• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • NRC: Bureau Racismebestrijding; Papieren strijd tegen dagelijkse discriminatie

    NRC Handelsblad 03/02/1992

    DOOR ALFRED VAN CLEEF

    Asielzoekers mogen geen bankrekening openen, discotheken weigeren Turken de toegang, een speelgoedfabriek brengt een bruine pop in de handel onder de naam “Kannibaal’. Dagelijkse vormen van discriminatie waartegen het Landelijk Bureau Racismebestrijding (LBR) met juridische middelen actie onderneemt. LBR-directeur A. Kruyt: ‘Het sanctioneren van discrimenerend gedrag is veel effectiever dan het nastreven van een mentaliteitsverandering.’

    ‘Nu kopen, volgend jaar betalen’, luidde de advertentie van de hifi-zaak. Een klant zocht een stereo-installatie uit en vulde de koopovereenkomst in. ‘Ah, u bent Joegoslaaf?’, vroeg de verkoper. ‘Dan moet u nu meteen betalen want deze aanbieding geldt niet voor buitenlanders.’ De al jaren in Nederland woonachtige man diende een klacht in bij het plaatselijke Anti-discriminatie Bureau.

    De klacht staat niet op zichzelf. Ook sommige videotheken blijken uitsluitend banden te verhuren op vertoon van een Nederlands paspoort. Banken maken eveneens onderscheid tussen Nederlanders en buitenlanders. Legaal in Nederland verblijvende ballingen met een vluchtelingenpaspoort krijgen vaak geen kredietfaciliteiten. Asielzoekers mogen veelal geen rekening openen en zijn genoodzaakt hun toelage contant op te nemen. Het Landelijk Bureau Racismebestrijding (LBR) is nu in onderhandeling getreden met de Nederlandse Vereniging van Banken en probeert ook op andere manieren discriminatie op grond van nationaliteit te voorkomen.

    Het LBR ontstond in 1985 op initiatief van vier landelijke minderhedenorganisaties en van het Nederlands Juristencomite voor de Mensenrechten. Het bureau ontvangt een jaarlijkse subsidie van ruim een miljoen gulden van het ministerie van justitie en is een onafhankelijke organisatie. Overeenkomstig de tendens van de meeste klachten die via plaatselijke meldkamers binnenkomen, concentreert het LBR zich op bestrijding van discriminatie in de sectoren arbeidsmarkt, huisvesting, consumentenrecht en politie-optreden.

    De burelen van het LBR, gevestigd in Utrecht, maken een zakelijke indruk. Aan de muren hangen geen posters maar moderne kunstvoorwerpen, de medewerkers gaan gehuld in snelle out-fits en de stropdas is geen uitzondering. ‘Onze drijfveer is natuurlijk wel een bepaalde mate van betrokkenheid’, formuleert stafmedewerker T. van der Zwan behoedzaam. ‘Maar we proberen ons werk altijd zakelijk en feitelijk te houden. Ideologiseren is niet onze stijl.’

    In principe probeert het LBR discriminatie met juridische middelen aan te pakken. Vaak komt het niet eens zo ver. ‘In Nederland ligt gelukkig nog altijd een sterk taboe op racistisch gedrag’, stelt stafmedewerker O. Stomp. Daarom hoeft het LBR soms maar weinig druk uit te oefenen. Het briefhoofd schrikt al zo af dat bedrijven alles in het werk stellen om te voorkomen dat de zaak in de publiciteit komt. ‘We zijn verbijsterd dat we juist van u een brief moesten ontvangen’, schreef de directie van een verhuurbedrijf onlangs. Deze landelijke keten hanteerde bij het verhuren van apparatuur de regel dat altijd een Nederlands paspoort of rijbewijs moest worden overlegd. Wie niet over een dergelijk identiteitsbewijs beschikte diende de volledige nieuwwaarde van de te huren apparatuur als borg te overhandigen. De maatregel was genomen in het kader van de fraudebestrijding, maar het bedrijf realiseerde zich niet dat het daarmee buitenlanders discrimineerde. Uiteindelijk bond de directie in. Voortaan zal van buitenlandse huurders een uittreksel uit het bevolkingsregister worden geaccepteerd.

    Volgens P. Rodrigues, een van de zes aan het LBR verbonden juristen, is er in het Nederlandse anti-discriminatierecht sprake van een duidelijke ontwikkeling. De komst van de Wet Gelijke Behandeling acht hij essentieel, omdat er tot dusverre in het civiele recht weinig mogelijkheden zijn om discriminatie aanhangig te maken.

    De onlangs door het LBR in gebruik genomen geautomatiseerde databank bevat 671 uitspraken van rechters die verband houden met het anti-discriminatierecht. Zo eisten vorig jaar vijf Equadoriaanse mannen een schadevergoeding, nadat ze ten onrechte waren gedetineerd. Ze ontvingen een relatief gering bedrag omdat volgens de rechter ‘de levensstandaard in Equador nu eenmaal lager ligt dan die in Nederland’. Rodrigues becommentarieerde deze uitspraak in het LBR-bulletin, dat zes keer per jaar verschijnt. ‘Op die manier probeer ik een discussie te entameren.’

    Aan de basis van de meeste activiteiten van het LBR staan de meldingen die bij een van de ruim veertig plaatselijke bureaus binnenkomen. Een meldkamer in een grote stad ontvangt zo’n vijfhonderd klachten per jaar. In sommige gevallen volgt een eindeloze reeks procedures. In 1982 ontsloeg het bedrijf Nedlloyd tweehonderd buitenlandse zeelieden. In eerste instantie stelde de Rotterdamse rechtbank de zeelieden in het gelijk want de regel “first in, last out’ was niet in acht genomen. De ene beroepszaak na de andere volgde. De Hoge Raad zal pas dit jaar een definitief oordeel vellen. Toch noemt LBR-directeur A. Kruyt de Nedlloyd-kwestie nu al een succes. ‘Het feit dat je procedeert is op zichzelf al nuttig. Zo is de volgende ontslaggolf bij Nedlloyd geheel volgens de regels verlopen.’

    De ordners waarin naar het LBR doorgespeelde klachten zijn verzameld, geven een dwarsdoorsnede van de wijze waarop migranten in Nederland met discriminatie te maken krijgen. Zo blijken discotheken in de helft van de gevallen Turkse bezoekers de toegang te weigeren. Veel klachten zijn in de loop der jaren binnengekomen over het verzekeringswezen. Gesprekken met het LBR resulteerden uiteindelijk in een door de Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren opgestelde “Gedragscode ter voorkoming van discriminatie in de motorrijtuigverzekeringsbranche’.

    Ook de speelgoedindustrie gaat soms over de schreef. De firma G. bracht onlangs een bruine pluche pop in de handel onder de naam “Kannibaal’. Volgens de plaatselijke meldkamer suggereert de uiterlijke vormgeving ‘dat mensen met een donkere huidskleur geen normale hoofddeksels dragen maar een blad van een boom rukken en deze als hoed gebruiken, rare ogen hebben en altijd ringen in hun oren dragen’.

    Een MAVO weigerde een Turkse jongen toe te laten met als argumentatie: ‘Wij zijn niet ingericht voor allochtonen. Ga maar naar de MAVO in H., daar hebben ze wel dat soort leerlingen.’ De directie van die school nam de leerling inderdaad aan maar liet weten: ‘Wij krijgen steeds alle rotzooi uit E.’ Veruit de meeste meldingen van discriminatie hebben betrekking op het arbeidsrecht. In veel gevallen is discriminatie moeilijk aan te tonen maar soms zijn bedrijven verrassend openhartig bij de afwijzing van een allochtone kandidaat. ‘Wij kunnen u niet gebruiken omdat u zwart bent’, liet een bedrijfsleider weten.

    Ook de met name door de overheid gehanteerde “positieve actie’ levert niet altijd resultaten op. Veel gemeenten en non-profit organisaties nodigen ‘allochtonen, vrouwen en gehandicapten’ expliciet uit om te solliciteren. LBR-onderzoeker A. Yenal is bezig met een omvangrijk onderzoek naar het effect van deze maatregel. Probleem is dat wel is vast te stellen hoeveel allochtonen voor een sollicitatiegesprek worden uitgenodigd maar niet hoe deze gesprekken verlopen. In een recent onderzoek zegt een personeelsfunctionaris, gevraagd waar hij op let bij een solliciterende allochtoon: ‘Belangrijk is de achtergrond van zo iemand. Lopen de broers of de vader van de man reeds in de ziektewet of zijn ze afgekeurd?’ Yenal spreekt in dit verband over ‘een typisch sociaal-normatief criterium dat niets met de objectieve geschiktheid van de kandidaat te maken heeft’. Een andere personeelsfunctionaris zegt mee te laten wegen wat de reden is geweest voor de emigratie naar Nederland en in hoeverre de kandidaat een plaats heeft veroverd in de Nederlandse samenleving. Yenal: ‘Dat laatste zegt toch helemaal niets? Op deze manier vallen allochtonen altijd buiten de boot.’

    Het staat vast dat migranten langer op een woning moeten wachten dan Nederlanders en dat rechters hen zwaarder straffen dan autochtonen die een vergelijkbaar delict hebben gepleegd. LBR-directeur Kruyt: ‘Daarmee wil ik absoluut niet zeggen dat rechters discrimineren. Maar bij allochtonen ontbreken vaak reclasseringsrapporten zodat de rechter wel inzicht krijgt in de daad maar niet in de persoon. Migranten zijn bovendien vaak niet op de hoogte van de Nederlandse rechtsgang. Zo hebben Turken de neiging hun delict hardnekkig te blijven ontkennen. In Turkije is dat uitermate verstandig, in Nederland weet iedere verdachte dat hij dat juist beter niet kan doen.’

    De door het LBR in behandeling genomen klachten vormen het topje van de ijsberg. Hoe vaak discriminatie voorkomt is moeilijk te meten. ‘Ik heb wel harde cijfers over werkloosheid’, zegt Kruyt. ‘Werkgevers zeggen dat allochtonen niet komen opdagen, dat ze slecht Nederlands spreken en te weinig vaardigheden bezitten. Maar wat blijkt? Ook goed opgeleide allochtonen komen niet aan de bak.’

    Toch is er volgens Kruyt op het gebied van racisme nog altijd een wezenlijk verschil tussen Nederland en de omringende landen. ‘Grote rassenrellen zijn tot nu toe uitgebleven en dat heeft alles te maken met de houding van de Nederlandse politie.’ Kruyt wijst erop dat de rassenrellen in Brussel, Parijs, Brixton en Miami steeds gevechten waren tussen allochtone jongeren en de politie en niet tussen zwarten en blanken onderling. ‘Aan alle rassenrellen ligt een verkeerd politie-optreden ten grondslag. Daarom is het LBR faliekant tegen de identificatieplicht. Die zal alleen maar problemen veroorzaken. Het is niet voor niets dat er in Belgie nu een wetsvoorstel ligt om de bevoegdheden ter controle van de identiteit in te perken.’ Een ander verschil is dat er in Nederland geen politici zijn die zich openlijk racistisch uitlaten. ‘In het buitenland zie je dat de grote, gevestigde partijen de standpunten van extreem-rechts overnemen. In Nederland gebeurt dat niet. Zo’n Bolkestein heeft toch op een uiterst fatsoenlijke manier het debat ingezet?’

    Het LBR ziet weinig in de ideeen van onder meer Philomena Essed die beweert dat beleid of wetgeving niets oplossen zolang blanken niet eerst het racisme in zichzelf bestrijden. Kruyt wijst op een Brits onderzoek naar racistische attitudes bij de politie. ‘Agenten met vooroordelen tegenover zwarten bleken zich correct te gedragen ten opzichte van zwarte verdachten, gewoon omdat het professionele agenten waren. Niet-racistische agenten mepten juist zwarte verdachten in elkaar. Daarom vind ik het sanctioneren van discriminerend gedrag veel effectiever dan het nastreven van een mentaliteitsverandering. In plaats van te proberen met vage Postbus 51-spotjes het racisme te bestrijden moet je zorgen dat bedrijven als C en A meer allochtonen aannemen.’