• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Jaarverslag EDU over 1995

    EUROPOL-DRUGSEENHEID

    Activiteiten van de Europol-Drugseenheid van 1 januari tot en met 31 december 1995

    Tweede jaarlijks voortgangsverslag

    Inleiding

    In 1995, het tweede jaar van het bestaan van de Europese Drugseenheid (hierna “EDE”), is de dagelijkse uitwisseling van inlichtingen tussen de Lid-Staten via EDE zowel kwantitatief als kwalitatief blijven toenemen, maar hebben zich ook zeer belangrijke politieke ontwikkelingen voorgedaan. Door het Gemeenschappelijk Optreden, dat op 20 maart 1995 is ingegaan, werd het mandaat aanmerkelijk gewijzigd en aangevuld. Met de ondertekening van de Europol Overeenkomst door de Permanente Vertegenwoordigers van de 15 Lid-Staten in juli te Brussel werd een zeer belangrijke stap naar bekrachtiging van de Overeenkomst gezet. EDE was en blijft intens betrokken bij de uitvoering van het beleid dat uiteengezet is in het door de Europese Raad van Madrid (15-16 december 1995) goedgekeurde document CORDROGUE 69.

    In 1995 werd vooral inzake de drugshandel een aantal opmerkelijke successen geboekt, waardoor de autoriteiten van de Lid-Staten in een aantal gevallen meteen tot beslagname en arrestatie konden overgaan. Wat de drie nieuwe criminaliteitsgebieden betreft, werden talrijke onderzoeken ingesteld met betrekking tot gevallen van georganiseerde illegale immigratie en illegale handel in voertuigen, maar slechts enkele met betrekking tot illegale handel in radioactieve stoffen.

    Dat de wetshandhavingsinstanties van de EU EDE steeds vaker inschakelen heeft kennelijk sterk te maken met de permanente aanwezigheid in EDE van vertegenwoordigers van de 15 Lid-Staten die namens hun land optreden. Zij zijn in staat om te allen tijde snel op verzoeken te reageren, taalproblemen op te lossen en dadelijk de vereiste expertise te verstrekken. Met deze regeling, die aansluit bij de filosofie van de derde pijler, hebben de autoriteiten van de Lid-Staten er een belangrijk en nuttig instrument bij gekregen.

    Om tastbare vooruitgang te boeken op de criminaliteitsgebieden waarvoor EDE gemandateerd is, werd in de loop van 1995 te Den Haag een aantal conferenties gehouden om de desbetreffende behoeften van de Lid-Staten in kaart te brengen. Tijdens die bijeenkomsten konden de Lid-Staten voorts van gedachten wisselen, wetshandhavingstechnieken bespreken en meer vertrouwd gemaakt worden met de mogelijkheden van EDE.

    De Nationale Europol-Eenheden hebben herhaaldelijk van de faciliteiten en ondersteuning van EDE gebruik gemaakt bij de coördinatie van internationale gecontroleerde zendingen, inschakeling van koeriers, bilaterale doorvoer en grensoverschrijdend toezicht. EDE heeft deze tendens gestimuleerd en in de hand gewerkt door te zorgen voor de nodige logistieke uitrusting (bijvoorbeeld een speciale operationele ondersteunings- en coördinatieruimte voor EVO’s en een documentatiecentrum). Er zijn aanwijzingen dat EDE politiek aanvaard en gestimuleerd wordt, maar af en toe blijkt ook dat sommige wetshandhavings- en justitiële autoriteiten er moeite mee hebben de rol van EDE te accepteren. In het verslagjaar hebben nationale autoriteiten in een klein maar relevant aantal betreurenswaardige gevallen, nagelaten zich met zaken, met name in verband met operationele ondersteuning, in te laten (en dus te doen vorderen) op grond van diverse overwegingen, zoals :

    • de positie en de autoriteit van de Nationale Eenheid in het eigen land
    • uiteenlopende nationale wetgevingen
    • verschillen in opstelling van de nationale rechterlijke instanties
    • de omvang en ontwikkeling van het nationale netwerk van drugsverbindingsofficieren.

    EDE heeft in 1995 belangrijk werk geleverd bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad in de Unie. Haar slagkracht zal nog toenemen na de bekrachtiging van de Overeenkomst, als EDE Europol wordt. Slechts drie voorbeelden van te verwachten verbeteringen:

    • meer formele en efficiënte contacten met derde landen en internationale organisaties
    • efficiëntere misdaadanalyse met opslag van persoonsgegevens
    • uitbreiding tot andere criminaliteitsterreinen.

    In afwachting van de bekrachtiging door de nationale parlementen zal EDE – zonder een juridische status – niet zo doeltreffend kunnen optreden als Europol na de bekrachtiging. Uitstel zal leiden tot vergaande frustratie in EDE, omdat de voorbereiding voor een vloeiende overgang naar Europol voltooid is, terwijl de uitvoering op ratificatie moet wachten.

    1. Politieke besluitvorming/Juridische achtergrond

    In de oprichting van Europol is voorzien door artikel K.l, punt 9, in Titel VI van het Verdrag van Maastricht. Vooruitlopend hierop is EDE opgezet op grond van een Ministerieel Akkoord.

    De oorspronkelijke EDE-taken volgens het Akkoord omvatten de uitwisseling van informatie over illegale drugshandel, daarbij betrokken criminele organisaties en bijbehorende witwasactiviteiten die twee of meer Lid-Staten betreffen.

    In maart 1995 werd het EDE-mandaat door het “Gemeenschappelijk Optreden” van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken uitgebreid van :

    • louter drugsgebonden criminaliteit en het daarmee verbonden witwassen van geld, tot
    • illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen,
    • criminaliteit in verband met clandestiene immigratienetwerken, en
    • illegale autohandel, met de daarbij betrokken criminele organisaties en de bijbehorende witwasactiviteiten.

    EDE, die de voorloper van Europol is en bijgevolg op dezelfde intergouvernementele filosofie berust, moet dus de politiële en andere bevoegde organen binnen en tussen de Lid-Staten helpen criminele activiteiten doeltreffender te bestrijden. Vergeleken bij haar toekomstige opvolger Europol is EDE in twee opzichten gehandicapt. Ten eerste heeft het nog steeds een beperkt mandaat, dat niet verder gaat dan de bovengenoemde aangelegenheden. en ten tweede mogen er geen persoonsgegevens in een centrale gegevensbank worden opgeslagen.

    Eind juni 1995 werd overeenstemming bereikt inzake de Europol-Overeenkomst; de Lid-Staten werd verzocht met de nationale ratificatieprocedure te beginnen en samen met EDE basisregels en projecten ter voorbereiding van de post-conventionele periode uit te stippelen.

    2. Structuur van EDE en organisatie van de werkzaamheden

    Overeenkomstig verscheidene ministeriële besluiten behelst EDE de volgende functies (zie het huidige organigram december 1995 – bijlage 1) :

    Directie
    Personeel
    Planning en ontwikkeling
    Europese Verbindingsofficieren (EVO’s)
    Analisten
    Informatietechnologie
    Documentatie/bibliotheek
    Opleiding
    Administratie en ondersteuning
    Veiligheid
    Vertegenwoordiging gastland

    Aan het hoofd van de eenheid staat een coördinator. Naast de coördinator telt de Directie twee adjunct- coördinatoren en twee leden die rechtstreeks onder het gezag van de coördinator staan en wier werkterrein nauwkeurig omschreven is”. De Directie wordt ondersteund door een kleine personeelseenheid, de afdeling planning en ontwikkeling, directieassistenten en een algemeen administratief assistent. Verder zijn er:

    32 + (3) : Europese Verbindingsofficieren (EVO’s), plus 3 medewerkers, gedetacheerd uit 15 Lid-Staten
    4 Analisten voor strategische en operationele analyse
    6 IT-specialisten
    27 Administratieve medewerkers (personeel, sociale en algemene zaken, financiën, documentatie en veiligheid)
    1 Vertegenwoordiger van het gastland

    Terwijl de taken van de vroegere “Ondersteuningsgroep Gastland” eind 1994 in de EDE-structuur opgingen, werd een vertegenwoordiger van het gastland gedetacheerd voor de afwikkeling van het resterende werk met betrekking tot de renovatie van het gebouw, ter behartiging van de belangen van het gastland en ter ondersteuning van EDE bij problemen in verband met het feit dat EDE nog geen rechtspersoonlijkheid heeft. De Nederlandse autoriteiten hebben er formeel voor gezorgd dat hij deeltijds zijn medewerking kan verlenen in drugszaken en daaraan verwante projecten.

    De Lid-Staten hebben EDE doorlopend functioneel ondersteund door op eigen kosten extra personeel voor de multilaterale coördinatie en de planning en ontwikkeling beschikbaar te stellen.

    Planning (werkprogramma) en activiteitenrapportage (voortgangsverslag) geschieden in rechtstreeks overleg met de Groep Europol. Programma en verslag worden aan de Raad van Ministers voorgelegd. Aan het eind van het jaar heeft EDE een “Visie op Europol” ontworpen, waarin structuur en taken geschetst worden van de organisatie die uit de Overeenkomst zal ontstaan. Het document is nog in behandeling en wordt op alle (politieke) besluitvormingsniveaus besproken. Ter uitvoering van het interne EDE-bedrijfsplan van 1994 en op verzoek van Stuurgroep II is EDE samen met de Nationale Eenheden begonnen met de bepaling van de “doelstellingen en grondbeginselen” voor 1996/1997, waardoor EDE zich de volgende twee jaar in zijn ontwikkelingsgang naar het toekomstige Europol moet laten leiden.

    De interne EDE-voorschriften zijn opgenomen in het EDE-vademecum. Elk land beschikt over een eigen handleiding met de nationale EDE-voorschriften.

    3. Verruimd mandaat

    In 1995 werd voorrang gegeven aan de bestrijding van de nieuwe vormen van criminaliteit. In dit verband belegde EDE een reeks speciale vergaderingen en bood het onderdak aan tijdelijke projectteams, ten einde :

    • een analyse te maken van de nieuwe verschijnselen en bedreigingen ;
    • de behoefte aan samenwerking na te gaan ;
    • een gemeenschappelijke strategie uit te stippelen voor het

    vergemakkelijken van een efficiënte gegevensuitwisseling, informatieverzameling en EDE-steun aan de wetshandhavingsinstanties van de Lid- Staten. Een en ander heeft ertoe geleid dat EDE, met de bereidwillige hulp van een aantal Lid-Staten en aan de hand van het advies van de Hoofden van de Nationale Europol-Eenheden, met rapporten en voorstellen is gekomen waarin de maatregelen geschetst worden die EDE op deze nieuwe criminaliteitsgebieden zal moeten treffen.

    4. Speurwerk

    4.1. Uitwisseling van informatie

    De uitwisseling van informatie en gegevens (persoons- en andere gegevens) door de EVO’s vormt de hoofdmoot van het EDE-werk. Alle Lid-Staten zijn vertegenwoordigd door EVO’S, die behoren tot verschillende wetshandhavingsinstanties en als zodanig de autoriteiten vertegenwoordigen waardoor ze worden uitgezonden. Zij staan er borg voor dat elke Lid-Staat dag en nacht kan rekenen op effectieve, efficiënte, snelle en betrouwbare meertalige expertise. EDE kreeg in totaal 1.474 verzoeken van de Lid-Staten (tegenover 585 in 1994). De verzoeken kunnen als volgt worden uitgesplitst

    • specifieke verzoeken in verband met lopende onderzoeken (verificatie van namen, telefoonnummers, voertuigenregistratie, enz.)
    • verzoeken betreffende welbepaalde verschijnselen, zoals crack, precursoren. etnische criminele groepen, enz. ;
    • verzoeken betreffende juridische en technische/tactische vraagstukken ;
    • verzoeken om advies in lopende bijzondere operaties op het gebied van wetshandhaving.

    Als gevolg van de succesvolle steun die EDE via de Nationale Europol-Eenheden en de nationale wetshandhavingsinstanties (politie, gendarmerie, douane) heeft verleend, maken de Nationale Europol-Eenheden meer gebruik van het EVO-netwerk. De bilaterale en vooral multilaterale uitwisseling van informatie en inlichtingen via de EVO’s neemt van dag tot dag toe en bij onderzoeken en analytische activiteiten in verband met misdadigheid van criminele groepen die op internationale schaal actief zijn, kan worden gerekend op hoogwaardige dienstverlening (snelheid, accuratesse, taalfaciliteiten, bijwerking van informatie/inlichtingen).

    De verzoeken van de Lid-Staten kunnen als volgt worden onderverdeeld :

    • in 77 % van de gevallen zorgde EDE voor snelle en betrouwbare uitwisseling van informatie en inlichtingen voor lopende onderzoeken en andere vormen van wetshandhaving in de Lid-Staten
    • in 17 % van de gevallen was er speciale expertise en analytische ondersteuning vereist, zodat onderzoeken in de Lid-Staten rechtstreeks en interactief door de EVO’s uit de betrokken Lid-Staten werden ondersteund
    • in 5 % van de gevallen werd door de EVO’s coördinatiesteun verleend bij multilaterale wetshandhaving (b.v. gecontroleerde zendingen). 76 % van de zaken had met drugs te maken, 12 % met witwasactiviteiten ; 12 % was gelijkelijk verdeeld over illegale immigratienetwerken en handel in gestolen voertuigen, hoewel deze verdeling van Lid-Staat tot Lid- Staat verschilt.

    Uit de vergelijking van het aantal verzoeken met dat van het voorgaande jaar kunnen verscheidene conclusies worden getrokken: Het aantal verzoeken neemt toe

    EVO’s in 1995 ontvangen in 1994 ontvangen verzoeken

    Duitsland 449 104 Verenigd Koninkrijk 281 62 Frankrijk 127 66 Portugal 124 22 Italië 115 27 België 111 104 De overige negen Lid-Staten 267 200 Totaal 1474 585

    De Lid-Staten lijken op het stuk van het zenden van verzoeken aan EDE niet dezelfde criteria te hanteren. Hoewel de situatie per Lid-Staat moeilijk exact in te schatten is. moet toch een aantal redenen worden vermeld :

    • de sterkte van het EVO-netwerk ;
    • de mate van bekendheid van EDE in de verschillende Lid-Staten
    • het feit dat de oprichting van een Nationale Europol-Eenheid in sommige Lid-Staten nog aan de gang is ;
    • de positie van de Nationale Europol-Eenheden bij politie en douane en de nationale situatie op het stuk van georganiseerde misdaad.

    Nederland kreeg opnieuw het grootste aantal verzoeken

    Per Lid-Staat in het jaar 1995 Nederland 683 Spanje 350 Frankrijk279 België 263 Italië 258 Duitsland 253 Verenigd Koninkrijk251 De overige Lid-Staten kregen eik minder dan 150 verzoeken Totaal 3.197

    4.2. Illegale handel in drugs

    De Lid-Staten van de Europese Unie hebben zwaar te kampen met de problemen die voortvloeien uit druggebruik, -smokkel en -produktie en de bijbehorende witwasactiviteiten. De grootschalige drugsmokkel naar en tussen de Lid-Staten is in handen van criminele groeperingen binnen de EU en in de produktie- en doorvoerlanden.

    Als gevolg hiervan wordt het meeste EVO-werk op deze vorm van criminaliteit geconcentreerd. (De gevraagde informatie-uitwisseling neemt niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief en in belang gestadig toe).

    Om de Lid-Staten te voorzien van actuele en nauwkeurige gegevens over het verschijnsel, heeft EDE het situatieverslag over de drugsproduktie en -handel in de EU opgesteld, dat gebaseerd is op jaaroverzichten van de Lid-Staten en informatie uit andere bronnen, zoals ICPO-Interpol, WCO, de Groep van Dublin, UNDCP en publieke bronnen. In het verslag wordt een beschrijving gegeven van de ontwikkelingen met betrekking tot de verschillende soorten drugs, de produktie- en doorvoerregio’s, de smokkelroutes naar en binnen de Unie, trends, statistieken, wetshandhaving en gebieden waarop de samenwerking inzake handhaving moet worden verbeterd. Uittreksel hieruit werden opgenomen in Enfopol 79 en Cordrogue 69 en op diverse internationale vergaderingen gebruikt–om de drugsituatie in de EU toe te lichten.

    MDMA of ecstasy, dat in de jaren ’80 zorgde voor een populaire vorm van drugsmisbruik in de Lid-Staten, is nu een vast bestanddeel van de jongerencultuur geworden. Op de meeste ecstasypillen komt een logo, een bepaald merk voor. Op initiatief van de Hoofden van de Nationale Europol-Eenheden heeft EDE daarom het Logo Project opgezet : een databanksysteem (waarin voorlopig geen persoonsgegevens opgeslagen worden) over de dimensionale kenmerken van ecstasypillen, zodat de wetshandhavingsinstanties eventuele verbanden tussen onderzoeken kunnen blootleggen om verdachten te identificeren en verbindingslijnen tussen vangsten en produktieplaatsen in kaart te brengen.

    Het project zou uitgebreid kunnen worden tot andere vormen van synthetische drugs en in samenwerking met de gerechtelijke laboratoria van het Europese netwerk aangevuld kunnen worden met een zuiverheidsindicatorproject.

    4.3. Illegale handel in radioactieve en nucleaire stoffen

    Voor de bestudering van dit probleem werd een kleine werkgroep opgericht, bestaande uit EVO’S, een analist en een lid van Planning en Ontwikkeling. Een eerste initiatief was een seminarie van twee uur, gegeven door twee hoogleraren van de universiteit van Delft en een officier van de Nederlandse recherche. In juni 1995 waren deskundigen uit vijf Lid-Staten, wier operaties hadden geleid tot de inbeslagname van nucleaire of radioactieve stoffen, in Den Haag aanwezig op een eerste contactvergadering met de werkgroep. Hierna vonden in de loop van 1995 contacten plaats met deskundigen van Euratom, ICPO-Interpol, WCO en de IAEA. Op 26 en 27 oktober 1995 vond in Den Haag een conferentie van de vijftien Lid-Staten plaats, waarop aanbevelingen werden gedaan voor de komende vergadering van de Hoofden van de Nationale Europol-Eenheden in januari 1996.

    In 1995 werd via EDE slechts eenmaal informatie uitgewisseld over criminaliteit. In tegenstelling tot wat de drughandel betreft. werden in dat jaar in de EU slechts tweemaal nucleaire of radioactieve stoffen in beslag genomen.

    4.4. Illegale immigratienetwerken en criminaliteit

    EDE is vaak betrokken bij de uitwisseling van informatie over criminaliteit waarbij illegale immigratienetwerken zijn betrokken. Van meet af aan leed het weinig twijfel dat deze illegale activiteiten alle Lid-Staten zouden kunnen treffen. Daarom deed zich de specifieke behoefte gevoelen aan een platform voor samenwerking inzake wetshandhaving op Unieniveau, los van de bestaande administratieve samenwerking met de steun van het CIBGGI. Dat EDE mogelijkheden biedt om de wetshandhaving te ondersteunen ter bestrijding van criminaliteit waarbij illegale immigratienetwerken zijn betrokken, blijkt hieruit dat het betrokken is bij een onderzoek dat in 1995 tot 22 arrestaties heeft geleid. In deze zaak van mensensmokkel, vooral uit India via Oost-Europa naar diverse Lid-Staten, heeft EDE analytische steun op operationeel niveau geboden. De migranten werden naar het Verenigd Koninkrijk, en van daaruit meestal naar Noord-Amerika gebracht. Tijdens het onderzoek werd informatie uitgewisseld tussen zes Lid-Staten. De betrokken Lid-Staten werden uitgenodigd voor een vergadering bij EDE om de verdere ontwikkeling in deze zaak te bespreken en met de verschillende autoriteiten na te gaan hoe in de toekomst kan worden samengewerkt.

    Om de rol van EDE op dit gebied te omschrijven werd een Projectteam Illegale lmmigratienetwerken opgezet, bestaande uit vertegenwoordigers van zes Lid-Staten die zich hiervoor hebben aangemeld (België. Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland en Spanje), en ondersteund door EDE-personeel. De Italiaanse en de Spaanse vertegenwoordiger werden door hun Nationale Eenheid voor drie maanden bij EDE gedetacheerd. De vertegenwoordigers uit België, Frankrijk, Duitsland en Nederland woonden de tweewekelijkse vergaderingen bij EDE bij. De werkzaamheden van het Projectteam hebben geresulteerd in een verslag en een overzicht, waarin beschreven wordt wat het actieterrein van EDE bij de bestrijding van illegale immigratienetwerken, met inbegrip van haar algemene taken en verantwoordelijkheden, zou kunnen omvatten. In het document wordt voorts de rol van EDE ten opzichte van die van andere organisaties en institutionele orgarien behandeld en in de conclusies en aanbevelingen staan verscheidene suggesties voor zowel EDE als de Lid-Staten.

    4.5. Illegale handel in voertuigen

    De uitwisseling van informatie over illegale handel in voertuigen neemt gestaag toe. Een nieuwe werkgroep bij EDE zal de behoeften en verwachtingen bestuderen en de activiteiten van de bevoegde nationale instanties ondersteunen. Om overlapping met het werk van “Schengen” en “ICPO-Interpol” te vermijden legt EDE zich vooral toe op het bevorderen van bilaterale en multilaterale operaties.

    De Lid-Staten hebben het voortouw genomen om EDE te helpen bij het ontwikkelen van een systematische analyse van de informatie-uitwisseling, met als doel het verspreiden van inlichtingen en het samen met een aantal andere voorloperlanden, uitvoeren van een multilateraal gestolen-voertuigenproject. Op initiatief van een Lid-Staat vond in december 1995 bij EDE een operationele vergadering plaats over een specifieke modus operandi en criminele groeperingen. Deelnemers uit tien Lid-Staten woonden de vergadering bij om een zekere vorm van onderzoeks- of operationele activiteit mogelijk te maken via informatie- uitwisseling en EDE-analyse.

    4.6. Witwassen van illegale opbrengsten

    De informatie-uitwisseling op dit gebied neemt slechts traag toe. Gezien de uitgestrektheid van het geografische gebied waarin de georganiseerde misdaad zich afspeelt, de internationale connecties van sommige criminele organisaties en de aard van de nationale en internationale kapitaalbewegingen, vereist de bestrijding van het witwassen van misdaadgeld een wereldwijde aanpak.

    Om meer inzicht te krijgen in het verschijnsel heeft EDE in overleg met deskundigen uit diverse Lid-Staten een strategie inzake witwassen en goederenbeslag uitgestippeld, die het volgende omvat :

    • ondersteuning van lopende internationale onderzoeken naar witwasoperaties
    • uitwisseling van informatie met het oog op goederenbeslag
    • ontwikkeling van speciale projecten.

    Als onderwerp voor een speciaal project werden de wisselkantoren geschikt bevonden, omdat sommige Lid-Staten nu toegeven dat zij gebruikt worden om de opbrengsten van misdaad en drughandel wit te wassen. Er zijn tekenen dat het verschijnsel ook andere Lid-Staten tot handelen beweegt. EDE was en is betrokken bij de EU- wijde anti-witwasstrategie.

    In dit verband werd een aantal meer concrete doelstellingen op korte en middellange termijn in overweging genomen om bij te dragen tot de onderzoeken in de Lid-Staten naar witwasactiviteiten door middel van :

    • uitwisseling van operationele informatie ;
    • analytische ondersteuning ;
    • ondersteuning van de samenwerking tussen twee of meer Lid-Staten.

    Opvoering van het aantal beslagnames door :

    • het bijbrengen van meer besef in de EU inzake de internationale aspecten van het verschijnsel ;
    • het vergemakkelijken van de beslaglegging in de EU over de grenzen heen dankzij de uitwisseling van relevante informatie.

    Ontwikkeling van instrumenten die witwaspraktijken aan het licht kunnen brengen door :

    • vergelijking en analyse van verdachte transacties op EU-niveau
    • verzameling van financiële informatie uit alle informatie- en inlichtingenbronnen die nationaal en internationaal beschikbaar zijn
    • verbetering van het inzicht in het zwart-geldverkeer.

    Verbetering op operationeel en/of beleidsniveau van de basis voor de nationale besluitvorming inzake de verschillende aspecten van het witwassen via

    • totstandbrenging van een forum waar relevante informatie en ervaringen betreffende specifieke gevallen, criminele organisaties of strategische problemen kunnen worden uitgewisseld
    • lezingen en opleiding
    • strategische situatieverslagen.

    4.7. Uitwisseling van informatie ter ondersteuning van operaties en onderzoeken

    Sinds 1994 zijn de verbindingsofficieren steeds vaker door de nationale autoriteiten aangezocht voor de uitwisseling van informatie ter ondersteuning van grensoverschrijdende onderzoeken en operaties.

    Een voorbeeld van dit aspect van het EDE-werk is de wijze waarop een verzoek van de Britse douane, dat in het midden van de zomer binnenkwam via de Britse nationale Europol-eenheid is afgehandeld. Ter bevordering van het lopende operationele inlichtingenwerk werd gedurende langere tijd een mobiel toezicht uitgeoefend op een aantal verdachte voertuigen op hun reis doorheen vier Lid-Staten (Ierland, Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk), waarbij Britse douane-ambtenaren voor de bewijstechnische continuïteit zorgden met logistieke steun van de Britse verbindingsofficier binnen EDE. Deze operatie heeft geleid tot tien arrestaties in Zuidoost-Engeland en een vangst van 2.140 kg cannabis hars met een straatwaarde van ruim 7 miljoen Britse pond. Dit voorbeeld is een duidelijke illustratie van de manier waarop verzoeken om bijstand Aantal (Strategisch en operationeel)

    5 Jaaranalyses
    18 Primaire verzoeken
    841 Secundaire verzoeken

    Meer dan 80 % van de secundaire verzoeken werd binnen 24 uur behandeld.

    5.4. Analytische ondersteuning van nationale onderzoeken en operaties

    De analytische afdeling heeft in nauwe samenwerking met

    individuele EVO’s (onder het gezag van de Nationale Europol Eenheden) verder bijstand verleend in een aantal operationele onderzoeken. Belangrijke onderzoeken werden verricht voor het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Italië, Zweden en Portugal, waarbij telkens meer dan twee andere Lid-Staten betrokken waren. Zoals voorheen vindt de analytische ondersteuning niet alleen- binnen het EDE-gebouw plaats, maar ook – wanneer technisch advies, kennis en bijstand vereist zijn ter ondersteuning van een specifiek en gecompliceerd onderzoek en er behoefte is aan persoonlijke contacten met bevoegde nationale autoriteiten – in de Lid-Staten waar het onderzoek wordt uitgevoerd.

    5.5. Evaluatie van bedreigingen

    5.5.1.Algemene situatie in de EU

    In maart 1995 werd bij de Nationale Europol-Eenheden een uitvoerig discussiestuk ingediend waarin een beeld gegeven wordt van de criminele activiteiten in de EU en de bedreigingen die van criminele groeperingen uitgaan. Voor de opstelling van dit document werd gebruik gemaakt van vele bronnen, waaronder organisaties buiten de sfeer van de wetshandhaving en openbare bronnen. Het resultaat is een document dat handelt over alle aspecten van het uitgebreide mandaat van EDE, met een beschrijving per land van de voornaamste criminele verschijnselen waarmee dat land te kampen heeft. Het bevat ook een beschrijving van de bedreiging die uitgaat van landen buiten de EU en die de wetshandhavingsinitiatieven binnen de EU waarschijnlijk zal beïnvloeden. Tenslotte belicht het document de criminele groeperingen die de grootste bedreiging vormen voor de EU, namelijk Midden- en Oosteuropese groeperingen, mafia-achtige organisaties, Nigeriaanse criminele groepen, Triade-genootschappen. Turkse criminele groepen en criminele groepen uit het voormalige Joegoslavië. In het document worden aanbevelingen gedaan die een basis leveren voor de keuze van verdere EDE-projecten. Het resultaat was dat EDE van de Hoofden van de Nationale Europol-Eenheden de opdracht kreeg een diepgaand verslag te schrijven over de bedreiging door Midden- en Oosteuropese criminele groepen.

    5.5.2. Midden- en Oosteuropese criminele organisaties

    Deze studie belicht de bedreiging die voor de EU uitgaat van de Midden- en Oosteuropese criminele organisaties op twee belangrijke terreinen : de georganiseerde criminaliteit vanuit de voormalige Sovjet- Unie en Midden- en Oost-Europa en de grootschalige witwasoperaties vanuit de voormalige Sovjet-Unie naar de EU.

    5.6. Algemeen EU – situatieverslag over drugsproduktie en -handel

    Een uitgebreid overzicht van drugsproduktie en -handel, voor zover van invloed op de EU, werd in de tweede helft van 1995 voltooid ; het bevat de statistieken over 1994 inzake drugvangsten.

    5.7. Statistieken over drugsvangsten

    Het document met de statistieken over drugsvangsten zal jaarlijks worden gepubliceerd ; daarom is de analytische afdeling statistische gegevens over drugsvangsten in de EU blijven verzamelen. Rechtstreeks resultaat hiervan was een document over de drugsvangsten in de Lid-Staten tussen 1989 en 1994, dat opgenomen werd in het algemene situatieverslag over drugs. De samenstelling van de statistieken blijft echter moeilijkheden opleveren in verband met de uiteenlopende verzamelmethoden in de LidStaten. Een van de toekomstige taken op dit gebied is dat moet worden nagegaan of de vereiste gegevens niet volgens een standaardformaat kunnen worden ingezameld. Elke Nationale Europol-Eenheid heeft een voorstel in die zin ontvangen, maar tot dusver is geen formele procedure afgesproken voor methodologische consistentie in de EU bij de gegevensinzameling.

    5.8. Drugsprijzen

    In het betreffende halfjaarlijkse document wordt een overzicht gegeven van de grossier- en detailprijzen van drugs in de nationale valuta en in ecu.

    5.9. Conferentie van analisten en verdere ontwikkelingen

    Op 7 december 1995 vond de eerste EU-conferentie van analisten van criminele informatie plaats, met meer dan 80 afgevaardigden uit alle Lid-Staten en waarnemers van ICPO Interpol. Uit de grote verschillen in ervaring tussen deskundigen enerzijds en personen met weinig of geen ondervinding in informatieanalyse anderzijds, bleek dat er meer moet worden gedaan om de analyse op EU-niveau te stroomlijnen.

    5.9.1.Richtsnoeren voor analisten

    Diverse landen juichten de uitwerking van EU-analyserichtsnoeren toe ; gezien vooral de prestatie die ICPO- Interpol met de redactie van een eigen handboek geleverd heeft, is het immers zaak dubbel werk te vermijden. Met de opstelling van de richtsnoeren werd aan het eind van het jaar gestart.

    5.9.2. Analysebestanden

    Conform de Overeenkomst heeft de analytische afdeling methoden en een ontwerpregeling voor de analysebestanden ontwikkeld.

    5.10. Standaardisatie van software

    De analytische afdeling heeft thans vier kopieën van de wereldwijd gebruikte analytische software en maakt nog steeds

    deel uit van Europese gebruikersgroeperingen waar nieuwe produkten, technieken en softwaregebruik bediscussieerd worden. Andere software werd in overleg met de IT-afdeling beoordeeld, om uit te maken welke behoeften de afdeling na de ratificatie van de Overeenkomst zal hebben en hoe de gegevens dan in de analysebestanden zullen worden gebruikt. 5.11. Financiële analyse

    De afgelopen twaalf maanden was de analytische afdeling betrokken bij diverse groepen in de EU, met name de Nederlandse werkgroep financiële misdaadanalyse, die gemeenschappelijke technieken inzake financiële analyse tracht te ontwikkelen.

    6. EDE-assistentie bij de uitvoering van de Overeenkomst

    Na de ondertekening van de Europol-Overeenkomst heeft EDE in nauwe samenwerking met het Spaanse Voorzitterschap en het Secretariaat-Generaal van de Raad binnen de Groep Europol actief deelgenomen aan het opstellen van de diverse teksten ter uitvoering van de Overeenkomst. EDE legde de Groep een aantal documenten voor over zeer uiteenlopende onderwerpen. variërend van de eerste suggesties voor de zetelovereenkomst met de Nederlandse overheid tot een commentaar op de regeling die Spanje voor de analysebestanden voorstelt. Voor het financieel reglement en het personeelsstatuut legde EDE alternatieve ontwerp-teksten aan de Groep voor.

    In het tweede semester van 1995 werkte EDE in het redactiecomité van de Groep mee aan de opstelling van een compromisvoorstel voor een financieel reglement, waarvoor werd uitgegaan van de vier ter tafel liggende voorstellen. Hoewel nog niet op alle punten overeenstemming is bereikt, kreeg de tekst van het redactiecomité ruime bijval.

    7. Externe betrekkingen en vergaderingen

    Voor een nieuwe organisatie zijn externe betrekkingen van het hoogste belang. Via die betrekkingen kunnen de rol en de taken van EDE worden verduidelijkt, vooral in het licht van de hoge verwachtingen die sinds haar oprichting gekoesterd worden door internationale instanties buiten de Titel VI-regeling van het Verdrag betreffende de EU Niet minder belangrijk is dat zulke betrekkingen ook van invloed zijn op het EDE-beleid en ervoor zorgen dat overlapping met-soortgelijke internationale organisaties vermeden wordt en Europol zowel in de Nationale Eenheden als daarbuiten bekendheid krijgt.

    Deze betrekkingen hebben al de betrokken organisaties uiteindelijk een substantiële verbetering en wederzijdse opwaardering van het produkt opgeleverd.

    De externe referentiepunten voor EDE zijn uiteraard de Nationale Europol-Eenheden ; zij zijn de rechtstreekse gebruikers. het voornaamste werkinstrument en de ultieme ratio van EDE.

    De betrekkingen tussen EDE en de Nationale Europol-Eenheden hebben zich voortdurend ontwikkeld. De verwachtingen ten opzichte van de door EDE geleverde meerwaarde lopen uiteen van land tot land, en de bereidheid EDE-bemoeienis te accepteren is afhankelijk van de bereidheid een onderscheid te maken tussen de basisactiviteiten van EDE en die van ICPO/Interpol, samen met het bestaan van een goed uitgebouwd netwerk van drugsverbindingsofficieren (DLO’s) in de EU. Verscheidene Nationale Europol-Eenheden zijn geherstructureerd of gereorganiseerd en het bestaan van een goed georganiseerd en geïntegreerd Europolbureau is voor EDE van essentieel belang. Twee Lid-Staten zijn bezig de mogelijkheid van rechtstreeks contact tussen regionale wetshandhavingsinstanties en hun EVO’s in Den Haag uit te werken, op voorwaarde dat de Nationale Europol- Eenheid op de hoogte wordt gehouden en zich uiteindelijk bij het initiatief kan aansluiten. In verband met het werkterrein van sommige douaneautoriteiten en de nieuwe criminaliteitsterreinen van het uitgebreid mandaat rijst het probleem dat sommige gebieden buiten de bevoegdheid van een Nationale Eenheid (zoals voorzien in het Gemeenschappelijk Optreden) vallen. Daarom verschillen de regels voor de inlichtingendiensten en is de uitwisseling van inlichtingen binnen de EU niet gestandaardiseerd, hetgeen resulteert in uiteenlopende procedures om toegang te krijgen tot relevante inlichtingensystemen. De juridische leidraad voor informatie-uitwisseling is nog in behandeling, hoofdzakelijk vanwege het gebrek aan gemeenschappelijke EU-regels, behoeften en methoden die in de lijn van de oprichting van EDE liggen.

    Waar problemen spontaan optraden, heeft EDE de Nationale Eenheden geholpen bij het stroomlijnen van hun interne procedures. Hiertoe heeft EDE een geautomatiseerd controlesysteem ontworpen, dat na een proeftijd vanaf januari 1996 voor alle EVO’s operationeel is. Vier Nationale Europol-Eenheden, namelijk Spanje, Portugal, Nederland en Ierland, werden bezocht en handboeken met nationale voorschriften en bilaterale (EDE-Lid-Staat) regelingen werden voltooid. Deze bezoeken zijn nuttig gebleken met het oog op betere bilaterale betrekkingen.

    Belangrijke EDE-gebruikers zijn voorts de EU-Instellingen die binnen Titel VI van het Verdrag van Maastricht optreden. EDE is

    door een aantal ervan voor bepaalde activiteiten aangezocht. In enkele gevallen leverde dit een onduidelijke taakverdeling en EDE extra werk op. Als gevolg hiervan werd bepaald dat alleen de Groep Europol nieuwe taken aan EDE kan geven of doorsluizen. De Groep Europol werd in belangrijke mate geassisteerd met adviezen over bepaalde aspecten van de uitvoering van de Europol-Overeenkomst. Leden van de Directie en andere personeelsleden waren aanwezig op de vergaderingen van de Groepen Europol en Drugs en Georganiseerde Criminaliteit, waar documenten ter beslissing en/of oriëntatie ter tafel kwamen. Grote belangstelling genoot EDE vanwege de Commissie, met name van de Commissaris voor justitiële en binnenlandse aangelegenheden, mevrouw Anita Gradin. Zij bracht op 3 april 1995 een bezoek aan EDE en verzocht om medewerking aan de Conferentie over drugsbeleid in Europa (Brussel, 7-8 december 1995). Dankzij de bijdrage van EDE werd de conferentie, georganiseerd door Commissie, Europees Parlement en EU- Voorzitterschap, een groot succes. In verband met het nieuwe mandaat inzake immigratie verzoekt Commissaris Gradin de EDE nu mee te werken aan een conferentie over vrouwenhanden die eind 1996 moet plaatsvinden. Ingevolge het nieuwe mandaat waren er contacten met andere communautaire en Unieorganisaties zoals Euratom en CIBGGI.

    Zoals in elke politiële instantie van een democratisch land, is efficiënte controle in een EUcentrum voor wetshandhavingssamenwerking en informatie van het hoogste belang. Daarom heeft EDE bezoek gekregen van vertegenwoordigers van een aantal nationale parlementen (Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Ierland, Zweden) en van het Europees Parlement, die in het algemeen vonden dat EDE tot dusverre goed werk heeft geleverd. Tevens werden, conform het Gemeenschappelijk Optreden, nationale databeschermingsinstanties geassisteerd bij de controle op hun nationale bureaus bij EDE. De EDE-vertegenwoordigers (EVO’s, personeelsleden) namen herhaaldelijk deel aan nationale initiatieven ter verduidelijking van de rol van EDE in de verschillende Lid-Staten en aan diverse vergaderingen over wetshandhaving. De EDE-vertegenwoordigers waren op verscheidene vergaderingen en conferenties als waarnemer aanwezig om zoveel mogelijk expertise op te doen en dubbel werk te vermijden. Voorts vonden er verscheidene bilaterale contacten met diverse deskundigen plaats en werden extra vergaderingen belegd voor de opleiding van EVO’s op specifieke terreinen.

    Leden van de EDE-Directie en andere personeelsleden bezochten de Lid-Staten om er van gedachten te wisselen over de criminaliteit, de nationale verwachtingen en de wijze waarop de samenwerking tussen de nationale wetshandhavingsinstanties en EDE kan worden uitgebouwd. Ook werden zij als spreker op diverse conferenties en vergaderingen uitgenodigd. Telkens werd hierop met instemming van het Voorzitterschap ingegaan. EDE legt in de eerste plaats contacten met wetshandhavende (en soortgelijke) diensten om doublures te voorkomen. Daarnaast kan incidenteel contact met een andere wetshandhavingsinstantie noodzakelijk zijn om een project vooruit te helpen met het inwinnen van informatie die niet dadelijk beschikbaar is. EDE kan echter geen formele overeenkomsten aangaan of memoranda van overeenstemming ondertekenen met andere organisaties, zolang de Europol-Overeenkomst niet bekrachtigd is. EDE is zich ervan bewust dat het niet efficiënt zou zijn om eventueel op hetzelfde gebied gelijk op te werken met bepaalde organisaties en is daarom waar nodig overgegaan tot contacten en relaties met deze organisaties, in overeenstemming met de Groep Europol en/of het Voorzitterschap van de Groep.

    ICPO Interpol

    In aansluiting op de preliminaire vergadering van EDE en ICPO-Europol (oktober 1994) is er een vervolgvergadering geweest van de EDE-Directie en het Secretariaat-Generaal van ICPO-Interpol. Binnen de grenzen van het EDE-mandaat mochten EDE-waarnemers speciale ICPO-Interpolvergaderingen bijwonen. De Secretaris-Generaal van ICPO-Interpol en ICPO-Interpol-waarnemers hebben deelgenomen aan de vergaderingen van de Hoofden der Nationale Europol-Eenheden en aan andere EDE-vergaderingen. Ingevolge een verzoek van Stuurgroep werken de Hoofden van de Nationale Europol-Eenheden met steun van EDE aan strategieën om Europol en ICPO-Interpol onderling complementair te maken.

    De Werelddouaneorganisatie

    In de geest van de eerste contactbijeenkomst van EDE en WCO (september 1994) hebben beide organisaties, wanneer dit gewenst was, bij elkaar Vergaderingen bijgewoond. EDE-vertegenwoordigers hebben deelgenomen aan de WCO-conferentie voor Hoofden van Europese douane-inlichtingendiensten en een WCO-afgevaardigde heeft deelgenomen aan de vergadering van de Hoofden van de Nationale Europol-Eenheden.

    Organisaties van de Verenigde Naties

    EDE heeft ook als waarnemer (in haar hoedanigheid van regionale organisatie voor politiële samenwerking) deelgenomen aan een aantal activiteiten die op touw waren gezet door VN-organisaties die betrokken zijn bij de strijd tegen de illegale drugshandel en de internationale georganiseerde criminaliteit. Zo heeft EDE deelgenomen aan de derde vergadering van Hoofden van de Nationale Drugsbestrijdingsdiensten (HONLEA Europa (71) , die georganiseerd was door het Internationaal Drugsbestrijdingsprogramma van de VN (UNDCP) en tijdens welke de omvang van de drugshandel op regionaal niveau alsmede daarmee samenhangende criminaliteit en verschijnselen besproken werden. Op deze wijze heeft EDE uit de eerste hand informatie gekregen die buitengewoon nuttig is voor strategische analyses. Verder was EDE als waarnemer te gast op de vierde zitting van de Commissie Misdaadpreventie en Strafrecht (Wenen, 30 mei – 9 juni 1995) met het oog op een nauwere samenwerking op die gebieden waarvoor een gezamenlijke verantwoordelijkheid bestaat.

    Het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving

    De coördinator en een adjunct hebben een bezoek gebracht aan het EWDD in Lissabon om op een aantal werkterreinen, waaronder EU-drugsstatistieken, de samenwerking voort te zetten en te intensiveren. Toen het EWDD operationeel geworden was, heeft de Directeur met een aantal adjuncten een bezoek aan EDE gebracht om er in detail de criteria voor wederzijdse samenwerking vast te stellen.

    Andere instellingen

    Met betrekking tot de nieuwe gebieden van internationale georganiseerde criminaliteit vond ook een aantal informele contacten plaats met andere internationale organisaties, namelijk de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), het lntergouvernementeel Overleg inzake asiel-, vluchtelingen- en migratiebeleid (IGC) en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA).

    8.3. Financiën

    Op basis van het accountantsverslag heeft de Raad in juni 1995 het eindverslag over de uitvoering van de begroting 1994 aangenomen. Voor 1994 werd in totaal 1.397.751 ecu aan uitgaven op de gemeenschappelijke begroting goedgekeurd.

    In 1995 werd het resterende deel van de 14.500.000 ecu besteed die het gastland in 1994 beschikbaar had gesteld. Naar verwachting zal de gemeenschappelijke begroting voor 1995 vrijwel ongewijzigd worden uitgevoerd, nadat in juni 1995 kredieten waren toegevoegd in verband met de drie nieuwe Lid-Staten, alsmede voor ondersteuning en coördinatie. Er wordt echter een overschot van circa 10 % voorzien. Dit zal in mindering worden gebracht op de bijdragen van de Lid-Staten voor de begroting van 1997. In oktober keurde de Groep een overdracht van 50.000 ecu voor uitbreiding van telecommunicatiefaciliteiten goed en tegen het eind van het jaar heeft de coördinator nog een aantal kredieten binnen de begroting overgeschreven.

    In juni 1995 nam de -Raad de gemeenschappelijke begroting voor 1996 aan. Deze bedraagt ongeveer 4.997.000 ecu. Voorts werd de Raad in december verzocht zijn goedkeuring te hechten aan een aanvullende begroting voor 1996, zodat EDE kan beginnen met de ontwikkeling van het Europol-Computersysteem voor de postconventionele fase. Voor 1997 is voor dit project voorzien in een bedrag van 1,4 miljoen ecu, waarvan de helft voor het eerste semester zal worden uitgetrokken.

    In 1995 was het de eerste maal dat de coördinator namens de Nederlandse Minister van Justitie de Lid-Staten verzocht hun bijdragen te betalen en, zoals de Ministers hadden besloten, werd het overschot van 1994 bij uitzondering afgetrokken van de bijdragen voor 1995. De bijdragen voor 1996 werden in november ingevorderd ; het was de eerste maal dat dit voor het begin van het begrotingsjaar gebeurde. In oktober werden tijdens een beperkte vergadering van de Groep Begrotings- en Financiële Deskundigen de begrotingsvoorschriften en financieringsbeginselen voor EDE in de voorlopige fase doorgenomen. Conform het advies van EDE concludeerde de vergadering dat de bestaande regels niet gewijzigd hoefden te worden, maar dat het nuttig zou zijn in een bijlage te beschrijven hoe sommige voorschriften moeten worden uitgevoerd. Dit werd door de Groep goedgekeurd.

    Aan het begin van het jaar trad een geautomatiseerd financieel systeem in werking en thans wordt in overleg met het Nederlandse Ministerie van Justitie bekeken hoe EDE een meer autonome status kan krijgen en dus meer taken van het Ministerie kan overnemen. In augustus werd voorzien in de vacature van de hoge ambtenaar Financiën en om de snel groeiende werklast te kunnen bijhouden werd in december 1995 de aanwervingsprocedure ingezet voor het ambt van administratief assistent, dat vanaf 1996 op de begroting staat.

    8.4. Beveiliging

    Tot mei werd nog gewerkt aan de bouw en de renovatie van het Europol-gebouw. Vanaf januari werden door de Veiligheidsdienst 5.002 entrees van vaklui en van juni tot en met december 1.006 entrees van onderhoudspersoneel geregistreerd. Al deze personen (227) werden terdege gescreend.

    Tot en met december werd EDE door in totaal 3.271 personen bezocht.

    De Veiligheidsdienst registreerde 9 maal (vals) brandalarm. 4 gevallen van eerste hulp en 86 technische storingen ; er waren 514 kleinere problemen met de interne veiligheid van de lokalen. Om zijn taak naar behoren te verrichten moest het veiligheidspersoneel 5.200 overuren presteren. Het ziekteverzuim bedroeg slechts 4,2 % !

    In 1995 traden de toegangsvoorschriften, de nood- en veiligheidspiannen definitief in werking.

    8.5. EDE-gebouw

    Op 15 maart 1995 werden de nieuwe vergaderruimten officieel geopend en sindsdien vonden er 24 conferenties, vergaderingen en studiebijeenkomsten plaats.

    Het gebouw is nu volledig opgeknapt en EDE zal samen met de bevoegde Nederlandse instanties overgaan op routine-onderhoud. Eind 1995 zijn de begane grond en de eerste verdieping van het hoofdgebouw, alsmede het hele bijgebouw in gebruik. De tweede en de derde verdieping van het hoofdgebouw worden in reserve gehouden.

    8.6. Informatietechnologie

    Het IT-bureau was in 1995 voornamelijk op vier terreinen actief

    8.6.1.Interne ontwikkeling

    De voornaamste ontwikkeling was die van het computerprogramma “Informatieuitwisseling” dat de ELO’s bij hun dagelijkse werk van dienst moet zijn. Als neveneffect zal het ook de informatie beter beheersbaar maken en een duidelijker inzicht in de EDE-activiteiten geven.

    8.6.2.Opleiding/Assistentie

    Het grootste deel van het jaar hield een personeelslid zich full-time bezig met opleiding en assistentie. Alle nieuwe personeelsleden genoten een adequate opleiding en er werden extra cursussen voor specifieke doeleinden georganiseerd, zodat in 1995 in totaal 195 cursussen werden gegeven. lndividuele begeleiding naar gelang van de behoeften is hieronder niet begrepen. Alle cursussen werden gevolgd door een formele evaluatie, waaruit een grote mate van tevredenheid bleek. Er werden voorts opleidingen gegeven in de Nationale Eenheden in Denemarken, Ierland en België. Wegens de ontwikkeling van de informatie-uitwisseling kreeg het assistentie- en opleidingsteam in het tweede semester nieuwe taken : het ontwerpen van templates, automatiseringsprocedures en de organisatie van gebruikersvergaderingen.

    8.6.3. Systeem

    Het systeem is niet steeds perceptibel, maar het kan van essentieel belang zijn. Zowel de telefooncentrale als het netwerk is verbeterd (hard- en software) om de extra belasting aan te kunnen en een grotere betrouwbaarheid te bieden.

    De evaluatie van het proefproject “Reuters on-line press service” heeft ertoe geleid dat deze dienst opgenomen is in een permanente dienst voor zowel EDE als de Lid-Staten.

    Het basisprincipe van de documentatiedienst- blijft dat het geen bibliotheek in de traditionele zin van het woord is, maar eerder een ondersteunende dienst voor de operationeel gebonden activiteiten en dat het daarbij zwaar leunt op de documentatiecentra van de vijftien Lid-Staten die functioneren binnen de nationale wetshandhavingsstructuren. De documentatieafdeling kan exacter omschreven worden als een “hulpdienst die informatie uit publieke bronnen verstrekt”.

    9. Conclusies

    1995 was een druk jaar voor EDE. De werklast van de verbindingsofficieren nam gestadig toe, zowel door verzoeken van buiten als projecten in eigen huis. Het ondersteunend personeel stond onder grote druk tijdens de continue uitbreiding (van het personeel, de infrastructuur en de externe verplichtingen) van EDE. Tegen het eind van het jaar kwamen er zeer bemoedigende signalen van wetshandhavingsdiensten op onderzoekersniveau die erop wezen dat men steeds meer rekening houdt met EDE. Het wekt geen verbazing dat dit dikwijls gepaard ging met teleurstellingen en zelfs frustraties over de beperkingen die maken dat EDE niet volledig kan beantwoorden aan de verwachtingen van de onderzoekers.

    Afgezien van de juridische beperkingen, en dan vooral die in verband met de status en de gegevens, moet rekening worden gehouden met de opstelling van bepaalde autoriteiten, de positie van de Nationale Europol-Eenheden in de individuele landen en de verschillen tussen de nationale wetgevingen. Natuurlijk zullen niet al deze problemen worden opgelost met de bekrachtiging van de Overeenkomst, maar dat zal wel de allerbelangrijkste maatregel van de Europese Unie tegen de internationale georganiseerde criminaliteit zijn. In afwachting daarvan levert EDE een beperkte doch nuttige dienst die twee jaar geleden nog helemaal niet bestond en die zijn gelijke niet kent op het gebied van de samenwerking tussen wetshandhavingsdiensten.