• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Ausweiß bitte

    De legitimatieplicht is in Nederland nooit populair geweest. Eigenlijk is dat niet zo vreemd, want dankzij die legitimatieplicht kon de Duitse bezetter in de Tweede Wereldoorlog honderdduizend joden selecteren, deporteren en in concentratiekampen vernietigen. Het in 1936 door de Nederlandse ambtenaar Jacobus Lambertus Lentz opgezette bevolkingsregister stond aan de basis van het systeem van persoonsbewijzen dat de Duitsers invoerden. Lentz hielp ook tijdens de oorlog actief mee. Volgens dr. Loe de Jong, de geschiedschrijver van de Tweede Wereldoorlog, maakte Lentz vervolgens  ‘een nauwelijks goed na te maken persoonsbewijs dat onzes inziens de bezetter en speciaal de Sicherheidsdienst een groter dienst heeft bewezen dan welke Nederlander ook’.

    De legitimatieplicht was hierdoor lange tijd een groot taboe, tenminste als het over Nederlanders ging. Vreemdelingen dienden zich volgens de vreemdelingenwet wel te kunnen legitimeren. Tot de zeventiger jaren werd er weinig gecontroleerd, maar halverwege de zeventiger jaren werd de legitimatieplicht plotseling gebruikt om het toezicht op vreemdelingen te verscherpen. Ook wilde de regering in de tachtiger jaren een soort van pasjeswet invoeren. Vreemdelingen zouden zich moeten legitimeren bij elk contact met de overheid. Fel protest voorkwam invoering van deze wet. Veel mensen vreesden racistisch optreden aan het loket.

    Ondertussen gingen er steeds meer stemmen op een (beperkte) legitimatieplicht in te voeren. In 1987 liet minister van Justitie Korthals Altes een onderzoek doen naar de bijdrage die een legitimatieplicht kon leveren aan de effectiviteit van de bestrijding van fraude en criminaliteit. Op de achtergrond speelde ondertussen de onderhandelingen over de Europese eenwording (onder andere het Verdrag van Schengen) waarbij de grenscontrole zou worden opgeheven. Toezicht en controle, vooral op vreemdelingen, zou in het land zelf geïntensiveerd moeten worden.

    Voor dat toezicht ontwierp de door de regering ingestelde Commissie Zeevalking alsnog een soort pasjeswet, die uiteindelijk leidde tot een uitbreiding van de legitimatieplicht. De Koppelingswet (in 1998 ingevoerd) werd ingezet om illegale vreemdelingen uit te sluiten van overheidsvoorzieningen, maar dat kon slechts door bij elk contact met de overheid om een legitimatiebewijs te vragen.

    Ook op andere terreinen probeerde de overheid een legitimatieplicht door te voeren. De regering kwam met een wetsvoorstel om anonieme verdachten langer vast te zetten, hoofdzakelijk om achter de identiteit van de zwartrijders in het openbaar vervoer te komen. In 1991 publiceerde minister van Justitie Hirsch Balin het wetsvoorstel op de beperkte identificatieplicht.

    Het was een beperkte identificatieplicht, want binnen de coalitie van PvdA, D’66 en CDA bestond geen overeenstemming over een algehele identificatieplicht. PvdA en D’66 waren bang dat een algemene plicht alleen maar zou leiden tot controle op de plicht an sich, en dat was niet de bedoeling vond men destijds.

    Ook in dit voorstel was nog steeds de controle op vreemdelingen een belangrijk motief om de identificatieplicht uit te breiden. Voortaan moest iedereen op het werk een legitimatiebewijs kunnen tonen. De Arbeidsinspectie kreeg meer controlerende bevoegdheden. Ook regelde het voorstel dat iedereen in het kader van vreemdelingentoezicht in Nederland een legitimatiebewijs bij zich moest dragen. Deze verplichting gold al voor vreemdelingen, maar nu dus ook voor Nederlanders. De gedachte achter deze uitbreiding was dat de politie meer kon gaan controleren. De twee laatste verplichtingen uit deze wet betroffen een identificatieplicht bij het bezoek van voetbalwedstrijden ter bestrijding van voetbalvandalisme en eenzelfde plicht in het openbaar vervoer voor diegenen die geen kaartje hebben.

    Er was veel weerstand in 1994 tegen de beperkte identificatieplicht. Het Autonoom Centrum te Amsterdam organiseerde een campagne. Honderden mensen weigerden een kopie van hun identificatiebewijs in te leveren bij hun werkgever. Pas onder druk van een grote boete, mensen moesten 60% belasting gaan betalen, gingen veel mensen overstag.

    Daarna bleef het lang stil, maar na de aanslagen van 11 september 2001 laaide het debat weer op. Eerst nog alleen over uitbreiding van identificatieplicht bij dreiging van een aanslag, maar al rap was er een meerderheid voor de algehele identificatieplicht.