• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Het bedgeheim

    Een liefdevolle infiltratie en lessen tegen te grote paranoia

    Uit: NN, buro Jansen & Janssen, 1993.

    Vorig jaar had de linkse scene in het Duitse Tübingen te maken met infiltratie. Twee mannelijke agenten verwierven zich op traditionele en tamelijk voorspelbare wijze een belangrijke positie binnen de linkse subcultuur. De heren werden niet verdacht, en geen onderzoeksgroep was aan hun ontmaskering te pas gekomen – een van de spionnen gaf zichzelf bloot. De spion nam daarmee niet een ideologisch gefundeerde beslissing: hij was niet bekeerd maar had een scene-meisje zwanger gemaakt die op haar beurt had besloten het kind te laten komen. De opdrachtgevers van de jonge vader, het Landes Kriminalamt van Baden-Württemberg, waren van mening dat een grens was overschreden. Zij trokken hun agenten terug.
    Niet zozeer vanwege de pikante details is deze gebeurtenis de moeite waard om verder te vertellen. Het Tübinger verhaal is belangrijk omdat de scene erin geslaagd is de infiltratie politiek uit te buiten, en ervoor gezorgd heeft dat de aanvaardbaarheid van politieke infiltratie gedurende lange tijd onderwerp van diskussie is geweest. Van kroeg tot parlement heeft de affaire verhitte debatten opgeleverd. Door een reconstructie van de wijze waarop de twee agenten in de scene konden doordringen te publiceren konden bovendien ook in andere steden infiltranten ontmaskerd worden. De Kriminalamten kunnen tenslotte niet voor elke in te zetten agent een nieuw verhaal verzinnen. Hier dus ook een korte reconstructie; in Interim no 223 staat het complete verhaal, met foto’s.

    Beide infiltranten – twintigers die werkten onder de namen Joachim Armbruster en Ralf Hausmann – werden na te zijn uitgerust met een gefingeerd verleden Tübingen ingestuurd. Daar trokken ze begin 1991 in een pand waarin al langer een politiek aktieve woongroep huisde. De woongroep stond al enige tijd onder politie-observatie, regelmatig vonden ook kontroles door de politie plaats. Toen de woongroep hun nieuwe buren hierover informeerde toonden de twee zich geschokt: daar moest toch iets tegen gebeuren. Op deze manier hadden de infiltranten een geloofwaardig motief om toe te treden tot de plaatselijke anti-repressiegroep Profan. Al eerder hadden zij zich als vrijwilligers aangemeld bij ondermeer solidariteits- en vluchtelingenkommitees die medewerkers werfden – geen stiekeme clubjes met snode plannen dus, maar openlijk werkende groepen, op christelijke, socialistische of autonome grondslag. Zij volgden de weg die sociale akademie studenten in de zeventiger jaren uit hun hoofd hebben geleerd: Hoe Mensen Gepolitiseerd Worden. (Dat die weg nog steeds als romantisch ideaal geldt voor de huidige generatie aktivisten blijkt uit het feit dat sommige scene- mensen nog steeds hopen op een vrijwillige bekering van de agenten.)
    De infiltranten gedroegen zich voorbeeldig in de verschillende aktiegroepen. Ze staken flink (maar niet overdreven) de handen uit de mouwen, niets wees erop dat ze voor de politie werkten. Ook toen ze eenmaal toetraden tot wat meer geheime groepjes veranderde dat niet. Akties lekten niet uit, bijvoorbeeld. Ook ondernamen de agenten geen pogingen de diverse groepen te provoceren tot gewelddadige akties. In hun artikel komen de Tübinger aktivisten dan ook tot de conclusie dat beide infiltranten zich eerder terughoudend opstelden, zich niet opdrongen en zelfs met een aantal ‘doelpersonen’ helemaal geen contact zochten. Dat was in deze fase kennelijk totaal (nog) niet aan de orde: “in de loop van de tijd ontstonden tussen ons en de agenten persoonlijke betrekkingen, tot aan hechte vriendschappen. Terugblikkend blijkt dat beide agenten een netwerk van werkcontacten en persoonlijke relaties hebben geconstrueerd, dat het gehele spectrum van buitenparlementair georganiseerde linkse groeperingen omvatte. Op deze wijze waren zij in staat hun opdrachtgevers gedetailleerd in te lichten over onze aktiethema’s, over de samenhang tussen onze verschillende politieke initiatieven en over de banden tussen aktivisten onderling.”

    Voordat ‘Joachim Armbruster’ opbiechte op de loonlijst van het LKA te staan had hij zijn kompaan negen dagen de tijd gegeven om te verdwijnen. Hoewel het absoluut niet zijn bedoeling was om over te lopen, gaf agent Armbruster bij zijn bekentenis wel wat informatie prijs. Nu was enigszins duidelijk wat – en wie – de doelen waren van de infiltratie, dat het een project was voor meerdere jaren, dat hij en zijn huisgenoot Hausmann iedere ochtend telefonisch contact hadden met hun opdrachtgevers, dat voor de agenten een baan geregeld was en dat alle undercover-agenten in Baden-Württemberg elkaar regelmatig ontmoetten.
    Onmiddellijk hierna organiseerden de betrokken groepen grote bijeenkomsten om allereerst vast te stellen wat er precies gebeurd was, wie de agenten wat verteld had etc. Gezamenlijk is op deze bijeenkomsten besloten dat de aandacht vooral op de buitenwereld gericht moest zijn. Met de volledige reconstructie, die lange tijd in beslag zou nemen zou pas later begonnen worden. Tot deze beslissing kwam men op grond van het feit dat het op dat moment niet in te schatten was of de politie de inzet van infiltranten nog snel even zou rechtvaardigen door bijvoorbeeld een aantal mensen te arresteren of op een andere manier groepen te kriminaliseren. Ook was het een uitgelezen moment het middel politieke infiltratie opnieuw aan de kaak te stellen: de recente wetgeving rond infiltratie in Baden-Württemberg was zeer tegen de zin van de SPD tot stand gekomen, en bovendien had kort daarvoor nog de inzet van infiltranten in het criminele milieu tot een politieke rel geleid.
    De eigen media en info-cafe’s werden geïnformeerd, wat dus uiteindelijk leidde tot de ontmaskering van nog meer infiltranten. Landelijke en regionale media ontvingen een informatiemap en een uitnodiging voor een persconferentie en kwamen in groten getale opdraven. Toen de politie een van de betrokken aktiegroepen, de evangelische, een uitnodiging stuurde voor een aparte ontmoeting werd deze gewijzigd in een discussie tussen politie en alle aktiegroepen, in bijzijn van journalisten. Enigszins tot hun verbazing kregen de aktivisten in de pers ruim de mogelijkheid hun visie op het gebeuren te geven. Pogingen van de politie om de groepen te kriminaliseren – RAF-Umfeld, Autonomen – strandden. De groepen kregen de gelegenheid zichzelf en hun werk te presenteren. Niet links stond ter discussie, maar de toelaatbaarheid van ondemocratische middelen tegen links. En dat was precies de opzet van de scene.
    Deze opzet kon slagen door niet de slachtofferrol te kiezen, maar frontaal de aanval te openen op de methode van politieke infiltratie. De scene maakte een analyse van de parlementaire en publicitaire mogelijkheden en hield de zwangerschap geheim om te voorkomen dat de kranten uitsluitend daarover zouden schrijven. Nu moesten politie en politiek uitleggen en verdedigen waarom linkse groepen voortdurend lastiggevallen werden. De pers en de oppositie namen deze keer geen genoegen met versleten argumenten over RAF-sympathisanten.

     

    De les

    Ook in Nederland heeft aktivistisch links niet te klagen over aandacht van veiligheidsdienst of politie. Een hoog infiltratie-bewustzijn kan ons niet ontzegd worden. Regelmatig worden agenten ontmaskerd of laten mensen weten dat de BVD toenadering heeft gezocht. Vaker nog gaan verhalen rond over vermeende spionnen. Misschien is dat onvermijdelijk, maar het zou prettig zijn als naast het infiltratie-bewustzijn een bewustzijn over de gevolgen van roddel verplicht was.
    De affaire Petra verdient in ieder geval geen schoonheidsprijs, ook niet wanneer zij wel een agente was geweest. De affaire heeft tot nu toe vooral geleid tot nog meer roddel en verdachtmakingen. Een lijst met nieuwe namen van vermeende BVD-medewerkers circuleert al. Hopelijk wint gezond verstand deze ronde van achterbakse roddel.

    Een altijd en overal toepasbare handleiding ‘hoe herken ik de infiltrant’ is niet te schrijven. Bij twijfel een val zetten zoals nogal eens gesuggereerd wordt – een geheime actie bedenken en dan kijken of-t-ie uitlekt – is in ieder geval niet een methode die enige zekerheid biedt. Een infiltrant kan zijn diensten aanbieden bij klussen die niet al te aantrekkelijk zijn, en op den duur werk gaan doen waarbij hij/zij toegang heeft tot vertrouwelijke informatie. Een infiltrant kan zichzelf onmisbaar maken door zeer specialistisch werk te doen, financiële bronnen aan te boren, voor faciliteiten of vervoer te zorgen, of de emotionele verzorging op zich te nemen. Een infiltrant kan een organisatie nieuw leven inblazen, zelf een aktiegroep beginnen of een tijdschrift uitgeven, hij/zij kan ervoor zorgen dat organisaties gas terug nemen of compleet verlamd raken door tweespalt te stimuleren. Vaak zal de infiltrant meer geld hebben dan een uitkering of baan toelaat. Een infiltrant kan oproepen tot gewelddadige(r) akties, die zelf uitvoeren of in de middelen daartoe voorzien. Een infiltrant zal anderen beschuldigen van infiltratie, daarmee zorgen voor spanningen tussen de leden van de organisatie en die organisatie van het eigenlijke werk afhouden. Een infiltrant kan lachen om dezelfde grappen als jij, op verjaardagsbezoek komen, je versieren en met je vrijen en de volgende ochtend zijn baas opbellen.
    Ook iemand die geen infiltrant is kan dergelijk gedrag vertonen. Misschien heeft diegene een andere culturele of klasse-achtergrond als de meerderheid van je organisatie. Wanneer een organisatie subculturele trekken krijgt kan dat betekenen dat iemand die niet precies de mores vat al snel verdacht wordt gemaakt of gevonden. Wanneer tegen iemand verdenkingen bestaan is het dus belangrijk om eerst de organisatie te bekijken. Blijft de verdenking bestaan, ga dan na of het de moeite waard is om een onderzoek te starten. Onderzoeken vergen enorm veel tijd en energie, geven lang niet altijd uitsluitsel en kunnen de stemming en moraal in een groep behoorlijk ondermijnen.
    Doe niet mee aan roddelcampagnes. Verhalen over en waarschuwingen tegen een bepaald persoon hoef je niet voor zoete koek te slikken. Vraag argumenten en bewijzen.

    Bescherm je organisatie. Hou geheim wat geheim moet blijven. Roddel niet. Praat niet over de telefoon over zaken die je niet in je dossier vermeld wilt zien. Maak je heldendaden niet in de kroeg bekend. Je kantoor, vergaderplek of woning controleren op afluisterapparatuur geeft alleen voor dat moment zekerheid. Voer conversaties die je privé wilt houden in de buitenlucht. Zorg voor een kluis of bergplaats voor stukken die je niet gekopieerd wil zien, schoon regelmatig je computer.
    Maak aktief gebruik van je burgerrechten. Vraag inzage in politie- en BVD-dossiers, laat vragen stellen in gemeenteraad en Tweede Kamer, klaag bij de PTT als je post verdwijnt of wanneer je telefoonlijn rare geluiden maakt, dien klachten in bij de Ombudsman, praat en schrijf over je ervaringen.
    Bescherm je organisatie. Voorkom marginalisering en kriminalisering door openlijk te zijn in zaken die openbaar zijn. Sluit bondgenootschappen met andere organisaties en personen.
    Wie altijd de aandacht op interne aangelegenheden blijft richten is gedwongen voor eeuwig met zijn schoolkameraden in Docters van Leeuwen’s schuurtje te blijven.