• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • ZES MAANDEN GIJZELING VOOR EEN GETUIGE IN HET “AIZ-PROCES”

    Over de getuigendagvaardingen in het AIZ-proces en over de beantwoording van “onschadelijke vragen” Sinds november 1997 staan Bernhard Falk en Michael Steinau voor het Oberlandesgericht (Gerechtshof) van Düsseldorf terecht wegens hun vermeende lidmaatschap van de “terroristische vereniging Antiimperialistische Zelle” (AIZ), volgens de Duitse paragraaf 129a, en hun vermeende deelname aan diverse springstofaanslagen. Een getuige van de geheime dienst van de deelstaat Nordrhein-Westfalen, Düren, heeft tijdens afgelopen zittingen van het proces zijn geschiedenis van de AIZ geschilderd. Volgens hem zou de reeds opgeheven Akense Antirepressionsgruppe een forum voor de AIZ zijn geweest. Drie vrouwen worden door hem beschuldigd van lidmaatschap van de AIZ. Andere leden van de Antirepressionsgruppe zouden er volgens Düren zeker wat vanaf geweten, danwel vermoed hebben. Maar ook mensen uit andere steden beschuldigd hij er van vermeende `contactpersonen’ van de beide aangeklaagden te zijn geweest. Zijn beschuldigingen zijn gestoeld op verklaringen uit derde hand, die uit “geheimhoudings overwegingen met betrekking tot de werkwijze van de dienst” en vanwege “bronbescherming” niet vrijgegeven kunnen worden. Voor het overige beroept hij zich bij zijn geconstrueer op zijn “dienstervaring”.

    Begin maart dit jaar liet rechtbankvoorzitter Breidling zeven mensen als getuige dagvaarden. Vooraf aan die procesdagen poogden de rechtbank en de Duitse recherche telefonisch contact met twee in het buitenland wonende vrouwen op te nemen. De vrouw die in België woont gaf geen gehoor aan haar dagvaarding. Tijdens de rechtszitting werd bekend gemaakt dat de getuige-dagvaarding die aan een in Nederland wonende vrouw werd gestuurd niet was afgehaald. Die vrouw verscheen dus ook niet voor de rechtbank. Volgens het Verdrag van Schengen kunnen die twee vrouwen niet gedagvaard worden onder bedreiging van beboeting of het opleggen van gijzeling (het opsluiten van een getuige die weigert op de vragen van de rechtbank te antwoorden). Zolang die twee dus geen voet op Duitse bodem zetten zijn ze relatief veilig.
    De van Hamburg naar Berlijn verhuisde Frank Ament werd ook begin maart gedagvaard. Wegens ziekte kon hij in eerste instantie niet verschijnen. Vervolgens werd hij opnieuw voor de 23e maart gedagvaard. Frank kwam niet opdagen en de rechtbank veroordeelde hem tot een boete van 400 D-Mark, of vier dagen zitten. Zondagavond, 11 april, werd Frank in zijn Berlijnse woning opgepakt en de volgende dag onder dwang voorgeleid aan de rechtbank in Düsseldorf. In de rechtzaal bleef hij met zijn rug naar de rechters staan en reageerde op geen enkele vraag. De rechtbank veroordeelde hem daarop tot een week `disciplinaire’ gevangenisstraf wegens “belediging van de rechtbank”. Zijn volgende dagvaarding werd voor de 20e april vastgesteld. Maar omdat de rechtbank vreesde dat Frank, wanneer hij op maandag 19 april vrij zou komen, de benen zou nemen, en omdat Frank om “politieke redenen” weigerde te antwoorden, veroordeelde de rechtbank hem direct daarop tot zes maanden gijzeling en tot een boete van 800 D-Mark. Een verdere reden voor deze maatregel was volgens de rechtbank en het Openbaar Ministerie een artikel dat Frank geschreven zou hebben en dat in het Berlijnse blad Interim (Nr. 473, 8-4-1999) werd afgedrukt.
    Rechtbankpresident Breitling gaf de twee aangeklaagden te verstaan, dat hij de gijzeling die hij Frank had opgelegd kon opheffen, wanneer zij bereid zouden zijn verklaringen af te leggen over “die zaken waar de getuige weet van heeft”. Zo probeerde hij hun de schuld in de schoenen geschoven voor het feit dat Frank nu in de bak zit. Beide aangeklaagden speelden dat spelletje niet mee.

    Frank “weigert uit elementaire politieke overwegingen, die niets met de concrete strafzaak te maken hebben, verklaringen af te leggen tegenover veiligheidsdiensten of de rechtbank” (uit de persverklaring van Rote Hilfe, d.d. 12-4-1999). Hij gaat niet in op de smerige spelregeltjes die Justitie probeert te laten gelden, die bijvoorbeeld voorspiegelen alsof er de mogelijkheid zou bestaan om het door de geheime dienst geconstrueerde beeld “recht te zetten”. Zelfs de meest onbenullige opmerking wordt door juist deze dienstkloppers niet alleen geregistreerd, maar ook geïnterpreteerd op de wijze die het hen het beste uitkomt en uiteindelijk als mozaïeksteentje aan hun constructie toegevoegd. Dat geldt ook voor de beantwoording van zogenaamde ‘onschadelijke vragen’. Want wat zijn nu eigenlijk onschadelijke en onbetekenende vragen, en hoe onschadelijk en zonder consequentie zijn de antwoorden? Het interpretatiemonopolie ligt namelijk nog altijd bij het justitieel apparaat. Ingaan op dergelijke spelletjes van Justitie, is naïef en gevaarlijk, voor je zelf en voor anderen – ook al lijkt het op het eerste oog niet zo! Een ander instrument van Justitie is het mogelijke gebruik van §55 (het recht om te zwijgen wanneer er de mogelijkheid bestaat dat jij je zelf kan belasten) van het Wetboek van Strafvordering. De spelregels worden altijd door Justitie vastgesteld. Justitie bepaald op welke vragen(complexen) de getuige niet hoeft te antwoorden, waarbij de getuige ook in een situatie kan geraken dat hij/zij dat moet gaan beargumenteren. Waarom zou juist die ene vraag belastend kunnen zijn? Het is een kleine stap om van getuige tot aangeklaagde worden. Dat spelletje meespelen betekent dan ook in feite de justitiële spelregels accepteren.
    De beslissing om zich op §55 te beroepen, is niet voor iedereen zo eenvoudig te nemen. De getuige riskeert, bij het consequent weigeren om een verklaring af te leggen, om in gijzeling genomen te worden (tot maximaal een ½ jaar). Daarbij komt dan de vraag of dat financieel gedragen kan worden (per dag gijzeling moet je 40 D-Mark `kost en inwoning’ betalen, de huur van je woning, andere vaste kosten, advocaatskosten, etc). En nog veel belangrijker, zal de getuige de kracht hebben om deze tijd fysiek en met name psychisch te doorstaan, de noodzakelijke ondersteuning van `buiten’ krijgen en niet in de steek gelaten worden? “Voorwaarde voor een dergelijke beslissing zijn groepsstructuren, waarbinnen de persoonlijke grenzen en moeilijkheden met betrekking tot het geen-verklaring-afleggen en de daaruit volgende consequenties, bespreekbaar zijn. Met consequenties worden niet alleen de persoonlijke gevolgen vanwege het geen-verklaring-afleggen bedoeld, maar ook de politieke gevolgen van het wel ingaan op vragen.” (Uit: Aufruhr. Widerstand gegen Repression und §129a, ID-Archiv 1991). Wat te doen, wanneer dergelijke groepsstructuren ontbreken of een eerlijke open discussie niet plaatsvind? Niet iedereen is even sterk en moedig of neemt daar zomaar een beslissing over.

    Juist bij dit zogenaamde “AIZ-proces” worden (niet alleen) de getuigen met verdere moeilijkheden geconfronteerd. Het gaat hier om een proces tegen twee mensen, die al sinds meer dan drie jaar in voorarrest zitten en wier uitlatingen reacties oproepen van hoofdschuddens tot volledig afgrijzen. Twee mensen die door de zogenaamde linkse scene niet tot een deel van de scene wordt gerekend (daarbij zou je de volgende trefwoorden kunnen noemen: “fundamentalistische Islam”, “het zich beroepen op reactionaire groepen en systemen zoals Hezbollab en Iran”, “de opmerking van Michael Steinau dat de neo-nazi Kai Diesner zijn beste vriend in de Lübecker bajes is”, enz). Daar bovenop komt nog de aanklacht van het Openbaar Ministerie: lidmaatschap van de AIZ. Ook al is de discussie binnen radikaal links over de AIZ voor het grootste deel vrij oppervlakkig geweest, de kritiek op de politieke ideeën en daden van de AIZ is te negatief en diepliggend, en de verschillen met wat als linkse politiek wordt beschouwd zijn te groot, om de AIZ als `linkse groep’ te kunnen betitelen. Enkel het justitiële apparaat beschouwt de AIZ nog als een deel van de linkse structuren.
    Met deze dubbelle ballast is een groep mensen belast die zich, na jarenlang besnuffeld en bespioneerd te zijn geworden, met belachelijke beschuldigingen en bedreigingen te zijn geconfronteerd, in deze zaak praktisch geïsoleerd van de rest van de scene weten. Veel mensen uit de linkse scene vrezen dat wanneer ze een solidaire houding aannemen ten aanzien van de `betroffenen’, die door justitie tot de AIZ worden gebombardeerd, ze met een soort besmettelijke ziekte aangestoken zullen worden. Dat ze daardoor in het vizier van justitie zullen komen en vervolgens in het AIZ-dossier verzeild raken. Dan maar liever de ogen, oren en mond sluiten en er ook maar niet meer over nadenken?! Andere mensen lijken helemaal geen bezwaar te hebben om met de `betroffenen’om te gaan, maar verwachten – onuitgesproken – alleen eerst nog wel even een distantiëring (van de AIZ, van de twee aangeklaagden, van…?). Zou het misschien ook nog in het openbaar en met naam en toenaam ondertekend moeten worden? Het linkse politieke verleden en de dagelijkse bezigheden van de `betroffenen’ lijken niet meer ter zake te doen, solidariteit wordt afhankelijk gemaakt van een `goede’ distantiëring. Dat zo’n opstelling fatale gevolgen kan hebben wanneer die distantiëring (in)direct in de rechtzaal wordt geëist, mag duidelijk wezen. De consequenties van een `negatiefraster’ (wie distantieert zich en wie niet) is slechts één facet van de zaak. “Ongeacht of iemand [politiek] dichtbij of ver verwijderd van de aangeklaagde staat, de rechtbank is niet de plaats waar linkse mensen over juiste politiek kunnen en moeten discussiëren!” (Uit de persverklaring van Rote Hilfe d.d. 12-4-1999).

    Ondertussen zijn bijna anderhalve maand (2 & 3 maart) verstreken sinds de eerste getuigenverhoren plaatsvonden. Vier getuigen kwamen opdagen bij de rechtbank. Zij deden alle vier een beroep op §55. Slechts één vrouw beantwoordde (op haar geboorteplaats na) geen enkele vraag. De door de rechter gestelde vragen gingen onder andere over: het mogelijke contact met Bernhard en/of Michael; Bernhard en Michaels mogelijke contacten met mensen uit andere steden; of Bernhard zo nu en dan naar Nederland reisde om daar papieren bij één of beide (in Nederland wonende) vrouwen achter te laten; of de twee aangeklaagden en de getuige lid waren geweest van de AIZ; of de getuige lid is geweest van de Akense Antirepressionsgruppe; over reacties in de Akense scene op de arrestatie van de twee aangeklaagden.
    In de Jungle World van 17 maart valt in het artikel “Anna en Arthur zwijgen”, te lezen: “Onschadelijke vragen werden beantwoord, alles dat concreet de scene betrof werd met een weigering te verklaren gepareerd. Niet helemaal zoals `Anna en Arthur’ het zouden doen, beoordeeld een proceswaarneemster, maar “voor de AIZ gaat toch echt niemand, wegens het weigeren van een verklaring, de bak in”.
    Zoals al eerder beschreven, is een inschatting proberen te maken van wat Justitie dan als schadelijke of onschadelijk vragen zou kunnen classificeren, een zeer heikel spelletje. In een verklaring van de `proceswaarnemers en getuigen in het AIZ-proces’ (Angehörigen Info 218, 19-3-1999) wordt het volgende geschreven: “Over het algemeen is door de getuigen het grootste deel van de vragen niet beantwoord (één getuige weigerde alle vragen te beantwoorden). De gegeven antwoorden luidden over het algemeen `Ik weet het niet’ of `Nee’ – dat laatste bijvoorbeeld op de vraag: `Was u lid van de AIZ?’”. Als dat geen schadelijke vraag (en antwoord!) is, dan weten wij het ook niet meer. Evenzeer onbegrijpelijk is het wanneer een door de rechter voorgelegde verklaring van een `kroongetuige’ niet alleen bevestigd, maar ook nog toegelicht wordt. Dat zijn slechts twéé voorbeelden. In hoeverre het onschadelijk is om op sommige vragen geen antwoord te geven, om vervolgens op meerdere vragen “ik weet het niet” te antwoorden, wordt een interpretatiekwestie voor het Openbaar Ministerie en de rechtbank. Het is mogelijk dat de “onschadelijke vragen” waar Jungle World over rept, een interpretatie van de Jungle World-journalist is geweest, wie weet? Datzelfde geldt voor de afschuwelijke stupide uitspraak “voor de AIZ gaat toch echt, niemand wegens het weigeren van een verklaring, de bak in”. En nu zit Frank Ament in gijzeling. “Voor de AIZ?” Wat een onzin!
    Nog iets over het Interim artikel van 8 april 1999. Daar wordt terecht gesteld: “eerst zich politiek voor het weigeren van het afleggen van een verklaring uitspreken om vervolgens de procesbunker tot een praatclubje te laten worden.” In het pamflet dat opriep tot het bijwonen van de getuigenverhoren op 2 en 3 maart werd het volgende geschreven: “de getuigen uit het zogenaamde Umfeld weigeren zich in de AIZ-constructie te laten inpassen, of om vriend(inn)en en kameraden door verklaringen in moeilijkheden te brengen, of om zich aan de geheime dienst en het gerecht te onderwerpen”. Er werden dus wèl verklaringen afgelegd! Dat roept een hoop vragen op. Hoe is het zover kunnen komen? Hoe moet daar mee omgegaan geworden? Hoe nu verder?

    Frank moet vrij! Nu!

    Tom & Jerry

    Terug Naar Showproces-artikel

    Frank’s adres in de bajes:
    Frank Ament, JVA Düsseldorf, Ulmenstraße 95, D-40476 Düsseldorf, BRD
    (Post wordt uiteraard gecontroleerd. Duitse boeken zijn welkom! Stuur ze dan wel met je lokale linkse boekhandel als afzender, anders wordt het niet aan hem bezorgd.)
    Financiële steun voor o.a. advocaatskosten:
    Rote Hilfe (Beugehaft), bankrekeningnr. 775280107, gironr. Postbank Berlin (BLZ) 10010010

    Meer informatie over deze zaak stond in de speciale bijlage bij Ravage Nr. 273/274, 18-12-1999. De bijlage is nog los gratis verkrijgbaar bij boekhandel het Fort van Sjakoo, Jodenbreestraat 24, Amsterdam. Tevens is de uitgebreidere voorgeschiedenis van deze zaak elders in dit gastenboek te lezen.