• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Terrorisme plannen Remkes doen Oostbloktijden herleven

    Wil van der Schans
    Ravage #12 van 23 september 2004

    Terwijl in kringen van Duitse terrorismebestrijders de twijfel groeit over het nut van rasterfahndung, komt minister Remkes van Binnenlandse Zaken met een voorstel om het systeem ook in Nederland in te gaan voeren. Hiermee krijgt de AIVD onbeperkt toegang tot digitale bestanden, hetgeen gevaren oplevert voor de burger.

    ,,Goedemorgen, AIVD, mag ik even binnenkomen?” Het zal niet de eerste associatie zijn bij nieuwe vormen van geautomatiseerde data-analyse om in een vroeg stadium mogelijke terroristen te ontdekken. Plannen die minister Johan Remkes deze zomer bekend maakte.
    Toch zullen de Arie’s en Freek’s van de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) na elke gevonden afwijking in de gekoppelde databestanden op pad moeten gaan. De maatregel werd aangekondigd na de aanslagen van 11 maart jl. in Madrid en dringt diep binnen in het privé-leven van burgers.
    Volgens Remkes tonen de aanslagen aan dat minder dan voorheen bij de opsporing van de daders de aandacht zich kan beperken tot bepaalde groepen en organisaties. Een analyse die de plank aardig mis lijkt te slaan. In Duitsland is gebleken dat vergaande data-analyse, rasterfahndung (fijnmazige opsporing), niets dan narigheid oplevert.

    Risico

    Stel, je belt regelmatig via het net geopende Internet Phone Centre, je huurt je videofilms bij Videocenter Kahn, je stort je maandelijkse bijdrage aan je ouders via een hawala tussenpersoon, je bezoekt af en toe de Arrahmane moskee in de Amsterdamse Pijp en in de bibliotheek leen je van tijd tot tijd een boek over Nederlandse architectuur. Dikke kans dat je profiel in de rasterfahndung opvalt en dat je bezoek krijgt van de AIVD of de politie.
    Als de plannen die Remkes de afgelopen zomer lanceerde uitgevoerd worden, zal de AIVD toegang krijgen tot zoveel mogelijk databestanden in Nederland: banken, de IND, internetproviders, telecommaatschappijen, ledenadministraties, beleggingsfondsen, bibliotheken, reisorganisaties, vliegtuigmaatschappijen en alles binnen de overheid zelf natuurlijk. Een bijna oneindige rij van registraties.
    Rasterfahndung wordt in Duitsland al sinds de jaren zeventig toegepast. Het concept lijkt ook kinderlijk eenvoudig: je doorzoekt zoveel mogelijk databestanden op een van tevoren vastgesteld profiel van een mogelijke terrorist en de computer doet de rest. Echt succesvol in de strijd tegen de linkse guerrillabeweging Rote Armee Fraktion (RAF) uit de jaren zeventig is rasterfahndung echter nooit geweest. Slechts eenmaal leidde de inspanningen tot een arrestatie.

    RAF-onderzoek

    In 1979 zocht het Bundes Kriminal Ambt (BKA, de landelijke politie in Duitsland) de ontvoerders van werkgeversvoorzitter Schleyer. Men vermoedde op grond van politiegegevens dat een aantal van hen in de omgeving van Frankfurt verbleef. Het BKA vroeg vervolgens de betalingen aan de energiebedrijven op en filterde de contant-betalende klanten uit het bestand. Het vermoeden was dat de RAF-leden op deze manier hun rekening betaalden.
    Dit bestand werd weer gekoppeld aan de bestanden van woningbouwverenigingen, de kinderbijslag, de kentekenregistratie en de rijbewijsadministratie. Het resultaat was een flinke rij drugsdealers en één conspiratieve woning van de RAF, alwaar het RAF-lid Rudolf Heissler kon worden gearresteerd.
    De uit Duitsland afkomstige advocate Britta Böhler weet zich nog goed te herinneren dat de BKA met rasterfahndung weinig resultaat boekte. ,,Dat ene succesje was ook eigenlijk het gevolg van concrete aanwijzingen”, vertelt Böhler. ,,De RAF-leden waren in de omgeving van Frankfurt ondergedoken en betaalden zoveel mogelijk met contant geld. Alle algemenere toepassingen van rasterfahndung leverden niets op, behalve een grimmige sfeer van verdachtmakingen aan het adres van zo’n beetje alles wat links was. Je kunt je met recht afvragen of zo’n verregaande maatregel wel proportioneel is.”

    Aanslagen VS

    Nadat na 11 september 2001 bleek dat een aantal van de kapers, onder wie Mohammed Atta, lange tijd in Hamburg had gewoond, werd in Duitsland het systeem rasterfahndung weer uit de kast getrokken. Een wetswijziging in de jaren tachtig had het doorzoeken van de computerbestanden inmiddels legaal gemaakt. In gevallen van acute dreiging mag de BKA rasterfahndung toepassen.
    De criteria waarmee de BKA september 2001 aan de slag ging waren ruim geformuleerd. Gezocht werd naar mensen afkomstig uit Afghanistan, Saoedi-Arabië, Algerije, Libië, Irak, Iran, Jordanië, Syrië, Egypte, Koeweit, Verenigde Arabische Emiraten, Libanon, Jemen, Soedan en Pakistan. Later kwamen daar Bosnië, Israël en Frankrijk bij.
    Het profiel bestond verder uit de volgende kenmerken: man, betrokkenheid bij islamitische geloofsovertuiging, legaal verblijf in Duitsland, geen eigen kinderen, student, meertalig, geen criminele antecedenten, veel reisgedrag vertonend, visumaanvragen, financieel onafhankelijk.
    Vooral op de Duitse universiteiten leidde de maatregel tot veel onrust. ,,Een rasterfahndung die als centraal kenmerk voor verdenking de afkomst uit een bepaald land neemt, leidt tot verscherping van racisme”, meldde de Studentenbond in Berlijn destijds. Ook in andere delen van het land deelden studenten de zorg voor de toename van racisme en controle door de staat.

    Slechte resultaten

    Al vrij snel liep het BKA tegen het probleem op dat het dadersprofiel te specifiek was vastgesteld. Er bleek geen enkele treffer te zijn die voldeed aan het profiel. Bovendien waren veel data-leveranciers niet in staat alle gevraagde gegevens te leveren, simpelweg omdat ze niet geregistreerd werden.
    Eind september 2001 werden de zoekcriteria verruimd. Uiteindelijk werden alleen al in Berlijn de persoonsgegevens van 58.000 mensen verzameld: 109 voldeden aan het profiel, waarvan de politie er 77 als relevant beschouwde. Tegen geen van deze mensen bleek een verdenking gerechtvaardigd. Landelijk verzamelden de oosterburen 8 miljoen gegevens die leidden tot 11.000 twijfelgevallen. Deze werden allemaal onderzocht, maar geen enkel onderzoek leidde tot een strafvervolging of verdenking.
    Thilo Weichert, voorzitter van de Datenschutz vereniging in Duitsland, verklaarde destijds dat door rasterfahndung buitenlanders in Duitsland veel onzekerder zijn geworden. ,,Er kwamen mensen bij ons die zich permanent bespioneerd voelden, met deels traumatische gevolgen”, aldus Weichert.
    In een artikel in de Duitse Panorama van 8 april jl. schetst Wilfried Albishausen van de Bund Deutscher Kriminalbeambter een ontnuchterend beeld van de resultaten van rasterfahndung. ,,Het heeft helemaal niks opgeleverd, behalve dat heel veel politiemensen van hun dagelijkse werk werden afgehouden. Alleen al in Nordrhein-Westfalen werden er 600 agenten gedurende een aantal maanden voor ingezet. Resultaat was er een flinke toename van roofvervallen, woninginbraken en autodiefstal, criminaliteit die de gewone burgers treft.”
    Ook de minister-president van Niedersaksen constateert in Panorama dat het resultaat niet was om over naar huis te schrijven. ,,We moeten open en eerlijk met zulke thema’s omgaan. Ik denk dat Otto Schilly zich verkeken heeft op het effect van rasterfahndung.”

    Plannen Remkes

    Terwijl in kringen van Duitse terrorismebestrijders de twijfel groeit over het nut van rasterfahndung, komt de minister Remkes van Binnenlandse Zaken juist met een voorstel om het systeem ook in Nederland in te voeren. In een eerste reactie op de aanslagen in Madrid schreef Remkes in een brief aan de Kamer dat de aandacht van de politie en inlichtingen zich moest gaan uitbreiden richting onverdachte personen.
    ‘Waar daders en organisaties zich verschuilen onder hun potentiële slachtoffers en schuil gaan achter een patroon van ogenschijnlijk normale maatschappelijke activiteiten, zullen ook het speuren naar informatie, de bewaking en eventuele onderzoeken en controles minder gericht kunnen zijn’, aldus Remkes. Met het koppelen van bestanden zouden verdachte afwijkingen gevonden moeten worden.
    Opmerkelijk is dat Remkes zijn analyse (minder gericht op bepaalde verdachten meer op iedereen) al klaar had op 31 maart, nog geen twintig dagen na de aanslagen in Madrid. Op dat moment was het onderzoek nog in volle gang.
    Wie de situatie van de daders van het drama in Madrid aanschouwt zal zich toch achter de oren krabben bij het niveau van Remkes analyse. Al vrij snel na de aanslagen werd duidelijk dat een groot deel van de verdachten langere tijd de aandacht van diverse inlichtingendiensten heeft getrokken. Er werden connecties geconstateerd met eerdere verdachten van de aanslag in Casablanca, met Al Qaeda-leiders in Spanje en de leveranciers van de springstof werkten zelfs als informant voor politie en justitie.
    De vraag is of minister Remkes wel een degelijke analyse heeft gemaakt van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de aanslagen in Madrid. Op basis van dit soort openbare informatie valt eerder een aantal specifieke maatregelen in de richting van bepaalde netwerken te verwachten, dan een algemene maatregel zoals rasterfahndung.

    Koppeling bestanden

    Toch ging Remkes door op de ingeslagen weg. Half juli liet hij de Tweede Kamer weten te komen met ‘nieuwe vormen van geautomatiseerde data-analyse, zoals het zoeken aan de hand van profielen en het opsporen van bepaalde patronen met behulp van data-mining’. Als het aan de minister ligt krijgt de AIVD zelfs rechtstreekse toegang tot gegevens die derden geautomatiseerd ter beschikking kunnen stellen. Als het om overheidsbestanden gaat moet er volgens Remkes een verplichting komen deze beschikbaar te stellen aan de AIVD.
    Een aantal koppelingen is al tot stand gebracht of in voorbereiding. Zo heeft de AIVD al bijna een jaar toegang tot het gegevensbestand Basisvoorziening Vreemdelingen. Een projectgroep van het ministerie van Justitie onderzoekt of er een koppeling te maken is van alle databanken met gegevens over vreemdelingen. Bij de AIVD zou een kruisdatabank moeten komen met al deze gegevens, met als doel mogelijke terroristen toegang tot Nederland te kunnen weigeren of uit te kunnen zetten.
    Ook onderzoekt een gezamenlijke werkgroep van de AIVD en het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) de mogelijkheden om informatie van de politie direct door te kunnen sluizen naar de AIVD. Voor het einde van het jaar wil men in ieder geval het VROS (Verwijsindex Rechercheonderzoeken, waarin alle lopende rechercheonderzoeken zijn opgenomen) toegankelijk maken voor de AIVD.

    Paniekmaatregelen

    Deskundigen tonen zich zeer kritisch over rasterfahndung. Jan Holvast, privacywatcher van het eerste uur, verbaast zich in toenemende mate over de paniekmaatregelen die de regering voorstelt. ,,Er lijkt wel sprake van een ontzettend grote machteloosheid en gebrek aan organisatievermogen. Terwijl de inzet van rasterfahndung verstrekkende gevolgen heeft.”
    Holvast: ,,Je graaft als overheid ongemerkt heel diep in het persoonlijk leven van mensen. Het grootste probleem is dat je met zo’n systeem in feite de bewijslast omdraait. Iedereen die door het systeem als mogelijke terrorist wordt gescand, moet toch zelf weer aantonen dat er niks met hem of haar mis is.”
    Het is een schier onoplosbaar probleem, zegt Holvast. ,,De eerste stap bij rasterfahndung is het maken een profiel met kenmerken waarop je gaat zoeken. Je moet wel een erg goede definitie hebben van een mogelijke terrorist, anders komen er erg veel look-a-likes uitrollen.”
    Die mening lijkt ook te worden geventileerd in het kabinet zelf. Onder de ministers is niet iedereen even overtuigd van het nut van het gebruik van profielen van terroristen. Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, Rita Verdonk, schreef in november 2003 aan de Tweede Kamer dat bestudering van de aanslagen die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden duidelijk maakt dat het steeds moeilijker wordt om dergelijke profielen op te stellen.
    De relevante categorie wordt namelijk steeds ruimer, zo meent Verdonk. Ook het achterhalen en hanteren van effectieve en efficiënte onderscheidende indicatoren om personen te herkennen die mogelijk betrokken zijn bij de ondersteuning of uitvoering van terroristische activiteiten, is volgens de minister moeilijk en vereist veel onderzoek. Daarnaast bestaat het risico dat risicoprofielen en indicatoren kunnen leiden tot een blikvernauwing bij degenen die ze hanteren.

    Gebrekkige kennis

    Britta Böhler ziet in het zogenaamde profiling een flinke aantasting van de burgerrechten. ,,Binnen elk opgesteld profiel vallen essentiële burgerrechten, die door die profilering in een verdacht kader worden geplaatst. Neem het recht op vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om te gaan en staan waar je wilt, in vrijheid te kunnen surfen op internet. Rasterfahndung vereist een heel erg nauwkeurige vraagstelling. Iedereen die gebruik maakt van een zoekmachine op internet, bijvoorbeeld voor een bepaalde film met een bepaalde actrice erin, weet hoeveel onzin er uitrolt als je niet de juiste vraag formuleert.”
    Volgens Böhler is er momenteel te weinig concrete informatie voorhanden en sprake van een groot gebrek aan deskundigheid om rasterfahndung succesvol in te kunnen zetten. ,,Er is gewoon te weinig bekend over mogelijke terroristen. Men valt dan automatisch terug op algemeenheden zoals die worden gehanteerd in Duitsland: land van herkomst, geloof, reisgedrag, etc. Daar komt bij dat profiling in Europa maar sporadisch wordt toegepast. In de VS bijvoorbeeld is het inmiddels wel als specialisme binnen de FBI ontwikkeld.”
    Maar zelfs al zou de expertise verbeterd worden, dan nog ziet Böhler te veel negatieve aspecten aan rasterfahndung. ,,De grens schuift weer een stapje verder op. Het onderscheid tussen mensen die verdacht worden en mensen die nergens van verdacht worden, vervaagd met rasterfahndung. Iedereen die binnen het profiel past wordt onderzocht. Het redelijk vermoeden van verdenking vervalt.”

    Glijdende schaal

    Professor Corien Prins van het Tilburgse onderzoekscentrum voor Recht, Technologie en Samenleving (TILT) noemt de maatregel disproportioneel. ,,Het is de zoveelste stap die een aantasting van de privacy oplevert. De belangrijkste vraag, of de stap op deze manier wel nodig en nuttig is, wordt overgeslagen. Het is een glijdende schaal, die hoofdzakelijk bepaald wordt door angst.”
    Volgens Prins wordt er te weinig aandacht besteed aan de rechten van de burgers, wiens identiteit immers steeds virtueler wordt. ,,Privacywetgeving beperkt zich tot inzagerecht in enkelvoudige registraties. Sta ik bijvoorbeeld goed geregistreerd in politiebestanden, bij de kredietregistratie, etc?”
    Tegenwoordig wordt een identiteit samengesteld uit verschillende puzzelstukjes, zoals in Remkes voorstel bijvoorbeeld op basis van bepaalde patronen. ,,Deze nieuwe vormen van gegevensverzamelingen, patronen en ook de wijze waarop de totale puzzel tot stand komt kennen te weinig controle. Juist ook de achterliggende processen zouden veel transparanter, toetsbaarder en controleerbaarder moeten zijn”, aldus Prins.
    De plannen van Remkes passen naadloos in het stramien van registratie van gegevens van niet-verdachte personen die zowel Donner als Remkes bij elk nieuw voorstel proberen door te voeren. Nieuwe wetgeving, bijvoorbeeld de Wet Bijzondere opsporingsmethoden, de Wet vorderen gegevens financiële instellingen en de Wet vorderen gegevens telecommunicatie, openen ruimschoots de mogelijkheid om ook niet-verdachte personen te registreren.
    Wijziging van de Wet Politieregisters, die dit najaar wordt ingediend, moet justitie de mogelijkheid bieden om themaregisters op te zetten, met alweer gegevens van niet-verdachten. Sluitstuk wordt de Wet vordering van gegevens, waarbij politie en justitie gegevens kunnen opeisen van bedrijven, let wel, ook weer van niet-verdachte personen.

    Oostblok-praktijken

    ,,Ook wie niets te verbergen heeft, heeft veel te verliezen”, stelde Edwin Mac Gillavry, die in april jl. promoveerde op een onderzoek naar de medewerking aan strafvordering door bedrijven. Als een opsporingsambtenaar bijvoorbeeld bij een bank informeert naar iemands financiële positie, kan dat deze persoon verdacht maken, met alle gevolgen van dien. Mac Gilavry ontdekte dat dit geen theorie is, maar dagelijkse praktijk. Een Duitse bank hield de namen van maar liefst 350.000 klanten bij waar navraag naar was gedaan.
    Gert Onne Klashorst, woordvoerder van het College Bescherming Persoonsgegevens raakte met zijn commentaar in het NRC Handelsblad (14 sep 04) misschien wel de kern van de zaak. ,,.Dit raakt het hart van de samenleving. We moeten ons afvragen wat voor samenleving we willen. Nu hebben we een maatschappij waarin we de macht kunnen controleren. Het lijkt erop alsof de macht straks de burger controleert. Waar hebben we dat eerder gezien? Singapore, China, Oost-Duitsland. Toen de muur viel, wist iedereen precies hoe het zat. Balkenende noemt respect een belangrijke Europese waarde. Een overheid die de burger volgt, lijkt me van weinig respect getuigen.”