• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Het onderzoek naar RARA

    Het RaRa team, een landelijk executief opererend inlichtingenteam

    Uit: Ravage, 26 januari 1996, buro Jansen & Janssen.

    door Wil van der Schans

    Een inval, twee maanden ‘niet verdacht’, iets meer dan 400 dagen wel, 5 daarvan in een Haagse cel. Tientallen tapverslagen, een lijst met honderd vragen, een dossier waar de honden geen brood van lusten en een officier van justitie, die -zwaaiend met z’n armen- plastisch spreekt over een stamboomonderzoek naar RaRa. Als toneelstuk had het de kritieken waarschijnlijk niet overleeft, maar de werkelijkheid is weerbarstiger. Het hoge Kafka gehalte maakt het moeilijk gissen naar de werkelijke bedoelingen van Justitie. Een verhaal met meerdere dimensies: een combinatie van serieus inlichtingenwerk, een eigen dynamiek en een poging tot een juridische testcase.

    Zeven jaar geleden, op 11 april 1988, werden met veel bombarie acht zogenaamde RaRa-activisten gearresteerd. Ook toen was de boodschap belangrijker dan de klap. RaRa was uit de anonimiteit gehaald, alleen waren de bewijzen zo mager dat van de acht arrestanten er maar één veroordeeld werd. Politie en BVD bleven er bij ‘de harde kern van 20 – 23 RaRa-activisten’ te kennen. Enige probleem was de bewijsvoering.
    Met dat probleem zit niet alleen het RaRa-team. Ook verandering van de structuren en de handelswijze van de georganiseerde misdaad hebben de bewijsvoering er niet gemakkelijker op gemaakt. Gevolg is dat de opsporingsonderzoeken de laatste jaren drastisch zijn veranderd. Niet langer worden de daders van misdrijf X gezocht. Tegenwoordig speuren gespecialiseerde teams naar de misdrijven van organisatie Y. Dat is fundamenteel anders: de belangstelling geldt de groep, niet het misdrijf. Er moet een heterdaad komen, niet te vroeg, maar zeker niet te laat. En daarvoor zijn methodes als inkijken, afluisteren, peilzenders, infiltratie essentieel. Alles wordt uit de kast getrokken om organisatie Y in kaart te brengen. Scoren is immers belangrijk. Produktiviteit is sinds de reorganisatie ook bij de politie een bekend woord.
    Het RaRa-team werkt sinds de aanslagen van november 1991 op ex-staatssecretaris Kosto en het ministerie van Binnenlandse Zaken anders dan het vroegere Landelijk Coòrdinatie Team. Als eerste kreeg het de beschikking over moderne misdaadanalyse programma’s. ‘Octopus’ werd de broedplaats voor de virtuele werkelijkheid waar Opstand later het slachtoffer van werd. Inlichtingenwerk vormt een belangrijk deel van het opsporingswerk. Een combinatie waaraan altijd strenge restricties zijn gesteld. En terecht, want wat is gemakkelijker dan met de middelen van een opsporingsteam, inlichtingen te verzamelen.
    In december 1994 bevestigde officier van justitie de Groot voor de rechtbank van Den Haag dit onderdeel van het Opstand-onderzoek. Hij verklaarde dat Justitie een langdurig en uitgebreid stamboomonderzoek naar RaRa is begonnen. Hoe Opstand daarin terecht was gekomen wilde hij niet zeggen. Maar gezien het feit dat Hans en Jan tijdens de huiszoekingen zeer nadrukkelijk niet verdacht waren lijkt het er sterk op dat het Justitie in eerste instantie gewoon te doen was om de stapels archiefdozen, de bergen notulen, de honderden aantekeningen en de tientallen cassettes uit het uitgebreide archief van Opstand. Opstand had zeer veel informatie over actiegroepen in de stellingen staan. Wie zijn er nu actief op het gebied van vluchtelingen en illegalebuitenlanders? Wat voor vergaderingen worden er gehouden, wie komen er? En wat zijn de informele contacten? Sinds RaRa het illegalen- en vluchtelingenbeleid als speerpunt heeft genomen is Justitie natuurlijk zeer geïnteresseerd in deze beweging. Met ‘gewoon’ inlichtingenwerk had het Justitie maanden gekost binnen te halen wat nu in één dag mee kon.
    Vraag blijft waar de grens wordt overschreden. Wanneer het moment komt dat opsporing naar de achtergrond verdwijnt en het verzamelen van inlichtingen de boventoon gaat voeren. Wordt het verzamelen van informatie dan niet doel op zich en creëert Justitie haar eigen BVD? En wat gebeurd er met de informatie? Wie worden of werden er geregistreerd, geobserveerd of afgeluisterd in de RaRa zaak? En beperkt Justitie zich wel tot de opsporing van RaRa? Wordt er niet een prachtig bestand aangelegd wat ook op een andere manier kan worden ingezet? In Frankrijk valt hulp aan illegale buitenlanders bijvoorbeeld al onder de anti-terreur wetgeving en het is niet ondenkbeeldig dat de situatie in Nederland zich ook zal verscherpen. Is RaRa voor Justitie niet een erg gemakkelijk alibi om informatie in te winnen over te politiek activisten?

    Registratie, registratie en nog eens registratie

    Rasterfahndung, een mooier woord hadden ze er in Duitsland niet voor kunnen vinden. Het is de methode van koppelen en vergelijken van registraties op bepaalde dadersprofielen. In Duitsland gaat men daar erg ver in. Zo heeft de Bundeskriminalambt (BKA) op jacht naar de RAF bijvoorbeeld alle appartementen, waarvan iemand anders dan de bewoner de GEB-rekening betaalde, gecheckt. Niet dat men terroristen vond, tot eigen verbazing bleken er behoorlijk wat politici maîtresses op na te houden.
    Ook het RARA-onderzoek maakt driftig gebruik van allerlei registraties. Als in combinatie met een opvallende registratie (bijvoorbeeld gebruik van een bepaalde giromaat op een bepaald moment of ingeschreven hebben staan op een geoormerkt adres) er in de computer ook nog een opvallende relatie opduikt wordt het apparaat in werking gezet.
    Neem bijvoorbeeld het allereerste proces verbaal in de Opstand zaak. Dit proces verbaal is van oktober 1993 en leidde tot het instellen van het gerechtelijk vooronderzoek naar de anonieme leden van RARA.
    Een paar weken na de aanslag op het ministerie van Sociale Zaken bezoekt een vrouw voor haar werk de bibliotheek. Een oplettende baliemedewerkster vindt haar gedrag ‘verdacht’ en geeft dat door aan de Haagse politie. Die trekt de persoonsgegevens van de vrouw na (paspoorten moeten sinds de aanslag netjes worden gekopieerd) en …. wat blijkt: tussen 1986 en 1992 stond deze vrouw ingeschreven in een huis waar ook een andere vrouw ingeschreven stond. Dan komt de BVD met een (geheim) ambtsbericht. Deze laatste vrouw zou ‘contacten’ onderhouden met René R. .. bekend van… Reden genoeg om printertaps te plaatsen bij eerstgenoemde vrouw. En dan volgt een tactiek die later ook bij Opstand is gebruikt. Eerst onrust zaaien, en dan proberen te oogsten.
    Twee rechercheurs gaan bij haar langs. Ze vragen haar uit te leggen waarom ze in die bibliotheek is geweest. De vrouw geeft antwoord, de heren vertrekken en daarmee is voor haar de kous af. Voor de politie niet. De rechercheurs constateren dat de vrouw na hun bezoek een half uur lang telefoneerde met een vriend die werkt bij de Gemeenschappelijke Pers Dienst. Ze kunnen helaas niet horen waarover het gesprek gaat, maar onze speurneuzen breien het cirkeltje rond. Uit CID informatie blijkt namelijk dat de GPD destijds, net als andere vertegenwoordigers van de media, de RaRa verklaringen in de brievenbus heeft gekregen. Voldoende informatie om een telefoontap bij de vrouw te plaatsen, vindt justitie.
    Deze constructie laat goed zien hoever de politie gaat met het registreren van persoonsgegevens. Om te beginnen staat iedereen die contact heeft (gehad) met een oud-RaRa-verdachte genoteerd in de computer van het RaRa-team. Maar ook ingeschreven staan op hetzelfde adres met iemand die contact heeft gehad met, is genoeg om in Octopus terecht te komen. Opmerkelijk is dat zelfs journalisten in het CID bestand zijn opgenomen. Iedereen die werkt bij een persbureau (of krant of radio- of tv-station) dat ooit een claimbrief heeft ontvangen staat genoteerd bij de CID Den Haag. Deze kruisbestuiving van informatie bepaald uiteindelijk de inzet van dwangmiddelen.

    ‘RARA’ wie is RARA

    Ergens in dat web van registraties en relaties moet Opstand zijn opgedoken. Toen persofficier Zandbergen in november 1994 z’n slecht voorbereide informele persconferentie hield in de kille catacomben van het Haagse Paleis van Justitie leek er geen twijfel mogelijk. “In de loop van het onderzoek werden er aanwijzingen gevonden dat er contacten waren tussen RARA en de personen waarbij de huiszoekingen werden verricht”.

    Genoeg reden om iemand te verdenken zo je kunnen inschatten. Maar waaruit bestonden dan die contacten? En wist Justitie misschien meer dan wij, kende justitie een aantal RARA-activisten? Het bleef vaag, maar het zou kunnen.
    Het bleef lang stil. Wat Hans Krikke en Jan Mùter ook probeerden, het dossier bleef achter slot en grendel in de kluizen van Justitie. Ook voor henzelf was het gissen naar die verdachte contacten. Pas in maart 1995, toen beide van de straat werden geplukt, kwamen de eerste papieren vrij. Maar rara waar waren de contacten met RARA?
    Het Proces Verbaal van de politie Haaglanden van 3 april 1995 ondertekend door agent 001_01, de leider van het RARA-team, was nog steeds vaag. Er zouden contacten bestaan tussen Hans Krikke en Jan Mùter en een aantal ‘personen welke eerder in het LCT- en KOBI-onderzoek als mogelijke verdachten van eerdere aanslagen, welke werden geclaimd door RARA, werden aangemerkt’.
    Er was een naar de Haagse politie gestuurde tip over Jan Mùter,dat hij feestjes bezocht waar geld werd ingezameld voor RARA. Een tip die overigens meer lijkt op een door een politieagent neergetypt verslag van een gesprek met een informant dan een spontaan opgestuurd epistel. Daarnaast was er bij de arrestaties van een RARA-verdachte in 1988 een brochure van Opstand gevonden. Het vinden van een algemeen verkrijgbare brochure werd destijds zo onbelangrijk gevonden dat de originele foto niet eens meer was terug te vinden. Derde ‘contact’ zou blijken uit het Telegraaf artikel ‘De Tentakels van de RARA’, waarin vermeld wordt dat Opstand een manifestatie meeorganiseerde voor een eerlijk proces voor de RARA-verdachte René R.. Laatste link met RARA zou bestaan uit contacten met het radicaal linkse blad Konfrontatie. Hans Krikke publiceerde een aantal keren in dat blad en telefoneerde wel eens over een niet op tijd betaalde rekening. Verdacht, want ‘het blad Konfrontatie wordt door RARA kennelijk als spreekbuis gebruikt’.
    Als dit werkelijk de contacten zijn waar Justitie op doelt, als ze achteraf nog steeds vindt dat er een ‘redelijk vermoeden’ bestond dat Hans Krikke en Jan Mùter iets met RARA te maken hadden dan is RARA RARA niet meer. RARA is niet langer dat groepje van ’20 tot 30′ bekende anti-imps, die de BVD gefrustreerd in de gaten probeert te houden en alleen op het moment van de aanslag zelf uit het oog verliest. RARA is niet langer die goed georganiseerde actiegroep, die volgens Docters van Leeuwen eerst uitzoekt wie de catering voor een ministerie doet en vervolgens de tijd neemt om te infiltreren. RARA is z’n wortels ontgroeid. Misschien dat officier van justitie de Groot daarom wel zo sprekend tot de vergelijking van een stamboomonderzoek binnen het grote RARA onderzoek kwam.
    Maar dat ‘grote’ RARA-onderzoek, is dat niet gewoon een lichte vorm van metaforitis voor het in stand houden van een landelijk inlichtingenapparaat met opsporingsbevoegdheden? In het RARA-onderzoek wordt vooral alles wat afwijkt van het ‘normale’ opgemerkt. Een vrouw die met een paar tassen een maand na de aanslag op Sociale Zaken ‘verdacht’ doet. Een journalist die een claimbrief ontvangt. Een vriendje van een zus van een ex-RARA-verdachte. Gebruik van bij de politie niet zo gangbare termen als ‘jachtseizoen, ladingen vol, politieke elite of glijmiddel’.
    Iedereen die linkser (en dat valt niet mee tegenwoordig) is dan D’66 loopt kans in de armen van het misdaadanalyseprogramma Octopus gevangen te worden. Zelfs Groen Linksers komen ervoor in aanmerking. Geweldig, moeten de heren in Den Haag gedacht hebben. Eindelijk een eigen bestand activisten. Niet langer bedelen bij de BVD, die toch altijd dwars zat.
    Met het verschijnen van ‘De Tentakels van de RARA’ in de Telegraaf werd de legitimatie verkregen. Hans Dijkstal (toen nog Tweede Kamerlid) reageerde destijds geschokt. “Uw bevindingen over het Autonoom Centrum, RaRa-activisten en andere groepen duiden op een veel grotere mate van organisatie dan tot nu toe werd aangenomen, het is een andere vorm van georganiseerde misdaad en dat geeft reden tot grote bezorgdheid. Ik verwacht dat de bewindslieden alles op alles zetten om de opsporing ter hand te nemen. In het najaar zal mijn fractie hierop terugkomen, ik verwacht dat de bewindslieden de Kamer dan zullen informeren.”
    RARA was definitief verbreed tot het spectrum van actiegroepen, hulporganisaties, lobbyisten en publicisten die zich verzetten tegen het vreemdelingenbeleid. Het stamboomonderzoek is inmiddels uitgegroeid tot een waar bos. Ziet Justitie zelf eigenlijk de bomen nog wel staan?

    16 maart 1995. Het is 12.30. De bel gaat. Leintje van Kleunen actief in de Werkgroep Kerk en Asiel loopt niets vermoedend naar de voordeur. “Goedemorgen, politie, mogen we even binnenkomen”. De twee rechercheurs van het RARA-team maken duidelijk dat ze zijn gekomen in verband met het Opstand onderzoek. Toch komt Opstand nauwelijks aan bod, des te meer een andere organisatie uit de boom: het Platform Illegale Vluchtelingen. Terwijl Hans Krikke en Jan Mùter in het openbaar steeds in verband werden gebracht met het schrijven van de claimbrieven worden in vragen naar Leini plotseling andere mensen, actief binnen het PIV, genoemd. De rechercheurs suggereren dat RARA voor de claimbrieventeksten van het Platform Illegale Vluchtelingen zou hebben gebruikt.
    Bij een ander lid van het PIV, Ineke Eshuis, kwamen de heren net zo onverwachts, maar met een duidelijkere boodschap. “Weten jullie dan niet dat die ‘radicalen’ jullie gebruiken ter indekking voor terroristische acties? Er zijn toch wel radicalen actief binnen het PIV?”. Suggestie en verdachtmakingen van een niveau waarvan de FBI nog wel eens op de vingers wordt getikt, maar de Nederlandse politie? De rechercheurs bezochten bijna alle leden van het PIV en staken hun politiek visie niet onder stoelen of banken. Bolkestein was erg populair, ‘als je het niet gelooft moet je maar eens in de Schilderswijk komen kijken’. Uiteindelijk eindigden de verhoren stuk voor stuk in het opstellen van een distianciëringsverklaring. Lidwien Divendal van het Alkmaarse Steunpunt Politiek Vluchtelingen zegt er achteraf spijt van te hebben. ‘Je voelt je zo geïntimideerd, zo onder druk gezet, dat je het op dat moment doet, maar het klopt natuurlijk niet dat de politie dit soort verklaringen verzamelt’.
    Wie niet tegen is, is voor, hoort er bij, is verdacht. In het huidige RARA-bereik is dat voldoende. Relaties en achtergrond doen de rest. Het profiel van de doorgewinterde activist werd na het tekstvergelijkend onderzoek nog eens uitvergroot. “Op grond van een analyse van de inhoud van de teksten (red.van RARA) kan worden toegevoegd dat het gaat om een persoon of personen met extreem-links activistische sympathieën, een meer dan gemiddelde kennis van en belangstelling voor politieke, economische en maatschappelijke problemen, en een aanzienlijke kennis van zowel het linkse als rechtse gedachtengoed”. Leon Wecke kon er in zijn boek ‘RARA, de redenering achter de bom’, niet meer van maken dan dat RARA ‘zelfs een redelijke waardering heeft voor onze democratie, waar zij menen dat de regering haar vluchtelingenbeleid noodzakelijkerwijze dient te legitimeren’.
    RARA is met het Opstand onderzoek definitief van karakter veranderd. Volkomen legitiem kan Justitie nu ‘radicaal links’ registreren, observeren, afluisteren en infiltreren. Tegen RARA mag immers alles.

    Justitie legde zich dan ook glimlachend neer bij haar ‘nederlaag’. Zandbergen weet namelijk wel beter. De nederlaag is niet aan hem. Hij, Horstink en de Groot hebben voor open doel gescoord. Terwijl de parlementariërs zich maanden blind hebben lopen staren op ‘doorvoeren, doorleveren, sapmannen en nagelbijtende CID’ers uit Haarlem’, heeft artikel 140 er dankzij de Groot weer een nieuwe dimensie bijgekregen. Natuurlijk, het is niet helemaal gelukt, en de verontwaardiging na afloop is groot. Maar die was ook groot na de eerste paragraaf 129a onderzoeken in Duitsland. Organisaties, die politiek actief zijn op een thema waarop ook aanslagen worden gepleegd worden met paragraaf 129a bij bosjes aangepakt. Tussen 1980 en 1988 speelden 3000 zaken, waarvan 96% geseponeerd werd.
    De interpretatie van het Nederlandse artikel 140 is met de Opstand zaak flink opgerekt. ‘Foute’ contacten, een overeenkomstig taalgebruik of thematische inzet zijn nu ook hier voldoende om in een opsporingsonderzoek naar RARA terecht te komen. Net als in Duitsland is het niet van belang dat er vervolging plaatsvindt, het publicitair verbinden met RARA is voldoende. De Opstand-medewerkers zijn immers behoorlijk effectief van hun stuk gebracht, waar rook is is vuur.