• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Wetgeving

    Hoofdstuk 3 uit ZOOM Dossier Cameratoezicht

    Augustus 2000

    Het komende hoofdstuk is bijzonder kort. Er zal een overzicht worden gegeven van relevante wetgeving op het gebied van cameratoezicht in Nederland, maar dergelijke wetten zijn er bijzonder weinig.

    De wetgeving die betrekking heeft op cameratoezicht is verspreid over een aantal gebieden: privacywetgeving, strafrecht, auteursrecht, Wet particuliere beveiligingsbedrijven en recherchebureau’s. In dit hoofdstuk staan deze verschillende juridische invalshoeken op een rijtje.

    Overigens is wetgeving die betrekking heeft op opsporingsbevoegdheden van de politie met behulp van camera’s niet opgenomen. Cameratoezicht, zoals in deze brochure wordt besproken, richt zich op openbare ordeproblematiek. Zodra cameratoezicht gebruikt wordt voor het stelselmatig opsporen van strafbare feiten valt het onder de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden. Deze wet stelt veel strengere eisen aan het gebruik en de controle.
    Internationale regelgeving
    De privacy is via een aantal wetten geregeld. Om te beginnen zijn er de Europese wetgeving en andere internationale akkoorden:

    Artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) kent iedereen het recht op respect voor zijn of haar privéleven toe. Artikel 8 EVRM staat schending van de privacy slechts toe wanneer

    – daarin is voorzien bij de wet;

    – het in het belang is van een in artikel 8 genoemd doel;

    – het noodzakelijk is in een democratische samenleving.

    Deze laatste eis heeft een aantal consequenties voor het inzetten van cameratoezicht. Zo moet er een dringende maatschappelijke behoefte bestaan (“pressing social need”) en moet cameratoezicht in redelijke verhouding staan tot het doel dat ermee bereikt moet worden. Een plein vol hangen met camera’s terwijl er de laatste vijf jaar één enkel vechtpartijtje geweest is kan dus niet. Dit is het proportionaliteitsvereiste. Een derde voorwaarde is dat het met cameratoezicht beoogde doel niet op een andere, minder ingrijpende, manier kan worden bereikt, de zogenaamde eis van subsidiariteit.

    Ook is Nederland het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) aangegaan. Volgens artikel 17 mag niemand onderworpen worden aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn of haar privéleven.
    Nationale Wetgeving
    Naast deze internationale verplichtingen is er ook nationale wetgeving op het gebied van privacy.
    Artikel 10 (eerste lid) Grondwet zegt dat eenieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn of haar persoonlijke levenssfeer heeft. Hiermee wordt Nederlandse burgers bescherming gegarandeerd tegen inbreuken op hun privacy.
    Deze bescherming wordt verder uitgewerkt in de Wet Persoonsregistratie (WPR). Daarin worden op de volgende manier de mogelijkheden van cameratoezicht beperkt. Uit verschillende jurisprudentie valt op te maken dat beelden van personen persoonsgegevens zijn omdat ze het mogelijk maken deze personen te identificeren. Het verzamelen, registreren en verwerken van deze beelden valt dan ook onder de Wet Persoonsregistratie. Dit brengt volgens de Registratiekamer (de waakhond van de WPR) een aantal regels voor cameratoezicht met zich mee :

    – Het doel van een persoonsregistratie dient vooraf te worden bepaald en te worden omschreven. Het doel van de persoonsregistratie moet worden bekendgemaakt aan de Registratiekamer. Persoonsbeelden mogen alleen voor het omschreven doel worden gebruikt.

    – Persoonsbeelden moeten op eerlijke en wettige wijze worden verkregen en verwerkt. Zo mogen sommige beelden (bijvoorbeeld die waaruit iemands godsdienst, politieke gezindheid of seksuele geaardheid blijkt) niet geregistreerd worden.

    – De door de registratie gediende belangen moeten in verhouding staan tot de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Minder ingrijpende methoden om het doel te bereiken moeten niet voorhanden zijn.

    – Het moet duidelijk gemaakt worden dat er cameratoezicht plaatsvindt in een bepaald gebied, bijvoorbeeld door het plaatsen van borden.

    – Verstrekking van beelden aan derden is slechts toegestaan als het doel van de registratie dit met zich mee brengt. Als voorbeeld noemt de Registratiekamer het doorleveren van beelden uit voetbalstadions aan het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme.

    – Beelden mogen niet langer dan noodzakelijk bewaard worden. De Registratiekamer geeft als richtlijn een bewaartermijn van 24 uur, waarvan in sommige gevallen afgeweken mag worden.

    Op dit moment ligt er overigens een wetsontwerp bij de Tweede Kamer, om de WPR te vervangen door de Wet Bescherming Persoongegevens (WBP). Deze zal op dit gebied in grote lijnen de WPR volgen.
    Cameratoezichthouders kunnen er ook voor kiezen hun project in te richten op grond van de Wet Politieregisters, in plaatst van op de WPR. Het opslaan van beelden valt dan volledig onder verantwoordelijkheid van de politie. Er moet dan een privacyreglement worden opgesteld waarin duidelijk wordt aangegeven waarom het middel wordt ingezet en hoe met opgeslagen beelden moet worden omgegaan.
    Naast de WPR bestaat er nog een strafrechtelijk verbod om stiekem opnames te maken. In het Wetboek van Strafrecht staan twee artikelen die betrekking hebben op cameratoezicht.

    Artikel 139f luidt :

    Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

    1. hij die, gebruik makende van een door een list of kunstgreep daartoe geschapen gelegenheid, van een in een woning of een niet voor publiek toegankelijk lokaal aanwezige persoon met een technisch hulpmiddel opzettelijk een afbeelding vervaardigt waardoor diens rechtmatig belang kan worden geschaad;

    2. hij die de beschikking heeft over een afbeelding welke, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, door of ten gevolge van onder 1. strafbaar gestelde handeling is verkregen.

    Het gaat hierbij dan om plekken waar men zich “veilig acht voor blikken van anderen” zoals bijvoorbeeld een woning. Het maken van opnames in bijvoorbeeld de tuin van een woning of een winkel valt er niet onder.
    Artikel 441b luidt :

    Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, gebruik makende van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, in een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin spijzen, dranken of andere waren aan particulieren worden geleverd, van een daarin aanwezige persoon een afbeelding vervaardigt.

    Wat dus feitelijk strafbaar is, is het maken van opnames in bijvoorbeeld een café, tijdens openingstijden, zonder dat er duidelijk gemaakt is dat er opnames gemaakt worden. Als er, bijvoorbeeld met behulp van borden, duidelijk gemaakt is dat er opnames gemaakt worden is dat niet strafbaar, net zo min als het maken van opnames na sluitingstijd voor beveilingsdoeleinden.
    Verder geeft de Auteurswet (uit 1912) nog een juridisch handvat, waarmee openbaarmaking van opnames strafbaar wordt gesteld.

    Artikel 21 luidt : Is een portret vervaardigd zonder daartoe strekkende opdracht, den maker door of vanwege den geportretteerde, of te diens behoeve, gegeven, dan is openbaar maken daarvan door degenen wien het auteursrecht daarop toekomt, niet geoorloofd, voor zover een redelijk belang van den geportretteerde, of na zijn overlijden, van een zijner nabestaanden zich tegen openbaarmaking verzet.

    Dit artikel gaat over het openbaarmaken van portretten, en niet over het maken van beelden op zich. Pas op het moment dat een portret gepubliceerd zou worden, en men zich kan beroepen op een redelijk belang, kan men eventueel publicatie tegengaan. Het is dus niet zo dat publicatie per definitie tegengehouden kan worden omdat een persoon er geen toestemming voor gegeven heeft.

    In de praktijk zal bij cameratoezicht zelden sprake zijn van het openbaar maken van beelden. Dit is pas het geval als beelden aan derden (politie, wetenschappers) ter beschikking worden gesteld. Ook het vertonen van cameraopnames in een programma als “Opsporing Verzocht” is het openbaar maken van beelden. Op het moment is er nog geen rechtspraak over de vraag of er bij cameratoezicht sprake is van het openbaar maken van beelden in de zin van artikel 21 Auteurswet.
    Met de Grondwet, de WPR, het Wetboek van Strafrecht en de Auteurswet in de hand is er een basis gelegd om burgers te vrijwaren van glurende camera’s, die een grove inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer. Cameratoezicht wordt daarmee echter allesbehalve buiten de wet gesteld. Zolang de persoonlijke levenssfeer niet in het geding is, is er nauwelijks wetgeving die beperkingen stelt aan het inzetten van camera’s. En de gemiddelde gemeente blijkt een uiterst beperkte opvatting te hebben over wat wel en wat niet binnen de persoonlijke levenssfeer zou moeten vallen.
    De enige wet die een uitspraak doet over cameratoezicht is de Gemeentewet. Deze wet geeft een burgemeester een aantal mogelijkheden om de openbare orde te handhaven met behulp van cameratoezicht. Het gaat hier in de eerste plaats om de bevoegdheid om met behulp van de politie overtredingen te beletten of te beëindigen (artikel 172, tweede lid). Hierbij kan het onder meer gaan om overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Ook artikel 172, derde lid, geeft een burgemeester de bevoegdheid om cameratoezicht toe te passen. Het gaat hierbij dan met name om “samenscholingen, oploopjes en acties” op openbare plaatsen. Ook staat er in de op grond van artikel 147 van de Gemeentewet opgestelde model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeentes dat het verboden is voor particulieren om bewakingscamera’s te gebruiken als deze (ook) op openbaar terrein gericht zijn.
    De overheid is inmiddels begonnen beleid op het gebied van cameratoezicht te ontwikkelen. De ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie bereiden een “Handreiking Cameratoezicht” voor, waarin wettelijke kaders, randvoorwaarden en factoren voor succes staan opgesomd. Tegelijkertijd wordt er gewerkt aan wetgeving rond het toepassen van cameratoezicht in het kader van de openbare orde.
    Conclusie
    Uit bovenstaande opsomming blijkt dat er op het gebied van cameratoezicht in openbare ruimte nauwelijks wetgeving is. Als er dan al besloten wordt tot het installeren van camera’s dient er minimaal duidelijkheid te zijn over de volgende zaken:

    – Wie mogen er besluiten om cameratoezicht in te zetten;

    – Wat voor soort camera’s mogen er gebruikt worden;

    – Mogen de beelden opgenomen worden;

    – Onder welke voorwaarden en hoe lang mogen opnames bewaard worden;

    – Mogen de beelden aan derden beschikbaar worden gesteld en zo ja, onder welke voorwaarden;

    – Moet het cameratoezicht na invoering verder getoetst en geëvalueerd worden en door wie;

    – Wie controleert de controleurs?
    Op dit moment wordt er door het ministerie van Binnenlandse Zaken wel gewerkt aan een regeling met betrekking tot cameratoezicht, maar wat daar precies in komt te staan is nog onduidelijk. Ook de status die het gaat krijgen (wordt het wetgeving of alleen een advies) is nog niet bekend. Eventuele wetgeving komt in ieder geval als mosterd na de maaltijd.