• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Dutch Desk Europol 1998

    1. ALGEMEEN EDU EUROPOL / EUROPOL

    In de loop van 1998 werd het Europol verdrag door de nog resterende 3 landen (Italië, Griekenland en België) geratificeerd. Hierdoor kon EDU/Europol formeel per 01 -10-1998 worden omgezet naar een organisatie op verdragsrechtelijke basis welke als rechtspersoon kan optreden, te weten Europol. Duidelijk mag zijn dat dit als een mijlpaal mag worden gezien in de ontwikkeling van deze organisatie. Doordat aan een aantal formaliteiten nog niet kon worden voldaan, onder andere het afsluiten van bilaterale overeenkomsten tussen Nederland en de overige 14 lidstaten over de formele status van de liaison functionarissen, kon Europol nog niet officieel met haar eigen werkzaamheden aanvangen in 1998.

    1.1 Personeel

    Evenals in voorgaande jaren nam het aantal werknemers in 1998 toe. Per 31 december 1998 bedroeg het aantal medewerkers 160 (135 in 1997), waarvan 42 liaison-officers (ongewijzigd ten opzichte van 1997), afkomstig uit de 15 Lidstaten van de Europese Unie. Bij een nadere beschouwing van de overblijvende 118 functies binnen Europol blijkt dat er 46 functies werden bekleed door Nederlanders. Dit lijkt een onevenredig grote vertegenwoordiging ten opzichte van de andere 14 lidstaten, maar een nadere beschouwing leert dat een groot deel van hen beveiligingswerkzaamheden verricht of administratieve ondersteuning levert. Wanneer we ons beperken tot executieve opsporingsfunctionarissen, analisten en juridische afdeling waren slechts 4 personen met de Nederlandse nationaliteit in vaste dienst bij Europol.

    1.2 Mandaatgebieden

    De specifieke mandaatgebieden waarop EDU/Europol in 1998 actief was wijzigden niet en derhalve betrof dit met name informatie uitwisseling op de terreinen waar er sprake was van voorkoming en bestrijding van illegale handel in verdovende middelen, nucleaire en radioactieve stoffen, alsmede van illegale immigratie, mensenhandel en handel in gestolen goederen. Dit omvatte tevens het witwassen van geld in verband met deze vormen van criminaliteit of specifieke aspecten daarvan. Dat deze laatste bepaling tevens een grote beperking met zich meebrengt vanuit het oogpunt van de opsporing mag duidelijk zijn, daar de relatie tussen het witwassen en een van de criminaliteitsterreinen waarop Europol aktief kan zijn altijd eerst aangetoond moet zijn.

    In 1998 vond er een aantal werkzaamheden plaats ter voorbereiding van de uitbreiding van de mandaatgebieden waar binnen EDU Europol / Europol zijn werkzaamheden uitvoert. Met name het feit dat terrorisme bestrijding speciaal in relatie tot criminele activiteiten per 01-01- 1999 aan het taakveld is toegevoegd, vergde gedurende 1998 veel energie.

    1.3 Informatie Uitwisseling

    Daar in 1998 uitsluitend nog gewerkt kon worden middels het Info-Ex systeem (nader aan te duiden als Info-Ex), hetwelk het mogelijk maakt om op basis van bilaterale overeenkomsten tussen de diverse lidstaten informatie uit te wisselen, kan alleen informatie worden verstrekt over de aard en omvang van de informatie die middels dit systeem tussen de diverse liaison officers werd uitgewisseld. Hierbij mag duidelijk zijn dat een effectieve, gemeenschappelijke uitwisseling van informatie, waarbij snelheid, veiligheid, kwaliteit en betrouwbaarheid werden en worden verzekerd tussen de aangesloten lidstaten van essentieel belang waren en zijn voor zowel het bestaan als de toekomst van Europol als een organisatie met meerwaarde. In de loop van 1998 werd vastgesteld dat het verzenden van kopieÙn van formele Rogatoire Verzoeken via de liaisons wel tot de mogelijkheden behoort wanneer het een onderzoek betreft waarbij gedurende langere tijd al informatie via het Europol informatie uitwisselings systeem is uitgewisseld zolang dat niet in strijd is met nationale richtlijnen, doch dat dit in eerste aanleg geen Europol functionaliteit is op dit moment. Het totaal aantal gelinitleerde zaken waarin om informatie verzocht werd, nam voor de gehele EDU gedurende het verslagjaar af van 2607 in 1997 naar 2298 in 1998. Ten opzichte van 1997 betrof dit een getalsmatige teruggang met 11,9 %. Duitsland en het Verenigd Koninkrijk waren met respectievelijk 475 (668 in 1997) en 394 (474 in 1997) geinitieerde zaken evenals in 1997 koplopers, doch bij beide landen was sprake van een duidelijke terugval in aantallen. Alleen voor Finland, Frankrijk, Griekenland en Portugal was er sprake van een toename van het aantal gelinitieerde zaken ten opzichte van 1997. Voor Spanje, Zweden en Nederland kan men spreken van een zekere stabilisatie en voor alle overige landen gold een afname van het aantal gelinitleerde onderzoekenizaken.

    1.4 Indeling naar onderwerp

    Het totaal aantal van 2298 zaken was als volgt verdeeld:

    • 1382 aan drugs (60,1%)
    • 338 aan illegale immigratie (14,7%)
    • 177 aan moneylaundering ( 7,7%)
    • 0 aan nucleaire onderwerpen ( 0 %)
    • 305 aan voertuig criminaliteit (13,3%)
    • 96 aan mensensmokkel ( 4,2%)

    Via het bij EDU Europol in gebruik zijnde Info-Ex systeem werd in totaal 48 maal bijstand gevraagd voor gecontroleerde afleveringen, alle betrekking hebbende op drugs onderzoeken.

    Omdat alle zaken middels verzoeken om informatie bilateraal of multilateraal worden uitgezet, genereerde het aantal zaken in totaal 8336 verzoeken om informatie (tegenover 8100 in 1997). Daarop werden in totaal 9968 antwoorden verstrekt (tegenover 9165 in 1997). Procentueel ten opzichte van 1997 namen het aantal verzoeken en het aantal antwoorden in 1998 met respectievelijk 2,9 % en 8,8 % toe.

    1.5 Indeling naar kwalificatie

    Een verzoekend land kent een kwalificatie toe die het gewicht van de vraagstelling aangeeft. Daar zijn geen duidelijke criteria voor vastgesteld. Dit en het feit dat er verschillende percepties bestaan van het begrip ‘ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit in de diverse Europese landen maakt deze kwalitatieve toekenning dan ook zeer subjectief.

    De 3 hierna te noemen categorieën worden door EDU Europol aangehouden:

    Categorie 1: Eenvoudig verzoek, b.v. tenaamstelling kenteken of telefoonnummer.

    Categorie 2: Meer gecompliceerd verzoek, waarbij aanvullende initiatieven van de ELO en/of zijn Europol Nationale Unit c.q. analytische ondersteuning toegevoegde waarde geven.

    Categorie 3: (Analytische) Ondersteuning en coordinatie van internationale onderzoeken. Gedurende het jaar 1998 werden de volgende kwalificaties toegekend:

    • 84,6% categorie 1
    • 10 % categorie 2
    • 5,4 % categorie 3

    Ten opzichte van 1997 was er een lichte kwantitatieve toename te zien met betrekking tot vraagstellingen van eenvoudige aard (Categorie l).

    1.6 Indeling bilateraal versus muitilateraal

    Van het totale aantal van 2298 uitgaande zaken op grond waarvan informatieverzoeken werden gedaan over het jaar 1998 werd 70% bilateraal en 30 % multilateraal uitgezet. Over het jaar van 1997 waren deze percentages exact gelijk.

    1.7 Conclusies

    Opvallend is dat het aantal geiinitieerde zaken in 1998 ten opzichte van het voorgaande jaar fors is teruggelopen. Dit was voor het eerst sedert men in 1994 begon via de uitwisseling van informatie middels de bij EDU Europol geplaatste liaison functionarissen. Daar staat tegenover dat het aantal berichten (vragen en antwoorden) dat naar aanleiding van deze zaken over en weer werd gezonden ten opzichte van 1997 toenam.

    Op zich is dit een eerste instantie een in het oog springende ontwikkeling. Een afname van het aantal zaken, doch een toename van het aantal verzoeken en antwoorden. Naar de mening van de Dutch Desk is het echter onjuist om uitsluitend en alleen op grond van deze cijfers te concluderen dat de complexiteit van de onderzoeken ten opzichte van voorgaande jaren is toegenomen. Uiteraard is de Dutch Desk niet in de positie om daar een volledig inzicht in te hebben, daar de Dutch Desk uitsluitend zicht heeft op die informatieverzoeken en – antwoorden die via de eigen Desk worden behandeld, doch het gegeven dat ruim 84 % van de verzonden zaken als “eenvoudig” werden bestempeld, hetgeen een lichte toename was ten opzichte van 1997, bevestigt deze stelling niet. Dit kan voor een deel ook worden afgeleid uit het door EDU / Europol zelf uitgebrachte verslag over 1998. Alhoewel men in het rapport zelf stelt dat er sprake is van een toename van hoge kwaliteitsresultaten door de uitwisseling van informatie middels Info-Ex kan men in de bijlage slechts een vijftal zaken aandragen die deze stelling moet onderlijnen. Daarbij zitten ook nog enige voorbeelden die uitsluitend zijn gebaseerd op uitwisseling van informatie tussen twee landen. Op zich uitstekend en toe te juichen dat de werkomgeving die Europol bood daartoe gebruikt werd, maar het is naar het oordeel van de Dutch Desk niet zo dat deze resultaten niet bereikt zouden zijn wanneer Europol er niet zou zijn geweest. In algemene zin is de Dutch Desk van mening dat de mogelijkheden die Europol biedt, zeker waar het Nederland betreft, nog verre van optimaal worden gebruikt. Nader in dit verslag zal hier op worden teruggekomen. Ook met betrekking tot de kwaliteit van de diverse vraagstellingen en antwoorden valt nog wel het nodige te verbeteren. Opvallend is dat het onderwerp “kwaliteit’ nog steeds een gegeven is dat Europees nog niet volledig gedragen wordt. In de maand november 1998 werd een kwaliteits- en snelheidsonderzoek gedaan naar de in die maand uitgewisselde vragen en antwoorden. De resultaten hiervan zullen in de maand maart 1999 bekend worden gemaakt aan de betrokken landen, doch opvallend was dat slechts 9 van de lidstaten (Spanje, Belgie, Denemarken, Frankrijk, Finland, Portugal, Zweden, Verenigd Koninkrijk en Nederland) deelnamen aan deze activiteit die op vrijwillige basis werd uitgevoerd.

    1.7.1 Drugs

    Kijkend naar zowel de getalsmatige als procentuele verhoudingen van zaken per mandaatgebied kan worden afgeleid dat de uitwisseling van informatie in het kader van de aanpak van de illegale handel in verdovende middelen op Europees niveau nog steeds veruit de meeste aandacht krijgt in de informatie uitwisseling tussen de diverse landen.

    1.7.2 Illegale Immigratie / rnensensmokkel

    In 1998 viel er, voor wat betreft het aantal zaken dat werd behandeld inzake illegale immigratie, ten opzichte van 1997 een terugval te bemerken van 493 naar 338. Nadere bestudering leerde dat dit voornamelijk te herleiden was naar het feit dat Duitsland in 1997 een grootschalig onderzoek had verricht naar een specifieke dadergroep welk onderzoek in 1998 was afgerond en dat gedurende 1997 tot een grote vraagstelling via het EDU/Europol kanaal had geleid.

    1.7.3 Witwassen van gelden

    Ten opzichte van 1997 viel een kleine terugval waar te nemen van het aantal aangeboden zaken. Voor een deel heeft dit te maken met het feit dat men een vraagstelling in een dergelijk onderzoek altijd moet kunnen relateren aan een van de andere mandaatgebieden van Europol. Het is ons inziens een studie waard om te bezien in hoeverre deze vorm van criminaliteit in eerste aanleg niet breder kan worden ingepast binnen het Europol mandaat.

    1.7.4 Nucleaire onderwerpen

    Het feit dat er in 1998 geen enkele maal informatie uitwisseling plaats vond aangaande dit onderwerp duidt er op dat eventuele onderzoeksteams in Europa er geen enkele behoefte aan hebben om informatie aangaande deze vorm van criminaliteit via Europol uit te wisselen. In hoeverre hier ook uit kan worden afgeleid dat deze vorm van criminaliteit geen commuun onderzoeks onderwerp is van de reguliere opsporingsdiensten maar eerder van inlichtingen – en veiligheidsdiensten in het kader van de non-proliferatie is niet duidelijk. Wel lijkt het gerechtvaardigd na te gaan in hoeverre dit een activiteit is waar van de zijde van Europol in de toekomst actief op moet worden geinvesteerd.

    1.7.5 Voertuig criminaliteit

    De zaken die worden geinitieerd op dit werkgebied vertoonden een explosieve stijging van 206 in 1997 naar 305 in 1998. Daaruit valt af te leiden dat het Europolkanaal kennelijk in toenemende mate in een behoefte voorziet in relatie tot de bestrijding van deze vorm van criminaliteit

    1.7.6 Mensenhandel

    In 1998 was een lichte toename te zien van het aantal zaken in relatie tot 1997. Voor een deel lijkt dat te maken te hebben met het gegeven dat nu het merendeel van de betrokken landen een scherpere scheidslijn trekt tussen mensensmokkel en mensenhandel. Voor 1999 valt het niet uit te sluiten dat er sprake zal zijn van een toename van het aantal mensenhandel zaken, gelet op het feit dat de productie, verkoop of distributie van kinderpornografisch materiaal per 01-01- 1999 ook onder dit mandaatgebied is gebracht.

    1.8 Projecten

    Daar Europol in 1998 zelfstandig nog niet gerechtigd was om Analytical Work Files te openen werden een aantal bestanden nog bijgehouden middels het concept van de “Leidende Lid – Staat”. Dit teneinde een nationale wetgeving te doen gelden voor een data- bestand. Zo werd in 1998 in het kader van het Project Latijns Amerika een tweetal bestanden bijgehouden.

    XXXXXXXXXX (gezwart door KLPD)

    Gedurende l 998 is geen evaluatie verschenen van de resultaten die belde projecten hebben opgeleverd.

    Europol heeft het voornemen in 1999, zodra daartoe de wettelijke kaders zijn gerealiseerd, de navolgende Analytical Workfiles conform de mogelijkheden die het Europol – Verdrag daartoe biedt, houdende persoonsgegevens te openen:

    XXXXXXXXXX (gezwart door KLPD)

    De gegevens ten behoeve van deze Analytical Workfiles dienen in eerste instantie te worden aangeleverd door de Europol liaison- officers van de deelnemende landen.

    2. Algemeen Dutch Desk

    Naast het gegeven van een feitelijke toename van het aantal rechtshulpverzoeken dat in 1998 behandeld werd, leidde de officiële installatie van Europol ook tot een toename van het aantal administratieve werkzaamheden voor de Dutch Desk. Met name de doorgeleiding van de vele documenten ten behoeve van – en de voorbereiding op – vele vergaderingen van allerhande gremia (HENU, Management Board, talloze expert bijeenkomsten, etc.) vergen veel van do capaciteit. De ondersteuning vanuit het in 1998 in het leven geroepen Project Bureau Internationale Samenwerking van de CRI is hierbij onontbeerlijk gebleken.

    Het aantal vergaderingen waaraan door met name de coordinator van de Dutch Desk gedurende 1998 werd deelgenomen als (mede-)representant van Nederland in het “Europolhuis” steeg ten opzichte van voorgaande jaren, explosief. Hieronder volgt een overzicht van de meest in het oog springende vergaderingen:

    • 12-02-98 ‘Preparatory meeting for Latin American Projects’
    • 24/25-02-98 ‘Intelligence Model meeting’
    • 11/12-03-98 ‘HENU meeting’
    • 02-04-98 ‘Latin American Project (Operationeel)’
    • 0-04-98 ‘Drug Trafficking by Latin American Criminal Organisations’
    • 14/14-04-98 ‘Terrorisme Expert meeting’
    • 20/21-04-98 ‘Intelligence Model meeting’
    • 08/09-06-98 ‘Intelligence Model meeting’
    • 18-06-98 ‘HENU’s sub-group on Quality Evaluation’
    • 129130-09-98 ‘HENU meeting’
    • 05106-10-98 ‘Intelligence Model meeting’
    • 09110-11-98 ‘HENU meeting’
    • XXXXXXXXXX (gezwart door KLPD)

    Actief werd deelgenomen in de Europol werkgroepen Kwaliteits Evaluatie, Latijns Amerikaanse projecten en Terrorisme.

    Daarnaast werd door de binnen de Dutch Desk Europol werkzame FIOD liaison als representant van Nederland actief geparticipeerd in de onderstaande bijeenkomsten.

    • 22-01-98 ‘Airport Intelligence meeting’
    • 09-07-98 ‘Maritime lntelligence meeting’
    • 04-09-98 ‘Money Laundering Expert Meetind’
    • 18/19/20-11-98 ‘Airport awareness training’

    Tevens participeert hij in de Europol project groepen Money Laundering (3 subgroepen), Maritime Intelligence, International Trafficking by Air en Bestrijding van valse EURO’s.

    In verband met toename van de werkzaamheden van ELO’s en Stafmedewerkers binnen de werkgroepen werden de werkzaamheden in de werkgroepen nader gespecificeerd en gestructureerd. Op grond van de bestaande werkdruk binnen de Dutch Desk en het grote aantal personele mutaties binnen deze desk werd alleen door de Nederlandse ELO die de relatie met de USD in zijn takenpakket heeft nog geparticipeerd in de werkgroep chemische drugs.

    Promotie van Europol en de werkzaamheden die binnen deze organisatie kunnen worden uitgevoerd in het algemeen en uitleg van de specifieke taken van de Dutch Desk en haar medewerkers in het bijzonder bleken ook gedurende het verslagjaar nog in een brede behoefte te voorzien.

    De Dutch Desk ontving een aantal officiële bezoeken, waarbij presentaties werden verzorgd, w.o.

    • 13-03-98 Staf Landelijk Parket OM
    • 31-03-98 Overlegorgaan van het OM en Politie o.I.v. de AG Zwerver in Noord Nederland.
    • 14-04-98 Mr. Goedgedrag, PG Nederlandse Antillen.
    • 11-06-98 Generaal Camacho Hoofd van de Narcotica Bestrijdings afdeling van de Guardia Nacional In Venezuela.
    • 04-11-98 Mr. N. Mastenbroek Hoofd Divisie CRI.
    • 19-11-98 Delegatie van het Thaise Narcotics Control Board o.I.v. Mr. Yothin MEECHANTRA.
    • 27-12-98 Buitenlandse liaisons geaccrediteerd in Nederland.

    Vanuit dezelfde optiek (doel en taakstelling) werd medewerking verleend aan een interview t.b.v. de Corps Courant van het KLPD welk artikel in oktober 1998 werd geplaatst.

    2.1 Personeel

    In de loop van 1998 deden er zich een groot aantal mutaties voor in relatie tot de Personele bezetting van de Dutch Desk.

    XXXXXXXXXX (gezwart door KLPD)

    De sterkte van de Desk bestaat thans uit 3 liaison-officers (onder wie de FIOD I.o.), 2 informatie-verwerkers B en 1 coordinator. Feitelijk dus een teruggang van de bezetting met 1 liaison-officer ten opzichte van de situatie per 01 -01 -1998.

    Het zal een ieder duidelijk zijn dat dit grote aantal personeelswisselingen en het feit dat gedurende langere periodes met een formatieve onderbezetting gewerkt diende te worden, een extra inzet heeft gevergd van de aanwezige medewerkers. Daarnaast leidde de invoering van de 36-urige werkweek per 01-10-1998 ook tot een waarneembare extra werkdruk voor de werknemers mede doordat er geen sprake is van een gehele of gedeeltelijke herbezetting.

    2.2 Mandaatgebieden

    Zoals al werd aangegeven onder 1.2 wijzigden de mandaatgebieden waarop Europol 1 EDU en dus ook de Dutch Desk Europol actief waren in 1998 niet. In 1999 zal in ieder geval een uitbreiding van het mandaat plaatsvinden aangaande criminele activiteiten in relatie tot terrorisme en mogelijk ook in relatie tot de vervalsing van de EURO.

    2.3 Informatie uitwisseling door Dutch Desk

    De Dutch Desk ontving van de andere Europolpartners gedurende het verslag jaar in 931 onderscheiden zaken (1044 in 1997) verzoeken om informatie te verstrekken op een totaal van 2093 door de overige landen geinitieerde zaken (2399 in 1997) Numeriek dus een lichte daling, doch procentueel een lichte stijging van 43 naar 44 616. Dit resulteerde in een totaal van 1735 (1603 in 1997) door de Dutch Desk verzonden antwoorden.’

    2.4 Indeling naar onderwerp

    De door de Dutch Desk Europol 205 gelinitieerde zaakdossiers kunnen naar onderwerp als volgt worden onderscheiden (tussen haakjes de cijfers voor geheel EDU/Europol):

    • 163 aan drugs 74,7 % (60,1 %)
    • 14 aan illegale immigratie/mensensmokkel 6,8 % (14,7 %)
    • 7 aan money laundering 3,4%(7,7%)
    • 0. aan nucleaire onderwerpen 0 %(0 %)
    • 8 aan voertuig criminaliteit 3,9 % (13,3 %)
    • 23 aan mensenhandel 11,2 % (4,2 %)

    De diverse onderzoeken resulteerden in de navolgende aantallen electronische transacties.

    Er werden in 1998 in totaal 773 vragen verzonden op een EDU totaal van 8336 vragen hetgeen neerkomt op 9,2 % van het totaal. Ce uitgezette vragen genereerden 1057 antwoorden op een totaal voor de gehele EDU van 9968 verzonden antwoorden, hetgeen neerkomt op 10,6 % van het totaal.

    Net als in 1997 (toen 1498 inkomende verzoeken op een totaal van 7362 door de overige landen verzonden verzoeken) was Nederland veruit koploper voor wat betreft het aantal ontvangen verzoeken dat (mede) gericht was aan de Dutch Desk. Voor 1998 betroffen deze aan-tallen respectievelijk 1469 en 7563. Naast een lichte numerieke daling ten opzichte van 1997 betekende het ook een procentuele daling van 20,4 % van het totaal naar 19,4 %. De in 1998 ontvangen vragen werden middels 1735 berichten beantwoord ten opzichte van de in totaal 9968 antwoorden die door alle landen tezamen worden verzonden. Voor 1997 betroffen deze aantallen respectievelijk 1603 en 9165. Numeriek betekende dit voor de Dutch desk medewerkers een forse stijging (8,8 % t.o.v. 1997), doch procentueel bleef het aantal antwoorden t.o.v. het totaal binnen EDU verzonden antwoorden vrijwel gelijk op 17,4 %.

    2.7 Conclusies

    Wanneer uitsluitend naar de cijfers wordt gekeken, lijkt het er op dat het aantal zaken dat vanuit Nederland aan de Dutch Desk werd aangeboden om te worden uitgezet binnen het Europol kanaal zich vrijwel stabiliseerde ten opzichte van 1997. Feitelijk nam het aantal aangeboden zaken echter toe. In 1998 is door de Dutch Desk namelijk veel geïnvesteerd in het kritisch bezien van de kwaliteit van de vraagstelling vanuit Nederland, waardoor het veelvuldig is voorgekomen dat een vraag werd teruggestuurd naar de verzoeker om aanvullende informatie. Opvallend daarbij was dat, zeker wanneer het bijvoorbeeld een vraagstelling betrof inzake de tenaamstelling van een telefoonnummer, deze vraag lang niet in alle gevallen nader gedocumenteerd werd ontvangen!! Bekend is dat vraagstellers dan niet schromen om andere kanalen te gebruiken om antwoord te krijgen, zonder dat zij de kwaliteit van de informatie in de vraagstelling hebben verbeterd. Ons inziens een slechte zaak en feitelijk zal binnen de CRI gekomen dienen te worden tot een gemeenschappelijk kwaliteitsmodel voor vraagstellingen vanuit Nederland naar het buitenland via de daartoe beschikbare informatie- kanalen (Schengen, Interpol, Europol, Liaisons). Dit dient ook met name uitgedragen te worden aan de RIB-medewerkers, want het kiezen van de weg van de minste weerstand is niet altijd de beste. Dit staat uiteraard naast de vraag die wij binnen Nederland ook heel duidelijk moeten gaan beantwoorden (en waar momenteel aan gewerkt wordt), te weten wanneer maken we gebruik van welk kanaal? Het mag daarbij niet zo worden dat een bepaalde vraagstelling die bijvoorbeeld ‘interpol’- waardig is wordt gesteld via het ‘Europol’-kanaal omdat dit mogelijk sneller is. Los van de Nederlandse kwaliteit werd het in het verslagjaar als een gemis ervaren dat de Dutch Desk nog steeds niet is aangesloten op het huidige CRI automatiseringsnetwerk. Mede doordat de Dutch Desk niet aangesloten was op het post registratiesysteem, is vastgesteld dat er nog al eens wat informatie verloren is gegaan of ongewenste vertraging heeft opgelopen in de be- en afhandeling. Ook kan worden gesteld dat de Dutch Desk door bijvoorbeeld het ontbreken van een aansluiting op het VROS-systeem vaak geen inzicht heeft in de onderzoeken die gerelateerd zijn aan de vraagstellingen.

    Op de kwaliteit van de vraagstelling vanuit het buitenland kan door de Dutch Desk minder direct invloed worden uitgeoefend. Dit beperkt zich tot het controleren of een vraagstelling wel past binnen een van de mandaatgebieden en het eventueel stellen van aanvullende vragen ter verduidelijking. In 1998 is met name door de coordinator van de Dutch Desk in samenwerking met een liaison van het Verenigd Koninkrijk getracht om de liaisons van de overige landen op dit gebied op een lijn te krijgen, doch dit is nog niet mogelijk gebleken. Hieraan liggen zowel organisatorische – als culturele verschillen tussen de diverse vertegenwoordigers en hun thuislanden ten grondslag. E.e.a. brengt thans met zich mee dat we soms te maken hebben met naar Nederlandse normen basale vraagstelling. Recent leidde dit al bij een van de speciaal bij de grotere regionale politie korpsen in het leven geroepen bureaus voor de afhandeling van internationale rechtshulp verzoeken tot de opmerking dat via Europol ontvangen verzoeken met dezelfde (lage) prioriteit worden afgehandeld als via Interpol ontvangen zaken. Ons inziens een onjuiste stellingname. Nederland isverdragspartner in het Europol-verdrag en dient zijn verplichtingen op een adequate wijze na te komen. Daarbij is het zinvol dat de hoofden van alle nationale eenheden in nauwe samenspraak met het Europol management moeten zien te komen tot een eenduidig beleid ten aanzien van via Europol uit te zetten vraagstellingen.

    Het feit dat ruim 96% van de door de Dutch – Desk uitgezette informatie werd gerubriceerd als een eenvoudig verzoek heeft voor een deel te maken met het feit dat een groot deel van eventuele meerwerkzaamheden in Nederland werd en wordt uitgevoerd door de RIB- medewerkers. Daarnaast kan worden gesteld dat de Nederlandse liaisons, mede door de omvang van het aanbod van zaken, niet zo snel geneigd zijn een zaak als ‘meer gecompliceerd aan te duiden. Wat wel opviel was dat er in 1998 geen enkele maal door Nederland een grootschalig internationaal onderzoek, noch operationeel noch strategisch, werd geinitieerd. Wel werd middels bemiddeling van de Dutch Desk in een aantal door andere landen geinitieerde operationele onderzoeken geparticipeerd door Nederlandse onderzoeksteams. In een van deze onderzoeken, XXXXXXXXXX (gezwart door KLPD)

    Ons inziens ligt er met name een taak van de RIB medewerkers om de onderzoeksteams in Nederland te wijzen op de kansen die Europol in deze biedt. Tevens zullen met name de management teams van de zogenaamde ‘kernteams’ in Nederland, voor zover nodig, meer op de hoogte dienen te worden gesteld van met name de kansen die Europol biedt.

    2.7.1 Drugs

    Evenals in voorgaande jaren bleek het aantal vraagstellingen dat voortvloeide uit door Nederland geïnitieerde zaken op het terrein van de drugsbestrijding veruit het hoogst. Procentueel ligt het ook aanmerkelijk hoger met die van de vraagstelling die door de andere landen werd ingediend. Uiteraard kunnen wij in dit verband wel speculeren over de achterliggende redenen, maar in deze geven wij er de voorkeur aan dat dit mogelijk maar eens op een meer wetenschappelijke manier moet worden onderzocht. Doordat de nationale eenheid van het Verenigd Koninkrijk heeft beslist dat informatie m.b.t. (mogelijke) drugs koeriers in principe via de Europol liaisons uitgewisseld dient te worden, werd in deze in toenemende mate sedert november 1998 een beroep gedaan op de bemiddeling van en door de Dutch Desk. Door de Dutch Desk wordt daarbij een heel duidelijk onderscheid onderkend tussen profiling van mogelijke koeriers en gerichte informatie. In 1999 zullen zeer duidelijke afspraken met de overige liaison bureaus worden gemaakt over de verschillende wijze van afhandeling die dit soort informaties in Nederland vergen. Een vraag die daarbij open blijft staan is in hoeverre Europol het juiste kanaal is om informatie in relatie tot profiling uit te wisselen. Bij profiling kan ons inziens niet gesproken worden over het “hebben van concrete aanwijzingen voor het bestaan van een criminele structuur of organisatie en twee of meer Lid-Staten betrokken zijn bij de genoemde vorm van criminaliteit op een wijze die, gelet op de omvang, de ernst en de gevolgen van de strafbare feiten, een gemeenschappelijk optreden van de LidStaten noodzakelijk maakt” (Doelstelling Europol zoals vastgelegd in artikel 2 lid 1 van het Europol – Verdrag). Het lijkt ons gewenst dat de Hoofden van de Nationale Eenheden, in samenspraak met het management van Europol, hierover bindende afspraken maken. Opvallend was dat het merendeel van de informatie uitwisseling via de Dutch Desk inzake drugs betrekking had op organisaties die betrokken waren bij de handel in cocaline, chemische drugs en grote partijen hashish en marihuana. Informatie uitwisseling over organisaties die betrokken waren bij de illegale handel in heroïne vond veel minder plaats.

    2.7.2 Illegale immigratie / mensensmokkel

    In tegenstelling tot het algemene beeld, een terugval van het aantal zaken voor geheel Europol ten opzichte van 1997, werd er voor Nederland een (geringe) toename van het aantal geïnitieerde zaken geregistreerd van 9 naar 14. Door de Dutch Desk worden in deze nauwe relaties onderhouden met de afdeling IAM (informatie en Analyse Mensensmokkel). Duidelijk mag zijn dat Nederland in deze ook een belangrijke rol speelt in de doorvoer op georganiseerde wijze van mensen die het Verenigd Koninkrijk als eindbestemming hebben. Opvallend was dat een aantal landen de neiging had, voor zover viel af te leiden uit de vraagstelling aan Nederland, om lange lijsten met gegevens van ‘slachtoffers’ van organisaties voor te leggen, zonder dat daarbij werd (of kon worden) aangegeven welke personen of organisatie verantwoordelijk waren voor de georganiseerde mensensmokkel. Het lijkt ons zinvol toe dat dit aspect op expert niveau nog eens benadrukt wordt om te voorkomen dat onnodig veel tijd moet worden besteed aan de controle van persoonsgegevens van ‘slachtoffers’.

    2.7.3 Witwassen van gelden

    Werden er in 1997 nog 17 zaken geïnitieerd door Nederland op het gebied van het bestrijden van het witwassen van crimineel verkregen gelden in 1998 waren dat er nog slechts 7. V.w.b. Europol en met name de opstelling van de Dutch Desk is daar een aanwijsbare reden voor. Nederlandse verzoeken worden uitsluitend in behandeling genomen wanneer er aantoonbaar een relatie bestaat naar een van de mandaatgebieden op grond waarvan binnen Europol informatie kan en mag worden uitgewisseld. Er wordt niet meegewerkt aan vraagstelling die zonder dat daar directe aanwijzingen voor zijn maar gekoppeld wordt een van de criminaliteitsvelden om op die wijze een antwoord te krijgen. De praktijk heeft ook in 1998 weer aangetoond dat de overige landen, bij vraagstelling aan Nederland, nog wel eens de hand lichten met dit in het Europol verdrag vastgelegde voorschrift. Naar de mening van de Dutch Desk zijn de statistische gegevens met betrekking tot het witwassen van gelden onzuiver. Voor de toekomst wordt het gewenst geacht dat tussen de diverse liaisons bureaus een afspraak wordt gemaakt over een gelijke wijze van rubricering van verzoeken inzake het witwassen van gelden. Het standpunt van de Nederlandse Desk is dat in eerste instantie een mandaatgebied aangegeven moet worden om vervolgens “moneylaundering” daar aan te koppelen.

    2.7.4 Nucleaire onderwerpen

    Zie de opmerking onder 1.7.4

    2.7.5 Voertuig criminaliteit

    Ook deze vorm van criminaliteit heeft v.w.b. vraagstelling uit Nederlandse opsporingsonderzoeken via het Europol netwerk bepaald (nog) geen prioriteit. Ten opzichte van 1997 steeg het aantal door Nederland geïnitieerde zaken van 4 naar 8, maar wanneer we dat afwegen ten opzichte van het totaal van 305 voor geheel Europol geïnitieerde zaken is dit zeer weinig. Hier tegenover staat, gebaseerd op de inhoud van door de Dutch Desk ontvangen verzoeken uit de andere landen, dat deze andere landen regelmatig verzoeken voorleggen zonder dat er ons inziens echt gesproken kan worden van “concrete aanwijzingen” voor het bestaan van een criminele structuur of organisatie, zoals wordt voorgeschreven in het Europol verdrag.

    2.7.6 Mensenhandel

    In het kader van de uitwisseling van informatie voortvloeiende uit illegale mensenhandel werden door Nederland in 1998 in totaal 23 onderzoeken geïnitieerd ten opzichte van 12 in 1997. Numeriek derhalve een toename met 11. Dit terwijl het totaal aantal zaken voor geheel Europol dat werd geïnitieerd, opliep van 81 naar 96, een toename van 15 derhalve. In 1998 werd de Dutch Desk al enigszins geconfronteerd met informatie uitwisseling aangaande kinderpornografie en te verwachten valt dat dit in 1999, nu dit ook in het Europol – verdrag per 01-01-1999 is geformaliseerd, zal toenemen.

    2.8 Projecten

    In 1998 had Nederland zich verplicht deel te nemen aan het Latijns Amerikaanse Droiect en met name aan de deelproiecten

    XXXXXXXXXX (gezwart door KLPD)

    Gelet op het vorenstaande dient er in Nederland van te voren een goede inventarisatie plaats te vinden in hoeverre wij kunnen 1 zullen participeren. Daarbij zal in ieder geval antwoord moeten worden gegeven op de volgende vragen:

    Is er in Nederland een directe interesse of een direct belang in deelname aan een bepaald project? Bestaat er in het land voldoende belangstelling voor deelname aan het project?

    Wie zijn er in staat en bereid om op een structurele wijze de gevraagde informatie aan te leveren?

    Wanneer op een of meerdere van deze vragen geen duidelijk en positief antwoord gegeven kan worden, zijn wij van de Dutch Desk van mening dat wij in dergelijke niet zouden moeten deelnemen. Dit is met name dan ook van toepassing op de in 1999 te starten (en te continueren) projecten middels Analytical Workfiles.

    ‘s-Gravenhage, 16 februari 1999