• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Informatie-uitwisseling Politie – BVD

    1 Inleiding

    In april 1996 verzocht het Hoofd BVD de Landelijk OvJ voor terrorismebestrijding, tevens BVD-liaison naar het OM, een werkgroep te leiden met als taak aanbevelingen te doen over de verstrekking van CID-gegevens aan de BVD. Dit verzoek vloeide voort uit een onderdeel van het project Hermandad. Binnen dit onderdeel bestond aandacht voor de samenwerking tussen de politie en de BVD, met uitzondering van de relatie BVD – RID. Op de relatie BVD -RID is namelijk artikel 18 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) van toepassing. Op grond van dit artikel verrichten RID-medewerkers werkzaamheden voor de BVD, onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en overeenkomstig de aanwijzingen van het Hoofd BVD. Een belangrijk deel van het project was aan deze relatie gewijd. De werkgroep richtte zich op de informatie-uitwisseling politie – BVD op grond van de artikelen 22 lid 11, 12 en 16 lid 11 van de WIV.

    2 Opdracht

    Wetgeving (art. 22 WIV in relatie tot art. 15 lid 11 van de Wet politieregisters) voorziet in de verplichting voor de politie om informatie die van belang is voor de BVD aan deze dienst te verstrekken. De praktijk leert dat relevante informatie soms moeizaam of zelfs helemaal niet bij de BVD terechtkomt. Anderzijds is er het besef dat de BVD niet in alle gevallen voldoende oog heeft voor de belangen van de politie; informatie die van belang is voor de politietaak in algemene zin en voor de opsporing van strafbare feiten in het bijzonder (art. 12 en 16.2 WIV) komt niet altijd bij de belanghebbenden terecht.
    De werkgroep kreeg de opdracht met voorstellen te komen voor de verstrekking van CIDinformatie aan de BVD’. Op basis van de voorgaande alinea heeft de werkgroep de opdracht breder géinterpreteerd in de zin van voorstellen om de informatie-uitwisseling tussen de politie en de BVD te verbeteren. Specifiek is daarbij aandacht besteed aan de verstrekking van gegevens uit de registers van de criminele inlichtingendiensten aan de BVD en aan de informatieverstrekwing van de BVD aan de politie.

    3 Samenstelling en werkzaamheden werkgroep

    De werkgroep, onder leiding van Landelijk OvJ mevr. mr. P. M. H. van der Molen-Maesen, was samengesteld uit vertegenwoordigers van justitie, politie en Binnenlandse Veiligheidsdienst.
    De werkgroep is in een periode van circa een jaar vier keer bij elkaar geweest. Op basis van voorbereidende notities bepaalde de werkgroep haar gewenste resultaat, inventariseerde zij de knelpunten in de informatie-uitwisseling en vervaardigde tenslotte een eindrapportage met daarin een aantal aanbevelingen. Uiteraard heeft de werkgroep bij deze aanbevelingen rekening gehouden met voorschriften in wet- en regelgeving, alsook met de praktische gang van zaken.

    4 Probleemformulering

    De kern van het probleem is drieledig:

    1 . Hoewel er geen juridische beperkingen bestaan (art. 22 WIV in relatie tot art 15 lid 11 van de Wet politieregisters) bereikt de BVD onvoldoende politie-informatie, waar onder criminele inlichtingen;

    2. Uitwisseling van informatie tussen politie en BVD verloopt niet langs heldere en eenduidige lijnen;

    3. Er is gebrek aan afstemming bij informatie-inwinning, waardoor bij een toename van raakvlakken in werkterreinen de kans groter wordt dat beide organisaties in elkaars vaarwater terecht komen.

    4.1 Oorzaken

    Als diverse oorzaken worden gezien:

    • geen heldere procedures over uitwisseling van informatie;
    • onvoldoende kennis over vigerende juridische kaders;
    • onvoldoende kennis over elkaars werkwijzen en documentatie-beheer;
    • reacties als gevolg van de Parlementaire Enquéte Commissie – opsporingsmethoden.
    • 5 Oplossingsrichtingen

    5.1 Uniforme afspraken over informatie-uitwisseling

    De werkgroep maakt bij de oplossingsrichting onderscheid tussen regionaal en nationaal niveau. Hieronder wordt puntsgewijs deze opiossingsrichting uitgewerkt; in de bijlagen zijn de bijbehorende informatiestroomschema’s opgenomen.

    Regionaal niveau

    Op regionaal niveau komt allereerst de informatieverstrekking van politie (m.n. CID) aan de BVD aan de orde, daarna gegevensverstrekking van de BVD aan het Openbaar ministerie c.q. de politie (CID/Recherche). De werkgroep stelt voor de navolgende uitgangspunten te hanteren en indien nodig aansluitend afspraken te maken.

    Openbaar Ministerie en Politie/CID »» BVD

    1 . Verstrekking van informatie door de politie en het Openbaar Ministerie aan de BVD vindt plaats op basis van artikel 22 WIV.

    2. De BVD mag ontvangen gegevens niet gebruiken zonder overleg met de verstrekker (Geen Actie Zonder Overleg); CID-gegevens worden door de BVD behandeld conform de afhandelingscodes van de CID, welke overeenkomstig zijn met de BVD-richtlijnen die gelden voor informatie die via operationele bronnen wordt verworven.

    3. In principe wordt in een ambtsbericht uitsluitend BVD-informatie opgenomen. Alleen bij hoge uitzondering mag ontvangen politie-informatie worden opgenomen in een ambtsbericht. In die gevallen dient betreffende politie-informatie als zodanig herkenbaar te zijn.

    BVD »» Openbaar Ministerie en Politie/CID

    4. Met betrekking tot het verstrekken van persoonsgebonden gegevens door de BVD buiten de kring van inlichtingen- en veiligheidsdiensten geldt als uitgangspunt dat deze gegevens worden verstrekt aan het gezag dat bevoegd is tot het nemen van maatregelen om de in het geding zijnde belangen preventief te beschermen dan wel tegen aantastingen repressief op te treden. De verstrekking van persoonsgegevens in het kader van een strafrechterlijk politioneel onderzoek geschiedt schriftelijk aan het Openbaar Ministerie, door tussenkomst van de LOvJ,

    5. Steeds wanneer de vervulling van de taken van het Openbaar Ministerie en de BVD daartoe aanleiding geeft, plegen de LOvJ en BVD overleg. Dit zal onder meer het geval zijn indien onduidelijk is of een ambtsbericht noodzakelijk is, dan wel nader overleg noodzakelijk is over de haalbaarheid en bruikbaarheid van een uit te brengen ambtsbericht. Ook kan het nodig zijn over de vraag in welk stadium en aan wie informatie die vanuit justitieel oogpunt van belang kan zijn, moet worden overgedragen.

    Met het oog hierop kan er zo nodig vooroverleg plaatsvinden tussen de LOvJ, de BVD en politie/justitie. Verstrekte informatie door de BVD geschiedt onder geheimhouding (zie art. 23 + art. 24 WIV). De overlegpartner binnen de politie dient in een positie te verkeren dat hij of zij kennis heeft van de informatiebehoeften van de CID en/of de tactische recherche, maar daarbij voldoende afstand houdt van concrete uitvoeringszaken. Concreet denkt de werkgroep hierbij aan de tactische chef van de RID die in menig korps ook leiding geeft aan de CID en de recherche. Hierdoor kan het risico dat BVD-informatie bewust of onbewust ten onrechte wordt gebruikt, worden voorkomen.

    6. Niet-persoonsgebonden gegevens, waaronder algemene achtergrondsinformatie, kunnen onder BVD-voorwaarden (Geen Actie Zonder Overleg) aan de politie worden verstrekt.

    Nationaal niveau

    Op nationaal niveau staat de informatie-uitwisseling tussen de CRI en de BVD centraal. De werkgroep stelt voor de volgende mogelijkheden voor samenwerking nader uit te werken:

    7. De BVD dient de nationale verwijzingsindex CIDSI (CID-Subjectenindex), op zowel natuurlijke- als rechtspersonen, te kunnen bevragen door tussenkomst van een BVD liaison of een ex artikel 18 W1V-functionaris’.

    8. De BVD dient lopende recherche onderzoeken te kunnen raadplegen door bevraging van de MRO’s (Meldingen Recherche Onderzoeken) door tussenkomst van een BVD liaison of een ex artikel 18 W1V-functionaris’.

    9. De BVD dient HKS (Herkenningsdienstsysteem) te kunnen bevragen door tussenkomst van een BVD-liaison of een ex artikel 18 W1V-functionaris~2.

    10. De BVD dient te kunnen deelnemen aan ICS (informantencoderingssysteem)

    11. Gegevensverstrekking (persoonsgebonden) van BVD aan de CRI vindt in beginsel schriftelijk plaats in de vorm van een ambtsbericht, door tussenkomst van de LOvJ. Zo nodig kan een “ambtelijk overleg” tussen de LOvJ, CRI en BVD worden gevoerd met als doel het ambtsbericht voor te bereiden. Niet-persoonsgebonden informatie kan onder BVD-voorwaarden (Geen Actie Zonder Overleg) aan de CRI worden verstrekt. (Voor een nadere uitwerking zie ook de punten 4, 5 en 6.)

    5.2 Rol Regionale Inlichtingendiensten (RID)

    Bij de uitwisseling van informatie tussen BVD en politie vervult de RID’ op regionaal niveau een sleutel- c.q. loketfunctie. Met het oog op de werkzaamheden die de RID voor de BVD verricht, ontwikkelen en onderhouden RID-medewerkers een netwerk binnen het eigen korps en binnen de regio. Langs deze weg kunnen RID-en de informatiestroom richting BVD bevorderen en doorgeven.

    2 Hierbij wordt voorgesteld aansluiting te zoeken bij de wijze waarop de BVD-vertegenwoordiging in de Nationale Eenheid Europol wordt ingevuld.

    3 Vanwege de wettelijke verplichting van de BVD tot bronbescherming is het nodig nadere afspraken te maken over de meldingsplicht die verbonden is aan deelname aan (CS.

    4 Het betreft hier uitsluitend werkzaamheden van de RID ten behoeve van de BVD op grond van artikel 18 WIV.

    De RID kan bij beoogde verstrekking van informatie van de BVD aan de politie als klankbord fungeren. Dit geldt zowel voor de vaststelling of er interesse bestaat voor informatie als voor een intermediaire rol richting de politiefunctionaris die onder punt 5. bedoeld wordt. Voor een goede invulling van de RID-functie is het belangrijk dat de RID een goede positie bekleedt binnen het korps. Het is verder bevorderlijk dat de RID-en organisatorisch op zodanige wijze gepositioneerd zijn dat uitvoering kan worden gegeven aan de hiervoor bedoelde sleutelfunctie.

    Voorstel:

    Overnemen van bovenstaande uitgangspunten bij de informatie-uitwisseling tussen BVD en politie, waarbij bijgaande informatiestroomschemas als hulpmiddel dienen, en deze uitvoeringspraktijk voorleggen aan het college van Procureurs-Generaal, het Korpsbeheerdersberaad en Korpschefs. Voorts het in overleg met de Minister van justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken regelen van de toestemming voor de bevraging van CIDSI en MRO-verwijzingssysteem, en de deelname van de BVD aan ICS. Alsook de toegang tot de verwijzingsindex van HKS.

    5.3 Kennis vergroting

    Onbekend maakt onbemind is hier een toepasselijk gezegde. Binnen de politie (niet de RID) en de BVD bestaat over en weer een vertekend beeld van elkaars werk en van de wijze waarop met informatie wordt omgegaan. Als gevolg daarvan is er een situatie gegroeid die teveel wordt beheerst door gebrek aan vertrouwen in de zorgvuldigheid waarmee met verstrekte informatie wordt omgegaan. Verder is er gebrek aan alertheid als het gaat om het herkennen en erkennen van wederzijdse belangen.

    Voorgaand voorstel (5.2) draagt bij tot noodzakelijke helderheid en eenduidigheid. Daarnaast is het wenselijk de juridisch en taa~inhoudelijke context rondom informatieuitwisseling bekend te maken binnen politie, OM en BVD. Hiertoe bestaan verscheidene mogelijkheden:

    • voorlichting
    • aanvulling vorming en opleiding
    • stages

    Voorstel:

    Zorg in samenspraak met politie en Openbaar Ministerie voor een structurele kennisuitwisseling over elkaars organisaties binnen relevante opleidingstrajecten binnen politie, Openbaar Ministerie en BVD. Zorg ook in samenspraak met politie en Openbaar Ministerie voor een voorlichtingstraject over informatie-uitwisseling binnen BVD, politie en Openbaar Ministerie.

    6 Buiten beschouwing gelaten onderwerpen

    De werkgroep heeft geen aandacht besteed aan de internationale informatie-uitwisseling. Het betreft hier een complex terrein dat de competentie van de werkgroep ver overstijgt. De werkgroep spreekt echter wel haar zorg uit over nauwelijks beheersbare en controleerbare ontwikkelingen. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de betrouwbaarheid van informatie en de toetsing op de rechtmatigheid van de vergaring van informatie in het buitenland die in Nederland wordt ontvangen en gebruikt. Deze problematiek maakt continue afstemming op dit specifieke terrein tussen het Openbaar Ministerie, de politie en de BVD onvermijdelijk.

    In discussies over informatie-uitwisseling speelt de MID in relatie tot het Openbaar Ministerie en de politie (nog) geen rol. De werkgroep geeft HBVD in overweging om dit onderwerp onder de aandacht van HMID te brengen om vast te stellen of betrokkenheid bij deze discussie wenselijk is.

    7 Conclusie

    De werkgroep concludeert dat indien sprake is van onvoldoende informatie-uitwisseling, een niet optimale vertrouwensbasis hier een belangrijke oorzaak van is. Echter, naarmate werkterreinen van politie en BVD meer naar elkaar opschuiven wordt informatie-uitwisseling steeds essentiëler voor een goede taakuitvoering van beide organisaties.

    Door het opstellen en verbeteren van uitvoeringsregels voor informatie-uitwisseling, het verbeteren van opleiding en vorming en het verstrekken van informatie over elkaars organk saties, alsook het bevorderen van operationele afstemming kan, naar de mening van de werkgroep, de samenwerking verder worden verbeterd.

    8 Samenvatting voorstellen

    1 . Overnemen van de uitvoeringspunten verwoord in (5.2) en deze voorleggen aan de Raad van Hoofdcommissarissen, het college van Procureurs-Generaal en het Korpsbeheerdersberaad, waarna deze binnen politie en BVD gehanteerd kunnen worden. 2. Regelen van bevraging van genoemde verwijzingsindexen en deelname aan ICS door de BVD met de beide politieministers. 3. Regelen dat binnen relevante opleidingstrajecten van BVD, politie en Openbaar Ministerie structureel aandacht wordt besteed aan informatie-uitwisseling in relatie tot de taken van deze organisaties. 4. Organiseer een voorlichtingscampagne over informatie-uitwisseling voor relevante groepen binnen BVD, politie en Openbaar Ministerie.

    1 juli 1997


     

    Bijlage nr. 1.

    Overzicht relevante wetgeving

    Hieronder volgt een overzicht van relevante wetgeving ten aanzien van informatie-uitwisseling tussen BVD en politie.

    BVD

    Binnen de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn de volgende artikelen met name relevant:

    Artikel 11

    1. Het hoofd van een dienst stelt Onze betrokken Minister bij voortduring in kennis van al hetgeen van belang kan zijn.
    2. Door de zorg van Onze betrokken Minister worden daarvoor in aanmerking komende gegevens onverwijld doorgegeven aan Onze Ministers wie deze aangaan.

    Artikel 12

    Het hoofd van een dienst kan door Onze betrokken Minister voor zover nodig in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat, worden gemachtigd deze Minister en andere overheidsorganen en -diensten gegevens rechtstreeks ter kennis te brengen.

    Artikel 14

    De coördinator en de hoofden van de diensten dragen zorg voor:

    a) de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens en van de bronnen waaruit die afkomstig zijn;

    b) de veiligheid van personen met wier medewerking die gegevens worden verzameld.

    Artikel 16

    2. Met betrekking tot de verstrekking van persoonsgegevens aan derden gedraagt het hoofd van de dienst zich naar de aanwijzingen van Onze betrokken Minister. Verstrekking van persoonsgegevens aan anderen dan overheidsorganen geschiedt niet dan na machtiging daartoe van Onze b ‘ etrokken Minister in de in die machtiging omschreven gevallen of soorten van gevallen.

    Artikel 17

    1 . De coördinator en de hoofden van de diensten zijn bevoegd zich voor het verkrijgen van persoonsgegevens te wenden tot de houder van een verzameling persoonsgegevens: a) ten behoeve van een veiligheidsonderzoek ter zake van de vervulling van een vertrouwens functie; b) in bij machtiging van Onze betrokken Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk omschreven gevallen of soorten van gevallen.

    3. De bij of krachtens de wet geldende voorschriften voor een houder van een verzameling van persoonsgegevens betreffende de verstrekking van zodanige gegevens zijn niet van toepassing op verstrekkingen gedaan ingevolge een in het eerste lid bedoeld verzoek.

    Artikel 18

    1 . De korpschef van een politiekorps en de commandant van de Koninklijke marechaussee en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ambtenaren, belast met de grensbewaking, verrichten werkzaamheden ten behoeve van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

    2. Onze Ministers, onder wie de bij of krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren ressorteren, onderscheidenlijk de korpsbeheerders van een regionaal politiekorps wijzen in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken ondergeschikten van deze ambtenaren aan tot de feitelijke uitvoering van de aldaar bedoelde werkzaamheden.

    3. De in dit artikel bedoelde werkzaamheden worden verricht onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en overeenkomstig de aanwijzingen van het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

    4. Met betrekking tot het optreden van ambtenaren van politie ter uitvoering van de in dit artikel bedoelde werkzaamheden blijft hoofdstuk X van de Politiewet 1993 buiten toepassing.

    Artikel 22

    1 . De leden van het openbaar ministerie doen, door tussenkomst van de procureurgeneraal, mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens, die zij voor een dienst van belang achten, aan die dienst.

    2. De ambtenaren van de politie, van de grensbewaking en van de Koninklijke marechaussee doen mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens, die zij voor een dienst van belang achten, aan hun in artikel 18, eerste lid, bedoelde commandant, korpschef of ambtenaar. Deze zendt de gegevens, indien hij dit van belang acht, aan die dienst.

    3. Steeds wanneer de vervulling van de taak van het Openbaar Ministerie en van een dienst daartoe aanleiding geeft, plegen de betrokken procureur-generaal en het hoofd van de betrokken dienst overleg.

    Artikel 23

    1 . Onverminderd het bepaalde bij de artikelen 98-98c van het Wetboek van Strafrecht, is een ieder die betrokken is bij de. uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht. Deze verplichting duurt voort, nadat het betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet is geëindigd.

    2. Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing in geval van handelen of nalaten in strijd met met de in het eerste lid omschreven verplichting.

    Artikel 24

    1. De verplichting tot geheimhouding van een ambtenaar, die betrokken is bij de uitvoering van deze wet, geldt niet tegenover hem aan wie de ambtenaar middellijk of onmiddellijk ondergeschikt is, noch in zover hij door een boven hem gestelde van die verplichting is ontslagen.

    2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die krachtens een wettelijke bepaling verplicht wordt als getuige of deskundige op te treden, legt slechts een verklaring af omtrent datgene waartoe zijn verplichting tot geheimhouding zich uitstrekt, voor zover Onze betrokken Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk hem daartoe schriftelijk van de verplichting hebben ontheven. Daarbij wordt voor ambtenaren die in hun functie kennis hebben gekregen van gegevens welke krachtens de artikelen 11 en 12 door een dienst zijn verstrekt als: “Onze betrokken Minister» aangemerkt: Onze Minister onder wie de dienst ressorteert, die de gegevens heeft verstrekt.

    3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval, dat het betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet is geëindigd.

    Politie

    Binnen de Wet politieregisters en het Besluit politieregisters zijn de volgende artikelen

    relevant:

    Artikel 15 Wet politieregisters

    2. Voorts kunnen uit een politieregister gegevens worden verstrekt voor zover dit voort vloeit uit de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

    In de toelichting bij deze wet is opgenomen dat in relatie met artikel 22 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten sprake is van een verplichting om deze gegevens te verstrekken aan deze diensten.

    Artikel 16 Besluit politieregisters

    4. Van een verstrekking behoeft geen aantekening te worden gehouden indien dit zich niet verdraagt met het belang van de veiligheid van de staat.

    Uitvloeisel van artikel 17.3 WIV.


     

    Bijlage nr. 2.

    Rubricering en afhandelingscodes CID

    Het 4×4-principe

    (evaluatie van bron en informatie) Door de criminele inlichtingendiensten in Nederland wordt bij de uitwisseling van informatie gebruik gemaakt van coderingen die aan alle CID-informatie wordt toegekend. De basis voor dit principe is te vinden in art. 5 van de CID-regeling 1994 en verwijst naar de bijlage 1 van deze regeling waarin het modelformulier voor een CID-informatierapport is opgenomen.

    De evaluatie van de bron en de evaluatie van de informatie wordt aan de hand van de onderstaande codering toegekend.

    A Betrouwbaar C Niet betrouwbaar 1 Waar 3 Gehoord/bevestigd

    B Meestal D Niet te beoordelen 2 Door bron 4 Gehoord/

    betrouwbaar waargenomen niet bevestigd

    Aan de op deze wijze geclassificeerde informatie wordt vervolgens nog een codering toegekend die betrekking heeft op de afhandeling. Deze afhandelingscode is eveneens in vier mogelijkheden onderverdeeld.

    11 Operationeel te gebruiken 10 Operationeel te gebruiken

    Afzender niet vermelden

    01 Alleen gebruiken na overleg 00 kan NIET gebruikt worden

    met AFZENDER

    CID-informatie die ten behoeve van bewijs in een strafzaak wordt aangewend, wordt verwoord in een proces-verbaal. Dit proces-verbaal wordt voor dit doel opgemaakt door de chef van de betrokken CID, aan de hand van het gestelde in het 4×4-CID-rapport.

    4×4-codering en de Rubriceringsregeling

    Naast toepassing van het 4×4-principe is in 1994, onder invloed van de IRT-affaire die mede aanleiding was tot het instellen van de parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden, overwogen om op bepaalde vormen van criminele inlichtingen de “Rubriceringsregeling” toe te passen. Rubricering van criminele inlichtingen op een wijze zoals die geldt voor staatsgeheimen is in principe ook mogelijk voor gegevens die betrekking hebben op ernstige vormen van criminaliteit. De toepassingvan de Rubriceringsregeling werd vanwege verstrekkende gevolgen voor de werking van de CiD-registers als niet bruikbaar geacht.

    Bronafscherming en informantencodering

    Door de nationale CID (NCID) wordt een voorziening in stand gehouden waarmee de CIDen kunnen vaststellen of een nieuwe informant zich mogelijk al eerder als informant heeft aangemeld. Hiervoor worden in code de namen van informanten in het Informanten Codering Systeem (ICS) bijgehouden
    door de afdeling Bronafschermingszaken van denationale CID. Centraal wordt periodiek vanuit deze afdeling ook een lijst verzorgd met de codering van informanten die op de zogenaamde “zwarte lijst” staan vermeld en waarmee contacten in verband met gebleken onbetrouwbaarheid wordt ontraden. Alle CID-en in Nederland zijn deelgenoot aan ICS. Zij coderen een naam van een informant zelf. De geautoriseerde chef CID en/of een van zijn eveneens geautoriseerde CIDcoördinatoren, neemt contact op met voornoemde afdeling van de NCID en verzoekt om . matching’ met de bestaande nummers in het ICS dat in een stand-alone-systeem bij de afdeling Bronafschermingszaken van de NCID wordt bijgehouden.
    Een negatief resultaat wordt aan de aanvragende CID bekend gesteld. Bij een ‘hit’ op de codering wordt de CID in kennis gesteld die als eerste aanmelder was van de informantencodering en wordt de chef van deze CID in contact gebracht met de verzoekende CID. Pas in een dergelijk mondeling contact kan met zekerheid worden vastgesteld of sprake is van dezelfde informant, omdat het coderingssysteem opzettelijk zo is gebouwd dat 100% zekerheid omtrent de koppeling tussen personalia en gegenereerd codenummer niet is te geven. De CID-regeling 1994 kent een meldingsplicht voor de aanlevering van informanten aan de NCID door middel van ICS.

    Rubricering BVD

    Evaluatie van bron en informatie
    De BVD hanteert geen codering die vergelijkbaar is met die van de CID. Operateurs geven specifiek in hun rapportage aan hoe de betrouwbaarheid van de bron en de informatie moet worden ingeschat. Deze context bepaalt vervolgens de afhandeling en het gebruik van de informatie.

    Rubricering

    Afhankelijk van de kwetsbaarheid wordt aan vergaarde informatie een rubricering toegekend. De volgende gradaties zijn mogelijk: geen rubricering (open informatie), Stg. Confidentieel, Stg. Geheim en Stg. Zeer Geheim. De rubricering bepaalt vervolgens de documentaire afhandeling en de gebruiksmogelijkheden. Een en ander conform het Besluit informatievoorziening in de Rijksdienst 1990 en interne BVD-regels.

    Bronbescherming

    De BVD heeft een wettelijke verplichting tot geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens en van de bronnen waaruit die afkomstig zijn en dient zorg te dragen voor de veiligheid van personen die medewerking verlenen bij het verzamelen van de gegevens. Bij verstrekking van informatie dient deze bescherming te allen tijde te worden gewaarborgd. Wanneer persoonsgebonden gegevens verstrekt kunnen worden vindt dit plaats in een ambtsbericht. Een ambtsbericht vermeldt zoveel mogelijk harde, zakelijke, feitelijke informatie en zo min mogelijk vermoedens. Een ambtsbericht vermeldt geen bronnen en geen modus operandi. Het ambtsbericht geeft verder aan in hoeverre de verstrekte gegevens bij derden bekend mogen worden. Na toetsing door een juridisch adviseur van de BVD wordt het ambtbericht ondertekend door HBVD. De LOvJ voor Terrorisme en andere BVD-zaken toetst het ambtsbericht op bruikbaarheid.
    Niet-persoonsgebonden gegevens kunnen onder BVD-voorwaarden (Geen Actie Zonder Overleg) aan de politie verstrekt worden.