• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Brochure Europol 2 – Wat mag europol

    CARTE BLANCHE

    Met de ondertekening van het Europol-verdrag wordt de inhoud openbaar. Naast de Kamerleden kunnen nu ook pers en publiek lezen wat er in hun naam is afgesproken door de Nederlandse regering. De kritiek is fors, zowel binnen als buiten het parlement.

    Een gedeelte van de kritiek richt zich op de vele onduidelijkheden in het verdrag. Europol gaat zich bij uitstek bezig houden met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Europa. Maar er valt nergens een definitie van georganiseerde criminaliteit te lezen. Uit de praktijk in de verschillende landen blijkt dat er geheel verschillende definities worden gehanteerd.

    Tegelijkertijd staat op verschillende plekken in het verdrag te lezen dat Europol zich ook mag bezighouden met misdaden die ‘gerelateerd’ zijn aan de misdrijven waarvoor Europol officieel bevoegd is. Voorts kan de JBZ-Raad besluiten de taakvelden verder uit te breiden of nieuwe definities toe te voegen. Europol lijkt zich dus met vrijwel alles te kunnen (gaan) bezighouden.

    De onduidelijkheden worden vergroot door het ontbreken van een Europees strafrecht en strafprocesrecht. Elk land heeft zo zijn eigenaardigheden wat betreft definities en straffen voor delicten. De aanpak en strafbaarstelling van bijvoorbeeld het gebruik van soft-drugs, politiek activisme, milieucriminaliteit of wittenboordencriminaliteit loopt nogal uiteen in Europa. Ook wordt er heel verschillend gedacht over wat wel en niet toegestaan is bij opsporing en vervolging.
    Daarnaast ontbreekt een Europees Openbaar Ministerie, dat de prioriteiten van Europol vaststelt en toeziet op de gang van zaken. Onduidelijk is daardoor hoe en volgens welke criteria opsporingsprioriteiten gesteld zullen worden. De kans is groot dat de praktijk dat zal gaan bepalen. En die praktijk wordt weer bepaald door de prioriteiten die Lidstaten zelf leggen. Frankrijk zal bijvoorbeeld veel nadruk leggen op de bestrijding van het gebruik van drugs, inclusief softdrugs en dus ook veel data hierover aanleveren. Als er maar genoeg data worden aangeleverd, wordt het ‘dreigingsbeeld’ ook steeds groter en zal het de prioriteiten van Europol beïnvloeden.

    Rammelende politieke controle

    In een beetje democratie bestaat er controle op het opsporingsapparaat. De inbreuken die politie en justitie mogen maken op de grondrechten en burgerlijke vrijheden van burgers zijn omschreven. Een volksvertegenwoordiging moet deze wetgeving vaststellen. Onafhankelijke rechters controleren of politie en justitie zich aan de regeltjes hebben gehouden, en bepalen uiteindelijk of een verdachte zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan het hem of haar ten laste gelegde.
    Die traditie, die vaak als een soort onwrikbare en onaantastbare waarde wordt gezien, die als het ware ingebakken zit in de Europese staten en door iedereen wordt omarmd, wordt bij Europol ruw doorbroken.
    De nationale parlementen staan verregaand buitenspel. Besluiten over Europol worden genomen door de JBZ-Raad. Afhankelijk van hoe dat geregeld is, kan een nationaal parlement daar een beetje invloed op uitoefenen, namelijk op de inbreng van de eigen minister. Maar hier doet de algehele controle-problematiek op de JBZ-Raad zich gelden.
    De invloed van de JBZ-Raad beperkt zich tot het jaarprogramma, de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag. Nergens is vastgelegd hoe uitputtend of specifiek deze verslagen moeten zijn. Ook de JBZ-Raad heeft geen feitelijke controle op de dagelijkse gang van zaken van Europol.
    De maandelijks bijelkaar komende Raad van Bestuur van Europol heeft dat in principe wel. Hierin zit een vertegenwoordiger van elke Lidstaat. Deze Raad van Bestuur heeft een dubbele functie. Voor een gedeelte neemt het zelfstandige besluiten, waar ook de JBZ-Raad niet in gekend wordt. Andere besluiten moeten wel worden goedgekeurd door de JBZ-Raad. In dat laatste traject fungeert de Raad van Bestuur dus als ambtelijk voorportaal van de JBZ-Raad.
    Daarbij doet zich de vreemde constructie voor, dat de Raad van Bestuur de JBZ-Raad adviseert over te nemen besluiten, die diezelfde Raad van Bestuur vervolgens moet uitvoeren.

    Het Tweede Kamerlid Van Oven (PvdA) vroeg per amendement om toesturing van de maandelijkse agenda van de Raad van Bestuur naar het parlement: dan kon het parlement tenminste zien wat er allemaal speelde en indien nodig ingrijpen. Minister Sorgdrager had hier echter geen oren naar. Op die agenda staan allerlei praktische danwel geheime zaken, zei de minister. Bovendien heeft het Nederlandse parlement alleen iets te vertellen als er op de agenda besluiten staan, die het Koninkrijk juridisch binden, of anderszins van eminent belang zijn. Voor de rest heeft het parlement niets over Europol te zeggen. Sorgdrager stelde doodleuk voor om de selectie aan háár over te laten: zij zou bij elke agenda de afweging maken of er eventueel iets bijzat dat aan het Nederlands Parlement moet worden voorgelegd.

    Het Europees Parlement komt er ook bekaaid af. Het krijgt elk jaar achteraf een jaarverslag toegestuurd, waarover het mag debatteren. Als het Europol-Verdrag wordt gewijzigd, is het het parlement vergund daar haar mening over te geven.
    Het Europees Parlement is niet betrokken geweest bij de onderhandelingen over het Europol-Verdrag. Op grond van artikel K.6 van het Verdrag van Maastricht had het Europese Parlement de gelegenheid moeten krijgen een standpunt in te nemen vóór de ondertekening van het Verdrag. Dat is domweg niet gebeurd. Daar heeft het Europese Parlement weliswaar fel tegen geprotesteerd, maar meer dan protesteren kan het niet; het Europees Parlement heeft geen machtsinstrumenten in dit soort zaken.
    Inhoudelijk heeft het Europees Parlement zich sterk gekant tegen de opname van gegevens over politieke voorkeuren, religie, en seksuele geaardheid in de Europolcomputers. Het heeft ook gepleit voor een sterkere positie van het parlement: het Europees Parlement zou de besluiten van de JBZ-Raad over Europol moeten krijgen voorgelegd en daar advies over mogen uitbrengen. (1)

    Wat het betekent om achteraf over een jaarverslag te mogen discussiëren, kent het EP al uit eerste hand. Het heeft de jaarverslagen van de EDU onder ogen gehad. De rapporteur van de Commissie Openbare vrijheden en Binnenlandse zaken van het EP kwalificeerde deze vorm van rapportage als volgt: ‘Het jaarverslag heeft weinig om het lijf en lijkt eerder bedoeld als een brochure om een nieuwe instelling en haar zetel meer bekendheid te geven dan om een politiek controleorgaan daadwerkelijk verslag van haar activiteiten te doen.’ (2)

    Rechters buitenspel

    Ook de rechterlijke controle op Europol is een schim vergeleken met wat gebruikelijk is. Dat komt vooral door de speciale status die Europol-ambtenaren genieten.
    Europol-ambtenaren hebben een verschoningsrecht: ze kunnen weigeren om als getuige te verschijnen voor de rechter. Dit verschoningsrecht is vastgesteld in een uitvoeringsbepaling, waarover de nationale parlementen niets te zeggen hebben. De directeur van Europol kan zijn ambtenaren verbieden te getuigen indien het de ‘belangen van Europol of een van de Lidstaten ernstige schade toebrengt.’ (3)
    Op die manier kan de verdediging in een strafzaak niet nagaan waar informatie vandaan komt, of de informatie correct is, en of de informatie rechtmatig is verkregen. Ook de rechter heeft geen toegang tot die informatie.
    In het Europol-verdrag staat geen expliciete regeling over de ‘rechtmatigheid’ van verkregen informatie. Dat wordt overgelaten aan de nationale wetgeving. De praktijk in de Lidstaten verschilt sterk op dit punt. Met de komst van Europol worden de mogelijkheden vergroot om nationale restricties te omzeilen. In een Europol-onderzoek wordt informatie uit verschillende landen bijelkaar gevoegd. Wat gebeurt er als Nederlandse verdachten worden gearresteerd op basis van bijvoorbeeld Duitse onderzoeksmethoden, die in Nederland verboden zijn? Valt te achterhalen of informatie die wordt gepresenteerd als afkomstig van een ander land, niet in feite informatie is die de Nederlandse politie op onrechtmatige wijze heeft verkregen en het via een ander land heeft laten ‘insteken’?

    Volgens minister Sorgdrager, in het debat over het Europol-Verdrag, kan een rechter wel bepalen dat een Europol-ambtenaar moet komen opdraven, maar kan de ambtenaar vervolgens weigeren vragen te beantwoorden. Dat geldt nu ook al voor Nederlandse politie-ambtenaren, zei de minister. Het Openbaar Ministerie kan een politie-ambtenaar verbieden bepaalde dingen te vertellen. Volgens Sorgdrager zal de rechter dat meenemen in de beoordeling van de zaak, bijvoorbeeld door het OM niet-ontvankelijk te verklaren.
    De afgelopen jaren heeft het OM een aantal malen een zaak bewust ‘stuk’ laten gaan voor de rechtbank om infiltranten te beschermen of ongeoorloofde opsporingsmethoden af te schermen.
    Op deze manier kan Europol onrechtmatigheden afschermen. Een groot verschil is verder dat het de directeur van Europol is, die dit beslist. Het OM in Nederland valt ­ in principe ­ nog politiek aan te sturen, ook al is daar nu juist de afgelopen jaren veel over te doen geweest.
    Volgens Nederlands recht kan een onwillige getuige gegijzeld worden. Geldt dat ook voor onwillige Europol-ambtenaren? Gijzeling kan plaatsvinden als 1) de ambtenaar geen wettige grond heeft om te weigeren op de gestelde vragen te antwoorden en 2) de gijzelneming dringend noodzakelijk is in het belang van het onderzoek. Volgens minister Sorgdrager zou de in het Europol-verdrag opgenomen weigeringsgrond (‘bescherming van de fundamentele belangen van Europol of een Lidstaat’) als wettige grond kunnen gelden. Ook zal de Nederlandse rechter, vindt Sorgdrager, andere relevante omstandigheden in acht moeten nemen, ‘zoals de positie van ons land als Europol-partner.’ (4)

    De Europol-ambtenaren genieten ook diplomatieke onschendbaarheid. Het wordt een beetje voorspelbaar: ook dit is vastgelegd in een uitvoeringsbepaling waarvan het niet nodig werd gevonden ze ter goedkeuring aan het Parlement voor te leggen. Europol-ambtenaren kunnen niet vervolgd worden voor overtreding van de Nederlandse wet, er mag geen huiszoeking bij hen worden verricht of anderszins onderzoek naar hen worden verricht. In combinatie met het verschoningsrecht levert het vrijwel een carte blanche op.
    Er zijn inmiddels veel gevallen bekend van buitenlandse opsporingsambtenaren ­ met diplomatieke onschendbaarheid ­ die zich in Nederland schuldig hebben gemaakt aan bijvoorbeeld de uitlokking van strafbare feiten (zie ook bijlage I). (5)
    De Commissie van Traa heeft geprobeerd DEA-agenten (en andere buitenlandse opsporingsambtenaren) in de getuigenbank te krijgen. Dat werd botweg geweigerd, waardoor een niet onbelangrijk deel van de parlementaire enquette in het water viel. (6)
    Onder bepaalde voorwaarden kan de onschendbaarheid worden opgeheven: als de belangen van Europol daardoor niet geschaad worden. Opmerkelijk is, dat de Duitse delegatie heeft voorgesteld deze beslissing over te laten aan het Europese Hof van Justitie. Nederland, kampioen van het Hof, ondersteunde dit voorstel niet, tot grote verbazing van de parlementariërs. Sorgdrager: “Het klinkt allemaal wel sympathiek, maar dat wordt nooit iets. Andere landen zullen dat nooit aanvaarden.” Van Oven (PvdA): “Het wordt zeker niets als Nederland zich daar niet bij aansluit.” Sorgdrager: “Ook als Nederland zich er wel bij aansluit, wordt het niets.” (7)

    Europol kent ook  een strikt vertrouwelijkheidsregiem. Als op een Europol-document het stempel geheim wordt gezet (dat wordt of bepaald door de Lidstaat die de informatie aanlevert, of door Europol als het een eigen document betreft), krijgt ook een parlement het document niet (of alleen vertrouwelijk). Hetzelfde geldt voor de rechters.
    De Raad van Bestuur van Europol bepaalt zelfstandig het vertrouwelijkheidsregiem in haar Reglement van Orde. Dit Reglement van Orde is ook niet aan enig Parlement voorgelegd. (8)
    De combinatie van verschoningsrecht, onschendbaarheid en geheimhouding maakt dat een parlementaire enquette opsporingsmethoden Europol bij voorbaat is uitgesloten. Minister Sorgdrager erkende dat in het Parlement: “C’est la vie.” (9)

    Politieke voorkeuren en seksuele geaardheid

    Wat mag dit machtige en politiek en juridisch slecht te controleren Europol nu allemaal in haar computers opslaan? Volgens het Europol-verdrag mogen persoonsgegevens worden opgeslagen die ‘nodig zijn voor haar taakvervulling.’ Uit de nadere omschrijvingen blijkt dat nogal wat te zijn.
    Daarvoor moet wel flink gepuzzeld worden in het verdrag en de uitvoeringsbepalingen, want alleen dan wordt het beeld compleet. Het gaat bijvoorbeeld niet alleen om de persoonsgegevens van verdachten van een misdrijf (artikel 8.1), maar ook om personen ‘waarvan bepaalde ernstige feiten het vermoeden rechtvaardigen dat hij zo’n strafbaar feit zal begaan.’ (artikel 8.1.2)
    De persoonsinformatie die wordt opgeslagen bestaat uit naam, geboortedatum en ­plaats, nationaliteit en geslacht (artikel 8.2). Maar ook ‘waar nodig, andere karakteristieken die behulpzaam kunnen zijn bij identificatie, inclusief onveranderlijke fysieke kenmerken.’ (artikel 8.2.5)
    Wat onder deze cryptische formulering wordt verstaan, valt niet in het Europol-verdrag te vinden. Daarvoor moet weer worden gezocht in de Draft Regulation on the datafiles, die een nadere uitwerking is van de verdragsbepaling. Dit is wederom zo’n uitvoeringsbepaling die niet aan de parlementen ter ratificatie wordt voorgelegd.
    Deze Draft Regulation is inmiddels vastgesteld. (10) Hierin staat dat ‘informatie mag worden opgeslagen als bedoeld in artikel 10.1 (dat zijn de verdachten van een misdrijf – redactie), alsmede over personen die niet staan vermeldt in artikel 10.1, maar wiens registratie van belang kan zijn voor een specifieke analyse.’ (artikel 3 Draft Regulation) Dat is een enorme oprekking van de personen over wie persoonsgegevens mogen worden opgeslagen, zonder enige nadere definitie of inperking.

    Wat er aan persoonsgegevens mag worden opgeslagen wordt in de Draft Regulation ook flink opgerekt. Dit is in feite een uitwerking van artikel 8.2 en 8.2.5. van het Europol-verdrag. Europol mag ook, zo blijkt, de ‘identificatienummers van verdachten’, de ‘financiële status’ en heel algemeen ‘andere informatie geschikt voor identificatie’ in haar computers opslaan (artikel 4 Draft Regulation).
    Artikel 6 van de Draft Regulation stelt vervolgens weer dat ‘indien noodzakelijk’ informatie mag worden opgeslagen over ‘ras, politieke ideeën, religie, gezondheid en seksuele geaardheid.’
    In artikel 10 van het Europol-verdrag staat verder dat de werkbestanden niet alleen informatie bevatten over verdachten van een misdrijf, maar ook over ‘getuigen’, ‘slachtoffers en potentiële slachtoffers’, ‘contactpersonen en medewerkers van verdachten’ en ‘informanten en infiltranten.’

    Toegang tot alles

    Als de bepalingen in het Europol-verdrag, en de nadere uitwerkingen in de Draft Regulation in hun samenhang worden bezien, blijkt dat de hoeveelheid personen én de hoeveelheid persoonsgegevens die in de computer terecht komen, niet bepaald van een zuinige instelling getuigen. Europol neemt liever het zekere voor het onzekere.
    Bovendien betreft het data uit vijftien landen, die gevraagd en ongevraagd door de nationale Europol-eenheden (in Nederland de Centrale Recherche Informatiedienst CRI) worden aangeleverd. Al deze gegevens worden vervolgens aan elkaar gekoppeld en uitgewisseld.
    Vervelend dus, als die gegevens niet helemaal blijken te kloppen, of van onduidelijke herkomst zijn. Dat is zeer zeker geen denkbeeldig gevaar. De risico’s op een rijtje.

    * Bestandsvervuiling

        Door fouten, gemakzucht, gebrek aan controle of slechte wil kunnen bestanden enorm ‘vervuild’ zijn of raken. De gegevens kloppen simpelweg niet. In 1995 onderzocht de Nederlandse Registratiekamer de opsporingsregisters van drie Nederlandse politieregio’s. Het bleek dat enkele duizenden mensen ten onrechte (nog steeds) stonden gesignaleerd.

     

    * Zachte informatie

        Doordat het mogelijk wordt ook gegevens van ‘mogelijke verdachten’ en van mensen van wie het vermoeden bestaat dat ze een misdaad ‘zouden kunnen gaan plegen’ bij te houden, wordt de deur opengezet voor de boterzachte informatie waarin de Nederlandse Criminele Inlichtingen Diensten bleken te grossieren. Borrelpraat, geruchten, roddels, laster, leugens en een hoog ‘Jaapje is een verre vriend van Pietje die in 1983 een caravan kocht van Kees’-gehalte.

     

        De Commissie van Traa heeft daar uitgebreid de gevaren van geschetst. Haar aanbeveling was dergelijke informatie niet langer te gebruiken als basis voor politiewerk vanwege de hoge mate van onbetrouwbaarheid en de mogelijkheden tot manipulatie.

     

    * Verschillen in normen en waarden

        Een Rekenkamerrapport over het Nederlandse Schengen Informatie Systeem liet zien dat alleen al tussen de Nederlandse politieregio’s enorme verschillen bestaan in wie wat registreert. Dat heeft onder andere te maken met verschillende inzichten en prioriteiten. Kort gezegd: waar de prioriteit ligt, zal het meeste politiewerk in gaan zitten. Logisch gevolg is dat op die terreinen de meeste data beschikbaar komen. Op Europees niveau zijn die verschillen alleen maar groter. Daardoor zullen verschillende ‘dreigingsbeelden’ en prioriteiten tot stand komen, die meer met nationale voorkeuren en eigenaardigheden dan met de werkelijkheid te doen hebben.

     

    * Scheiding Politie/Inlichtingendiensten

        In Nederland bestaat (nog) een relatief heldere scheiding tussen politie-informatie en informatie van de inlichtingendiensten, juist omdat er een nogal verschillende werkwijze en doelstelling bestaat tussen deze diensten. In andere landen bestaat die scheiding niet, of is niet zo scherp. De Franse politie, bijvoorbeeld, kan makkelijk gegevens van de Franse geheime diensten verkrijgen. Die informatie zal dus ook zijn weg vinden naar de Europol-bestanden. De Engelse MI5 heeft ook een taak in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, waardoor een zelfde vermenging van informatie ontstaat.

     

        Naast de gegevens die door de nationale Europol-contactpunten worden aangeleverd en door Europol worden gecombineerd, krijgt Europol toegang tot zo’n beetje alle denkbare databanken binnen en buiten Europa. Het Schengen Informatie Systeem, het Douane Informatie Systeem, het ­ toekomstige ­ Europese Informatie Systeem, de databanken van de Europese Commissie, de Raad van Europa: Europol krijgt tot alles toegang.

     

      Ook uitwisseling van informatie met organisaties als de FBI en de DEA wordt mogelijk. (11)

    Elastieken bepalingen

    Tegenover de grote bevoegdheden die Europol heeft om persoonsgegevens op te slaan, dient minimaal een sterke privacy-regeling te bestaan. Hiervoor zijn nationale controle-organen en een Gemeenschappelijk Controle Orgaan in het leven geroepen. Zij houden toezicht op de manier waarop Europol omspringt met persoonsgegevens.
    De nationale controle-organen (in Nederland de Registratiekamer) houden een oogje in het zeil bij de nationale Europol-contactpunten die Europol van persoonsgegevens voorzien. Ze gaan daarbij uit van de nationale wetgeving inzake persoonsgegevens, registratie en privacy-bescherming. Bij het nationale controle-orgaan kan een burger een informatieverzoek indienen: sta ik bij Europol geregistreerd en hoe?
    Het Gemeenschappelijke Controle Orgaan doet hetzelfde, maar dan bij Europol. Haar toetsteen is het het Europol-Verdrag. Ook bij dit Gemeenschappelijk Controle Orgaan kan een individu vragen ‘te verzekeren dat de manier waarop zijn persoonsgegevens zijn verzameld, opgeslagen, bewerkt en gebruikt accuraat en rechtmatig is.’ Europol kan ten alle tijde echter weigeren om überhaupt uitsluitsel te geven over de vraag of men een dossier bijhoudt, of inzage in de opgeslagen gegevens te bieden ter controle. Daarbij gelden elastieken bepalingen als ‘de belangen van Europol of een Lidstaat.’

    Als het Gemeenschappelijke Controle Orgaan op onrechtmatigheden stuit, richt het zich tot de Directeur van Europol. In het geval van een conflict met de directeur, richt het Controle Orgaan zich tot de Raad van Bestuur van Europol. Het uiteindelijke besluit van het Gemeenschappelijke Controle Orgaan is bindend. Wordt het genegeerd, dan wordt dat opgevat als een “schending’ van het Europol-Verdrag. Wat dat voor consequenties heeft, is onduidelijk. Het Gemeenschappelijke Controle Orgaan kan zelfstandig beslissen of ze haar rapportages publiekelijk maakt of niet. Daarbij moet ze zich wel conformeren aan het vertrouwelijkheidsregiem van Europol.
    Het Controle Orgaan stelt haar eigen Reglement van Orde op. Dat reglement moet echter goedgekeurd moet worden door de JBZ-Raad. In de laatste versie van dit Reglement van Orde valt ondermeer te lezen:

    • Er wordt besloten bij gewone meerderheid;
    • Voor door Europol aangeleverde documenten geldt het vertrouwelijkheidsregiem van Europol; hieraan dient het Orgaan zich te conformeren;
    • Vergaderingen waarin beroepszaken worden behandeld zijn openbaar, tenzij het orgaan anders beslist;

    Een burger die in beroep gaat krijgt toegang tot het gehele dossier behorende bij de zaak, tenzij ‘het goed functioneren van Europol daardoor in het geding komt, de veiligheid van een Lidstaat in het geding is of om de belangen van een derde partij te beschermen.’ Hetzelfde geldt bij het eventueel ondervragen van getuigen. (12)
    Wat deze regelingen in praktijk voor waarde hebben, zal nog moeten blijken. De mogelijkheden die Europol heeft om persoonsgegevens op te slaan, zijn bijzonder ruim geformuleerd. Daar helpt geen controle-orgaan aan. Ook het strikte vertrouwelijkheidsregiem dat Europol kent zet een flinke rem op een al te openhartige opening van zaken.

    De Kamer legt zich erbij neer

    De behandeling van het wetsvoorstel in de Kamer, eind 1997, verliep relatief rustig, als je het afzet tegen de stampei die in de jaren daarvoor in het Parlement was gemaakt. De Kamerleden waren not amused dat ze niks hadden in te brengen over de diverse uitvoeringsbepalingen, waarin feitelijk het vuurwerk van Europol verscholen zit. Maar meer dan hun misnoegen uiten konden of wilden ze niet.
    Het Verdrag zelf werd van een aantal kritische kanttekeningen voorzien, er werden geen schoonheidsprijzen uitgedeeld, veel was aan de magere kant en het Parlement had het liever anders geregeld gezien. Maar het was voor de Kamer geen aanleiding om het Verdrag naar de prullenbak te verwijzen. (13)

    Terwijl de parlementaire behandeling van het Europol-Verdrag nog gaande is, worden door de JBZ-ministers de definitieve uitvoeringsbepalingen vastgesteld en worden er al voorstellen gedaan voor de uitbouw van Europol. Bijvoorbeeld:

    • De oprichting van een Europese DNA-databank bij Europol.
    • De Europol-begroting wordt met 22,5% verhoogd.
    • De Europol-directeur krijgt de bevoegdheid om in een ‘acute situatie’ zelfstandig te besluiten, zonder het oordeel van de Raad van Bestuur af te wachten, gegevens aan derde instanties door te geven.
    • Spanje stelt in maart 1998 voor om Europol per 1 januari 1999 bevoegd te maken inzake terrorisme. De JBZ-Raad ondersteunt dat. Van de bezwaren die de Nederlandse regering oorspronkelijk had (het door elkaar gaan lopen van politie-informatie en inlichtingendiensteninformatie, de verschillende definities van terrorisme en politiek activisme) wordt niets meer vernomen.

    De Tweede Kamer vindt voor de zoveelste keer dat dit eigenlijk niet kan. Er wordt vooruitgelopen op de inwerkingtreding van Europol. Laat Europol nu eerst maar eens haar werk gaan doen, om in de praktijk te zien of het Verdrag functioneert, zeggen de Kamerleden.
    Daarnaast zit ze in haar maag met de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen. De bepalingen worden wel aan het parlement gegeven, maar de Kamerleden kunnen er eigenlijk niet iets over zeggen. Formeel kunnen de bepalingen namelijk pas worden vastgesteld als het Europol-Verdrag in werking is getreden. Dus, zegt minister van Justitie Sorgdrager, de JBZ-ministers hebben weliswaar een politiek akkoord gesloten over deze bepalingen, maar het zijn nu nog geen juridisch bindende afspraken, dus behoeven ze ook geen formele parlementaire goedkeuring.
    De discussie verloopt volgens een inmiddels bekend stramien. Van Oven (PvdA): “Deze documenten zijn nu niet bindend, maar zodra de verdragen in werking zijn getreden, zijn ze dat in de praktijk wel. Wellicht moeten ze hier dan nog terugkomen voor een formele beslissing, maar dat neemt niet weg dat van de overeenstemming die daar nu over wordt bereikt, wel een belangrijke morele binding uitgaat. Dat is weinig bevredigend, zeker nu de Kamer eigenlijk te weinig tijd heeft om dergelijke regelingen goed te bestuderen en bediscussiëren.”
    Ook De Graaf (D66) stelt zich kritisch op: “Het stuit mij toch wel tegen de borst dat nu wordt gesproken over onverbindende stukken terwijl er wel politieke akkoorden worden gesloten. Het is bekend dat het dan buitengewoon moeilijk wordt om hieraan in een later stadium onze instemming te onthouden. Ik zou liever willen dat het politieke moment en het juridische moment samenvallen.”
    Sorgdrager beziet het allemaal heel pragmatisch: “Als regering hebben we inderdaad een politiek-morele verplichting met de regelingen die nu al voorliggen. Maar we hebben haast, dus we willen dit vast klaar hebben liggen voor als het Verdrag geratificeerd is.”
    De Graaf: “Dat betekent dat wij dan geen ‘nee’ meer kunnen zeggen als we er formeel mee moeten instemmen want dan brengen we de regering in een onmogelijke positie.”
    Sorgdrager: “Maar u kunt nu al zeggen dat u het niet eens bent met onderdelen.”
    De Graaf: “Dat kunnen we niet, want het is geen verbindend besluit.”
    Sorgdrager: “Maar de Kamer kan het wel zeggen. Dan houden wij daar rekening mee. En als ze hier later formeel mee moet instemmen kan zij haar machtsinstrument hanteren.” (14)
    Later zal minister Sorgdrager in een brief uiteenzetten dat deze regelingen in feite de formele instemming van het Parlement ook niet behoeven: de regelingen zijn verbindend voor Europol, niet voor Nederland. (15)

    In de Kamer ontstaat enige ophef over regelingen waarin wordt vastgesteld hoe en met wie Europol gegevens mag uitwisselen. Wat te doen met informatie afkomstig uit landen waar de mensenrechten worden geschonden? Daar wordt een aantekening van gemaakt, staat in het desbetreffende reglement. Maar wordt die informatie gebruikt door Europol? Van Oven (PvdA): “Europol laat zich als het ware gebruiken als overbrenger van besmette informatie. Zij zou in het verlengde van zo’n mensenrechtenschending opereren.” (16)
    Volgens Sorgdrager is het aan de Nederlands rechter om te beslissen of dergelijke ‘besmette informatie’ wordt toegelaten in een strafzaak. Alleen: hoe weet een rechter of in het concrete geval de informatie door mensenrechtenschending is verkregen? Volgens Sorgdrager moet de rechter dan aan het Ministerie van Justitie vragen hoe dat zit. Hoe het Ministerie van Justitie dat vervolgens wil achterhalen, en of dat opportuun is om te doen, blijft in het midden.
    Van Oven diende uiteindelijk geen motie in, toen Sorgdrager verzekerde dat de Nederlandse politie deze gegevens niet zal gebruiken. Het belangrijkste argument was dat samenwerking mogelijk moest blijven met politiekorpsen uit landen als Turkije en Zuid-Amerikaanse staten.
    Een andere vraag is aan wie Europol op haar beurt gegevens doorspeelt. Er staat in het reglement dat daarbij rekening wordt gehouden met de wetgeving inzake gegevensbescherming in dat derde land. Maar er staat niets over de doorlevering van die gegevens door het derde land aan weer een ander land. Op deze kwestie komt geen antwoord van de minister.

    Noten

    1. Resolutie A4-0061/96, 29 februari 1996

    2. EP A4-0305/98, 4 september 1998

    3. Protocol voorrechten en immuniteiten,

    4. Kamerstukken 25 339 nr. 11, 1 december 1997

    5. Zie bijvoorbeeld ‘Rekkelijk of precies? Boeven vangen in de polder’, Ministerie van Binnenlandse Zaken, 1998

    6. Zie Vrij Nederland, 3 oktober 1998 en het Rapport van de Enquettecommissie op de web-site van Jansen en Janssen: http://www.xs4all.nl/~respub/

    7. Kamerstukken 23 490 nr. 75, 15 mei 1997

    8. Dit is ook gebeurd bij Schengen en de JBZ-Raad: zij stelden hun eigen Reglement van Orde op, waarin over het geheimhoudingsregiem wordt beslist, zonder dat dit aan een parlement is voorgelegd. Het vertrouwelijkheidsregiem in de Europese Unie is zo in het geheel tot stand gebracht in een onderonsje van de Europese Ministers ­ in sommige gevallen bij meerderheid van stemmen. De Nederlandse Raad van State heeft enige jaren geleden bepaald dat deze Reglementen boven de Nederlandse Wet Openbaarheid van Bestuur gaan

    9. Kamerstukken 23 490 nr. 75, 15 mei 1997

    10. Europol 74, Brussel 12 september 1995

    11.Denk in dit verband ook aan het wereldwijde afluistersysteem Echelon. In nauwe samenwerking tussen de EU en de FBI wordt verder gewerkt aan het afluisterbaar maken en houden van alle vormen van telecommunicatie. Zie ondermeer De Groene Amsterdammer van 17 februari 1999

    12. Draft Rules of procedure of the Joint Supervisory Body of Europol, 10851/1/98 Rev 1 Limite Europol 85, Brussel 9 september 1998

    Gebruik gemaakt is onder andere van: Kamerstukken behandeling Europol-verdrag 25 339; Plenaire behandeling Europol-Verdrag; Tony Bunyan, The Europol Convention, Statewatch London; A.H. Klip,

    14. Notitie Van de Permanente Commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht, CM97-105, Utrecht september 1997; Bureau Jansen & Janssen, Dossier Europol, Amsterdam mei 1997

    Kamerstukken 23 490 nr. 75, 15 mei 1997

    15. Kamerstukken 25 339 nr. 11, 1 december 1997

    16. Kamerstukken 23 490 nr. 85, 2 december 1997