• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Harmonisatie in de praktijk

    Hoofdstuk 8

    Europees asielbeleid in de volgende eeuw

    Uit: Dossier Europa, Asielbeleid in 2000, Uitgeverij Papieren Tijger, september 1999

    Het valt niet te voorspellen wat de top in Tampere precies zal opleveren. Berichten wijzen erop dat de voorbereidingen traag verlopen en dat de tegenstellingen tussen de eu-lidstaten traditioneel hoog oplopen. Tegelijkertijd kan juist een Europese top verrassingen opleveren. Bij een Europese top schuiven de regeringsleiders aan – er wordt zaken gedaan op hoog niveau. Daar wil nog weleens een stevige koehandel plaatsvinden.
    Een bekend voorbeeld is de top van Essen uit 1994, toen premier Kok onverwacht akkoord ging met een uitbreiding van de bevoegdheden van de European Drugs Unit, de voorloper van Europol. Het Nederlandse parlement was maandenlang door de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken verzekerd dat dit niet zou gebeuren. Premier Kok en zijn topambtenaren van Algemene Zaken beslisten echter anders.


    Een tweede voorbeeld is de top van Florence (juni 1996), waar de Britse premier Major onverwacht zijn principiële verzet tegen een rol van het Europese Hof van Justitie in de Europol-overeenkomst opgaf. In ruil voor deze knieval kreeg Major de vurig gewenste opheffing van het exportverbod op Britse bse-runderen.
    Op een Europese top is in het geheel geen parlementaire invloed mogelijk. De beraadslagingen zijn geheim, in de nachtelijke uurtjes vinden afwegingen plaats waarvan alleen de insiders weten wie wat tegen elkaar heeft afgeruild, en na afloop kan een parlement hoogstens wat napruttelen. Europese toppen zijn de ideale plek om politieke doorbraken te forceren. Het thuisfront kan verteld worden dat onder de enorme druk van de andere lidstaten nationale posities niet langer verdedigbaar waren (er is toch niemand die dat kan controleren), of er kan een beroep worden gedaan op het grote goed van verdergaande Europese integratie, dat niet belast mag worden met veto’s. Maar het omgekeerde kan ook plaatsvinden: blokkade van de Europese besluitvorming uit binnenlandse politieke overwegingen of het tactisch inzetten van het vetorecht omdat de gewenste concessies nog niet binnen zijn.
    Pragmatisme

    De afgelopen jaren is wel duidelijk geworden welke kant het Europese asiel- en migratiebeleid op koerst. Het laat zich vooral zien in de houding die de lidstaten innemen ten opzichte van al dan niet vermeende vluchtelingencrises. De politieke posities die de lidstaten innemen in praktische situaties vormen het belangrijkste richtsnoer voor de verdere ontwikkeling van het Europese asielbeleid. Het langetermijnstreven blijft een vérgaand geharmoniseerd Europees asielbeleid, vastgelegd in bindende wetgeving. Maar voor het zover is, wordt vooral pragmatisch gedacht en gehandeld, om in ieder geval te kunnen optreden. Daarmee wordt tevens de politieke basis gecreëerd die later bezegeld kan worden in officiële overeenkomsten.
    De opstelling van de Nederlandse regering is een sprekend voorbeeld van een dergelijk streven naar ‘harmonisatie in de praktijk’. Den Haag ziet inmiddels in dat discussies over bijvoorbeeld een geharmoniseerd Europees toelatings- en verwijderingsbeleid decennia kunnen duren. Dit komt niet alleen door de belangentegenstellingen tussen de eu-lidstaten, maar ook omdat het asiel- en migratiebeleid nationaal gegroeid is in een wirwar van wetten, uitvoeringsregelingen, circulaires, definities en jurisprudentie.
    Je kunt heel lang abstract discussiëren over wanneer een land ‘veilig’ is en hoe een gezamenlijk Europees verwijderingsbeleid vorm moet krijgen, meent men in Den Haag, maar je kunt natuurlijk ook proberen het concreet eens te worden over een gezamenlijk beleid ten opzichte van één herkomstland. Op die manier voorkom je lastige Europese (én nationale) discussies, is geen enkele lidstaat gedwongen tot het doen van principiële concessies of lange termijnverplichtingen, en bereik je grotendeels hetzelfde doel.
    Nederland gaf met haar voorstel tot de oprichting van de `High Level Working Group’, en de daarbij horende taken, dan ook niets minder dan een concrete invulling van vrijwel alle elementen die op een iets abstractere manier in het beruchte Oostenrijkse document staan.
    Toch is het de vraag of de Nederlandse opzet zal slagen. De ‘geïntegreerde, pijleroverstijgende aanpak’, waarvan zowel het Nederlandse als het Oostenrijkse voorstel uitgaat, kan ook als een vlucht naar voren gezien worden. Op het terrein van de buitenlandse betrekkingen zijn de onderlinge verschillen tussen de Europese lidstaten nu niet bepaald minder dan op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken, om het voorzichtig te zeggen.
    Het ontwikkelen van gezamenlijk beleid waarin én economische relaties, én ontwikkelingsrelaties, én diplomatieke relaties, én migratiebeleid, én asielbeleid én praktische, operationele samenwerking moeten samenkomen, staat garant voor evenzoveel potentiële conflictstof.
    Illegale uitreis

    Voor een kritische analyse van de ‘geïntegreerde aanpak’, die nu als een mantra door de Europese asielwerkgroepen zingt, is het nodig om ook andere discussies bij het asielbeleid te betrekken. Want wat wordt er verstaan onder ‘economische samenwerking’, ‘ontwikkelingssamenwerking’ en andere fraaie woorden? Deze formules kunnen makkelijk als schaamlap dienen om verdere inperking van het asielrecht te legitimeren. Mensen hoeven niet uit dat en dat land te vluchten, want we hebben zulke mooie economische en politieke hulpprogramma’s voor die landen afgesloten, zal de redenering snel worden.
    De vraag hoe die economische ‘samenwerking’ precies uitpakt, en in wiens voordeel het eigenlijk is, zal snel sneuvelen onder het neoliberale dogma dat vrijhandel en buitenlandse investeringen uiteindelijk aan iedereen ten goede komt.
    Hetzelfde geldt voor de politieke ‘dialoog’, of het verbeteren van de mensenrechten. Steeds vaker en steeds makkelijker stellen politici en beleidsmakers dat onder de asielzoekers eigenlijk nauwelijks meer ‘echte’ politieke vluchtelingen zitten. Het zit dus eigenlijk wel goed met de mensenrechtensituatie in de wereld, is de onvermijdelijke conclusie. Vluchten hoeft niet meer.
    Het is dan ook belangrijk om in het oog te houden dat de politieke dialoog en economische samenwerking die wordt voorgesteld, als voornaamste doel heeft de herkomstlanden te dwingen behulpzaam te zijn bij het verwezenlijken van de migratiedoelen van de Europese Unie. Vrij vertaald: de Europese Unie rammelt met de geldbuidel om herkomstlanden ertoe over te halen, dan wel te dwingen, hun landgenoten binnen de grenzen te houden en mee te werken aan de terugkeer van gevluchte landgenoten.
    Dit kan door de mensenrechtensituatie te verbeteren, maar het kan ook door de grensbewaking te versterken. Eén van de opdrachten van de Europese migratiedeskundigen, die in opdracht van Schengen de Balkanlanden bezochten aan de vooravond van de Kosovo-crisis, was om de lokale autoriteiten te adviseren over het tegengaan van de illegale uitreis uit hun land. Ook de Europees-Turkse samenwerking als gevolg van de ‘Koerden-crisis’ stond voornamelijk in dat teken: zorg dat Koerden niet vanuit Turkije de overstap kunnen maken naar de Europese Unie.
    In feite staat het ook netjes te lezen in het Oostenrijkse strategiedocument: aan de oorzaken waarom mensen vluchten valt weinig te veranderen, maar tóch moeten de aantallen drastisch omlaag.
    Het kritisch volgen van het Europese asielbeleid wordt er niet makkelijker op, als het beleid ‘geïntegreerd’ wordt, maar in feite wordt verdeeld over talloze pijlers en werkgroepen, waarop nauwelijks controle mogelijk is. Hoe pakken de economische programma’s uit? Waaruit bestaat de politieke dialoog? Wat gebeurt er precies aan de grenzen waar de bewaking drastisch wordt opgevoerd?
    Gestaffelde veiligheidslinies

    De manier waarop de Europese Unie probeert te voorkomen dat vluchtelingen en migranten het oude continent bereiken laat zich inmiddels helder omschrijven. Europa hanteert, zoals het in Schengendocumenten staat geformuleerd, een `buitengrensbeveiliging als systeem van gestaffelde veiligheidslinies’.

    Aan de compenserende maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie en mensensmokkel mag niet pas uitvoering worden gegeven op het moment dat de illegale immigranten op het Schengengrondgebied binnenkomen; zij moeten reeds ver vóór de Schengenbuitengrenzen effect sorteren. Daarbij dienen in elk afzonderlijk beveiligingsstadium de dreigingen te worden afgewend die niet in een eerder stadium konden worden afgewend.

    Aldus verklaart een document dat als doel heeft de kandidaat-leden van de Europese Unie te informeren over de wijze waarop de Schengenstaten hun buitengrenzen beveiligen.(1)
    De ‘gestaffelde veiligheidslinies’ beginnen in de herkomstlanden en transitlanden, waar documentendeskundigen, illegale migratiebestrijders en pre-boarding checks moeten voorkomen dat de reis naar de Europese Unie überhaupt een aanvang neemt. Visa worden slechts vertrekt na uitvoerige bestudering door de consulaten, bij de vliegtuigen wordt gecheckt op valse papieren, en in samenwerking met de lokale autoriteiten van het land dat mensen willen ontvluchten proberen de Europese landen potentiële vluchtwegen af te sluiten.
    De tweede verdedigingslinie bestaat uit ‘intensieve controle- en bewakingsactiviteiten aan de buitengrenzen volgens eenvormige beginselen’, inclusief informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en operationele samenwerking. De derde verdedigingslinie bestaat uit ‘intensieve opsporings-, controle- en bewakingsmaatregelen in het gebied nabij de binnengrenzen’.
    De woorden ‘illegale immigratie’ en ‘mensensmokkel’ zijn hierbij essentieel. Want wat zijn ‘illegale immigranten’? Eigenlijk kan deze vraag alleen beantwoord worden, als een asielzoeker de Europese Unie heeft bereikt en in een (zorgvuldige) procedure is afgewezen. Dan zou je kunnen zeggen dat het om een illegale immigrant gaat.
    In beleidskringen wordt echter een andere benadering gehanteerd: iedereen die, waar ook ter wereld, aan de reis naar Europa begint zónder daarvoor toestemming te hebben, is een illegale immigrant. Hooguit kan later, na het doorlopen van een asielprocedure, blijken dat het gaat om een vluchteling ­ als een vluchteling tenminste die kans krijgt, want dat is de crux van de hele zaak.
    Het is een fundamenteel andere benadering. En voor de Europese lidstaten een noodzakelijke, omdat er anders geen rechtvaardiging bestaat voor de ‘gestaffelde veiligheidslinies’ die zijn opgeworpen ­ het is immers een recht om asiel te zoeken. Alom wordt toegegeven dat je nu eenmaal niet weet of iemand die ergens in een gammel bootje, met een vals paspoort, of achter in een vrachtwagen naar Europa reist, een ‘bonafide’ asielzoeker is of een ‘illegale immigrant’. Dus wordt ervan uitgegaan dat het om illegale immigranten gaat, tot het tegendeel bewezen is.
    Dat op die manier velen het vluchten onmogelijk wordt gemaakt, erkennen de beleidsmakers ook, maar men ziet dat als een soort jammerlijk bedrijfsongeval. ‘Dat is nu eenmaal de prijs die voor het restrictieve toelatingsbeleid moet worden betaald’, verklaarde bijvoorbeeld de directeur Algemene Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken, mr. H Siblesz.(2)
    Op vakantie

    Vanuit die benadering is het ook mogelijk om de Kosovaarse vluchtelingen als ‘illegale immigranten’ te zien, zoals de Schengen Taskforce deed. De Kosovaren hadden immers geen toestemming om naar Europa te komen. Ambtenaren van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken bevestigden dat, vóór de navo-bombardementen losbarstten, de Europese beleidsmakers besloten dat Kosovaren geen vluchtelingen waren, dus tegengehouden konden en moesten worden. Een beslissing die niet echt aan ambtenaren is, zeker als daar geen onafhankelijke rechterlijke toetsing op plaatsvindt.(3)
    Nu is het natuurlijk een gotspe van de eerste orde om te verwachten dat vluchtelingen hun reis op pakweg dezelfde wijze organiseren als een westerse toerist die zich aan de burelen van Holland International vervoegt. Paspoort niet vergeten? Visum in orde? Vakantiedagen van het werk opgenomen? Toestemming om het land te verlaten? Voldoende plastic geld op zak? Buren gevraagd op de kat en de planten te letten? Toch is dat de onderliggende ratio van het beleid.
    Eenzelfde Umwertung aller Werten vindt plaats zodra de term `mensensmokkel’ valt. Mensensmokkel laat zich vrij eenvoudig verklaren: doordat de Europese Unie vrijwel alle normale dan wel legale vluchtwegen afsluit, zien vluchtelingen zich gedwongen om de hulp van reisagenten in te roepen die de reis regelen. Als je het land uit wilt vluchten met een vals paspoort, maar bij een pre-boarding check door een Nederlandse marechaussee de vliegtuigtrap afgeduwd dreigt te worden, dan neem je een andere route, al dan niet met hulp van louche figuren.
    Ook hier gaan de Europese beleidsmakers van een andere benadering uit: ‘illegale’ immigratie wordt `veroorzaakt en op gang gebracht’ door mensensmokkelaars, zoals steevast in documenten staat. Ook deze benadering is noodzakelijk om de bestrijding van mensensmokkelaars te legitimeren. En mensensmokkel móét bestreden worden, want anders valt dat prachtige systeem van gestaffelde veiligheidslinies in het water. Uit allerlei onderzoeken blijkt dat asielzoekers die met hulp van een reisagent naar de eu zijn gekomen, net zo vaak in aanmerking komen voor een asielstatus als asielzoekers die op eigen houtje de reis zijn aangevangen. Dat zijn echter van die ongemakkelijke details die liever over het hoofd worden gezien.
    Opvang in de regio

    De Europese Unie vindt deze maatregelen echter nog niet afdoende. Wat steeds centraler komt te staan in het beleid is de ‘opvang in eigen regio’. Het is een vriendelijke term om hetzelfde te bereiken: geen vluchtelingen naar Europa. Er wordt in dit vertoog niet zozeer betwist dat mensen redenen hebben om te vluchten; wel wordt betwist dat ze Europa als vluchthaven zoeken. Dat is immers helemaal niet nodig, redeneren beleidsmakers: opvang en veiligheid kun je ook dichter bij huis zoeken.
    De Nederlandse staatssecretaris Kosto valt de eer ten deel als eerste het concept van opvang in de regio op de Europese agenda te hebben geplaatst. Kosto deed dat in 1993 tijdens een bijeenkomst van de Europese migratieministers in Athene. Kosto opperde het idee om asielverzoeken ook in dergelijke regionale opvangcentra te beoordelen. ‘Dit betekent dat alle asielzoekers teruggestuurd worden naar opvangcentra in hun eigen regio om hun asielverzoek aldaar te laten behandelen,’ hield de staatssecretaris zijn gehoor als wenkend perspectief voor.(4)
    De voordelen van opvang in de regio zijn voor de Europese landen evident. Het is goedkoper dan de nationale stelsels van opvang en behandeling, wordt alom gedacht. Er worden geen asielprocedures in gang gezet. Er worden geen tijdelijke of permanente verblijfsvergunningen verleend. Er zijn geen lastige juridische hulpverleners. Er zijn geen hinderlijke vrijwilligers of actiegroepen. Het probleem van verwijdering van afgewezen asielzoekers doet zich niet voor. Kort samengevat: de vluchtelingen zijn niet de directe verantwoordelijkheid van de Europese landen met alle bijkomstige beleidsproblemen en kosten.
    In plaats daarvan worden ­ in het geval van Kosovo ­ straatarme landen als Albanië en Macedonië en een aantal internationale organisaties verantwoordelijk voor de vluchtelingenopvang. Een situatie, zo wijst de ervaring uit, die jarenlang kan blijven voortbestaan. Om het land of de regio wordt een ijzeren ring gelegd van militaire troepen, in de vorm van een peacekeeping force, internationale waarnemers, of een internationale politiemacht. Zo wordt het conflict ingedamd en gecontroleerd. En, net zo belangrijk, worden de vluchtelingen in de regio gehouden.
    In verdere uitwerkingen van het idee van opvang in de regio, verdwijnt de mogelijkheid om er asiel aan te vragen naar de achtergrond. Het gaat meer en meer om tijdelijke bescherming in dergelijke opvangkampen, die `International Protected Areas‘ worden genoemd. In studies staan de voordelen opgesomd. Niet alleen kunnen ‘spontane’ asielzoekers voortaan massaal aan de Europese grenzen teruggestuurd worden, het schrikt ook migranten af die ‘het instrument van asiel misbruiken, omdat ze geen bescherming zoeken maar een betere levenstandaard’.
    Toch erkent de studie dat er nog wel wat haken en ogen zitten aan dit model. Want hoe ‘tijdelijk’ is tijdelijk? ‘Er is een zeker gevaar dat de instelling van International Protected Areas vooral een makkelijke manier is voor de internationale gemeenschap om vluchtelingen voor eeuwig in de regio “op te slaan”‘, vermeldt de studie. Een criticus die in de studie wordt geciteerd noemt het model van tijdelijke bescherming in de regio de creatie van ‘permanente vluchtelingenstaten’.(5)
    Flexibiliteit

    De reactie van de Europese Unie op de Koerden-crisis, en in versterkte mate op de Kosovo-crisis, stonden allebei in het teken van opvang in de regio. Ook het Oostenrijkse strategiedocument besteedt veel aandacht aan het thema. De hlwg heeft ook het onderzoek naar mogelijke opvang in de eigen regio in haar portefeuille zitten. Bovendien wordt er druk gewerkt aan ontheemdenregelingen in allerlei varianten. De Europese Unie kan nooit om elke conflicthaard in de wereld een ijzeren hek zetten, zoals het in Kosovo deed. Vluchtelingen uit oorlogssituatie zullen naar Europa blijven komen en voor hen zijn de ontheemdenregelingen in de maak. Ze hebben gemeen dat ze geen of veel minder rechten geven en dat ontheemden niet tot de asielprocedures worden toegelaten. Het is een variant op de meer ‘politieke’ invulling van het asielbeleid dat Oostenrijk voorstelde: tijdelijke bescherming en als de staat het mooi vindt geweest moet men weer terug, zonder aanspraak te kunnen maken op de juridische bescherming en waarborgen die asielprocedures bieden.
    De toverwoorden ‘flexibiliteit’ en ‘tijdelijkheid’ lijken definitief de overstap te hebben gemaakt van de economische sector naar de justitiële en mensenrechtensector. Het wachten is op het tijdelijke asielcontract of het tijdelijke ontheemdencontract. En net als in de economische sector is er slechts één partij die beslist of het contract wel of niet wordt voortgezet.

    Kosovo kan worden gezien als testcase van hoever het Europese ‘refugee-management‘ zich ontwikkeld heeft. Tal van instrumenten die sinds het Bosnië-conflict ontwikkeld zijn, werden voor de eerste keer grootschalig toegepast. Daarbij staat het eigenbelang voorop: er mogen geen vluchtelingen op grote schaal Europa bereiken. Het is voor de Europese lidstaten waarschijnlijk de doorslaggevende reden geweest om de Amerikaanse beslissing tot bombardementen over te gaan, te ondersteunen.
    De Europese strategie ten opzichte van de Balkan van afgelopen jaar was dan ook doordrenkt van dat doel. Niet de bezorgdheid om het humanitaire lot van de Balkanbewoners, niet het voorkomen van massamoorden of etnische zuivering, niet de economische ellende vormde de rode draad in het optreden. Het ging om vluchtelingenbeheersing.
    Eerst, toen Kosovaarse vluchtelingen met duizenden naar Europa trokken, door hen tot illegale immigrant te bestempelen en het Schengengrens- en visumregime aan te scherpen. Later, toen het conflict escaleerde tot een oorlog, door een ring van militaire troepen en een karavaan hulpverleners in de buurlanden te leggen, waardoor de Kosovaren in de regio werden gehouden.

    De Kosovo-oorlog en de opvang in regio wordt nu als een doorslaggevend succes verkocht. Daar zijn vele kanttekeningen bij te plaatsen, waarvan de voornaamste is dat vrede, democratie of bescherming van de mensenrechten geen stap dichterbij is gekomen. De haat staat voor generaties lang weer in hart en hoofd gegrift en de economische en politieke situatie is en blijft deplorabel. De Kosovo-aanpak verkopen als een succes vergt net zo’n propagandaslag als de legitimering van de oorlog zelf.
    Het laat ook zien hoever de Europese leiders willen gaan in het verhinderen van vluchtelingenbewegingen. Want het had ook anders kunnen uitpakken. Als de oorlog langer had geduurd en de vluchtelingen in de regiokampen hadden moeten overwinteren; als de vluchtelingenkampen aangevallen werden; als de broeierige situatie in de regiolanden tot ontploffing was gekomen; als Rusland zich anders had opgesteld.
    De top in Tampere en het beleid van de komende jaren zullen in het teken staan van de lessen van Kosovo. Dat betekent: proberen de puntjes op de i te zetten volgens de hierboven geschetste lijnen. Opvang in de regio, tijdelijke bescherming, vervolmaking van de gestaffelde veiligheidslinies, het inzetten van economische drukmiddelen tegen herkomstlanden om aan de migratiedoelen van de Europese Unie te voldoen.
    Dansen op de vulkaan

    De tegenstellingen tussen de Europese lidstaten zijn groot. Dat zet een rem op snelle harmonisatie van het asielbeleid. Deze tegenstellingen zullen ook niet plotsklaps als sneeuw voor de zon verdwijnen. Inmiddels heeft het gevoerde beleid, met al haar interne tegenstellingen en paradoxale dynamiek, wel een geweldspiraal in gang gezet.
    Er heeft een militarisering plaatsgevonden van het vluchtelingenvraagstuk. Er is een gigantisch repressieapparaat op poten gezet, dat zich over de hele wereld onledig houdt met de bestrijding van migratie. Militaire en politiële strategieën, tactieken en methoden worden ingezet om Fort Europa te beschermen. Daarbij vallen vele doden. Een Italiaanse patrouilleboot wil nog weleens een smokkelschip rammen, maar ook zonder de stuurmanskunst van de Italiaanse grensbewakers verliezen vele vluchtelingen en migranten het leven bij het maken van de oversteek.
    Anderen laten het leven tijdens wilde achtervolgingen bij de grensovergangen van Midden- en Oost-Europa. Weer anderen komen al te hardhandig in aanraking met het verwijderingsbeleid, dat tegenwoordig sussend ‘terugkeerbeleid’ moet worden genoemd ­ alsof je met een gebroken sleutelbeen wordt gerepatrieerd van een Zwitserse skipiste, omgeven door goedbedoelende hulpverleners.
    De meeste doden vallen echter ongezien, doordat wordt verhinderd dat ze een veilige vluchthaven kunnen vinden. Of ze sterven een langzame dood in de uitzichtloze opvangkampen die overal op de wereld, uit het zicht van de camera’s, een hardnekkig bestaan leiden. Opvang in de regio, de favoriete oplossing van de Europese Unie.
    De jaren negentig stonden in het teken van globalisering en internationalisering. Grenzen verliezen hun fysieke betekenis, zegt iedereen. De economie is globaal geworden, de macht van nationale staten verdampt, internationale politieke en economische structuren zijn ervoor in de plaats gekomen. We leven in een global village, waar iedereen met elkaar te maken heeft en er een wereldwijde verspreiding van ideeën, culturen en goederen plaatsvindt.
    De global village is echter opgedeeld in villawijken en sloppenwijken, geschieden door fysiek zeer tastbare grenzen die alomtegenwoordig zijn. De bewoners hebben vrijwel niets met elkaar te maken en het vrij verkeer van personen is voorbehouden aan zakenlieden, westerse toeristen en de kosmopolitische elite.
    Terwijl alom wordt gesteld dat overheden weinig meer in de melk te brokkelen hebben en het idee van nationale soevereiniteit is weggezet als een stoffig relict van de negentiende eeuw, houden diezelfde onmachtige overheden zich meer dan ooit bezig met de vraag wie er wel en niet op hun grondgebied mag verblijven.
    Terwijl deregulering, flexibilisering en privatisering als panacee voor alle kwalen worden gepromoot, het loflied wordt gezongen op de terugtredende of minimale staat, en de vrije, ongeremde circulatie van kapitaal, goederen en diensten de ruggengraat van het neoliberalisme vormt, gelden er plotseling geheel andere uitgangspunten als het gaat om het vrije verkeer van personen. Dan moet de staat plotseling het hele geweldsinstrumentarium uit de kast rukken en zo nadrukkelijk mogelijk aanwezig zijn.
    Nationaliteit is een van de allerbelangrijkste selectiecriteria in de jaren negentig, die te boek staan als triomf van de internationalisering. Of beter gezegd: westerse nationaliteit. Want de Spanjaard die in het Europa zonder grenzen een paar honderd kilometer reist om elders emplooi te vinden, wordt de hemel in geprezen als het schoolvoorbeeld van de moderne werknemer, die verantwoordelijkheid voor zichzelf neemt en doet wat volgens neoliberalen de motor van de geschiedenis is: het streven naar economische vooruitgang en welvaart.
    Iemand die, met hetzelfde doel voor ogen, een veel langere en risicovolle reis aflegt en daarbij een Europese buitengrens passeert, wordt verontwaardigd weggezet als een ‘economische’ vluchteling, een oplichter, een fraudeur. Iemand die vlucht voor politieke vervolging, burgeroorlog of geweld, wordt wantrouwend bekeken. Is het wel een ‘echte’ vluchteling? Kunnen we niet zo morrelen aan de verdragen dat deze vluchteling geen vluchteling meer is? En als we toch bescherming moeten geven, hoe kunnen we dat zo kort mogelijk houden? Met die uitgangspunten gaan de Europese beleidsmakers de volgende eeuw in. Het belooft een mooie eeuw te worden – voor een klein deel van de wereld.

    1. `Schengen-buitengrensbeveiliging als systeem van gestaffelde veiligheidslinies’, Nota van Werkgroep ‘Politie en Veiligheid’ aan de Centrale Groep, SCH/I (98) 86 herz. Brussel, 17 november 1998.

    2. De Volkskrant, 9 februari 1996.

    3. De ambtenaren verklaarden dit op een hoorzitting (mei 1999) in het kader van een beroepsprocedure tegen de afwijzing van een verzoek om op grond van de Wet op de Openbaarheid van Bestuur inzage te krijgen in Schengendocumenten over Kosovo. Tijdens deze hoorzitting verklaarden de ambtenaren van Buitenlandse Zaken ook dat een ieder als illegale immigrant werd gezien, tenzij het tegendeel van tevoren was bewezen. Men had in Schengenverband weleens geprobeerd onderscheid te maken tussen illegale immigranten en asielzoekers, maar gezien de problematische juridische definitie van ‘asielzoeker’, zijn die pogingen gestaakt en wordt voor het gemak de verzamelterm ‘illegale immigranten’ standaard gebruikt.

    4. `Speech by Dutch Justice State Secretary Aad Kosto at the Fifth Conference of European Ministers Responsible for Migration Affairs, Athens, 18-19 November 1993.’ Gepubliceerd in: `Working Paper on reception in the region of origin, Secretariat of the Intergovernemental Consultations on Asylum, Refugee and Migration Policies in Europe, North America and Australia.’ Genève, september 1994.

    5. `Working Paper on reception in the region of origin’, september 1994; `Reception in the region of origin, draft follow up to the 1994 working paper’, august 1995, Secretariat of the Intergovernemental Consultations on Asylum, Refugee and Migration Policies in Europe, North America and Australia, Genève.