• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • De dierenrechtenpraatgroep van de BVD

    gepubliceerd in Ravage nr 6, 27 april 2001 door OBIV

    Op zondag 25 maart, midden in de MKZ-crisis gaat een groot deel van de grootste Nederlandse varkensslachterij in Boxtel in vlammen op. Naar later blijkt een, wat uit de hand gelopen, actie van het Dierenbevrijdingsfront. In diezelfde periode probeert de BVD een informant te werven in Nijmegen. De jongeman moet infiltreren in kringen van radicale dierenrechtenactivisten. De beoogde informant zou voor de BVD echter niet de daders van acties als in Boxtel – liefst van tevoren – hoeven aan te wijzen. Of toch?

    Op dinsdag 6 maart wordt de vader van Frans, een achttienjarige Nijmeegse activist, gebeld door ene Smids van de Nijmeegse politie. Smids wil eens praten. ‘Is het over mijn zoon?’ ‘Ja, inderdaad betreft het uw zoon, kan ik vandaag nog langs komen.’ Die middag verschijnt Smids bij Frans’ vader, ook woonachtig in Nijmegen, met een alarmerend verhaal. De politieman, medewerker bij een speciale inlichtingendienst, en de zijnen maken zich ernstige zorgen over Frans. Deze zou zich met mensen inlaten die op het verkeerde pad zitten en hij loopt het risico zich door die lieden te laten meeslepen. Het zou goed zijn als Frans zelf eens met de politie spreekt. Dat zou dan onder meer moeten gaan over een ‘front’ waarmee Frans in contact zou staan. Of pa maar even wil bemiddelen. Frans krijgt enkele dagen later van zijn vader het door Smids opgegeven telefoonnummer bij de Nijmeegse politie.

    Op donderdag 15 maart, om 12.30 uur, besluit Frans maar eens contact op te nemen met de mysterieuze politieman Smids. Niet omdat hij, als rechtgeaarde activist, nu zo graag met de politie praat. Wel wil hij weten wie Smids is, bij wat voor inlichtingendienst hij werkt en – belangrijker – wat hij van hem wil en waarom. De telefoon wordt opgenomen door ‘René’, liever geen achternaam: Smids blijkt niet aanwezig en Frans moet het maandag nog maar eens proberen. Zo gezegd zo gedaan. Het gesprek levert echter weinig duidelijkheid:

    Smids: ‘6283, goeie dag’
    Frans: ‘Hallo met Frans, ik ben op zoek naar Smids’
    Smids: ‘Daar spreek je mee’
    Frans: ‘O, jij bent pas bij mijn vader langs geweest’
    Smids: ‘Ja dat klopt’
    Frans: ‘En je vroeg of ik terug wou bellen, dus ja, bij deze’
    Smids: ‘Ja, je vader had je verteld waar het over ging hè?’
    Frans: ‘Ja, hij kon het zich niet zo goed herinneren, hij wist dat jij met mij wou praten of zo’
    Smids: ‘Ja dat klopt, ik wil graag een vertrouwelijk gesprek met je voeren. En ik weet niet of dat mogelijk is, maar ik wil graag een afspraak met je maken als dat kan’
    \Frans: ‘Ja, ik twijfel nog wel een beetje, ik vraag me af waarom je met mij wil praten’
    Smids: ‘Waarom ik met jou wil praten? Ja, dat wil ik je natuurlijk heel graag in dat vertrouwelijk gesprek vertellen, want ik vind het lastig dat aan de telefoon te doen. Het is verder niet zo’n groot probleem hoor’.
    Frans: ‘En wat is de bedoeling van dat gesprek?’
    Smids: ‘Nou dan wil ik wat aan je vragen. Het is dus echt een vertrouwelijk gesprek. Waar ik dus over de telefoon geen mededelingen over kan doen. Het is aan jou de vraag natuurlijk of je wil ja dan nee. Zou het donderdagavond kunnen en kun je dan naar het bureau komen?’
    Frans: ‘Ja, liever niet, kunnen we niet gewoon in een kroeg afspreken?’
    Smids: ‘Nou dat is een beetje lastig voor mij. Zeker gezien het vertrouwelijke karakter natuurlijk, wil ik daar ook een beetje voorzichtig mee zijn’
    Smids stelt voor dat hij Frans ergens zal oppikken met de auto.
    Frans: ‘En komen er dan nog meer mensen, of alleen wij twee?’
    Smids: ‘Nou ik vermoed dat ik alleen kom, maar misschien dat er een collega mee komt, maar dat weet ik nog niet zeker’
    Frans: ‘En dan wou je me oppikken of zo?’
    Smids: ‘Ja, dat lijkt me het makkelijkst
    Frans: ‘Ik vind oppikken een beetje eng’
    Smids: ‘Ja dat snap ik wel, maar op het moment dat ik je tref zal ik me direct legitimeren. Dan weet je direct dat je met politie te maken hebt’
    Frans: ‘Kunnen we toch niet in een hotel in Nijmegen afspreken? Dat is meestal ook heel rustig’
    Smids: ‘Nou, dat vind ik lastig, want kijk nogmaals gezien het vertrouwelijke karakter van het gesprek wat ik met je wil voeren wil ik daar gewoon heel erg voorzichtig mee zijn en dus zowel voor jou als voor mij is dat van belang, dus ja vandaar’
    Frans en Smids komen uiteindelijk tot een afspraak. Smids zal de activist op donderdag 22 maart om halfacht ‘s avonds oppikken bij de Interliner-halte aan de Nijmeegse St. Canisiussingel. Smids: ‘Dan zoeken we ergens een restaurant of iets dergelijks in de buurt op om dan rustig een gesprek te kunnen hebben’.

     

     

    Wie is wie?

    De RID-medewerker John is de Nijmeegse politieman John Schreuders. Schreuders (37) haalt in 1988 de krant als het vaste maatje van Rob Paulis. Deze laatste stapte kort na het artikel, met als onderkop ‘Baan met toekomst kunnen ze mij niet bieden’, over naar de (toen nog) Plaatselijke Inlichtingendienst (PID). In 1990 verscheen in Nijmegen het boek De tragiek van een geheime dienst. In het boek werd de gehele plaatselijke BVD-afdeling, inclusief drie informanten, ontmaskerd. Daaronder Rob Paulis. De PID werd vervolgens gereorganiseerd: 5 geheim agenten moesten het veld ruimen. Alleen Paulis en PID-chef Herman Oolbekkink bleven. Paulis mocht als mascotte gaan optreden; het meer openbare werk doen: persoonsbeveiliging, de eerste benadering van actievoerders, bij acties gaan kijken, etc. In 1997 studeerde hij af aan de rechtenfaculteit van de Nijmeegse universiteit op zijn werk: informatievergaring in het kader van de Openbare Orde. In datzelfde jaar werd Paulis’ oude maatje uitgezonden naar Rwanda. Hij verrichtte daar, samen met 20 andere Nederlandse agenten, zeven maanden lang onderzoek voor het Rwanda-tribunaal. Een jaar later, in 1998, trad hij in dienst bij de Regionale Inlichtingendienst.

    Arie Valentijn is medewerker van de BVD in Leidschendam. Hij werd onder meer bekend doordat hij in 1996 vaste BVD-begeleider (runner) was van Joris M., een jongen die diende te infiltreren in kringen van milieuactivisten. Na een maand of vier hield Joris het voor gezien. OBIV bracht zijn verhaal naar buiten (vgl. Ravage 1 november 1996).

    De RID in Nijmegen is relatief (naar regio- en korps-grootte) de grootste van Nederland. Iedere RID kent twee taken: informatievergaring in het kader van de (regionale) openbare orde en werkzaamheden verrichten ten behoeve van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). De BVD dient, kort gezegd, de staatsveiligheid te garanderen en doet onder meer onderzoek naar gewelddadig activisme.

    Het openbare orde-werk gebeurt onder verantwoordelijkheid van de burgemeester. Het betreft een politietaak. Het BVD-werk wordt onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken verricht. Als BVD-er hebben de RID-medewerkers andere (verdergaande) bevoegdheden dan als politiemens. Als politiemens daarentegen beschikt de RID-er over opsporingsbevoegdheid en kan hij/zij bijvoorbeeld een vuurwapen dragen. Dat is voor een BVD-er niet weggelegd.

    Alle feitelijke werkzaamheden en het vastleggen van gegevens dienen strikt gescheiden plaats te vinden. Nederland heeft immers na de Tweede Wereldoorlog, met de Duitse Gestapo vers in het geheugen, geen ‘gewapende’ geheime staatspolitie willen hebben. Dat die wettelijk voorgeschreven scheiding niet bestaat kan iedereen inzien nu beide taken en werkzaamheden toevertrouwd zijn aan dezelfde mensen: de RID-ers. Ook de benadering van Frans laat zien dat de scheiding in de praktijk niet bestaat, maar beide hoedanigheden door elkaar heen lopen: Frans en diens vader worden benaderd door een politieman, die zich ook als zodanig zou legitimeren. Diens collega ontpopt zich in de hotelkamer als BVD-er. Voor de BVD is deze zuiver academische scheiding handig, voor de burger is het minder prettig. Medewerking aan de BVD is voor een burger vrijwillig. Bij een uitnodiging door de politie is men toch eerder geneigd te denken dat men niet kan weigeren. Dat is ondermeer vluchtelingen vaker overkomen. Zij worden bij de politie uitgenodigd, veronderstellen dat hun asielverzoek besproken zal gaan worden en denken ook niet weg te kunnen blijven. Ter plekke, vaak in het politiebureau, worden ze geconfronteerd met een BVD-er. Ook andere burgers voelen zich vaak minder vrij een uitnodiging van de politie te weigeren: misschien ben je wel verdachte of getuige en mag je niet weigeren. Tegen deze verstrengeling van taken en bevoegdheden is vanuit het Nijmeegse in de afgelopen tien jaar door diverse organisaties stelling genomen. Dat heeft onder meer geleid tot kritische kanttekeningen door de parlementaire commissie Kalsbeek. De regering heeft later erkend dat het met name voor de burger niet altijd even duidelijk is met wie hij te maken heeft: een politieman of een BVD-er.

     

    Die donderdagavond staat Frans vijf minuten op de afgesproken plaats te wachten, als een groene middenklas-auto de halte op draait. Eén van de inzittenden vraagt of ze met Frans te maken hebben, vervolgens stellen beiden zich voor. Niet politieman Smids is komen opdagen, maar John (ook liever geen achternaam) en Arie – wel een achternaam, maar misschien niet de echte – Valentijn. Arie stelt voor ergens een kopje koffie te gaan drinken: ‘Dat praat wat gemakkelijker dan zo in de auto’. Hij verontschuldigt zich voor het thuis blijven van Smids: ‘Ja dat is toevallig zo gegaan. Het is iets anders gelopen. Ja dat kan zo gebeuren’.
    John geeft gas en zet een zwerftocht Nijmegen en omgeving in. Arie stelt Frans gerust: ‘Nou ik hoop dat je ons dan toch kan zien als een stukje overheid’. Hij begint, al rijdend, zijn verhaal. ‘De overheid’ blijkt niet zo zeer bezorgd om Frans’ welzijn als wel om haar eigen informatiepositie. Arie: ‘We zouden graag een gesprekje met jou hebben, om jouw mening te vragen over zaken waar bij de overheid vraagtekens over bestaan. Waar gewoon van gezegd is: ‘ja jongens dit wordt niks, is dit wel waar, hoe moeten we dat inschatten’. Je kunt dat dan proberen te onderzoeken. Maar je kunt ook een aantal mensen vragen: ‘misschien weet jij er wel meer van, kun je je mening geven, je persoonlijke mening over dingen die ons zorgen baren?’. Er worden dingen beweerd die lang niet altijd waar zijn. En de overheid functioneert als iedere persoon of ieder organisatie: als je verkeerd geïnformeerd bent dan maak je ook fouten. Als wij dingen serieus nemen zoals ze in de kranten staan, dan kan je nog wel eens op het verkeerde spoor gezet worden.’
    De zaken en dingen waar Arie, en met hem ‘de overheid’, over geïnformeerd willen worden blijken de acties te zijn die, aldus Arie, sinds 1999 worden uitgevoerd door radicale dierenrechtenactivisten. Hij verwijst naar verhalen in de media, verklaringen naar aanleiding van acties en aanslagen en stelt dat men wil checken of die waar zijn en de overheid werkelijk rekening moet houden met harde acties door dierenrechtenactivisten: ‘Oké, er zijn nu mensen die de belangen van dieren behartigen en die proberen de Nederlandse bevolking over te halen. Nou er zijn dus ook zodanige verklaringen; het zou toch best kunnen, dat er ook in Nederland – in België hebben we het een klein beetje gehad – dat het er op gaat lijken dat er hele radicale dingen gaan gebeuren. Moet je dat serieus nemen. Dan kun je dus mensen, waarvan je hoopt dat ze daar zelf een mening over hebben vragen: ‘wat vind jij er nou van?’. Zodat we een beter oordeel kunnen geven’. Arie vervolgt: ‘Kijk: het feit dat we je uitgenodigd hebben is zeker niet dat we denken dat jij bij allerlei radicale groeperingen bent aangesloten, maar ik hoop toch wel dat jij nog wel eens in aanraking komt met mensen die daar een radicale mening over hebben. Nou daar willen we dadelijk eens een rustig gesprek over hebben.’
    Inmiddels is het gezelschap bij hotel Rozenhof, aan de Nijmeegsebaan in Heilig Landstichting, aangekomen. John gaat voorop, want hij weet de weg. Op de eerste etage blijkt kamer zestien voor het gezelschap gereserveerd te zijn: twee bedden, drie stoelen en een tafel. Na een minuut of vijf wordt door een kamermeisje de koffie gebracht. Frans vindt het gezien de setting toch wel tijd worden dat hij eens duidelijk krijgt met wie hij van doen heeft. Smids had hem aangekondigd dat hij zich onmiddellijk zou legitimeren als politieman.

    John en Arie hebben daar nog geen aanstalten toe gemaakt. Die laatste heeft het alleen maar over ‘de overheid’ en ‘wij’. Frans vraagt of de heren van de CRI, de Centrale Recherche Informatiedienst, zijn: de afkorting die zijn vader zich kon herinneren. Arie: ‘Nee, nee, we hoeven daar geen doekjes om te winden: we zijn van de BVD’. Hij vervolgt dan zijn pleidooi voor een goede informatiepositie van de overheid en stelt dat Frans toch zeker wel met mensen in aanraking zal komen die interessant zijn voor de overheid. Plotseling stelt hij het wat scherper: ‘Als je ergens tegenaan zou lopen. Zou dat voor jou een reden zijn om naar de overheid te stappen?’ Frans houdt zich op de vlakte en zegt dat hij niet denkt dat hij tegen radicale acties zal aanlopen. Hij vraagt wel waarom de BVD bij hem terechtgekomen is, waarom ze denken dat hij hen kan informeren. Arie: ‘Ben jij niet eens contactpersoon ergens voor geweest?’. Dan mengt John zich in het gesprek, een van de weinige keren dat hij – naast het bestellen van koffie en wat grapjes – zijn mond open doet: ‘Nou weet ik het weer: ‘Heb jij niet eens een cassette uitgegeven’. Frans herinnert zich dat hij inderdaad, drie jaar geleden, eens een bandje met muziek heeft verspreid ter ondersteuning van de discussie- en informatiegroep Alle Dieren Vrij.

    Na nog wat op en neer gepraat verlaat het gezelschap het hotel. Tijdens de rit terug naar Nijmegen – dit keer zonder omwegen – komt dan het hoge woord eruit. Arie vraagt recht op de man af of Frans bereid is ‘onder een zekere begeleiding en sturing’ informatie door te gaan spelen aan de BVD en: ‘Wil jij informant worden?’. Hij heeft er alle begrip voor dat Frans daar nog wel eens even over na wil denken. Dat mag een week duren, maar ook zes maanden. Als hij er uit is dan moet hij maar bellen. Bij het uitstappen krijgt hij een nieuw telefoonnummer: het geheime informantennummer van de Nijmeegse BVD-afdeling. Frans besluit nog eens te bellen om nog wat meer duidelijkheid te krijgen. In het telefoongesprek verzekert John hem nog dat hij echt niet bang hoeft te zijn dat hij mensen gaat verklikken.

    John: ‘242042’
    Frans: ‘Hallo, met Frans, met wie spreek ik’
    John: ‘Met John, dag Frans.’
    Frans: ‘Hoi, is Arie misschien ook in de buurt’
    John: ‘Nee die is er niet; je zou terug bellen inderdaad. Ja, wat heb je besloten Frans?’
    Frans: ‘Ik heb er een beetje over na gedacht en zo, en ja, moet ik dan mensen gaan verlinken?’
    John: ‘Nou nee, zo moet je dat niet zien, Arie heeft je verteld dat hij als het ware onderzoek wil doen, naar, hoe nou eigenlijk precies dat wereldje in elkaar zit, wat er nou eigenlijk leeft en of er een dreiging is, zoals wordt geroepen door diverse lieden, dat was eigenlijk de insteek van Arie. Je moet het meer als een onderzoek zien en niet zozeer toegespitst op individuen. Zo heeft ie dat volgens mij ook verteld. Ik weet niet of je bereid bent tot nog een afspraak. Als er bij jou naar aanleiding van het verhaal van Arie nog onduidelijkheden zijn of vragen zijn, dan zou ik zeggen ga nog een keer mee om tafel zitten en leg die op tafel.’ Frans lijkt uitgenodigd te worden voor een dierenrechten-praatgroep van de BVD, een poldermodel-klankbordgroep.

     

     

    Dierenrechten en opsporing

    Volgens BVD-er Arie Valentijn zou het radicale dierenrechtenactivisme met name sinds 1999 groeien. Dat valt ook te lezen in het jaarverslag van zijn dienst. De Dienst Bijzondere Recherche Zaken (DBRZ) van de CRI meldde al in 1993 een radicalisering van milieu- en dierenrechtenacties. Onder meer werd gewaarschuwd voor acties van het Dierenbevrijdingsfront. De CRI bracht het hele spectrum aan actiegroepen in kaart, ook de activiteiten van geweldloze groepen, zoals die van de People for the Ethical Treatment of Animals (PETA). Van die actiegroep is overigens ook eerder gebleken dat de BVD er belangstelling voor had, tenminste in Nijmegen. Bij een actie van PETA tegen de opening van een nieuw dierenlaboratorium bij de Katholieke Universiteit in die stad, op 7 mei 1997, verrichte het hoofd van de plaatselijke RID/BVD-afdeling, H. Oolbekkink, persoonlijk observatie-werkzaamheden.

    De CRI coördineerde vanaf april 1995 ook het onderzoek naar de actiegroep RAT, Right Animal Treatment. Die groep, waarvan later bleek dat die uit twee mensen bestond was in die tijd verantwoordelijk voor een serie brandstichtingen bij slagers en andere vleesverwerkers. De twee, Frank en Eric, werden in maart 1996 aangehouden en later veroordeeld tot gevangenisstraffen van twee en een half en drie jaar.

    De echte intensivering van dierenrechtenacties vond echter inderdaad vanaf het najaar van 1998 plaats. Aanvankelijk in België, maar al snel ook in Nederland. Terugkerende namen van de actiegroepen die de acties opeisen zijn Rode Haan en Dieren Bevrijdingsfront (DBF). Veel gehanteerde actiemethodes zijn nertsenbevrijding en brandstichtingen bij vleesverwerkende bedrijven. In april 2000 publiceerde het actieblad Ravage uit een aan haar door het DBF toegezonden communiqué van zeven pagina’s A4. Het DBF blijkt de dierenbevrijding te zien ‘als onderdeel van de totaalstrijd tegen het kapitalisme, een van de meest onderdrukkende en vernietigende systemen die er kunnen bestaan.’ Het DBF kiest ervoor om de producenten aan te vallen die direct verantwoordelijk zijn ‘voor de marteling- en de moordpraktijken die plaatsvinden in hun industrieën.’ Zij doen er, naar eigen zeggen, alles aan om mens en dier bij de acties te ontzien. Volgens het DBF zelf en de BVD is het Front georganiseerd in cellen. In het afgelopen najaar liet de minister van Justitie aan de Tweede Kamer weten dat dat nu juist het probleem is bij de bestrijding van het DBF: ‘De celstructuur en het doorgaans gebruik maken van eenvoudige middelen, die weinig voorbereiding en menskracht vergen en niet direct specifiek traceerbare en op concrete daders herleidbare sporen achterlaten, bieden mede om die reden weinig aanknopingspunten.’ De opsporing heeft echter prioriteit bij zowel politie als BVD zo verzekert de minister. De politie-kant wordt ondersteund en gecoördineerd door de CRI, die de verschillende acties heeft vergeleken en de modus operandi van de activisten heeft geanalyseerd. Ook heeft ‘afstemming en vergelijking plaatsgevonden met andere politiediensten in Europa.’ Daar dit alles niet heeft geleid tot aanhouding van daders in Nederland werd besloten ‘een breed opgezette intensieve bovenregionale samenwerking op te starten.’ De afdeling terrorisme en bijzondere taken (van de DBRZ) participeert actief in dit team. Afstemming vindt plaats met de BVD, aldus de minister. Die laatste dienst doet haar onderzoek blijkbaar door het opzetten van praatgroepjes in hotelkamers. In België, vermoedelijk de belangrijkste Europese partner in deze, leidde het intensieve onderzoek in oktober vorig jaar tot een aantal aanhoudingen. Twee activisten werden veroordeeld tot straffen van vier en vijf jaar cel. In Denemarken werden twee Nederlandse dierenrechtenactivisten aangehouden en veroordeeld. In Nederland gebeurde dat na 1996 niet meer.

     

    Maar niet veel later komt er toch een kink in de kabel. In zijn telefoongesprek met John maakt Frans een nieuwe afspraak voor donderdag 5 april, zelfde plek, maar een half uurtje later. Op woensdag 4 april zal die afspraak nog bevestigd worden. Dan blijkt de BVD echter terug te krabbelen. Aan een nieuwe gesprek wordt een voorwaarde verbonden: Frans moet een GSM-telefoon aanschaffen.

    Frans: ‘Gaat de afspraak morgenavond nog door?’
    John: ‘Nou, die gaat in ieder geval niet door, want ik heb even overleg gehad met Arie en dat was allemaal op een wat te korte termijn, voordat ik hem te pakken kreeg. Maar er waren ook wat, er was in ieder geval een voorwaarde die hij toch wel stelde, die te maken heeft met de veiligheid van jou onder andere en ook van ons; en dat was dat hij vond dat jij bereikbaar moest zijn per GSM voor die ontmoeting.’
    Frans: ‘Ik heb geen GSM’
    John: ‘Je hebt geen GSM Frans? Nou kijk, waar ik een beetje mee zit is – dat zal ik je eerlijk zeggen: toen wij jou afzetten zijn we omgekeerd en we zagen jou vervolgens de stad in lopen, het centrum in lopen, en het eerste wat je uit je zak haalt is een GSM. En dan denk ik: ja hoe zit dat nou? We hebben in dat gesprek aan jou gevraagd: heb je een GSM? want het zou makkelijk zijn als je bereikbaar zou zijn. En dan zeg je: ik heb geen GSM. En dan vervolgens tover je er een tevoorschijn.’

    Dat hebben de BVD-ers scherp gezien, maar Frans heeft wel gelijk: hij heeft geen telefoon, maar leent er wel af en toe een. Zo ook in de dagen van zijn eerste afspraak.

    Frans: ‘Dus dan moet ik eerst zo’n ding gaan lenen of zo?’
    John: ‘Ja, lukt dat?’
    Frans: ‘Dat weet ik niet, dat moet ik gaan navragen’
    John: ‘Zullen we afspreken dat, als jij zo’n ding geregeld hebt, dat jij weer contact opneemt?’
    Frans en John maken een nieuwe principe-afspraak voor donderdag 12 april, op voorwaarde dat Frans voor die tijd een GSM geleend heeft. Dat lukt hem niet en dat is dan pech gehad.
    John: ‘Is het gelukt Frans?’
    Frans: ‘Nou ik heb rond gevraagd en toen vroegen mensen van: ‘ja, waarvoor wil je dan een telefoon lenen?’ John gniffelend: Ja, waarvoor dan?’
    Frans: ‘Dus dat gaat niet echt lukken en ik heb ook geen geld om er een te kopen’
    BVD-er John weet het ook niet meer: ‘Nee, ja, nee, ja, dat snap ik. Eeh, ja wat ik heb begrepen van Arie was dat echt een eis die hij toch wel stelde. Hij zegt van: ‘Ja, we hebben gewoon iemand nodig die zo’n ding heeft. Anders dan kunnen we niet voldoende borg staan voor de veiligheid van die persoon en ook van de ontmoeting.’ Dus ja ik heb me daar dan ook bij neer te leggen. Dat zou betekenen dat jij misschien alsnog iets kunt regelen, neem dan contact op. Lukt je dat niet, dan zou dat betekenen dat het ophoudt; dat onze contacten hier eindigen.’

    De BVD blijkt bovendien onvermurwbaar.

    Frans: ‘Kunnen we niet iets afspreken, dat we gewoon een gesprek hebben en dat ik dan ook geld van jullie krijg om een mobiel te kopen?’
    John: ‘Ja, nou ja, dat wil die dus kennelijk niet. Natuurlijk heb ik dat ook voorgesteld. Wij moeten jou gewoon, als we een relatie aangaan, kunnen bereiken’
    Frans: ‘Nou, mij lukt het niet om aan een mobiel te komen’
    John: ‘Nou ja laten we dan zo afspreken, dat zoals hij mij heeft doorgegeven het dan hier even ophoudt. Ik geef dit natuurlijk weer door aan hem. Mocht hij nou zoiets hebben van: misschien moeten we dan zelf maar iets ondernemen – hij heeft iets in die richting geroepen, dat voor de duidelijkheid even – dan weten we jou wel weer te bereiken, op de een of andere manier, goed dat gaat dan altijd via schijven, ja dan komen we wel weer ergens op de lijn. Maar vooralsnog ga je dan even vanuit dat jij bij deze bedankt wordt voor jouw tijd en voor jouw welwillendheid, maar dan stopt het hier even mee. Mocht dat dan anders zijn, dan – maar ga er maar even niet vanuit, want hij heeft gezegd: geen GSM, dan wordt het toch te moeilijk, zo niet onmogelijk om zaken te doen. Rest mij jou te bedanken, en eh: have a nice life verder, zou ik zeggen.’

    Drie BVD-medewerkers inzetten en het huren van een hotelkamer blijkt voor de dienst geen probleem. Even een telefoontje regelen voor beoogde gesprekspartners blijkbaar wel. Met zo weinig inventiviteit wordt het natuurlijk nooit iets met de polderspionage.

    De naam ‘Frans’ is, in verband met de privacy van betrokkene, voor deze gelegenheid gekozen.

    OBIV
    obiv@dds.nl
    Onderzoeksbureau inlichtingen- en veiligheidsdiensten
    Postbus 1501
    6501 BM Nijmegen
    tel: 024 3233586

     

    Opsporen of informeren

    Als het aan de BVD-ers die Frans benaderden lag, zou hij geen mensen hoeven te verraden. Het zou de dienst slechts gaan om een open discussie en pseudo-wetenschappelijk onderzoek naar het wereldje van dierenrechtenactivisten. Tijdens een benadering van een burger wordt het door de BVD wel vaker voorgesteld, als zou de dienst geen belangstelling hebben voor individuele daders van acties. Dat is op de eerste plaats benaderingstactiek.

    Uiteindelijk blijkt dat de geworven agenten wel degelijk persoons- en actiegerichte informatie dienen te verzamelen en door te geven. De in 1996 zelf gestopte BVD-agent Joris M. had in zijn korte BVD-carrière al meteen een volledige namenlijst van de voedselcoöperatie waar hij bij was aangesloten aan zijn BVD-broodheren overlegd. Andere voormalig agenten verklaren allen over het gedetailleerd doorgeven van namen en gebeurtenissen en het samen – met BVD-ers – doornemen van fotoboeken.

    Niet in alle gevallen wordt die informatie echter geoperationaliseerd: gebruikt om acties te voorkomen of de daders te pakken. De in januari 1989 ontmaskerde informant in de Nijmeegse kraakbeweging Dave N., nam in opdracht en met goedkeuring van zijn BVD-begeleiders deel aan kraakacties, bezettingen, het kladden van leuzen, verzet tegen ontruimingen, vernielingen bij Shell-stations, et cetera. Voor de strafbare feiten die bij sommige van die acties plaatsvonden werd nooit iemand aangehouden, hoewel bij de BVD bekend was wie eraan deelgenomen hadden. Hoe ver de BVD gaat met het laten plaatsvinden van strafbare feiten mag ook blijken uit de gang van zaken, midden jaren tachtig, rond het Rood Revolutionair Front (RRF). Al vanaf februari 1986 wisten politie en BVD welke mensen waarmee bezig waren. Toch liet men het RRF nog negen maanden lang bomaanslagen plegen, die overigens allemaal “toevallig” mislukten. Toen bij een aanslag op 19 november 1986 op het Rotterdamse kantoor vanAmerican Express de bom wel afging, raakte een politieman uit die stad gewond. De Rotterdamse politie forceerde vervolgens een ingrijpen omdat zij langer afwachten onverantwoord vond.

    Het is ook voorgekomen dat het juist de BVD-agenten waren die aanzette tot verdergaande actie, tot bomaanslagen toe. Een voorbeeld daarvan vormt de BVD-agent Cees van Lieshout, die rond 1980 verschillende (brand)bomaanslagen initieerde of mee voorbereidde.

    De achtergrond van een dergelijke handelwijze is over het algemeen het opbouwen of veiligstellen van de informatiepositie van de dienst en bronbescherming.

     

     

    BVD-agenten

    Benaderingen als die van Frans gebeuren vaker. De BVD is voor haar werk deels afhankelijk van menselijke bronnen: agenten en informanten. Agenten zijn mensen die door de BVD in een bepaalde informatiepositie gebracht worden. Ze worden intensief begeleid en gestuurd en infiltreren zo in organisaties of bewegingen waarover de BVD informatie wil. Een informant heeft over het algemeen al een bepaalde gewenste informatiepositie en verstrekt gegevens meer incidenteel, al dan niet op verzoek. In de volksmond heet de agent over het algemeen informant of infiltrant. In de afgelopen twintig jaar is deze werkwijze met name in en vanuit Nijmegen vaak bekend geworden en bekritiseerd. In die stad zijn verschillende agenten ontmaskerd door medeactivisten. Anderen gaven zelf de brui aan hun BVD-carrière en deden hun verhaal. Tot landelijke bekendheid leidde onder meer de ontmaskeringen van kraker/BVD-agent Dave N. in 1989 en het verschijnen van het boek De Tragiek van een geheime dienst in 1990. In dat boek dat middels contra-observatie de gehele plaatselijke BVD-afdeling bloot legde, werd ook de BVD-agent Joop de B. ontmaskerd. Hij bleek negen jaar lang geïnfiltreerd te hebben in met name antimilitaristische en antikernenergie groepen. Later volgden, in 1993 en 1997, ondermeer de verhalen van een jonge vrouw die in opdracht van de (Nijmeegse) BVD diende te infiltreren in niet minder dan het Iers Republikeins Leger (IRA) en een jonge man die informatie diende te verzamelen over milieuactivisten. Die laatste, Joris M., werd gerund door dezelfde Arie Valentijn die nu ook Frans heeft benaderd. Deze verhalen werden gebracht door het Nijmeegse Onderzoeksbureau Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (OBIV). In 1998 verscheen van dit bureau het boek Operatie Homerus, spioneren voor de BVD (Breda, uitgeverij Papieren Tijger, ISBN 90-6728-100-X). In het boek wordt een uitgebreide reconstructie gegeven van de handel en wandel van BVD-agent Van Lieshout. Deze infiltreerde rond 1980 in diverse buitenparlementaire actiegroepen, waaronder het Rood Verzetsfront. Bovendien verzamelde hij informatie over de Duitse Rote Armee Fraktion. Eind jaren tachtig deed hij hetzelfde over Russische diplomaten. In Operatie Homerus wordt ook een vergelijking gemaakt met de gang van zaken rond andere (Nijmeegse) BVD-agenten. Deze agenten zijn allen door de dienst aangezochte burgers. De Nederlandse geheime dienst infiltreert over het algemeen niet zelf, maar laat dat over aan betaalde burgers.

    De uitgebreide publicaties over BVD-activiteiten in Nijmegen hebben de bereidheid om met de dienst in zee te gaan in die stad doen afnemen. Toen de BVD-er Maarsbergen in 1993 een Nijmeegse benaderde en deze weigerde werd de geheime dienst-medewerker kwaad: half Nijmegen zou zo reageren, maar ten onrechte. De vrouw diende Maarsbergen meer tijd te gunnen om zijn goede bedoelingen uit te leggen.