• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Koppelingswet en anti-racisme

    Een interview met Marijke Bijl van het Haags Initiatief tegen Fascisme en Discriminatie (HIFD). Marijke is ook betrokken bij het Ondersteunings Komitee Illegale Arbeiders (OKIA) in Den Haag ze kent de positie van illegalen dus goed.

    Op welke wijze werd het HIFD actief betrokken bij de Koppelingswet?
    Met één oog zijwaarts hou je als anti-discriminatie vereniging de vreemdelingenwetgeving bij. Daar wil ik zo nog wel meer over zeggen. Toen we in het najaar van 1995 de koppelingswet doornamen, duurde het even voor we de consequenties onder woorden konden brengen.


    Het wetsvoorstel zelf is erg droog geformuleerd. De Memorie van Toelichting geeft natuurlijk al veel meer een inhoudelijk beeld, maar is enorm verbrokkeld. We zijn de consequenties eerst maar eens op een rijtje gaan zetten. Vervolgens ontstond een klik: een enorme operatie, met fundamentele gevolgen voor de samenleving. We vonden dat daar op zijn minst een maatschappelijke discussie over plaats moest vinden. Waar leggen jullie de nadruk op bij jullie activiteiten?
    In onze activiteiten zijn we ingegaan op de gevolgen voor sectoren, maar ook op een algemenere verschuiving: de verdeling van inwoners in Nederland in verschillende categorieën met verschillende rechten; het leggen van de controle daarop bij niet-opsporingsambtenaren en het feit dat iedere niet-Nederlander voor elke voorziening eerst moet aantonen er recht op te hebben. Daarmee vindt een versterking plaats van het gedachtegoed dat we met velen juist tegen willen gaan: die buitenlanders hebben minder rechten. Is er sprake van een breuk in het beleid met de Koppelingswet?
    In intentie is de koppelingswet natuurlijk niet nieuw. Met kleine stappen is dat beleid al eerder ingezet. Een nieuwe maatregel in de vreemdelingenwetgeving is vaak al ingevoerd voordat je van het voornemen gehoord hebt. Veel mensen zagen dat met lede ogen aan. Met de Koppelingswet lijkt het moment bereikt om te zeggen:’t is zo wel genoeg, het is tijd dat we onze mening laten horen.
    Hoe is het dan mogelijk dat die vreemdelingenwetgeving zonder massaal protest keer op keer is verscherpt?
    De discussie over de vreemdelingenwetgeving is een tijd lang gegijzeld door paniek. De aanname is steeds geweest dat koste wat kost alles ingezet moet worden om de ‘stroom van vreemdelingen’ tegen te houden. Wie een nuance wilde aanbrengen werd al snel verweten ‘iedereen maar hierheen te willen halen’. Laten we hopen dat die gijzeling is opgeheven.
    Kijk, tekenend voor de situatie nu is dat er een hele rij handtekeningen van verantwoordelijke ministers onder het wetsvoorstel staat, maar niet van minister Dijkstal, die toch de coördinator van het minderhedenbeleid is. Hij is verantwoordelijk voor de naleving van Artikel 1 van de Grondwet. De Koppelingswet stelt regelmatig dat het nationaliteitsbeginsel v¢¢r het gelijkheidsbeginsel gesteld mag worden. Daarvoor wordt verwezen naar allerlei verdragen. Omgekeerd verwijzen tegenstanders zoals de Leidse hoogleraar Schermers ook naar internationale verdragen om hun standpunt te verdedigen. Wat is volgens jouw het meest opvallende bij het verzet tegen de Koppelingswet?
    Wat wij merken is dat mensen die zich ‘aan de basis’ organiseren tegen de Koppelingswet internationale verdragen nauwelijks als argument gebruiken. Er wordt wel verwezen naar Artikel 1 en dan vooral naar de geest ervan. Daar bestaat een grote gevoeligheid voor.
    In de discussie over het vreemdelingenbeleid wordt vaak ‘het draagvlak’ in de samenleving genoemd. Dat de geest van artikel 1 zo breed gedragen wordt zou wel eens belangwekkender kapitaal voor de toekomst op kunnen leveren dan de besparingen die het wetsvoorstel op het oog heeft. Welke rol kunnen Anti-Discriminatie Bureauþs spelen bij de ontwikkelingen op het terrein van de vreemdelingenwetgeving?
    De vreemdelingenwetgeving houdt de samenleving een spiegel voor, al was het maar omdat daar geformuleerd wordt wie hier (niet) ‘hoort’. De maatregelen zelf staan nogal eens op gespannen voet met de integratiegedachte. Zo kan iedere niet-Nederlander die wil trouwen vooraf door de ambtenaar gecontroleerd worden op de echtheid van het huwelijk.
    Ook de Koppelingswet heeft natuurlijk invloed op de ‘gewone’ samenleving: alleen al door de controle. Wat gebeurt er in het hoofd van degenen die de plicht krijgt iedere ‘vreemdeling’ (of wie dat lijkt te zijn) te controleren en in de hoofden van degenen die steeds maar weer moet aantonen recht te hebben? Het is noodzakelijk dat Anti-Discriminatie Bureau’s of organisaties die zich met minderhedenbeleid bezighouden ontwikkelingen op het gebied van de vreemdelingenwetgeving kritisch volgen. Dat werd in het verleden te veel als een gescheiden terrein gezien. Dat is het niet.