• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Het Europees asiel- en immigratiebeleid anno 1997

    Geheime besluitvorming op de Eurotop in Amsterdam

    Ter afsluiting van het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie wordt op 16 en 17 juni wordt in Amsterdam een Eurotop gehouden. In het half jaar dat Nederland voorzitter van de EU is, wordt er op de achtergrond druk onderhandeld. Nederland probeert de herziening van het Verdrag van Maastricht, de zogenaamde Intergouvermentale Conferentie (IGC’97) af te ronden. Er moet veel besproken worden. Een groot deel van de zaken gaat over ‘institutionele’ kwesties, zoals het niet goed functioneren van allerlei Europese instellingen. Daarnaast staan ook zaken als beslissingsrecht door een meerderheid, uitbreiding van de EU naar het oosten en de hervormingen voor de Europese Monetaire Unie op het programma.
    Ook het asiel-, immigratie en justitiebeleid staat hoog op de Europese Agenda. Er heerst vooral grote ontevredenheid over de trage gang van uitvoering van gemeenschappelijke maatregelen. Verder staat als belangrijk punt de integratie van het Schengenakkoord in de hele EU op het programma.
    Het Verdrag van Maastricht

    In het Verdrag van Maastricht zijn justitie- en binnenlandse zakenbeleid (JBZ-beleid) aangeduid als zaken van gemeenschappelijk belang. Het asiel- en immigratiebeleid valt hier ook onder. Ze worden geregeld in titel VI van het Verdrag. In totaal betreft de samenwerking negen beleidsgebieden: asielbeleid, buitengrenzenbeleid, immigratiebeleid, strijd tegen de drugsverslaving, bestrijding internationale fraude, justitiële samenwerking in burger- en strafzaken, douanesamenwerking en politiële samenwerking. Deze vorm van samenwerking binnen de EU heet de zogenaamde Derde Pijler. Naast deze JBZ-samenwerking kent het Verdrag van Maastricht twee ander pijlers. De eerste pijler is de gemeenschappelijke samenwerking, met aan het hoofd de Europese Commissie en met controle van het Europees Parlement. Deze pijler bepaalt vooral het landbouw-, sociaal- en stimuleringsbeleid. De Tweede Pijler vormt de samenwerking op het gebied van buitenlands- en internationaal veiligheidsbeleid.

    De Derde Pijler

    Het asiel-, immigratie- en justitiebeleid wordt dus volledig bepaald in de Derde Pijler. De structuur van deze pijler is buitengewoon ondemocratisch, besluitvorming vindt in het geheim plaats en leidt meestal tot aanscherping van het beleid volgens de strengste norm. De laatste jaren heeft vooral de ‘beleidsmatige’ harmonisering hoog op de agenda gestaan, de komende jaren ligt de nadruk op de uitvoering, uitwisseling en versnelling van dat beleid.

    De besluitvorming

    Democratie blijkt een vaag begrip binnen Europa en al helemaal binnen de Derde Pijler. Hoogste orgaan is de Raad van Ministers, de twee keer per jaar bijeen op Topconferenties, zoals nu in Amsterdam. Omdat deze Raad in principe over alle onderwerpen beslist, worden de beleidsbepalende beslissingen al in de Raad van Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie (de JBZ-Raad) genomen. Beslissingen kunnen niet met een meerderheid worden aangenomen, iedereen moet het over eens zijn. De beslissingen hebben de vorm van ‘aanbevelingen’, ‘gemeenschappelijke standpunten’ of ‘verdragen’. Eigenlijk zijn alleen de Verdragen volledig bindend (bijvoorbeeld Dublin), maar in de praktijk volgt iedereen de aanbevelingen ook op. Het Europees parlement heeft in de JBZ-samenwerking niets in te brengen. Het wordt soms ‘geconsulteerd’ en krijgt achteraf de jaarverslagen, maar invloed op het beleid is er niet. Hetzelfde, en nog in ruimere mate, geldt voor de nationale parlementen. Het Nederlandse parlement heeft als één van de weinigen een voorbehoud afgedwongen: belangrijke JBZ- besluitendoor moeten ruim van te voren worden voorgelegd. In praktijk is er echter amper ruimte om invloed uit te oefenen, de hoeveelheid papier uit Brussel en de korte voorbereidingstijd, meestal maar twee weken, heeft het parlement al regelmatig een motie van afkeuring uit laten gaan.

    Het K4-comité

    Het werkelijke voorbereidende werk gebeurd in een fiks aantal ondoorzichtige ambtenarenclubjes.In alle landen is een wir war van ambtelijke structuren, die zich met het asiel- en immigratiebeleid bezig houden. Al deze clubjes kenmerken zich door strenge geheimhouding. Belangrijkste van de clubjes is het K4-comité. In het Verdrag van Maasstricht regelt artikel K4 de taken van dit Comité: structuur en orde brengen in het onderhandelingscircuit over justitie en binnenlandse zaken. Maar K4’s taak gaat verder: het kan ook op eigen initiatief voorstellen voorleggen aan de JBZ-Raad. K4 is onderverdeeld in aantal stuurgroepen, te weten Asiel en Immigratie, Politiële- en Douanesamenwerking en Justitiële samenwerking. De stuurgroepen zijn weer onderverdeeld in werkgroepen. Asiel en immigratie kent de werkgroepen migratie, asiel, visa, buitengrenzen en valse documenten. In 1992 zijn daar het Cibbgi en Cirea aan toegevoegd. Dit zijn een soort centra (‘clearing houses’) die zoveel mogelijk informatie over asielbeleid en illegale immigratie verzamelen. Daarnaast krijgen zij meer en meer een coördinerende rol in dit beleid.

    Geheim, geheim en nog eens geheim

    Zoals al gezegd zijn de ministers in de praktijk niet te controleren door de parlementen, maar hoe zit het dan met de ambtenaren? In Nederland bestaat er tot op zekere hoogte zoiets als Openbaarheid van Bestuur en is het meestal mogelijk inzicht te krijgen in het voorbereidend werk van ambtenaren. In Europa echter niet. Stuk voor stuk werken alle ambtenaren- overleggen binnen het JBZ-beleid in het geheim. Op een aantal algemene verslagen na is de deur naar het voorbereidend circuit gesloten. Beïnvloeding van beleid is hiermee, ook voor groepen buiten het parlement om, bijna onmogelijk. Op het moment dat zaken naar buiten komen is de beslissing al gevallen en is het stoppen van maatregelen bijna een onmogelijkheid. De totstandkoming van het Verdrag van Schengen blijft bij uitstek het voorbeeld van oncontroleerbare samenwerking. In overleggen vergelijkbaar als de K4 stuurgroepen is Schengen volkomen in het geheim voorbereid. Ook de uitvoering blijft ondoorzichtig. Het uiteindelijke beslissingsorgaan binnen Schengen, het Uitvoerend Comité, werkt namelijk nog steeds volledig in het geheim aan uitvoerende maatregelen.

    Verscherping, harmonisering, verwijdering.

    Belangrijker dan de ondemocratische besluitvorming is de spiraal van restrictief beleid die door de Europese samenwerking tot stand is gekomen. Kijkend naar de gezamenlijke maatregelen van de laatste jaren rest er niets anders dan te concluderen dat de lidstaten elkaar voorbij proberen te streven in restrictief asiel- en immigratiebeleid.

    Als gevolg van Schengen:

    * Identificatieplicht
    * Koppelingswet
    * Mobiel Vreemdelingentoezicht
    * opzetten van het Schengen Informatie Systeem (SIS)
    * (instap-)controle bij landen van herkomst
    * boetes voor vervoerders

    Als gevolg van JBZ-samenwerking:

    * instellen veilige derde landen
    * harmonisatie begrip vluchteling
    * veilige landen van herkomst
    * gemeenschappelijke visa
    * nadruk op mensensmokkel via Europol en Cibbgi
    * instellen ‘clearing house on asylum’, Cibbga

    Als gevolg van het Verdrag van Dublin:

    * asiel aanvragen nog maar in één EU-land
    * uitwisseling vingerafdrukken via Eurodac, een centraal computersytseem voor registratie van vingerafdrukken.

    De Nederlandse inzet

    Nu Nederland dit half voorzitter is van de EU, heeft ons land ook een voortrekkersrol in de JBZ-samenwerking. Nederland constateert dat ‘veel van het werkprogramma van vijf jaar geleden is gerealiseerd, maar dat de behoefte aan intensivering van onderlinge contacten, meer praktische samenwerking en verdere toenadering van het asiel- en immigratiebeleid slechts is toegenomen’. Nederland sluit daarbij aan bij het ongenoegen dat er heerst over de trage praktische uitvoering van de JBZ samenwerking. Naast de vele beleidsvoorstellen is er tussen de regels door dan ook steeds wel iets terug te vinden over ‘intensivering van de samenwerking’, ‘bevorderen van de uitwisseling’, werken met ‘liaisons’ en het plaatsen van ‘detaché’s’. De komende jaren zal deze praktische inslag van de samenwerking zichtbaar worden. Nu zijn er al veel Nederlandse IND’ers geplaatst in andere landen en anderen hier. Vaker dan het geval is zullen zij ‘afstemmend’ werk gaan doen zoals bijvoorbeeld:

    * onderlinge aanpassing van nationale procedures van het asielrecht
    * het besprekingen tussen behandelende ambtenaren uit verschillende lidstaten over asieldossiers
    * bespreking van de situatie in een aantal landen van herkomst
    * bijeenbrengen landenexperts verschillende pijlers
    * onderzoeken noodzaak gemeenschappelijke databank over asielbeleid
    * coördineren methoden van aanpak van mensensmokkel verschillende lidstaten
    * bespreking situatie aantal landen om te bekijken welke maatregelen de bestrijding van illegale immigratie en mensensmokkel kunnen versterken

    In het werkprogramma dat Nederland voor het eerste half jaar van 1997 heeft gemaakt wordt ook een aantal andere prioriteiten aangegeven:

    * versterken van de maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie en illegale tewerkstelling, alsmede de verbetering van de samenwerking op het gebied van verwijdering van illegale immigranten en problemen in verband met overname.
    * bespreking van problematiek van de terugname van eigen onderdanen door landen van herkomst in een gecombineerd overleg met experts uit de drie pijlers.
    * bespoedigen van de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Dublin
    * afronding gemeenschappelijk standpunt minderjarige asielzoekers
    * onderlinge afstemming repatriëring asielzoekers ex-Joegoslavië.
    * prioriteit geven aan de overeenkomst voor Eurodac, het uitwisselingen van vingerafdrukken van asielzoekers.
    * ontwikkelingen gemeenschappelijke visalijst volgen
    * valse documenten: ontwikkelen Europees beeldopslag- en beeldtransmissiesysteem, een elektronisch herkenningssyteem.
    * bevorderen samenwerking Europol met Cibbgi in bestrijding mensensmokkel
    * versterking van de persoonscontrole aan de buitengrenzen

    Belangrijke tendens, die maar zelden op de agenda is terug te vinden, is de grote aandacht voor bestrijding van mensensmokkel. Binnen een groot aantal werkgroepen en organisaties wordt momenteel aan de coördinatie van mensensmokkel gewerkt. Ook hier gaat het vooral om de praktische uitwerking. Op de vergadering van de groep Cibggi van 16 januari 1997 stelde de Duitse delegatie voor om te komen tot één Europees infromatie- en analysesyteem over illegale immigratie en mensensmokkel. Naast het Cibbgi zijn daar nu ook Europol, het IGC-overleg tussen Europa, Noord-Amerika en Australië, de halfjaarlijkse grenspolitieconferentie, Interpol en Eurostatt mee bezig. Duitsland bepleit een verregaande vorm van samenwerking: intensivering van de uitwisseling van gegevens, aanzienlijke geografische uitbreiding, doeltreffende analyse maken, internationaaal bestrijden van mensensmokkel. “Het gaat erom in Europa het ontstaan van informatie-eilanden te voorkomen die zich van uiteenlopende methoden zouden bedienen en aldus veeleer een hinderpaal zouden blijken voor georganiseerde samenwerking bij de bestrijding van illegale immigratie en mensensmokkel”.

    Asiel- en immigratiebeleid na 1997

    Bij de IGC-top die in komende juni in Amsterdam wordt belegd staat de hele structuur van de JBZ-samenwerking op de agenda. De discussie gaat momenteel twee kanten op. De eerste discussie betreft een verdere implantatie van Schengen in de hele Europese Unie, de ander is overheveling van een deel van de JBZ- intergouvernementele samenwerking richting gemeenschappelijk beleid. Het betreft dan vooral de samenwerking op het gebied van asiel- en immigratiebeleid.

    Van Schengen naar Amsterdam?

    Volgens Minister van Mierlo bestaat er momenteel ‘in beginsel brede steun voor de incorporatie van Schengenakkoord in het IGC- Verdrag’. Eigenlijk alleen Engeland en Ierland hebben laten weten door te willen gaan met grenscontroles. Wat de algehele consequenties van de invoeging van Schengen in de EU zijn is nog onduidelijk. In ieder geval zal het Schengen Informatie Systeem dan een Europese Informatie Systeem worden. Ook betekend het voor een aantal fikse aanscherping van het beleid. Bijvoorbeeld het beboeten van vervoerders van asielzoekers met valse papieren, of uitbreiden van de identificatieplicht. Belangrijk is ook dat uitbreiding van Schengen vooral weer een hoop praktische samenwerking tot stand zal brengen. De ook al binnen Schengen tot stand gekomen gedachte van opvang in landen in de regio’s van herkomst en verscherpte controle bij verlaten van landen van herkomst zal zeker tot prioriteit worden verheven. Hoe de controle op Schengen ingevoegd wordt in de EU structuur is zeer onduidelijk.

    Van intergouvermenteel naar communautair?

    De andere invalshoek in de onderhandelingen betreft het overbrengen van het asiel- en immigratiebeleid naar een eigen hoofdstuk in een het Verdrag van Amsterdam, dat Maastricht op moet volgen. Er zou dan beslissingsbevoegdheid komen voor het Europees parlement en het Hof van Justitie. Zaken die nu dus absoluut niet geregeld zijn. Een groot aantal listaten is hier voorstander van, omdat de beslissingen dan eerder uitgevoerd kunnen worden. Nu neemt die uitwerking soms jaren in beslag. Kijk bijvoorbeeld naar het Europolverdrag. In 1995 ondertekend, nog niet geratificeerd. Inhoudelijk wordt er in de onderhandelingen niet gesproken over het beleid, het is puur een kwestie van structuur. De kans dat er een grote wijziging in het beleid komt is dan ook niet zo groot. Wel zal er iets meer controle mogelijk zijn. Of de parlementen die mogelijkheid ook grijpen blijft natuurlijk de vraag. Ook op nationaal niveau stemmen die meestal in met verscherping van het beleid.