• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Justitie en Veiligheid

  • Inlichtingen en Terrorisme

  • Nieuwsblog

  • Openbaarheid

  • Nationaal Veiligheidsarchief

  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Bezwaarschrift tegen afname DNA gegrond verklaard

    Veel mensen maken bezwaar tegen de afname celmateriaal voor het vaststellen van hun DNA-profiel. Sinds 1 februari 2005 is dit verplicht voor mensen die veroordeeld zijn van een strafbaar feit. Artikel 2 van de Wet DNA-onderzoeken bij veroordeelden bepaalt dat iedereen die schuldig is bevonden aan een misdrijf zoals omschreven in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering celmateriaal moet afstaan ten behoeve van het bepalen van een DNA-profiel.
    De wet heeft één uitzonderingsregel: ‘als redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde’. In dat geval hoeft er geen DNA te worden afgestaan. Artikel 7 van de wet bepaalt dat iedereen binnen 7 dagen bezwaar aan tekenen tegen de afname van celmateriaal.

    Op basis van deze uitzonderingsregel ging een veroordeelde op 26 november 2005 in beroep tegen de afname van celmateriaal na een veroordeling. Op 29 augustus was hij veroordeeld wegens mishandeling tot een werkstraf van 40 uren.
    De veroordeelde voerde in zijn bezwaarschrift aan dat zijn veroordeling een voetbalincident van zeer beperkte strekking en omvang betrof, dat redelijkerwijs niet kon worden aangenomen dat zijn DNA-profiel van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, dat de verwerking van zijn DNA-profiel een ernstige schending zou betekenen van zijn recht op privacy, dat het gelijkheidsbeginsel ernstig wordt geschonden omdat niet veroordeelden geen DNA afstaan.
    Volgens de Officier van Justitie geldt de uitzonderingsregel van artikel 2 slecht in uitzonderlijke omstandigheden, waarvan hier geen sprake is. Ook betoogde hij dat incident, waarvoor de man was veroordeeld, zich ook in de toekomst voor zou kunnen doen.

    De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift gegrond was en dat de man geen celmateriaal af hoeft te staan.
    De rechtbank was het eens met de Officier van Justitie dat de uitzondering van artikel een beperkte reikwijdte heeft. Wel vond de rechtbank dat de OvJ moest bekijken of (in gevallen die letterlijk in de wetsgeschiedenis zijn genoemd) het vaststellen van het DNA-profiel van betekenis zou kunnen zijn voor voorkoming, opsporing, vervolging of berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
    In het geval van deze veroordeelde oordeelde de rechtbank dat “in aanmerking genomen dat het in casu gaat om een voetbalincident, gepleegd door een 44-jarige man die geen strafblad had, die voor dit feit een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren opgelegd heeft gekregen, en tegen wie verder geen ander strafrechtelijk onderzoek loopt. De rechtbank overweegt dat, zoals haar ambtshalve bekend is, het uitzonderlijk is dat het duwen of slaan tijdens een voetbalwedstrijd tot een strafrechtelijke vervolging leidt. De kans dat een eventueel soortgelijk incident in de toekomst wederom tot een strafrechtelijke vervolging zal leiden, acht de rechtbank op grond hiervan zeer gering, nog daargelaten de vraag of in dergelijke situaties het DNA-profiel van enige strafvorderlijke betekenis is. Het geheel van feiten en omstandigheden in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat in casu de afname van DNA-materiaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van klager disproportioneel is”.
    Uitspraak Rechtbank Roermond: LJN AU8499
    Wet DNA-onderzoeken bij veroordeelden