• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • AIVD, Paul H en de onderzoeken

    Deze week is het proces over het lekken van AIVD informatie aan de Telegraaf begonnen Naast oud-BVD agent Paul H. zijn inmiddels ook Bertus van D. uit Katwijk en Bastiaan van G. uit Voorhout verdacht van het lekken van staatsgeheimen. Het OM vermoedt dat het tweetal de staatsgeheime stukken bij Paul H. heeft gestolen en deze vervolgens heeft doorgespeeld aan de journalisten.
    Ook is het onderzoek van de CTIVD naar het lekken gepubliceerd.

    BN/De Stem meldde op 9 januari jl. dat advocaat Bart Nooitgedagt iedere betrokkenheid van Bertus van D. ontkent. „Justitie neemt hem alleen op de korrel, omdat hij een tijdje bij Paul H. heeft gewoond. Hij zou de stukken uit diens huis hebben meegenomen en aan de journalisten hebben doorgespeeld. Maar rechercheurs hebben inmiddels zelf in een proces-verbaal toegegeven dat er geen aanwijzingen zijn voor Van D.’s betrokkenheid.“
    De advocaat van Bastiaan van G. noemde de verdenking van zijn cliënt in dezelfde krant ook flinterdun. „Er is vastgesteld dat hij contact heeft gehad met beide Telegraafjournalisten vlak voordat zij de staatsgeheimen over Mink K. publiceerden. Maar dat contact ging over een heel andere zaak, waarover ook is geschreven.“
    Al eerder meldden diverse kranten een mogelijk ander scenario. Een aantal AIVD’ers, door de rechter commissaris gehoord, vertelden dat in de periode dat Paul H. bij de dienst werkte een medewerker is ontslagen wegens ‘integriteitproblemen’. Ook deze man had toegang tot de stukken uit het Mikado-onderzoek. De rechtbank heeft besloten dat hij ook gehoord moet worden. De rechtbank heeft ook besloten dat een deel van de documenten (gecensureerd) ter beschikking gesteld moet worden van de verdediging. De Telegraaf publiceerde de stukken op 9 januari op zijn website.

    Volgens officier van justitie mr. E. Harderwijk hebben de niet in de rechtszaal verschenen Van G. en Van D. de verslaggevers indertijd een pakket gekopieerde werkdossiers van de geheime dienst in handen gespeeld waarin gewag werd gemaakt van onderzoek naar Mink K. en zijn criminele omgeving, en naar corruptie binnen de politie en het justitieapparaat – onderzoeken waaraan ex- agent Paul H. oftewel ‘operateur’ OPE2HE tussen 1996 en 2000 heeft gewerkt. Paul H. zelf blijft ontkennen dat hij bij de zaak betrokken is.
    Ook ondervroeg de officier van justitie nogmaals de Telegraaf journalisten Joost de Haas en Bart Mos over hun bron(nen).

    NRC Handelblad melde dat op de vraag of een van de verdachten een beroep op de journalisten had gedaan om te verklaren dat hij de bron niet was, beide journalisten wel antwoord moesten geven. Want dat viel volgens de rechtbank niet onder het verschoningsrecht. Tijdens de zitting gaven de journalisten aan dat de twee verdachten die gisteren terecht stonden op beschuldiging van het doorspelen van de dossiers naar De Telegraaf, herhaaldelijk gevraagd hadden wie de bron was geweest. Waarop de advocaten van beide verdachten de conclusie trokken dat hun cliënten de bron niet konden zijn geweest. Want als je zelf de bron bent, ga je vervolgens niet bij journalisten hengelen om erachter te komen van wie de documenten afkomstig waren. Dat was de enige concrete informatie die de ondervraging had opgeleverd.

    Het proces is ook direct weer opgeschort omdat er onderzoek verricht moet worden naar de bron van VVD-Tweedekamerlid Fred Teeven. Deze melde dat hij van een kennis uit ‘uit zijn persoonlijke en professionele’ kennissenkring te horen had gekregen dat ‘misdaadschrijver’ Bas van Hout de beschikking had over de AIVD-rapporten en ze probeerde te slijten aan media, Teeven gaf deze informatie door aan zijn collega’s. Op last van het college van procureurs-generaal hebben ze deze tip verder niet onderzocht. Het OM moet hier op verzoek van de advocaten nu alsnog mee aan de slag gaan. Fred Teeven zou eventueel gegijzeld kunnen worden als hij volhard in zijn zwijgen.

    Onderzoek

    Na de publicatie in de Telegraaf van 21 januari 2006 zijn er verschillende onderzoeken gestart:
    1. onderzoek van de Rijksrecherche (de strafrechtelijke vervolging)
    2. een operationeel onderzoek van de AIVD naar het lekken (waarbinnen de Telegraaf journalisten weren afgeluisterd)
    3. een Vir-bi onderzoek door de AIVD. Dit soort onderzoeken vindt plaats op basis van het voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie en wordt ingesteld als bijzondere informatie onbedoeld in de openbaarheid is gekomen.
    4. onderzoek van de CTIVD “inzake het onderzoek van de AIVD naar het uitlekken van staatsgeheimen”

    De AIVD is dus zelf flink betrokken geweest bij het onderzoek naar lekken van documenten vanuit de eigen organisatie. Opmerkelijk blijft vooral dat het Vir-bi onderzoek, waarbij vastgesteld dient te worden wat de aard en omvang van de schade is en welke maatregelen genomen moeten worden om de schade te beperken, door de AIVD zelf is verricht.

    In het debat in de Tweede Kamer van 26 januari 2006 over een eventuel onderzoek heeft minister Remkes de route van externe onderzoeken afgehouden. “In relatie tot dit onderzoek is de suggestie gedaan van een parlementair onderzoek. Ik heb niet de behoefte om wat dan ook af te houden, maar als ik een beoordeling maak vanuit de zaak, gelet op de problemen waarvoor wij staan en op wat er de komende tijd moet gebeuren –
    ook in een groot aantal andere dossiers – weet ik dat wij de energie verkeerd zouden richten als er nu werd besloten tot een parlementair onderzoek, en dat er ook aan een aantal zaken schade zou worden toegebracht. Dan speel je precies mensen in de kaart die je niet in de kaart wilt spelen.
    Wat dan wel? Er is aangifte gedaan en het strafrechtelijk onderzoek heeft dus absolute prioriteit. Verder is er het interne AIVD-onderzoek. Ik kan mij goed voorstellen dat ik over de punten die ik zojuist heb genoemd binnenkort zal overleggen met de Commissie van Toezicht, als interne check. Dan zal het onderzoek ook echt moeten worden verricht. Ik heb er geen behoefte aan om op dit ogenblik allerlei afspraken te maken over een externe check door de Commissie van Toezicht. Ik sluit dat ten principale niet uit, maar ik vind dat wij dit echt even zijn gang moeten laten gaan. Vervolgens krijgt de Kamer deze informatie toegestuurd, die erover kan spreken. Op dat moment kunnen wij met elkaar vaststellen waar wel of niet behoefte aan bestaat. Dat lijkt mij de juiste volgorde. Ik zit er open in. Ik zie het punt wel, maar wat de volgorde betreft lijkt mij dit de juiste route” .
    Tweedekamerlid voor de LPF Joost Eerdmans diende een motie in waarin hij voorstelde de CTIVD een onderzoek te laten doen naar het integriteits- en geheimhoudingsbeleid van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Een paar dagen later (op 31 januari) trok hij deze motie echter in, waardoor het grootste deel van het onderzoek in handen bleef van de AIVD zelf. Uiteindelijke heeft de CTIVD wel de opzet van het Vir-bi getoetst aan de eisen die daarvoor in het Vir-bi worden gesteld. Het resultaat van het onderzoek is onbekend.

    Ook het strafrechtelijk onderzoek door de Rijksrecherche en het operationeel onderzoek door de AIVD zijn met elkaar verbonden. Hoewel het ene onderzoek strafrechterlijk van aard is en het andere gericht op bescherming van de nationale veiligheid, is informatie afkomstig uit het AIVD-onderzoek (bijvoorbeeld verkregen via het afluisteren van de Telegraafjournalisten) wel gebruikt in het Rijksrecherche-onderzoek. De CTIVD meldt in haar rapport dat ‘ een aantal ambtsberichten aan het openbaar ministerie is uitgebracht’.

    Onderzoek CTIVD

    Ondertussen is op 19 december 2006 ook het onderzoek van de Commissie van Toezicht Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) “inzake het onderzoek van de AIVD naar het uitlekken van staatsgeheimen” afgerond.
    De belangrijkste vraag binnen het CTIVD-onderzoek was natuurlijk of de AIVD de Telegraafjournalisten rechtmatig had afgeluisterd.
    De Telegraaf had een Kort Geding tegen de staat aangespannen waarin het stoppen van het afluisteren werd geëist.
    In juni 2006 kwam de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het veronderstelde gebruik van de bijzondere bevoegdheden jegens de beide Telegraafjournalisten achterwege had moeten blijven. Er is niet voldoende rechtvaardiging voor de, aldus veronderstelde, verregaande inbreuk op de vrijheden van meningsuiting en van nieuwsgaring die voortvloeien uit artikel 10 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
    De rechtbank was wel van mening dat er sprake was van een artikel 6 sub a onderzoek van de AIVD, waarbinnen bijzondere bevoegdheden mogen worden ingezet, maar vond dat de Telegraafjournalisten terughoudend gebruik hadden gemaakt van de inhoud van de documenten.
    Het Gerechtshof oordeelde op 21 augustus 2006 anders. Net als de rechtbank vond het Hof dat bijzondere bevoegdheden “mogen worden toegepast ook jegens degenen die weliswaar niet zelf kunnen worden aangemerkt als “target”, als persoon als bedoelt in art. 6 lid 2 onder a WIV 2002, maar daarmee wel in verbinding staan op een wijze als waarvan hier sprake is (de journalisten waren in het bezit van geheime documenten). Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat toepassing van die bijzondere bevoegdheden (observeren, in het kader daarvan registreren, volgen, aftappen en afluisteren van gesprekken, telecommunicatie etc.) jegens de journalisten a priori ongeoorloofd is”.
    Uit twee ambtsberichten die zijn opgenomen in het dossier lijkt overigens dat de AIVD al voor publicatie van de stukken de Telegraafjournalisten in het vizier had.
    “…is de AIVD uit betrouwbare bron bekend geworden dat de Telegraafjournalisten Joost de Haas en Bart Mos een ontmoeting hebben gehad met… Op … hebben de Telegraafjournalisten wederom een ontmoeting met…” Het tweede bericht meldt dat de journalisten voorbereidingen treffen om op korte termijn een artikel te publiceren over… ”
    Het zou hier kunnen gaan over de recent gearresteerde Bastiaan van G.
    Het Hof constateerde dat er met het afluisteren wel een inbreuk werd gemaakt op het journalistieke recht op bronbescherming, maar de aantasting van dit recht is wel bij recht voorzien (de Wet Inlichtingen en Veiligheidsdiensten). Uiteindelijk valt de afweging van beide rechten door het Hof anders uit dan bij de rechtbank: “de inbreuk op het in art. 10 EVRM beschermde recht als gevolg van de toepassing van de bijzondere bevoegdheden in beginsel in redelijke verhouding tot het daarmee nagestreefde doel, te weten het voorkomen van de verspreiding van de in het geding zijnde staatsgeheimen door het opsporen van het lek en het, mogelijk mede ter bescherming van het leven van anderen, onderzoeken”. Wel oordeelde het Hof dat de AIVD hier uiterst zorgvuldig mee om dient te gaan.
    Ook de CTIVD heeft in haar onderzoek de rechtmatigheid van het tappen van de journalisten gekeken. De vraag was of mensen die niet als targets van een artikel 6 sub a WIV onderzoek zijn aan te merken wel door de dienst mogen worden afgeluisterd. Om te beginnen stelt de CTIVD dat een onderzoek gericht dient te zijn op het verzamelen van gegevens over targets. Meestal gebeurt dit door bijzondere bevoegdheden in te zetten tegen het target zelf. Maar, soms is de AIVD natuurlijk het zicht op een target kwijt. “In een dergelijk geval acht de AIVD het soms noodzakelijk om bijzondere bevoegdheden in te zetten tegen non-targets met het doel om via deze weg zicht te krijgen op het target”, aldus de CTIVD. Ook wettelijk is het volgens de CTIVD toegestaan. Artikel 13 lid 1 aanhef en sub a WIV 2002 bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens, zoals gegevensverzameling, (slechts) betrekking kan hebben op personen die zijn aan te merken als targets. Daarnaast is in de taakomschrijving van de AIVD bepaald dat de AIVD onderzoek verricht met betrekking tot targets (artikel 6 lid 2 sub a WIV 2002).
    Wel dient de inzet van de bevoegdheden proportioneel te zijn. De inzet moet duidelijk worden gemotiveerd en worden gestaakt als het doel is bereikt.
    Toegepast op de zaak van de Telegraaf constateerde de CTIVD dat meerdere non-targets zijn afgeluisterd. Op één geval na oordeelde de CTIVD dat “de inzet van de bijzondere
    bevoegdheden tegen de meeste van deze non-targets in overeenstemming is met de wettelijke vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit”. Het aftappen van de telefoon van één non-target was volgens de CTIVD niet in overeenstemming was met het vereiste van subsidiariteit (artikel 31 lid 2 WIV 2002). De AIVD had eerst langs andere weg de benodigde informatie moeten trachten te verkrijgen. De Commissie beveelt aan om de gegevens die door middel van de inzet van deze bijzondere bevoegdheid zijn verkregen te vernietigen.
    Over het tappen zelf merkte de CTIVD ook een aantal punten op:
    – een tap was al aangesloten terwijl er pas een uur later toestemming kwam van de minister
    – er werden gesprekken uitgewerkt die totaal geen relevantie hadden voor het onderzoek
    – op de toestemmingsbriefjes voor het plaatsen van een tap werd met de hand erbij geschreven dat er al eerder mondelinge toestemming was gegeven (kan een vorm van antidatering zijn, degene die getekend heeft ziet het immers niet)
    – twee taps zijn onzorgvuldig geplaatst. Via een bron kreeg de AIVD twee nummers door die aan een target zouden toebehoren. Al snel bleek dat niet zo te zijn. De CTIVD vindt dat de AIVD al voor het plaatsen van een tap had kunnen achterhalen dat de nummers niet bij het target in gebruik waren.
    Wat betreft de speciale positie van journalisten dient de AIVD rekening te houden met hun recht op bronbescherming. Zeker indien zijn als non-target zijn aangemerkt zal de AIVD moeten nagaan of de gewenste informatie op andere manieren is te achterhalen. De CTIVD stelt voor om in verzoeken tot toestemming voor de inzet van een bijzondere bevoegdheid in de motivering de bovengenoemde rechten expliciet mee te nemen. “Alle relevante gezichtspunten dienen in deze motivering direct terug te vinden te zijn. Hierdoor wordt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – voor zover het gaat om de inzet van bevoegdheden waarvoor de Minister toestemming dient te verlenen – in staat gesteld om een afgewogen oordeel te geven over de vraag of de inzet van bepaalde bevoegdheden met een dergelijk bijzonder en inbreukmakend karakter beantwoordt aan de daarvoor gestelde vereisten”.

    De Dozen van de AIVD
    Documenten Mikado-onderzoek BVD
    Onderzoek Commissie van Toezicht Inlichtingen- en
    Voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bi
    Uitspraak Kort Geding 21 juni 2006
    Uitspraak Hoger Beroep, 31 augustus 2006