• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Al Qaida afdeling Ubbergen

    Het zal niemand ontgaan zijn, maar het NCTB (Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding) heeft weer een nieuwe reclame campagne. ‘In Nederland werken steeds meer mensen samen om te voorkomen dat iemand terroristische ideeën krijgt’, luidt de tekst van de advertentie. ‘Veel mensen in onze maatschappij kunnen iets doen én doen dat ook’ gaat de tekst verder. Hier een voorbeeld van ijverige burgers die iets doen en behoren tot de schare fans van het NCTB.

    In de opsomming van de arrestaties in het kader van terrorismebestrijding in Nederland (gepubliceerd in juli 2006) vermelden wij een arrestatie in Utrecht. Hier volgt een verslag van de arrestatie aan de hand van getuigen en verdachten.

    Op 9 maart 2006 worden twee jongens gearresteerd in Utrecht. Zij worden verdacht van het voorbereiden van een terroristische aanslag. Over de telefoon en in de kroeg hadden ze zitten grappen over al Qaida, afdeling Ubbergen. De volgende dag worden ze wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. Een jongen in de kroeg heeft waarschijnlijk de beide mannen aangegeven.

    uit: dossiernummer PL0911/06-006283

    (1) Getuige 1:
    “Vandaag om 20:00 werd ik in het café aangesproken door twee mannen welke blijkbaar om 20:00 uur bij ons een tafel hadden gereserveerd. Een van de mannen noemde zichzelf Jasper, de naam waaronder ook de reservering stond. Opvallend was dat deze persoon kleiner was dan zijn metgezel. (…)
    Ik zal verder in mijn verklaring persoon I, ‘de lange’ noemen en persoon II Jasper. Ik heb de twee mannen hun tafel gewezen.
    (… )Even later werd ik benaderd door mijn collega J.K. Hij vertelde mij dat hij toen hij naar de eerste verdieping was gelopen hij een telefoongesprek had opgevangen van Jasper…”

    (2) Getuige 2:
    “Ze waren allebei in donkere kleding gekleed. Een was duidelijk groter dan de ander. Deze had felle, donkere ogen en halflang donker haar.”

    (3) Getuige 2:
    “Ik zag en hoorde dat hij aan het bellen was met een mobiele telefoon. Ik liep door naar de toiletten. Daar kon ik de man niet meer zien, maar nog wel horen. Ik hoorde dat hij zei ‘Spreek ik met de islamitische terreurorganisatie? Wanneer krijg ik de ontstekers? Want ik wil zaterdag de aanslag plegen.’ Dat waren zijn letterlijke woorden. (…)
    Ik vond dat hij een vreemde blik had. Ik kon het niet goed plaatsen. Het kan zijn dat hij van mij schrok, ik weet het niet goed. Hij had een beetje een lacherig gezicht.”

    (4) Getuige 1:
    Ik vond het in eerste instantie ook een moeilijke situatie en besloot alvorens de politie te bellen met de jongens in gesprek te gaan. Ik ben vervolgens bij de lange, als voornoemd, aan tafel gaan zitten. Ik heb hem direct geconfronteerd met hetgeen mijn collega J. zojuist van zijn vriend Jasper had vernomen. Ik zag dat de lange hierop nuchter reageerde en gaf aan dat het mogelijk een grap zou zijn.

    (5) De lange:
    “Ik herkende dit direct als een grap van Jasper. Hij doet vaker zulke grappen. Hij vroeg mij of ik hem kon geruststellen dat er zaterdag niets ging gebeuren. …Ik vertelde de man, dat hij dat Jasper zelf maar moest vragen.
    Ik had in de gaten dat deze man erg naief was. In die tijd heb ik de man een beetje lopen voeren en discussie bij hem uitgelokt met betrekking tot terrorisme en politiek.”

    (6) Getuige 1:
    “Kort hierop kwam Jasper (…) terug (…).
    Ik heb Jasper toen ook geconfronteerd met hetgeen wat mijn collega J. van zijn telefoongesprek had opgevangen. Ik zag aan de gezichtsuitdrukking van Jasper dat hij enigszins schrok, maar hij wuifde mijn vraag weg. Ik hoorde namelijk dat hij zei: ‘dat was een vriend van mij en die niet goed bij zijn hoofd’ of woorden van gelijke strekking.”

    (7) Hanno K.:
    “Toen hij terugbelde nam ik voor de grap op met El Qaida afdeling Ubbergen. Jasper vroeg vervolgens mij toen of ik nog ontstekingsmechanismen had liggen. Ik vertelde hem dat ze op waren maar dat Al Qaida afdeling Eindhoven nog wat had liggen. In ieder geval waren het woorden van die strekking. Uiteraard was dit alles een grap die wel meer tussen Jasper en mij plaats vinden.”

    (8) Jasper M.
    “Ik heb er nog wel een handje van om met andere mensen flauwe grappen uit te halen. Hanno is ook zo’n iemand. Op het moment dat ik Hanno belde nam hij op met de tekst: Goedenavond met Al Qaida afdeling Ubbergen. Ik antwoordde onmiddellijk dat hij sprak met Al Qaida afdeling Utrecht. Ik vervolgde met te zeggen dat ik opbelde omdat het ontstekingsmechanisme voor de aanslag van a.s. zaterdag bij ons op was. Hij zei toen dat ik moest bellen met de afdeling Deurne. Ik vroeg hem: wonen daar ook moslims dan? Hanno bevestigde dat. Ik antwoordde dat dat fijn was te horen.”

    (9) Andries S.(alias De lange):
    “Samen hingen wij de man een verhaal op dat wij elkaar ontmoet hadden op een (..) anti globaliseringbijeenkomst in Genua. Ook vertelden wij de man dat we elkaar nog een keer in Servië waren tegengekomen alwaar wij dienstweigeraars hadden geprobeerd te ronselen, om ze aan de oorlog te kunnen onttrekken.
    Jasper vertelde op een gegeven moment dat hij zich sociaal politiek economisch verwant voelde met de Islam, maar niet religieus.”

    (10) Getuige 1
    “Hierna ontstond er een discussie tussen ons drieën. Ik kon uit ons gesprek opmaken dat het twee mannen betrof welke idealistisch zijn ingesteld. Dit merkte ik uit het feit dat de mannen zich negatief uitlieten over de overheid en het systeem. ..Tevens vertelde de mannen mij dat ze in Kosovo zijn geweest en zich dus actief inzetten voor hun idealen” (…)
    Jasper vertelde mij dat hij contacten onderhield met het Islamitisch Bevrijdingsfront. Jasper vertelde mij dat dit niet was wegens geloofsovertuiging maar vanwege economische redenen. Ik kan u vertellen dat de beide mannen ieder zes glazen wijn hebben genuttigd.”

    (11) Getuige 2
    “De twee mannen hebben ook nog gezegd dat ze niet op mensen gericht waren, maar dat het vooral om milieuredenen was dat ze die aanslag wilden plegen.”

    (12) Getuige 2
    “D. vond dat de politie gebeld moest worden en heeft dat vervolgens ook gedaan. Niet eens zozeer om direct alarm te slaan, maar meer om te vragen wat we hier nou mee moesten.
    …uiteindelijk ben ik twee maal gebeld door iemand van de politie (…) en kreeg ik de opdracht de politie te bellen als de 2 mannen aanstalten maakten het restaurant te verlaten. Daarna bleven ze maar drankjes bestellen, terwijl wij allang dachten: ga alsjeblieft weg”

    (13) Jasper M.
    “Op een gegeven moment is die organisator weggegaan. Ik heb met Andries daarna nog gesproken over het feit dat deze man toch wel erg naïef was en verbaal niet opgewassen tegen Andries.”

    (14) Andries S.
    “Toen de man vervolgens bij ons wegging hebben Jasper en ik dubbel gelegen van het lachen. (…) Wij zijn op de fiets vertrokken om naar een ander café te gaan.”

    (15) Commissaris van politie te Utrecht:
    “Op 9 maart 2006, te 21.24, werd ik, verbalisant, door personeel van de Regionale Meldkamer van de politie Utrecht in kennis gesteld van het navolgende:
    Bij de meldkamer was zojuist melding gedaan, dat in het eetcafé (…) een tweetal mannen aanwezig waren die zich verdacht gedroegen. Eén van de mannen had namelijk zojuist een telefoontje gepleegd en daarbij het volgende gezegd (dan wel woorden met een gelijke strekking): “Met de islamitische terreurorganisatie? Ik heb de ontstekers nodig voor de aanslag van zaterdag”. Daarnaast hadden de mannen samen onder andere gesproken over het islamitische bevrijdingsfront en andere zaken die op radicale ideeën duidden. Op basis van deze melding werden op mijn aanwijzing, omstreeks 21.30 uur daaraan volgend, door meerdere eenheden van de surveillancedienst, posities ingenomen in de omgeving van genoemd café.

    Vervolgens heb ik met enige regelmaat telefonisch contact gehad met andere personen in genoemd eetcafé. (…) Ook werd tijdens deze kontakten aangegeven dat de beide mannen “radicale/idealistische” gesprekken voerden met elkaar. Tevens werd aangegeven dat de kleinste van de twee mannen het bewuste telefoongesprek had gevoerd.
    (…) omstreeks 00.30 verlieten beide mannen het eetcafé. Mede aan de hand van de duidelijke signalementen kon dit worden vastgesteld door ter plaatse, onopvallend, aanwezige politiemensen. In mijn opdracht werden beide mannen kort daarop, op de Oudegracht te Utrecht, aangehouden, als verdacht van artikel 46 Wetboek van Strafrecht, in verband met artikel 55 lid 5 van de Wet Wapens en Munitie.”

    (16) Brigadier van politie Utrecht:
    “In zijn fouillering troffen wij een agenda aan met aan de voorzijde een rode sticker met witte woorden. Ik zag dat de woorden geen Nederlandse woorden betrof. Ik vroeg aan Muis welke taal het was. Hij vertelde dat het Turks was en dat de sticker uit Cyprus was en dat het woord Hayek in het Turks NEE betekende. Dat NEE hield volgens Muis verband met een referendum dat in Cyprus was gehouden. Ik vroeg vervolgens of hij de Turkse taal machtig was. Hij verklaarde inderdaad de Turkse taal enigszins te beheersen. Op mijn vraag of hij dan vaak in Turkije op vakantie was geweest, vertelde hij dat hij vaak uit journalistiek oogpunt in Koerdistan was geweest.”

    (17) Hoofdinspecteur (van de politie Utrecht), in de functie van hulpofficier van justitie:
    “Deze persoon wordt verdacht van: voorbereiden van een terroristisch misdrijf waarop 8 jaar of meer gevangenisstraf is gesteld, gepleegd te Utrecht op of omstreeks 9 maart 2006.”

    (18) Hoofdinspecteur, in de functie van hulpofficier van justitie:
    “Tijdens de voorgeleiding van verdachte Schilperoord, verklaarde deze dat hij op vrijdag 10 maart 2006 op zijn werk werd verwacht. Als hij niet op het werk zou verschijnen, zou er een groot aantal jongeren van hulp verstoken blijven. Schilperoord gaf aan jeugdhulpverlener te zijn. Nadat hem was medegedeeld waarvan hij verdacht werd, reageerde hij overigens laconiek. Verdachte Schilperoord moest voor het voorgeleidingsgesprek wakker gemaakt worden. Hij lag te slapen op de tafel in de ophoudruimte. (…) Tijdens de voorgeleiding van verdachte Muis was ook diens reactie laconiek. Verdachte Muis moest voor het gesprek rond de voorgeleiding wakker gemaakt worden. Hij lag in de ophoudruimte op tafel te slapen.”

    (19) Inspecteur, en hulpofficier van justitie (over Jasper):
    “Nadat ik de verdachte had meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, verklaarde deze: “ik pleeg wel eens meer telefoontjes, waarbij ik mensen tot nadenken dwing. Zo ook gisteren avond hier in Utrecht. Ik begrijp nu de consequenties van mijn gedrag.”

    (20) Inspecteur, en hulpofficier van justitie (over Andries):
    “Nadat ik de verdachte had meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, verklaarde deze: Ik heb een verklaring afgelegd. Het is gewoon een stomme actie geweest.”

    (21) Openbaar Ministerie:
    “Sepotcode 55: gewijzigde omstandigheden. Verbeterd levensgedrag van verdachte; dan wel omstandigheden die tot het delict hebben geleid of die tot recidive zouden kunnen leiden, bestaan niet meer of zijn in belangrijke mate gewijzigd.”

    (22) Brief van advocaat aan de officier van justitie:
    “Wat men ook mag vinden van de humor van mijn cliënten (hierover valt gelukkig niet te twisten) en de maatschappelijke opvattingen die zij er op na houden (kritische geesten zijn volgens mij een zegen), strafrechterlijk gezien zijn hun gedragingen volkomen irrelevant geweest. Er is niemand bedreigd of mishandeld, en er is al zeker nooit sprake geweest van een situatie zoals bedoeld in artikel 46 Sr, het voorbereiden van ernstige misdrijven. Gezien de geschetste omstandigheden is het evident onredelijk om tot een voorwaardelijk sepot over te gaan.”