, augustus 1985.
    Aran Yiliz is een Iraanse vluchteling en woont sinds 1983 in Nederland. Hij verkrijgt als politiek vluchteling eerst een B-status, die later automatisch verandert in een A-status.
    Yiliz: “In augustus 1985 ging ik met een vriend affiches plakken voor een demonstratie tegen de oorlog tussen Iran en Irak. Onder de affiches stonden de namen van verschillende organisaties en een aantal onafhankelijken die de demonstratie ondersteunden. We hadden geen toestemming voor het plakken van affiches in de Rotterdamse binnenstad, dat mocht alleen ver buiten het centrum. Daarom gingen we maar illegaal plakken, onder meer bij het Centraal Station. Twee politieagenten hielden ons aan en brachten ons naar het Hoofdbureau. Daar kwamen we eerst bij de wachtcommandant, die heel erg streng was. We mochten niet eens gaan staan. We moesten op een stoel blijven zitten. Toen we protesteerden tegen deze ‘voorschriften’, werd mijn vriend overgebracht naar een dagverblijf. Ik werd daar erg boos om, en werd vervolgens zelf ook in een dagverblijf opgeborgen. Daar hebben we tot 12 uur ‘s nachts gezeten.
    Toen kwamen er twee rechercheurs de cel binnen. Zij namen mij mee naar een andere ruimte. Die twee, ze waren allebei ongeveer veertig jaar oud, stelden zich niet voor. Eén van hen was erg lang. In perfect Engels legde hij uit ‘gewoon van de politie te zijn’, op het bureau met boeven te praten en ‘gewoon een relatie met hen te willen’. Die twee wilden informatie van mij, zeiden ze, ‘gewoon informatie’. Ze vroegen: ‘Hoe organiseren jullie zulke demonstraties?’. Aangezien ik zelf betrokken was bij de organisatie van deze demonstratie, zei ik dat dat eigenlijk vanzelf ging: via vrienden die elkaar inlichten.
    Toen vroegen ze: ‘Tot welke politieke partij van de ondersteuners behoor jij?’ Ik vertelde helemaal niet bij een politieke partij te horen. Ik ben onafhankelijk en wil dat ook blijven. Toen boden de heren mij bescherming aan, als ik met hen zou praten. Ze wilden weten hoe Iraanse oppositiegroepen functioneren, hoe ze zich organiseren.
    Ik had al snel door dat het helemaal niet alleen om het plakken van die affiches ging. Ik was nieuwsgierig naar wat ze nog meer wilden. Daarom ging ik akkoord met een afspraak voor de volgende dag; achter het Centraal Station zou ik om 11 uur op hen wachten.
    Daarna werd ik vrijgelaten. Buiten wachtte ik op mijn vriend, die een half uur later ook vrijkwam. Ik had weliswaar toegezegd er met niemand over te zullen praten, maar aan mijn vriend heb ik het verhaal meteen verteld. Hij was ook aangesproken door de twee mannen. Voor de grap zeiden we tegen elkaar: ‘Als ik een huis van ze krijg, ga ik wel voor ze werken.’ In die tijd zat ik namelijk zonder huis.”
    De volgende dag, achter het Centraal Station, ontmoet Yiliz de zelfde mannen weer. De PID-ers zij met een auto en Yiliz stapt in.
    “Ik zag één van hen een cassetterecorder aanzetten. De eerste vraag die zij stelden was: ‘Heb je het aan iemand verteld?’. Ik durfde niet te liegen, omdat ik ervan uitging dat alles werd opgenomen, als bewijsmateriaal. Daarom vertelde ik dat ik het inderdaad aan iemand verteld had. Voor de rechercheurs was dat voldoende: ze wilden mij al niet meer.
    Wel begonnen ze een discussie met mij, waarom ik dat gedaan h