• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Visie van de EDE op de toekomst van Europol

    1. Inleiding

    In het werkdocument van de EDE wordt een visie gegeven op de toekomst van Europol zoals die nu wordt gezien na de ratificatie van de Overeenkomst en bij het naderen van de eenentwintigste eeuw. Na de goedkeuring en de ondertekening van de Europol-Overeenkomst (Brussel, 26 juli 1995) is het nu dringend noodzakelijk een blik vooruit te werpen op de mogelijke structuur van Europol en de manier waarop Europol een optimaal effect kan uitoefenen op de wetshandhavingsactiviteiten van de Europese Unie. Tijdens de Europese top in Florence op 21-22 juni 1996 maakte de Europese Raad de weg vrij voor ratificatie van de Europol-Overeenkomst. De voordelen van spoedige ratificatie en van erkenning van de pluspunten van Europol door zowel professionele wetshandhavers als het grote publiek, mogen niet worden onderschat.

    Men mag niet uit het oog verliezen dat Europol nog enige tijd aan veranderingen onderhevig zal zijn naarmate het zichzelf vorm geeft, zijn opdracht wordt uitgebreid tot nieuwe vormen van criminaliteit en nieuwe taken worden toegevoegd aan de bevoegdheidsomschrijving overeenkomstig artikel 2 van de Overeenkomst. De EDE heeft al enige ervaring met toenemende bevoegdheden, aangezien haar oorspronkelijk mandaat in maart 1995 aanzienlijk werd uitgebreid, terwijl dit mandaat meer recentelijk door het op 16 december 1996 door de Ministers van alle vijftien Lid-Staten ondertekende gemeenschappelijk optreden nog verder werd uitgebreid tot “mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen”.

    Europol zal zo worden ingericht dat een toegevoegde waarde wordt gerealiseerd ten opzichte van de bestaande vormen van en organisaties voor wetshandhaving. De alomvattende doelstelling blijft het behalen van optimale resultaten in de lijn van de onder punt 9 uiteengezette aspiraties en daarbij in de mate van het mogelijke overlappingen te voorkomen.

    In dit document wordt beschreven hoe Europol georganiseerd kan worden en hoe het zou kunnen functioneren om aan deze vereisten te beantwoorden ; het is bedoeld om de besprekingen over zaken als algemene controle, personeel, immuniteit en status gemakkelijker te maken. Men dient zich evenwel te realiseren dat een passende jaarlijkse begrotingstoewijzing van de Raad een belangrijke factor is om Europol zo doelmatig en efficiënt mogelijk te laten functioneren.

    De opvattingen en ideeën komen uit verschillende bronnen en alle Lid-Staten werd om een bijdrage verzocht. In deze derde herziene versie van dit document is rekening gehouden met de interne besprekingen in de schoot van de EDE en met de officiële schriftelijke amendementen die verscheidene Lid-Staten sedert de opstelling van de eerste versie, nu 18 maanden geleden, hebben ingediend.

    2. Politieke en juridische achtergrond De oorspronkelijke rechtsgrondslag voor de oprichting van Europol is het op 7 februari 1992 ondertekende Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Maastricht).

    Volgens artikel K.l.9 beschouwen de Lid-Staten, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie, de volgende gebieden als aangelegenheden van gemeenschappelijk belang :

    “… politiële samenwerking met het oog op het voorkomen en bestrijden van terrorisme, de illegale drughandel en andere ernstige vormen van internationale criminaliteit, zo nodig, met inbegrip van bepaalde aspecten van douanesamenwerking, in samenhang met de organisatie op unie-niveau van een systeem voor de uitwisseling van informatie …”

    In aanvulling op het Verdrag van Maastricht werd in februari 1992 politieke verklaring nr. 32 betreffende politiële samenwerking ondertekend. Deze verklaring behelst voor de Lid-Staten de verplichting tot samenwerking bij de uitwisseling van informatie en ervaring op onder meer de volgende gebieden : oprichting van databanken, bijstand bij vervolging, gecentraliseerde evaluatie van informatie, preventiestrategieën en maatregelen betreffende opleiding, onderzoek, criminalistiek en gerechtelijke antropometrie.

    Na de goedkeuring door de Staatshoofden en Regeringsleiders (Cannes, juni 1995) werd de Europol-Overeenkomst ondertekend door de Permanente Vertegenwoordigers van de vijftien Lid-Staten van de Europese Unie (Brussel 26 juli 1995). Verdere vooruitgang op de weg naar ratificatie werd geboekt tijdens de top in de zomer van 1996 (Florence, 21-22 juni 1996) en bij de ondertekening van het Protocol betreffende het Europees Hof van Justitie (Brussel, 24 juli 1996). De Britse regering ratificeerde de overeenkomst in december 1996 en verwacht wordt dat de overige 14 Lid-Staten, daartoe aangemoedigd door de conclusies van de Europese Raad van Dublin (13-14 december 1996) de ratificatieprocedure eind 1997 zullen hebben voltooid. Onder verwijzing naar de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, inzonderheid drugscriminaliteit, misdrijven tegen kinderen en mensenhandel, verklaarde de Europese Raad : “Europol dient te worden toegerust met effectieve bevoegdheden en dient hiertoe met de nationale autoriteiten samen te werken. Deze kwesties houden de burgers in alle Lid-Staten ten zeerste bezig en de Unie moet de middelen krijgen om op al deze gebieden doeltreffend op te treden.”

    Naar gelang van de uitlegging van de conclusies ontstaat een beeld van Europol als een organisatie die, zich verder ontwikkelt in het kader van de Overeenkomst dan wel door middel van wijzigingen in de Overeenkomst. Europol dient flexibel te zijn bij het vaststellen van prioriteiten en het toewijzen van middelen in antwoord op politieke ontwikkelingen. Zo werd tijdens de Europese Raad van Dublin in december 1996 ten aanzien van de georganiseerde criminaliteit besloten een groep op hoog niveau te belasten met “de opstelling van een alomvattend actieplan, met specifieke aanbevelingen”… en deze groep op te dragen “de georganiseerde criminaliteit in al haar aspecten te onderzoeken …” en “haar werkzaamheden tegen maart/april 1997 te voltooien.” Het actieplan kan gevolgen hebben voor de toekomstige rol van Europol. De doelstelling van Europol (artikel 2 van de Overeenkomst) bestaat erin de internationale samenwerking tussen de bevoegde instanties van de Lid-Staten met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van ernstige vormen van internationale criminaliteit doeltreffender te maken.

    Artikel 3 van de Overeenkomst bevat een uitgebreide lijst van de door Europol te vervullen taken. Tot de belangrijkste taken behoren : de uitwisseling van informatie tussen de Lid-Staten te vergemakkelijken ; informatie en inlichtingen te verzamelen, te compileren en te analyseren ; de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten te voorzien van informatie die voor hen van belang is en over de verbanden tussen strafbare feiten die aan het licht zijn gekomen ; het opsporingsonderzoek in de Lid-Staten te ondersteunen door de nationale eenheden alle relevante informatie te verstrekken ; geautomatiseerde gegevensbestanden bij te houden van de verzamelde informatie. Daarnaast heeft Europol ook nog de volgende taken : de vakkennis die in het kader van onderzoeksactiviteiten wordt gebruikt, te vergroten en te verspreiden, en van advies te dienen ten behoeve van opsporingsonderzoek ; strategische inlichtingen te verstrekken om een doeltreffende besteding op nationaal niveau van de voor operationele taken beschikbare middelen mogelijk te maken ; algemene verslagen over de verrichte werkzaamheden op te stellen.

    Voorts kan Europol volgens artikel 3, lid 3, van de Overeenkomst, afhankelijk van de personele en budgettaire mogelijkheden en binnen de door de Raad van Bestuur bepaalde grenzen, de Lid-Staten op hun verzoek met raad en onderzoek bijstaan op de onderstaande gebieden : opleiding van de leden van hun bevoegde autoriteiten, organisatie en uitrusting van deze autoriteiten, methoden van misdaadpreventie, alsmede methoden van criminalistiek en forensische technologie en methoden van opsporingsonderzoek. Het intergouvernementele karakter van Europol vloeit voort uit het Verdrag betreffende de Europese Unie en wordt uiteengezet in artikel 4 en artikel 5 van de Europol-Overeenkomst, die handelen over coördinatiemaatregelen.

    3. Ervaring in de periode voor de Overeenkomst

    3.1. Pluspunten

    Sedert de oprichting van de EDE heeft men zich een beeld kunnen vormen van de verschillende manieren waarop de wetshandhavende instanties van de Lid-Staten de voorzieningen van een Europese gecentraliseerde inlichtingendienst wensen te gebruiken. In die aanloopperiode is steeds duidelijker geworden welke voordelen het voor de wetshandhavingsinstanties van de EU-Lid-Staten heeft om een beroep te kunnen doen op een organisatie als Europol : geen taalproblemen bij de uitwisseling van informatie (de interne communicatie onder het personeel van Europol zal zonder moeilijkheden verlopen, terwijl met de Lid-Staten in alle officiële EU-talen zal kunnen worden gecommuniceerd) ;

    4. Taken

    • toegang 24 uur op 24 (de nationale eenheden van de Lid-Staten kunnen hun Europol-verbindingsofficieren – EVO’s – 24 uur per dag en 365 dagen per jaar contacteren)
    • expertise ter zake van de respectieve nationale wetten, procedures en praktijken op relevante misdaadgebieden ;
    • multidisciplinaire aanpak, aangezien Europol-personeel zal worden gedetacheerd door alle belangrijke wetshandhavende instanties van de EU ;
    • gebruikmaking van alle relevante gegevensbanken (ook als het gevoelige of vertrouwelijke gegevens betreft) in de Lid-Staten, binnen het kader van de nationale wetgeving ;
    • wetshandhavers van diverse wetshandhavende instanties uit alle Lid-Staten van de EU zullen naast elkaar werkzaam zijn en hun samenwerking wordt geïntensiveerd ;
    • kwaliteit van de verspreide inlichtingen dankzij veredeling van de oorspronkelijke informatie ;
    • inzicht in de behoeften op het gebied van wetshandhaving via een evenwichtige roulatie van EVO’s en andere beleidsfunctionarissen.

    Europol, dat functioneert binnen de derde pijler, biedt alle waarborgen inzake volledige democratische controle en levert de rechtsgrondslag voor samenwerking op het gebied van wetshandhaving.

    4.1. Inleiding

    In het algemeen bestaat de taak van Europol erin een belangrijke bijdrage te leveren aan de wetshandhavingsactiviteiten van de Europese Unie door ernstige internationale criminaliteit te bestrijden en internationale criminele organisaties uit te schakelen in gevallen waarin twee of meer Lid-Staten betrokken zijn bij een van de door Europol aan te pakken vormen van criminaliteit.

    Deze taak omvat diverse aspecten, zoals :

    • uitwisseling van informatie
    • inlichtingen
    • analyse
    • expertise
    • onderzoek en ontwikkeling (vooral op het gebied van methoden en technieken)
    • opleiding (waar passend).

    De werkzaamheden zouden in hoofdzaak plaatsvinden op twee terreinen, waarvan informatie respectievelijk inlichtingen de kern vormen. De EVO’s zullen zich in eerste instantie bezighouden met de uitwisseling van informatie tussen de Lid-Staten en Europol, alsmede met de coördinatie van de daaruit voortvloeiende maatregelen (artikel 5 van de Europol-Overeenkomst). De Europol-inlichtingenofficieren (Europol-inlichtingenofficieren werken uitsluitend in de binnendienst en hebben geen leidinggevende of operationele taak. Hun juridische status is die van “gemachtigd” of “aangewezen personeelslid”, zoals vermeld in de artikelen 8 en 10 van de Overeenkomst en op andere plaatsen. Tot hun taken behoren onder meer samenwerking met analisten en contacten met “derde Staten” en andere instanties, zoals bepaald in artikel 10, lid 4, en artikel 1 8. Zie ook punt 4.4.) zullen zich concentreren op inlichtingen die van belang zijn voor de EU en afkomstig zijn van derde landen.

    Voorts verzamelen, compileren en analyseren zij informatie en inlichtingen ; ondersteunen zij het opsporingsonderzoek met informatie en inlichtingen (artikel 3 van de Europol-Overeenkomst) en onderhouden zij contacten met externe instanties (artikel 7 van de Overeenkomst en volgende). Deze beide activiteitsterreinen overlappen elkaar in aanzienlijke mate.

    Europol ontwikkelt ook specialistische kennis over opsporingsprocedures en verleent advies over opsporingsonderzoeken, verstrekt strategische inlichtingen en stelt verslagen op over de verrichte werkzaamheden.

    Bovendien en voor zover het hiervoor de middelen en de toestemming krijgt, staat Europol de Lid-Staten met onderzoek en raad bij op de volgende gebieden : opleiding, organisatie en uitrusting, methoden van misdaadpreventie, alsmede methoden van criminalistiek en forensische technologie en methoden van opsporingsonderzoek (artikel 3 van de Europol-Overeenkomst). Deze taken zullen geleidelijk aan Europol worden toegewezen voor de meeste vormen van ernstige criminaliteit waarvoor de invloed van de georganiseerde criminaliteit zich op internationale schaal doet gevoelen.

    De verantwoordelijkheid om criminele organisaties te bestrijden ligt uitsluitend bij de nationale wetshandhavingsinstanties en Europol zal daaraan een toegevoegde waarde geven door bij te dragen tot een grotere doeltreffendheid van onderzoeken die de nationale grenzen overschrijden en uitdijen in een andere Lidstaat. Iedere Lidstaat heeft er dan ook belang bij Europol te gebruiken om deze verruimde vorm van samenwerking te vergemakkelijken, hetzij via informatie-uitwisseling, hetzij via analytische bijstand of het ondersteunen van lopend onderzoek. Overeenkomstig artikel 10 van de Overeenkomst zal Europol voor zover mogelijk zijn eigen inlichtingen genereren op basis van informatie en inlichtingen die van derde partijen zijn verkregen of het resultaat zijn van bij Europol verrichte analyses, en ook gegevensbestanden aanleggen waarin informatie en inlichtingen op project-basis worden bijeengebracht. Aldus zullen de autoriteiten van de Lidstaten kunnen beschikken over inlichtingenpaketten op basis waarvan zij kunnen besluiten met onderzoeken of operaties te beginnen. Dankzij dit EU-perspectief zullen de Lidstaten hun problemen, zowel op strategisch als op operationeel niveau, vanuit een bijkomende invalshoek kunnen bekijken.

    4.2. Het Europol-computersysteem

    Europol moet door de Lidstaten worden beschouwd als centrum voor inlichtingen en informatie over internationale georganiseerde criminaliteit. Binnen de door de Overeenkomst bepaalde grenzen zal Europol snel en veilig operationele, strategische, technische en andere informatie overeenkomstig artikel 3 van de Overeenkomst kunnen verstrekken. Deze informatie zal in de Europol-gegevensbestanden beschikbaar zijn of door Europol uit andere Lidstaten via de nationale eenheden of uit andere bronnen in Europa of elders in de wereld kunnen worden verkregen. Europol mag geen duplicaat worden van andere gegevensbestanden zoals die van ICPO/Interpol. de Werelddouaneorganisatie (WCO) en het Schengen-informatiesysteem (SIS). Er zal goed moeten worden nagedacht over de wijze waarop de gegevens overeenkomstig artikel 7 en artikel 18 van de Europol-Overeenkomst van derde Staten en instanties zullen worden ontvangen en aan die Staten en instanties zullen worden doorgegeven zonder het verbod op het verbinden van systemen (artikel 6, lid 2) te overtreden. Een afzonderlijke, gecodeerde e-mail-verbinding (elektronische post), die veiligheid biedt tegen een lage prijs, is een mogelijke oplossing.

    De toegang tot de informatiesystemen en het gebruik van de gegevens zullen onderworpen zijn aan de Overeenkomst en aan de nationale wetgevingen inzake gegevensbescherming. In de praktijk is het van belang dat de gegevens langs elektronische weg zo vlot mogelijk toegankelijk zijn met het oog op het operationele inlichtingenwerk, de opstelling van verslagen en het ondersteunen van de coördinatie van acties en onderzoeken via uitwisseling van informatie. Uit een oogpunt van snelheid en veiligheid is de informatietechnologie een cruciale factor voor het succes van Europol.

    Naast het in de Overeenkomst beschreven Europol-computersysteem komen er administratieve ondersteuningssystemen, die geen persoonsgegevens voor wetshandhavingsdoeleinden bevatten, maar die, zoals in alle moderne organisaties, mede zorgen voor een vlot en efficiënt beheer van financiële middelen. personeel, voorraden, en andere soortgelijke functies verrichten. Op deze aspecten wordt in dit document niet nader ingegaan. Belangrijker is dat er, voor zover de Overeenkomst zulks toestaat, persoonsgegevens zullen moeten worden bijgehouden over verdachte personen en andere personen die onder het mandaat van Europol vallen.

    Het Europol-computersysteem zal bestaan uit de drie bestanddelen die in artikel 6 en volgende worden beschreven.

    Het informatiesysteem (artikel 7 van de Europol-Overeenkomst) zal rechercheurs uit heel de EU in staat stellen om, via de nationale eenheden, snel te checken of er relevante gegevens voorhanden zijn over personen naar wie zij een onderzoek instellen of wier dossier zij behandelen. Het gaat om een gegevensbestand waarin onder nauwkeurig bepaalde voorwaarden informatie wordt opgeslagen over personen die zich bezighouden met (of ten aanzien waarvan het gerechtvaardigde vermoeden bestaat dat zij zich bezighouden met) vormen van criminaliteit die onder de bevoegdheid van Europol vallen. Dit behelst onder meer informatie over gebruikte methoden en lidmaatschap van criminele organisaties. Momenteel is dergelijke informatie alleen maar vlot beschikbaar indien de persoon die het voorwerp vormt van het onderzoek de aandacht heeft getrokken in hetzelfde geografische gebied of hetzelfde land als dat van de rechercheur. Elke gebruiker in de Lidstaten die recht van toegang heeft tot het informatiesysteem, zal toegang hebben tot alle daarin opgenomen dossiers (Zij zullen geen toegang hebben tot alle in elk dossier opgenomen informatie. Gebruikers binnen nationale eenheden zullen niet alle informatie te zien krijgen met betrekking tot bepaalde categorieën verdachten. Alleen hun EVO’s en andere hiertoe gemachtigde personeelsleden van Europol zullen toegang hebben tot alle gegevens (artikel 7, lid 1))

    Het is niet bekend hoeveel dossiers er zullen worden opgeslagen ; op basis van de tot nu toe door de Lidstaten verstrekte informatie zou het aantal dossiers kunnen schommelen tussen 50.000 en 1 miljoen. Zowel Europol als de nationale eenheden zullen dossiers kunnen invoeren in het systeem. Of een nationale eenheid dit wel of niet doet, hangt volledig af van de betrokken Lidstaat ; de omvang van het systeem wordt derhalve in hoofdzaak door de Lidstaten bepaald. Toch hoopt men overeenstemming te kunnen bereiken over criteria die leiden tot een vrij consistente benadering van gegevensinvoer en die resulteren in een gegevensbestand met een werkbare omvang.

    Het analysesysteem (artikel 10 van de Europol-Overeenkomst), met het daarbij behorende indexsysteem (artikel 11), zal zeer gevoelige gegevens bevatten over een relatief klein aantal criminele organisaties, sleutelfiguren en hun onmiddellijke handlangers, indien er ernstige wettelijke gronden bestaan om aan te nemen dat zij betrokken zijn bij bepaalde soorten criminele activiteiten.

    Alleen de analisten krijgen directe toegang tot het systeem, terwijl de EVO’s en andere gemachtigde personeelsleden alleen maar toegang krijgen als degene die de informatie heeft verstrekt, zijn toestemming verleent. Het systeem zal de behandeling en bestudering van gegevens door projectteams van analisten, EVO’s en andere gemachtigde personeelsleden gemakkelijker maken en hen in staat stellen om, in het belang van de Lidstaten en ter ondersteuning van de doelstellingen van Europol, passende ingrepen te verrichten en op bewijsmateriaal gebaseerde verbanden te leggen. Op het gebruik van dit systeem zal streng worden toegezien, waarbij de deelnemers op strikte “need to know”-basis zullen werken. Voorts zullen bij het gebruik te allen tijde de voorwaarden die vooraf zijn gesteld door degene die de betrokken gegevens heeft verstrekt, alsook de Overeenkomst en de desbetreffende regelingen in acht moeten worden genomen.

    Over het algemeen zullen de gegevens betrekking hebben op specifieke, reeds lopende projecten en onderzoeken. Gezien de aard van de georganiseerde criminaliteit zal het in vele gevallen om lange-termijnprojecten gaan. De gegevens zullen niet algemeen toegankelijk zijn. Er komt geen toegang tot het systeem van buiten Europol en zelfs binnen het Europol-gebouw zal de toegang streng worden beperkt. Analisten die met een bepaald project bezig zijn, zullen de gegevens betreffende andere projecten niet kunnen opvragen (tenzij en uitsluitend voor de zeer beperkte mate waarin zij toevallig ook aan andere projecten werken). Ook in dit geval is niet bekend voor hoeveel projecten of personen dergelijke analyses zullen worden verricht. Als Europol twee of drie jaar bestaat, kan worden gedacht aan één tot twintig projecten per Lidstaat (gemiddeld dus een totaal van plusminus vijftig) op elk gegeven tijdstip, met voor elk project één tot vijf analisten. Het systeem zou derhalve 100 á 150 analisten aan de slag moeten kunnen houden. Deze cijfers zijn gebaseerd op de ervaring van de bestaande nationale criminele inlichtingendiensten en werden geëxtrapoleerd voor de Europese Unie in haar geheel. Maar het feit dat momenteel een overzicht op Europees niveau ontbreekt kan erop wijzen dat er behoefte is aan meer Europol-activiteit ten aanzien van de georganiseerde criminaliteit. Vergelijkbare organisaties in de VS op het gebied van illegale immigratie, drugs en witwasoperaties (EPICL NDIC en FinCEN) hebben samen 300 analisten in dienst. Om in de Europese Unie bijvoorbeeld in 2000 nog maar de helft van dit aantal in dienst te kunnen nemen, zal ten laatste in 1998 moeten worden begonnen met een substantieel opleidings- en loopbaanontwikkelingsprogramma in de Lidstaten. in overleg met de EDE en vervolgens met Europol.

    Het indexsysteem wordt een beheersinstrument voor gebruik binnen Europol, bijvoorbeeld ter ondersteuning van besluiten uit hoofde van artikel 10, lid 7, en om de EVO’s te informeren over eventuele gegevens in het analysesysteem betreffende hun landen.

    Daarnaast zal het nodig blijven de EVO’s de faciliteiten ter beschikking te stellen om hun taken uit hoofde van artikel 5 te kunnen uitvoeren, onder meer toegang tot nationale informatiebronnen (dit is een ontwikkeling ten opzichte van de huidige EDE-situatie en zal beperkt blijven tot wat in het kader van de nationale wetgeving en praktijk van elke EVO mogelijk is).

    De EVO’s worden de belangrijkste gebruikers van het informatie-uitwisselingssysteem (infoEx), een gestructureerd e-mail-systeem dat zal worden gebruikt voor communicatie en voor het versturen van gegevens van de ene persoon naar de andere (of naar een groep personen). Tot met het oog hierop tijdelijk bewaarde gegevens krijgt niemand anders toegang.

    4.3. Taalproblemen in het computersysteem

    De talenkwestie wordt een heikel punt, aangezien het beginsel van één enkele werktaal niet is overeengekomen en ook niet in de Overeenkomst is opgenomen. De gebruikers van het informatiesysteem in de (huidige) 15 Lidstaten zullen wellicht maar één of twee talen beheersen. Zij verwachten dat de hun ter beschikking gestelde informatie begrijpelijk is. De informatie moet dus worden weergegeven in alle (thans 11) talen van de Europese Unie of in een werktaal die iedereen machtig is. Een mogelijk compromis is een klein aantal werktalen zoals bij ICPO/Interpol het geval is (In concreto heeft de Algemene Vergadering van Interpol beslist dat voor de nieuwe Interpol-systemen nog slechts één taal zal worden gehanteerd) Maar daarmee zijn de technische problemen voor het informatiesysteem nog niet van de baan ; de moeilijkheden zitten bij de vertaling, ongeacht of naar één of naar tien andere talen moet worden vertaald. Het zou kunnen dat het door de EG gesponsorde Linguanet-project (Doel van Linguanet is een veeltalige e-mail-faciliteit tot stand te brengen voor wetshandhavers met het oog op bilaterale, grensoverschrijdende uitwisseling van informatie. Linguanet zal zorgen voor de vertaling van boodschappen met gestructureerde indeling, maar niet voor de vertaling van algemene teksten met vrije indeling (zie daarvoor de latere verwijzing naar Aventinus) dat de problemen probeert aan te pakken van het veeltalige boodschappenverkeer in het kader van wetshandhavingsactiviteiten, een oplossing biedt voor het Europol- informatiesysteem, waarin het in de meeste gevallen om gestructureerde gegevens gaat.

    Binnen Europol zullen de gebruikers van het analysesysteem en andere personeelsleden werken met niet- gestructureerde teksten, die hoofdzakelijk in de (huidige 11) talen van de Europese Unie zijn opgesteld. Er zullen evenwel ook teksten in andere talen zijn, bijvoorbeeld verslagen en documenten betreffende onderzoeken. Die komen dan van Lidstaten, van andere landen en instanties, of zijn verkregen via toegang tot open bronnen. Veel van deze teksten zullen op papier staan. maar gehoopt wordt dat de meeste in elektronische vorm beschikbaar zijn.

    De aard van de beoordelings- en analysewerkzaamheden ter ondersteuning van criminele recherche brengt met zich mee dat het nodige bewijsmateriaal wellicht uit een verzameling van duizenden, soms zelfs tienduizenden documenten moet worden gehaald. Het is onmogelijk al deze documenten door vertalers te laten vertalen en evenmin kan worden verwacht dat alle personeelsleden van Europol over een uitgebreide talenkennis beschikken.

    In elk geval moeten technische hulpmiddelen ter beschikking worden gesteld die de gebruiker aanwijzingen geven over de aard van het onderwerp en de betekenis van sleutelwoorden, zodat de beslissing om het document al dan niet verder te bestuderen (en zo nodig te laten vertalen) op weloverwogen wijze kan worden genomen. Mogelijk kan het door de EG gefinancierde Aventinus-project, waarin dit specifieke probleem wordt aangepakt, een oplossing bieden. Zonder een dergelijke technische ondersteuning zal Europol heel wat minder doeltreffend zijn.

    4.4 De gebruikers van het Europol-computersysteem

    Bedoeling van dit punt is een beeld te geven van de wijze waarop het systeem zal worden gebruikt. Om een volledig beeld te geven zullen hier ook onderwerpen aan bod moeten komen die al elders in dit document worden behandeld.

    De gebruikers (in dit punt verwijst de term “gebruikers” alleen naar de personen die in hun dagelijkse werk gebruik maken van het Europol-computersysteem) in de nationale eenheden van Europol zullen ambtenaren zijn die in direct contact staan met het wetshandhavingspersoneel in hun Lidstaat en met hun EVO’s binnen Europol. De contacten vinden in de regel plaats via de telefoon of via e-mail. Waarschijnlijk zullen er binnen de nationale eenheden nog andere gemachtigde personeelsleden zijn die gegevens zullen invoeren of de door de Lidstaten in het in artikel 7 bedoelde informatiesysteem ingevoerde gegevens zullen verifiëren. Voorts zullen de Lidstaten wellicht een analist binnen de nationale eenheid toegang willen verlenen tot de gegevens van het informatiesysteem.

    De gebruikers binnen Europol zullen de EVO’s zijn, de analisten van Europol, de Europol-inlichtingenofficieren, leden van de Europol-directie, systeembeheerders en gegevensbeschermingsfunctionarissen. Op dit ogenblik valt moeilijk uit te maken op hoeveel gebruikers het systeem berekend moet zijn. Voor de analisten is al een cijfer tot 150 genoemd. Het aantal EVO’s varieert momenteel van één tot zes per Lidstaat. Enige expansie mag worden verwacht naarmate meer gebruik wordt gemaakt van Europol en nieuwe bevoegdheidsterreinen, met name terrorisme, worden toegevoegd. Zestig is in dit verband een redelijke schatting, hetgeen samen met de Europol-inlichtingenofficieren en andere personen neerkomt op zo’n 300 gebruikers in het Europol-gebouw.

    De terminals zullen moderne werkstations zijn, die toegang bieden tot het systeem en waarmee de gebruikers, afhankelijk van hun taak en machtiging. gegevens kunnen toevoegen, wijzigen, verwerken of analyseren, en ook normale kantoorwerkzaamheden kunnen uitvoeren (in de nationale eenheden kunnen hiervoor een aantal of alle terminals van het eigen, computersysteem van de nationale eenheid worden gebruikt, waarbij het Europolinformatiesysteem dan functioneert via een interface)

    Binnen elke nationale eenheid zullen gemachtigde personeelsleden de volgende taken kunnen uitvoeren :

    • het in ontvangst nemen en behandelen van verzoeken van een nationale wetshandhavende instantie in de Lidstaat die wil vernemen of het Europol-informatiesysteem gegevens bevat over een bepaalde persoon ; daartoe zullen deze personeelsleden het informatiesysteem ondervragen en binnen enkele seconden een antwoord krijgen ;
    • indien aanvullende informatie vereist is, zullen zij gebruik maken van het informatieuitwisselingssyteem (infoex) om boodschappen te versturen naar hun EVO’s in Den Haag en om het antwoord te ontvangen ;
    • indien de vraag wordt gesteld in het kader van een onderzoek dat leidt tot instelling van een multinationale analysegroep binnen Europol, kan infoEx ook worden gebruikt voor het doorsturen van de relevante gegevens van de Lidstaten naar Europol met het oog op hun invoering in het analysesysteem.

    Voorts zal binnen de nationale eenheid een gemachtigd analist (die ressorteert onder de Lidstaat en niet onder Europol) toegang kunnen krijgen tot het informatiesysteem om onderzoeken in de betrokken Lidstaat te ondersteunen (maar zoals eerder al vermeld zal de toegang tot de inhoud van bepaalde dossiers beperkt zijn (artikel 7, lid 1 )). Deze analist kan ook gebruik maken van de speciale terminal die hiervoor ter beschikking wordt gesteld om de resultaten van een in Europol uitgevoerde analyse op het beeldscherm weer te geven en te verfijnen in verband met de speciale behoeften van rechercheurs of gerechtelijke instanties in de Lidstaat (er zij op gewezen dat de analist de resultaten van de analyse alleen maar visueel zal kunnen weergeven nadat hierover overeenstemming is bereikt in de analysegroep van Europol, en dat het onder geen beding (juridisch of technisch) mogelijk zal zijn om toegang te krijgen tot de onderliggende gegevens die bij Europol worden bewaard).

    Binnen Europol zullen de EVO’s de voornaamste gebruikers zijn van het informatiesysteem en van lnfoex bij hun dagelijkse werk. Zij zullen gebruik maken van lnfoex voor de contacten met hun nationale eenheden, met Europol-personeel en met andere EVO’S, die op hun beurt ook lnfoex zullen gebruiken om met hun Lidstaten te communiceren. De EVO’s zullen toegang hebben tot het volledige gamma van gegevens in het informatiesysteem dat niet voor de nationale eenheden beschikbaar is.

    EVO’s zullen meewerken aan analyseprojecten. maar geen directe toegang hebben tot het analysesysteem. Ook de Europol-inlichtingenofficieren hebben toegang tot het informatiesysteem en kunnen lnfoex gebruiken voor de transmissie van gegevens betreffende hun werk in het kader van analyseprojecten of in verband met betrekkingen tussen Europol en “derde staten” of andere organisaties, bijvoorbeeld in geval van :

    • een verzoek om inlichtingen van een derde staat of andere organisatie dat (voor zover door de Overeenkomst toegestaan) wordt behandeld door het informatiesysteem te raadplegen of door het verzoek om inlichtingen via lnfoex door te zenden aan een EVO;
    • ontvangst van gegevens van een derde staat of andere organisatie. Ook hier wordt lnfoex gebruikt om de gegevens door te geven aan een EVO (normaliter voor verdere doorzending aan de Lid-Staat) of aan een analist voor invoering in het analysesysteem ;
    • werk in het kader van een analyseproject, om meer informatie te verkrijgen (bijvoorbeeld om na te gaan of een bij een analyse geïdentificeerd individu in het informatiesysteem bekend is), of om de resultaten van een analyse uit te werken en vervolgens door te geven via lnfoex.

    De analisten zullen voornamelijk binnen het analysesysteem werken. Zij zullen ook analyses maken van gegevens die uit het informatiesysteem zijn gehaald. Zoals hierboven vermeld zullen zij in voorkomend geval gebruik maken van lnfoex om gegevens te ontvangen of door te geven en de resultaten van hun analyses door te zenden. Om veiligheidsredenen zullen zij wellicht, naast hun normale werkstation, een fysiek daarvan gescheiden werkstation als terminal van het analysesysteem nodig hebben. In sommige gevallen zullen analisten of Europol-inlichtingenofficieren gegevens op grond van de gevoeligheid daarvan rechtstreeks van de nationale Europol-eenheden ontvangen (en niet via de EVO’s). De gegevens kunnen dan rechtstreeks in het analysesysteem worden ingevoerd door de analisten, of met dat doel via lnfoex worden doorgezonden door de Europolinlichtingenofficieren.

    De analisten gebruiken het analysesysteem om gegevens te verzamelen, te verwerken en te gebruiken om een opsporingsonderzoek te ondersteunen. Meer bepaald gebruiken zij het systeem om zichzelf te helpen om uit grote hoeveelheden gegevens bewijzen te verkrijgen van verbanden, betrekkingen of connecties waaruit conclusies kunnen worden getrokken betreffende criminele activiteiten (tot op zekere hoogte kunnen de analisten dat ook doen met de gegevens uit het informatiesysteem). De resultaten van die analyses zullen rechters. openbare aanklagers en wetshandhavingspersoneel (overeenkomstig de wetten en praktijken van de Lid-Staten) in staat stellen prioriteiten te bepalen bij hun operationele activiteiten en met name bij het verzamelen van bewijs in het kader van door Europol ondersteunde opsporingsonderzoeken.

    leder nieuw analyseproject wordt opgezet overeenkomstig artikel 12, waarbij onder andere het doel, de aard van de op te slane gegevens en de daaraan verbonden voorwaarden worden gespecificeerd. Naar verwacht zullen de gegevens worden verkregen overeenkomstig een (nog te definiëren) gegevensverzamelingsplan dat bij de vaststelling van het project wordt overeengekomen tussen Europol en de betrokken Lid-Staten. In dat plan zullen de prioriteiten voor het verzamelen van de gegevens worden bepaald.

    De discipline die een overeengekomen gegevensverzamelingsplan oplegt ten behoeve van een duidelijk omlijnde strategie, moet het risico beperken dat Europol onnodige en irrelevante gegevens verzamelt. Niettemin kan de hoeveelheid en de aard van de gegevens sterk uiteenlopen, afhankelijk van de behoeften van het project. Er kunnen grote hoeveelheden van bepaalde soorten gegevens zijn, die worden geschift, waarna het relevante materiaal eruit wordt gelicht en de rest onmiddellijk wordt gewist. Andere soorten gegevens die beperkter zijn, maar van cruciaal belang op de lange termijn, zullen voor de gehele duur van het project bewaard worden.

    Ook de projecten zelf zullen qua omvang en duur uiteenlopen. Sommige zullen slechts een paar weken duren, ter ondersteuning van een beperkt opsporingsonderzoek waarbij twee of drie Lid-Staten betrokken zijn. Andere zullen maanden of zelfs jaren duren, ter ondersteuning van grootscheeps onderzoek op lange termijn, waarbij verscheidene Lid-Staten betrokken zijn, naar goed ingevoerde criminele organisaties. De analisten verwachten daarom van een systeem dat het de flexibiliteit, de veerkracht en de capaciteit heeft om aan deze uiteenlopende eisen te kunnen voldoen.

    Afgezien van de EVO’S, de inlichtingenofficieren en de analisten hebben nog andere functionarissen bij Europol, met name van de Directie of in andere leidinggevende of ondersteunende posities, taken die toegang tot een of meer onderdelen van het systeem noodzakelijk maken. Die functies zijn onder meer :

    • de toewijzing van taken aan inlichtingenofficieren, analisten en anderen ;
    • het opzetten van en toezicht houden op analyseprojecten ;
    • beveiliging ;
    • financiële controle ;
    • gegevensbescherming ;
    • coördinatie van de EVO’s ;
    • coördinatie op bepaalde gespecialiseerde gebieden (bijvoorbeeld heroïne ; Russische mafia) ;
    • systeembeheer en -onderhoud.

    4.5. Inlichtingen

    De inlichtingenactiviteiten van Europol zullen voornamelijk gebaseerd zijn op de informatie en inlichtingen die beschikbaar zijn bij de wetshandhavingsinstanties van de Lid-Staten, en die overeenkomstig de Europol- Overeenkomst en de in het kader daarvan opgestelde reglementen toegankelijk zijn. De passende informatie en inlichtingen worden opgeslagen in het Europol-informatiesysteem en, ten behoeve van een specifiek project, in de werkbestanden voor analyse, die worden ondersteund door het lndexsysteem, waarbij strikt de hand wordt gehouden aan het beginsel “the need to know and the right to use”, in overeenstemming met de activiteiten en doelstellingen van Europol.

    Het inlichtingenproces met betrekking tot een bepaald project kan ertoe leiden dat daarbij bepaalde of alle wetshandhavingsinstanties en -organisaties van de Lid-Staten worden betrokken, en van die instanties kan alle beschikbare informatie via de nationale Europol-eenheden worden verkregen.

    De informatie en inlichtingen die Europol onder zich heeft, worden ontwikkeld door Europol-inlichtingenofficieren, analisten en EVO’S, die werken aan strategische of operationele projecten met betrekking tot de volgende vier voornaamste categorieën activiteiten :

    • jaarlijkse beoordelingen op de misdaadgebieden die onder het mandaat van Europol vallen, met speciale aandacht voor de problemen van de internationale georganiseerde criminaliteit ;
    • ad hoc-verzoeken om bijstand van wetshandhavingsinstanties van de Lid-Staten, om criminele activiteiten en wetshandhavingsproblemen van vooral operationele aard, maar in bepaalde gevallen ook van strategische aard, bijvoorbeeld nieuwe verschijnselen enz., in een Europees perspectief te plaatsen, waarbij de verschillende zienswijzen die iedere Lid-Staat huldigt, geëerbiedigd worden ;
    • intern geïdentificeerde onderwerpen, zoals opkomende trends, patronen, en belangrijke criminele activiteiten van bepaalde groepen ;
    • specifieke werkzaamheden ten behoeve van bepaalde groepen, zoals de Raad van Ministers in Brussel, de werkgroepen, de Raad van Bestuur. enz.

    De afdeling zal veel groter worden, aangezien er veel meer analisten nodig zullen zijn voor het toenemende aantal specifieke projecten naarmate het aantal gebieden waarvoor Europol bevoegd is, geleidelijk wordt uitgebreid. De afdeling moet ook flexibel genoeg zijn om te voldoen aan de behoeften van andere sectoren die bijstand behoeven, waarbij langlopende projecten met een specifiek doel vaak op heel lange termijn werken. Deze ontwikkeling van de analytische capaciteit komt overeen met wat gebeurt bij andere organisaties over de gehele wereld, die de deskundigheid van de analisten ten volle benutten.

    Om een evenwichtig werkmilieu tot stand te brengen kan de afdeling Misdaadanalyse zowel voor het analytische als het administratieve werk personeel van verschillende rangen omvatten, afhankelijk van de niveaus van vaardigheid en deskundigheid op inlichtingengebied. De taken van het administratief personeel omvatten werkzaamheden als het scannen van openbare informatiebronnen die voor een verzoek om inlichtingen relevant zijn, verwerking van gegevens en de professionele vormgeving van informatie en inlichtingen.

    Naast de analisten zijn de Europol-inlichtingenofficieren werkzaam. die ernaar streven in te spelen op en het initiatief te nemen tot projecten en studies van operationele en strategische aard, waardoor Europol een meer pro-actieve organisatie met specifieke streefdoelen wordt, die daadwerkelijk en doeltreffend aan de behoeften van de Lid-Staten kan beantwoorden. (overeenkomstig artikel 1 0, lid 2, van de Overeenkomst kunnen ook deskundigen van de Lid-Staten die de informatie hebben verstrekt, bij een analysegroep worden betrokken). Om dit proces te ondersteunen zullen er strikte richtsnoeren voor de interne werkprocedures komen, waarin de rol en de verantwoordelijkheid van de individuele personeelsleden van de afdeling Misdaadanalyse worden vastgelegd, om ervoor te zorgen dat de informatiestromen in overeenstemming zijn met de Overeenkomst en de reglementen. De behoeften van de LidStaten zijn te allen tijde van doorslaggevend belang en voor alle door Europol ondernomen projecten geldt dat de werkzaamheden alleen ondernomen kunnen worden als zij een “klant” hebben die op het resultaat ervan zit te wachten. Het stellen van prioriteiten en het uitwerken van een gedegen werkprogramma zijn van essentieel belang en dit vereist de actieve participatie en steun van alle autoriteiten die Europol om steun vragen.

    Zowel de analisten als de Europol-inlichtingenofficieren streven ernaar de gemeenschappelijke, in de gehele Europese Unie bestaande strategische en operationele kennis en deskundigheid op specifieke terreinen te vergroten door middel van hun dagelijkse werkzaamheden, waaronder specifieke projecten, alsook door middel van conferenties, opleiding en speciale studies. Het is van vitaal belang dat er naast genoemd personeel, specialisten op bepaalde gebieden van de criminaliteit worden ingeschakeld om te helpen met het opstellen van verslagen, zulks voornamelijk op basis van detachering, waarbij zij rechtstreeks onder een analist of een Europolinlichtingenofficier werken. Zij zullen dan de werkzaamheden van de EVO’s aanvullen om de punten van het werkprogramma en de doelstellingen van Europol te verwezenlijken.

    De steun door de afdeling Misdaadanalyse zal in de meeste gevallen worden gegeven in het Europol-gebouw, maar het kan soms nodig zijn dat de analisten met een onderzoeksteam samenwerken op de plaats waar het werk wordt verricht, en waar de inlichtingen beschikbaar zijn. Dat zal geschieden met medeweten en instemming van de nationale Europol-eenheid. De genoemde steun kan variëren van het volledig inschakelen van alle analytische diensten tot het louter verstrekken van advies, wanneer de kennis omtrent het operationele analysewerk in het betrokken land beperkt is. Als zij hun werk elders verrichten, hebben de analisten echter geen toegang tot het Europol-analysesysteem.

    4.6. Andere operationele steun/Steun bij onderzoek

    Europol staat de wetshandhavende instanties van de EU bij met centraal gelokaliseerde faciliteiten, onder meer door :

    • het samenstellen van een gecentraliseerde index met gedetailleerde verwijzingen naar de technische ondersteuninggfaciliteiten en deskundigheid die in de LidStaten beschikbaar zijn ;
    • lopend bilateraal en multilateraal onderzoek te steunen en te coördineren, met behulp van de specifieke technische faciliteiten van Europol. Deze faciliteiten kunnen variëren van eenvoudige computerterminals tot technische apparatuur die zo nodig wordt bediend door EVO’s en/of deskundigen die door Europol ter beschikking worden gesteld ;
    • EVO’s en personeelsleden van Europol de operationele teams waar nodig met hun specifieke vakkennis te laten bijstaan ;
    • de Lid-Staten bijstand te verlenen bij de uitvoering van andere bijkomende taken waarin de Overeenkomst voorziet, zoals de standaardisering van technische en forensische onderzoekmethoden overeenkomstig de vereisten van de nationale forensische laboratoria ;
    • vergaderingen en conferenties te beleggen waar de vertegenwoordigers van wetshandhavende instanties elkaar kunnen ontmoeten om hun problemen vanuit een EU-perspectief te bespreken, met inbegrip van operationele vergaderingen ter bevordering van een specifiek opsporingsonderzoek.

    Deze faciliteiten bieden een basis voor een meer doeltreffende en efficiënte samenwerking tussen de betrokken instanties.

    Voor de uitvoering van de hierboven uiteengezette taken zullen de reeds bij de EDE beschikbare faciliteiten moeten worden uitgebreid.

    4.7. Internationale samenwerkingsteams voor onderzoek en inlichtingen

    Een van de voornaamste taken van Europol is, de uitwisseling van informatie tussen de Lid-Staten te vergemakkelijken (artikel 3, lid 1, van de Europol-Overeenkomst) om het optreden van en de samenwerking tussen de wetshandhavingsinstanties van de Lid-Staten doeltreffender te maken (artikel 2, lid 1, van de Europol-Overeenkomst).

    Er zullen zich omstandigheden voordoen waarin de gecompliceerdheid en de schaal van een opsporingsonderzoek van dien aard zijn dat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten menen dat een optimale samenwerking, en met name een optimale uitwisseling van informatie, vooral in een zich snel ontwikkelende situatie, kan worden bereikt door sommige van hun rechercheurs tijdelijk op dezelfde plaats te laten werken als die van de andere betrokken Lid-Staten. Europol kan dan de fysieke omgeving en het deskundige personeel bieden, zoals analisten en, vooral, de EVO’S, die een formeel communicatiekanaal en toegang tot alle nodige faciliteiten bieden.

    Deze onderzoek- en inlichtingenteams zouden geheel onder het gezag van de nationale Europol-eenheden blijven ressorteren, en via de EVO’s nauw samenwerken met de betrokken Lid-Sta(a)t(en), en met de Europol- inlichtingenanalisten.

    Met instemming van de bevoegde nationale autoriteiten kunnen de teamleden hun werkzaamheden in voorkomend geval van hun kantoor in het Europol-gebouw naar de betrokken Lid-Staat of een derde land verplaatsen als dit het onderzoek ten goede komt. Tijdens hun werkzaamheden buiten het Europol-gebouw houden zij zich te allen tijde aan strikte procedures conform de eigen nationale richtsnoeren inzake wetshandhaving, ook al ressorteren zij administratief onder het Europol-Directoraat.

    Deze opzet lijkt geheel in overeenstemming te zijn met de conclusies van de Europese Raad van Dublin, waarin de Staatshoofden en Regeringsleiders voor Europol “operationele bevoegdheden om zich samen met de nationale autoriteiten .. in te zetten” verlangen.

    4.8. Advies en opleiding

    4.8. 1. Advies en onderzoek

    Naast zijn hoofdzaken kan Europol, indien het daar de middelen voor krijgt en binnen de door de Raad van Bestuur bepaalde grenzen, de Lid-Staten met raad en onderzoek bijstaan op het gebied van opleiding, organisatie en uitrusting en bovendien van methoden van misdaadpreventie, van criminalistiek en forensische technologie, en van opsporingsonderzoek (artikel 3 van de Europol-Overeenkomst).

    Om dit op een geloofwaardige manier en op het vereiste hoge niveau te doen, heeft Europol onderzoek- en adviesfaciliteiten nodig die naar behoren voorzien zijn van personeel en financiële middelen, zodat het de gespecialiseerde kennis kan ontwikkelen of vinden en het gewenste advies aan de Lid-Staten kan verstrekken overeenkomstig artikel 3 van de Overeenkomst.

    De EDE heeft al laten zien welke voordelen men heeft van een centrale wetshandhavingsorganisatie in de EU die onderzoek verricht naar zeer specifieke aspecten van criminaliteit. De Europese Raad heeft tijdens zijn bijeenkomst in Dublin in december 1996 het voornemen kenbaar gemaakt de Lid-Staten aan te moedigen de drugsproductie en -teelt binnen de EU te bestrijden. De EDE kreeg tot taak een handboek samen te stellen voor het opsporen van illegale drugsteelt en -productie.

    De door de EDE uitgevoerde projecten inzake een zuiverheidsindicatie voor drugs en inzake de chemische descriptie van drugs zijn andere voorbeelden van projecten die steeds meer hun nut bewijzen voor diegenen die opsporingsonderzoek op drugsgebied in de Lid-Staten verrichten.

    4.8.2. Opleiding

    De interne opleiding zal ten doel hebben ervoor te zorgen dat er bij Europol personeel beschikbaar is met de kennis, de vaardigheden, de attitudes en de waarden die zoveel mogelijk rechtstreeks en onmiddellijk van nut zijn voor de organisatie en dus voor de diensten die zij aan de Lid-Staten verleent. Deze interne opleiding wordt zodanig opgezet dat zij op een kostenefficiënte wijze voorziet in de behoeften van het gehele personeel, zowel gedetacheerd als in rechtstreekse dienst, met inbegrip van de EVO’s en de Europol- inlichtingenofficieren.

    Bovendien zal dit, aangezien de meeste personeelsleden van Europol te zijner tijd met hun verworven kennis en vaardigheden naar hun land van uitzending terugkeren, op de middellange tot lange termijn een nuttig effect op alle wetshandhavingsinstanties van de Europese Unie hebben.

    Wat de externe opleiding betreft voorziet het formele mandaat van Europol (artikel 3, lid 3, van de Overeenkomst) alleen in het verstrekken van advies, indien het daartoe de budgettaire middelen en de toestemming van de Raad van Bestuur krijgt. Het is aan de Lid-Staten om te besluiten of men, in overeenstemming met de verklaring van 1992 betreffende de politiële samenwerking, in dit opzicht verder moet gaan en of Europol een opleidingstaak moet krijgen.

    Het gemeenschappelijk optreden waarbij het concept van “centres of excellence” is ingevoerd (gemeenschappelijk optreden inzake het aanleggen en bijhouden van een repertorium voor specialistische bekwaamheden, vaardigheden en expertise op het gebied van de bestrijding van de internationale georganiseerde criminaliteit ten einde de samenwerking tussen de Lid-Staten van de Europese Unie op het gebied van wetshandhaving te vergemakkelijken (doc. 10810/96 van 28 oktober 1996), kan worden beschouwd als zo’n besluit om de EDE en logischerwijze dus ook het toekomstige Europol te belasten met een specifieke opleidingstaak. Bij dat gemeenschappelijk optreden wordt de EDE belast met de verantwoordelijkheid voor het aanleggen, bijhouden en verspreiden van een repertorium van specialistische bekwaamheden, vaardigheden en expertise op het gebied van de bestrijding van de internationale georganiseerde criminaliteit. Europol zou geen basisopleiding geven, omdat die al in de Lid-Staten wordt verstrekt. Indien men echter van mening zou zijn dat er met betrekking tot de gespecialiseerde werkzaamheden van het mandaat van Europol (bijvoorbeeld op het gebied van de uitwisseling van inlichtingen en informatie inzake ernstige internationale georganiseerde criminaliteit) een opleidingsrol voor Europol is weggelegd, dan zou Europol op verzoek van en in samenwerking met de LidStaten gebieden kunnen identificeren waarop behoefte bestaat aan een specifieke opleiding omdat men binnen de EU over weinig of geen vakkennis beschikt. Zo’n gespecialiseerde opleiding kan door Europol worden vergemakkelijkt door opleiders beschikbaar te stellen of aan te wijzen en door opleidingscursussen op deze behoeften toe te snijden. De opleiding zou zowel technieken als het gebruik van technische faciliteiten bestrijken, en zou zowel intern als extern kunnen worden gegeven.

    Er moet op worden toegezien dat het opleidingswerk niet de aandacht afleidt van de centrale taak van Europol, maar daar altijd rechtstreeks verband mee houdt en die ondersteunt.

    5. Samenwerking Om de internationale misdaad met een pán-Europese of wereldwijde dimensie aan te pakken, zal Europol met een hele reeks instanties banden moeten aanknopen ten einde efficiënt en doeltreffend te functioneren. Samenwerking met een groot aantal van de onderstaande organisaties zal ertoe bijdragen dubbel werk te voorkomen.

    Autoriteiten van de Lid-Staten

    De communicatie met de autoriteiten van de Lid-Staten zal normaliter via aangestelde EVO en/of de nationale Europol- eenheden verlopen. Van deze communicatiemethode mag alleen in buitengewone omstandigheden gebruik worden afgeweken, wanneer het om uiteenlopende redenen noodzakelijk is om, met toestemming van de nationale Europol-eenheid, rechtstreeks met organisaties/personen in contact te treden. Communicatie zal zeer vaak plaatsvinden via gecodeerde e-mail; en er zal overwogen worden een on-line verbinding tot stand te brengen tussen europol en de wetshandhavingsinstanties van de Lid-Staten die zich bezighouden met inlichtingen op speciale misdaadgebieden en die rechtstreeks elektronische verbindingen met Europol hebben. Er zou bijvoorbeeld kunnen worden overwogen Europol toegankelijk te maken via het SAGEM e-mail-systeem oor veilige communicatie van de EU (ingesteld en goedgekeurd door de Groep Terrorisme). Iedere regeling op dit gebied moet worden overeengekomen en goedgekeurd door de betrokken Lid-Staten. Dit geldt met name voor de uitwisseling van niet persoonsgebonden strategische gegevens en achtergrondinformatie.

    Andere EU-organen

    Andere EU-organen zullen steeds vaker met verzoeken bij Europol aankloppen. Vermoedelijk zullen deze verzoeken frequenter worden naarmate het aantal onder het mandaat vallende misdaadgebieden toeneemt en Europol over meer middelen kan beschikken. De Raad van Bestuur en de Directeur zullen de verzoeken van andere Europol-gebruikers (met name de Lid-Staten) en die van EU- werkgroepen en andere instanties zorgvuldig tegen elkaar moeten afwegen.

    De betrekkingen met het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving en andere EU-instanties (zoals UCLAF en DG III (precursoren)) zullen er over en weer op gericht zijn dubbel werk te voorkomen en de dienstverlening aan de gebruikers op te voeren. Wat de afbakening van de respectieve bevoegdheden betreft, stelt Europol zich op het standpunt dat kwesties inzake wetshandhaving door Europol worden behandeld.

    Derde landen

    Dank zij samenwerking met de wetshandhavende -organisaties van niet-EU-landen, in het bijzonder die welke zich zeer actief met criminaliteitsbestrijding op de onder het mandaat vallende gebieden bezighouden, zal Europol zijn gebruikers beter van dienst kunnen zijn. Van doorslaggevend belang is de vraag hoe de noodzakelijke banden het best kunnen worden aangeknoopt. Er kan bijvoorbeeld worden overwogen om dergelijke organisaties de status van waarnemer te geven, alsmede een bureau in de ambassades in Den Haag of zelfs in een apart gedeelte van het Europol-gebouw.

    Men zou er ook aan kunnen denken om inlichtingenofficieren van Europol te stationeren in derde landen waar het misdaadprobleem voldoende ernstig is om een EU-aanwezigheid te verantwoorden (in de vorm van één officier die in het EVO-netwerk van de EU-Lid-Staten zal worden opgenomen, zoals eind jaren ’80 al werd besproken in TREVI WG 111). Zo’n ontwikkeling zou zorgvuldig overwogen moeten worden, en de volledige instemming en medewerking van de Lid-Staten vereisen.

    Internationale organisaties

    Europol moet, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de derde pijler, formele betrekkingen aangaan met bepaalde internationale organisaties. Onderhandelingen over en ondertekening van formele overeenkomsten of verklaringen van intentie zullen noodzakelijk zijn om die betrekkingen hecht te maken (bijvoorbeeld met ICPO/Interpol en de WCO).

    Via onderhandelingen zou men wellicht ook een rechtstreekse on-line toegang kunnen krijgen tot potentieel bijzonder nuttige gegevensbestanden, zoals het Schengen-informatiesysteem (SIS) en te zijner tijd het Europees Informatiesysteem (EIS), de ASF van ICPO/Interpol en het WCO-gegevensbestand over in beslag genomen drugs.

    Dergelijke onderhandelingen zullen niet gemakkelijk zijn, gezien het moeilijke en gevoelige aspect van de wederkerigheid.

    6. Begeleiding en controle

    Zoals dat het geval is bij de politiële instanties van alle democratische landen, is ook bij een EU-centrum voor samenwerking en inlichtingen op het gebied van wetshandhaving de uitoefening van daadwerkelijke controle van essentieel belang. In het algemeen is het zo dat de kosten stijgen naarmate de mechanismen gecompliceerder zijn. Om effect te sorteren, moeten de controles eenvoudig, flexibel en permanent zijn.

    De voornaamste taken met betrekking tot controle en begeleiding berusten bij de bij artikel 28 van de Overeenkomst ingestelde Raad van Bestuur. Voorts legt de Directeur aan de Raad van Bestuur rekenschap af over zijn ambtsuitoefening (artikel 29 van de Overeenkomst). Het is vanzelfsprekend essentieel dat de Raad van Bestuur van meet af aan door de Directeur volledig wordt geïnformeerd over de werkzaamheden van Europol.

    Artikel 24 van de Overeenkomst gaat over de oprichting van een gemeenschappelijk controleorgaan dat erop moet toezien dat de rechten van personen niet geschaad worden door de opslag, de verwerking en het gebruik van de gegevens waarover Europol beschikt. Met het oog op een zo groot mogelijke doeltreffendheid en efficiëntie van dit controlemechanisme, zou het secretariaat van het gemeenschappelijk controleorgaan idealiter gevestigd moeten worden in het Europol-gebouw in Den Haag.

    De bijeenkomsten van de hoofden van de nationale Europol-eenheden (artikel 4, lid 7, van de Overeenkomst) zullen extra begeleiding bieden in de vorm van advies, en deze bijeenkomsten worden van het allergrootste belang geacht om de Directeur van Europol bij te staan. Voorts dienen de afzonderlijke hoofden van de nationale Europol-eenheden met de Directeur een regelmatige dialoog te onderhouden op het punt van de coördinatie van gedetacheerd personeel.

    Een gedegen planning van het werk wordt verkregen door het volgende :

    • een algemeen verslag over de werkzaamheden van Europol gedurende het voorgaande jaar (het voortgangsverslag) waarin een evaluatie van de prestaties en de efficiency wordt opgenomen ;
    • een verslag over de toekomstige werkzaamheden van Europol, rekening houdend met de operationele eisen van de Lid-Staten en implicaties voor de begroting en het personeelsbestand van Europol (het werkprogramma). In dat verslag moet een duidelijk verband worden gelegd tussen de activiteit en de middelen en moeten de normen voor de prestaties en de doelstellingen worden bepaald ;
    • de financiële raming van Europol wordt opgenomen in het werkplan op de middellange termijn. Het jaarlijkse werkprogramma omvat details van geplande projecten waarom is verzocht door de Lid-Staten en die zijn besproken door de hoofden van de nationale Europol-eenheden ;
    • de artikelen 35 en 36 van de Overeenkomst gaan over de begrotingscontrole. In artikel 35 wordt met name het begrip “financieel controleur” geïntroduceerd, een ambtenaar die afkomstig is uit een officieel controleorgaan van een van de Lid-Staten. Er zij op gewezen dat de financieel controleur overeenkomstig het ontwerp van een financieel reglement dat in maart 1996 op ministerieel niveau voorlopig is goedgekeurd, toezicht houdt op alle ontvangsten en uitgaven, en de degelijkheid, adequaatheid en toepassing van systemen, procedures en daarmee verband houdende interne controles onderzoekt, evalueert en daarover verslag uitbrengt.

    7. Personeel

    Het personeel dat bij Europol werkzaam is, zal een uiteenlopende vakkennis, vooropleiding en arbeidssituatie hebben, namelijk :

    • personeel van wetshandhavende diensten (politie, douane enz.);
    • technici en wetenschappers (informatietechnologie, analyse, opleiding, enz.) ;
    • administratief personeel en veiligheidspersoneel (financiën, personeelszaken, logistiek, beveiliging, enz.).

    Het personeel van Europol wordt aangenomen overeenkomstig het op grond van artikel 30 van de Overeenkomst aan te nemen personeelsstatuut, waarin de verschillende categorieën personeel en hun arbeidsvoorwaarden worden gespecificeerd. Het is van essentieel belang dat men de aanwerving van officieren en ambtenaren van alle passende wetshandhavingsinstanties uit de gehele Europese Unie blijft aanmoedigen, om de beschikbare deskundigheid in huis te halen. De leden van de Directie worden door de Raad benoemd voor een periode van vier jaar en kunnen éénmaal worden herbenoemd. In het algemeen zullen de andere uit de gemeenschappelijke begroting betaalde personeelsleden door de Directie worden benoemd voor een bepaalde periode, van één tot vier jaar, en kan hun arbeidsovereenkomst éénmaal worden verlengd, met ten hoogste twee of vier jaar. Met het oog op de continuïteit kan het nuttig zijn om het personeel van bepaalde diensten (administratief personeel, informatietechnici en strategische analisten) na het verstrijken van de tweede arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te geven.

    Gedetacheerd personeel, zoals deskundigen, dat niet uit de gemeenschappelijke begroting wordt betaald, wordt, evenals de EVO’S, benoemd overeenkomstig artikel 5 van de Europol-Overeenkomst.

    8. Zetelovereenkomst, Protocol en bilaterale overeenkomsten betreffende de voorrechten en immuniteiten.

    De status van de organisatie, haar personeel en de EVO’s in het gastland en de 14 andere Lid-Staten wordt geregeld in drie verschillende juridische instrumenten : de zetelovereenkomst, het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten en bilaterale overeenkomsten tussen de Lid-Staten en het gastland. De voorrechten en immuniteiten die Europol, de leden van zijn afdelingen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden van de andere Lid-Staten in het gastland genieten, worden geregeld in de zetelovereenkomst, overeenkomstig artikel 37. In nauwe samenwerking tussen de Nederlandse autoriteiten en de EDE is een ontwerp van deze zetelovereenkomst opgesteld. De voorrechten en immuniteiten die Europol, zijn personeelsleden, de leden van zijn organen en eventueel andere groepen, zoals bezoekende deskundigen, op het grondgebied van de andere Lid Staten genieten, worden vastgesteld in het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten. De betrekkingen tussen het gastland en de EVO’s moeten worden geregeld in overeenkomstig artikel 41, lid 2, te sluiten bilaterale overeenkomsten.

    9. Opmerkingen tot besluit

    De eerste fase van het bestaan van de EDE heeft duidelijk de behoefte aan flexibiliteit aangetoond. Deze opvatting moet ook voor Europol worden gehuldigd.

    Het welslagen hangt af van een aantal factoren, niet in de laatste plaats van de kwaliteit van het beheer en van het personeel. Wij streven ernaar een milieu te scheppen dat dynamisch en innoverend is, waar het personeel zich gewaardeerd voelt en optimaal presteert.

    Dit document biedt een visie van een structuur en organisatie die, mits gesteund door de relevante toezichthoudende organen, de nationale Europol-eenheden en de Europese wetshandhavingsinstanties Europol in staat zal stellen om uit te groeien tot :

    • het Europese centrum voor de uitwisseling, ontwikkeling, analyse, samenwerking en ondersteuning op het gebied van criminele inlichtingen in verband met de internationale georganiseerde criminaliteit ;
    • een gebruiksvriendelijke dienst die het werk van rechercheurs in de Lid-Staten schraagt en daar een meerwaarde aan geeft ;
    • een gewaardeerde en gerespecteerde bron van advies aan regeringen en wetshandhavingsinstanties ;
    • een toonbeeld van doeltreffende internationale samenwerking, waar voor ons geld en een optimaal gebruik van middelen.