• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Verdragswijziging

    Verdragswijziging RAAD VAN DE EUROPESE UNIE
    Brussel, 9 januari 2001 (16.01)(OR. en)
    5134/01  LIMITE EUROPOL 1 JAI 1

     

    NOTA
    Van: het voorzitterschap
    Aan: het Comité van artikel 36
    Betreft: Mogelijke wijzigingen van de Europol-overeenkomst en mogelijke uitbreiding van Europols bevoegdheden

    1. Inleiding Deze nota snijdt twee vragen aan: is er, met het oog op de effectieve uitvoering van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de conclusies van Tampere en het ontwerp-Verdrag van Nice, een wijziging van de Europol-overeenkomst nodig, en moet er een begin worden gemaakt met de discussie over de uitbreiding van de bevoegdheden van Europol?
    Hieronder volgt een kort overzicht van de mogelijke wijzigingen van de Europol-overeenkomst. Worden die wijzigingen nodig geacht, dan wordt voorgesteld dit te regelen in een protocol tot wijziging van de overeenkomst.

    2. Mogelijke wijzigingen van de Europol-overeenkomst ter uitvoering van Amsterdam, Tampere en Nice Overeenkomstig artikel 30, lid 2,van het Verdrag betreffende de Europese Unie bevordert de Raad – binnen een specifieke termijn na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam – de samenwerking via Europol in het bijzonder wat betreft (o.a.):
    a) specifieke onderzoeksacties door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, inclusief operationele acties van gezamenlijke teams waarvan vertegenwoordigers van Europol ter ondersteuning deel uitmaken, en

    b) maatregelen waardoor Europol de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kan vragen hun onderzoek in specifieke zaken te verrichten en te coördineren. Zowel in het in Wenen goedgekeurde actieplan (Actieplan nr. 43, punt 1, onder b) als in zijn conclusies van Tampere (Aanbevelingen nr. 43 en 45) gaf de Europese Raad te kennen de uitvoering van die taken als een hoge prioriteit te beschouwen. Deze vraagstukken worden ook vermeld in de strategie van de Europese Unie voor het begin van het nieuwe millennium (Aanbeveling nr. 13). a. Europol-ambtenaren in gemeenschappelijke onderzoeksteams Vorig jaar heeft de Raad een aanbeveling van de Raad aan de lidstaten aangenomen inzake de ondersteuning door Europol van door de lidstaten ingestelde gemeenschappelijke onderzoeksteams . In deze tekst, die gebaseerd is op artikel 30, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt uitdrukkelijk gesteld dat de aanbeveling beschouwd moet worden als een eerste stap in de uitvoering van aanbeveling 43 van de conclusies van Tampere. Ruimere ondersteuning door Europol-ambtenaren in gemeenschappelijke onderzoeksteams vergt een volgende, juridisch bindende stap. Eén van de mogelijkheden bestaat erin de Europol-overeenkomst te wijzigen.
    Hiertoe zou een nieuw artikel aan de Europol-overeenkomst kunnen worden toegevoegd, waardoor Europol-ambtenaren ter ondersteuning deel zouden kunnen uitmaken van gemeenschappelijke onderzoeksteams. In dit artikel kan ook vermeld worden onder welke voorwaarden de Europol-ambtenaren deel kunnen uitmaken van een team en welke activiteiten zij mogen uitvoeren. Er kunnen ook regels worden opgesteld voor het gebruik van informatie uit een overeenkomstig artikel 10 van de Europol-overeenkomst opgesteld werkbestand. Voorts kan bepaald worden dat Europol-ambtenaren alleen aan de gemeenschappelijke onderzoeksteams kunnen deelnemen in het kader van een overeenkomst tussen de directeur van Europol en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die deelnemen aan het team, en dat de voorwaarden voor deelname van de Europol-ambtenaren in de overeenkomst vermeld moeten worden.
    Bij een eventuele wijziging moet ook rekening worden gehouden met de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, meer bepaald met artikel 13 . b. Verzoeken van Europol aan de lidstaten om een onderzoek in te stellen

          Vorig jaar heeft de Raad een aanbeveling van de Raad aan de lidstaten aangenomen betreffende verzoeken van Europol om in specifieke gevallen een strafrechtelijk onderzoek in te stellen . In die aanbeveling, die gebaseerd is op artikel 30, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt de lidstaten verzocht de nodige aandacht te besteden aan de verzoeken van Europol om een onderzoek uit te voeren of hun onderzoek te coördineren.

     

        Er kan bekeken worden of de bevoegdheid van Europol om lidstaten te verzoeken een onderzoek in te stellen, moet worden vastgelegd, niet alleen in het Verdrag betreffende de Europese Unie en een aanbeveling, maar ook in een specifieke bepaling van de Europol-overeenkomst zelf. Hierin kan bepaald worden dat de verzoeken aan de lidstaten moeten worden gericht via hun nationale eenheden. Voorts kunnen de elementen van de onlangs vastgestelde aanbeveling in een nieuw artikel worden opgenomen, dat, met het oog op de formalisering van de procedure, op passende wijze moeten worden geherformuleerd. Hierbij kan ook rekening worden gehouden met de lopende besprekingen betreffende de doelstellingen van het nog op te richten Eurojust.

    c. Het ontwerp-Verdrag van Nice Het ontwerp-Verdrag van Nice voorziet in een wijziging van artikel 31, onder a), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en in een nieuw tweede lid voor datzelfde artikel. Krachtens die teksten dient de Raad de samenwerking via Eurojust te bevorderen. Wat Europol betreft, wordt in het nieuwe artikel 31, lid 2, onder b), uitdrukkelijk bepaald dat Eurojust gebruik moet te maken van de door Europol verrichte analyses.

    Eurojust moet beschouwd worden als een met de Europese Unie verbonden instelling in de zin van artikel 10, lid 4, onder 2), van de Europol-overeenkomst, hetgeen betekent dat mogelijke samenwerkingsovereenkomsten tussen Eurojust en Europol gesloten moeten worden in het huidige juridische kader voor dergelijke overeenkomsten. Als dat zo is, is het dan aangewezen om de noodzaak van samenwerking tussen Europol en Eurojust op een meer formele wijze in de Europol-overeenkomst te bevestigen?
    3. Europols bevoegdheden
    Sinds de ondertekening van de Europol-overeenkomst in 1995 is het vraagstuk van Europols bevoegdheden een vast onderdeel van de politieke agenda. De Raad heeft inmiddels verschillende wijzigingen van deze bevoegdheden goedgekeurd, onder meer met betrekking tot kinderpornografie, terrorisme, vervalsing – met name in verband met de euro-, en, onlangs nog, de verruiming van de taakstelling van Europol op het gebied van witwaspraktijken. De voorbije twee jaar zijn ook voorstellen ingediend om het mandaat van Europol eventueel uit te breiden tot milieucriminaliteit, cybercriminaliteit en fraude.

    De taakstelling van Europol is onlangs ook besproken in een vergadering van de Raad van Bestuur in Parijs, die gewijd was aan een globale visie op Europol. Daar bleek steun te zijn voor voorstellen die nog verder gaan dan de hierboven genoemde initiatieven. Het voorzitterschap wil hierop inspelen en een discussie op gang brengen over de uitbreiding van Europols bevoegdheden. Wat volgt, kan dienen als uitgangspunt voor die discussie.

    De internationale criminaliteit bestrijkt gebieden die niet onder de doelstellingen van de Europol-overeenkomst vallen. Criminelen laten zich duidelijk weinig aan Europols bevoegdheden gelegen liggen en begaan misdrijven waartegen Europol niet preventief kan optreden, en die het ook niet mag bestrijden. Niet alleen kan Europol niet optreden, het ziet zich ook verplicht het onderzoek stop te zetten wanneer de criminelen hun actieterrein verleggen van activiteiten die wél, naar activiteiten die niet tot zijn bevoegdheid behoren.

    In die context moet informatie betreffende criminele activiteiten die buiten Europols bevoegdheid vallen – als die informatie Europol überhaupt bereikt – beschouwd worden als overtollige en derhalve voor het onderzoek onbruikbare informatie. Dit betekent dat het onderzoek niet kan worden voltooid en dat Europols dienstverlening aan politie- en douaneautoriteiten wordt belemmerd.

    Als Europol de bevoegdheid zou krijgen om op te treden tegen ernstige vormen van internationale criminaliteit in het algemeen – nog steeds op basis van specifieke prioriteiten en binnen een vastgesteld organisatorisch en budgettair kader -, dan zou alle informatie ingewonnen en gebruikt mogen worden en zouden zowel Europol als de nationale autoriteiten daar versterkt uitkomen.

    Als de bevoegdheden worden uitgebreid, zal een aantal moeilijke kwesties aangepakt moeten worden (maatregelen in verband met het verwerken van persoonsgegevens); het voorzitterschap wil die problemen niet onderschatten, maar stelt voor de zaak alsnog te bespreken en daarbij uit te gaan van de volgende opties. Voor de eerste optie is wijziging van de Europol-overeenkomst nodig; voor opties 2 en 3 is een besluit van de Raad nodig, overeenkomstig artikel 43 van de Europol-overeenkomst.
    Optie 1 Europol behoudt zijn huidige bevoegdheden, maar die zijn niet langer beperkt tot specifieke vormen van criminaliteit.

    De huidige voorwaarden voor een optreden van Europol – ernstige vorm van criminaliteit, concrete aanwijzingen voor het bestaan van een criminele structuur en grensoverschrijdende dimensie – blijven bestaan. Als geen specifieke vormen van criminaliteit meer worden vermeld, zijn wellicht andere bepalingen nodig om het terrein af te bakenen, of moeten de begrippen “georganiseerde” of “ernstige criminaliteit” nader worden gedefinieerd. Hiertegen kan worden ingebracht dat artikel 2, lid 1, van de Europol-overeenkomst ook zonder die vermelding duidelijk genoeg is om de bevoegdheden van Europol af te bakenen. Optie 2 De huidige bevoegdheden van Europol blijven behouden, maar worden uitgebreid tot alle in de bijlage bij de overeenkomst vermelde vormen van criminaliteit.

    Zoals gezegd is in dit geval geen wijziging van de Europolovereenkomst nodig, maar wel een besluit van de Raad. Opgemerkt zij dat voor deze optie een – thans ontbrekende – definitie moet worden gegeven van de verschillende vormen van criminaliteit die in de bijlage bij de overeenkomst worden vermeld. Die definities moeten algemeen toepasbaar zijn, zodat optie 2 in de praktijk wellicht sterk op optie 1 zal lijken.
    Optie 3 Europol behoudt zijn huidige bevoegdheid, die alleen wordt uitgebreid tot milieucriminaliteit, fraude en cybercriminaliteit.
    Dit is een zeer beperkte aanpassing; mochten de twee vorige opties niet haalbaar zijn, dan kan dit beschouwd worden als een allereerste stap.  Optie 4 Europol behoudt zijn huidige bevoegdheid.
    4. Vragen voor het Comité

      Het Comité wordt verzocht een voorlopig standpunt in te nemen over de volgende vragen:
      •  moet de Europol-overeenkomst gewijzigd worden?
      •  zijn de hier voorgestelde wijzigingen wenselijk?
      •  moeten er andere wijzigingen overwogen worden?
      •  moet de bevoegdheid van Europol worden uitgebreid?
      •  is één van de voorgestelde opties bruikbaar?
      •  moeten er andere opties overwogen worden?