• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Justitie en Veiligheid

    • NRC factcheckt zichzelf, de krant checkt zichzelf over; de kroongetuige en een vage semi-overheidsinstantie het RIEC, de semi-wetenschapper en semi-rekenmeester: conclusie waar (18-05-18).
    • Kogels, handgranaten en een raket: politie lost niets op, daad - geen verdachte - dreiging - geen dreiging - oplossing - niets opgelost (12-02-18).
    • Name and shame, geen verdachte - wel media, want de politie weet altijd wie het gedaan heeft zonder enig bewijs (23-04-18).
    • Oproer in de Oostvaardersplassen, demonstreren bij de Oostvaardersplassen in Nederland betekent SGBO Oostvaardersplassen waarbij alle politieeenheden aanwezig zijn (16-04-18).
  • Inlichtingen en Terrorisme

    • Interesse AIVD voor Marokkaanse solidariteitsnetwerken, Vanwege zijn betrokkenheid bij netwerken die in Nederland protestacties organiseren uit steun voor onderdrukte Marokkanen in het land van herkomst, werd ‘Daan’ diverse keren door de AIVD benaderd. (01-03-18).
    • Bulk gegevens verzamelen is van alle tijden; Hield de BVD in de jaren tachtig mensen die op de Centrum Partij stemden in de gaten? (28-02-18).
    • Novichok, de pittige slaolie uit … Rusland, over de vele vormen van Novichok, het gif dat gebruikt zou zijn in de aanslag op Sergei en Yulia Skripal, maar ook de geheimzinnigheid en kennis die er al dan niet is bij Amerikaanse, Engelse en misschien Nederlandse inlichtingendiensten (17-05-18).
  • Nieuwsblog

  • Nationaal Veiligheidsarchief

  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • burgerinfiltrant

    ELRO-nummer: AA9712 Zaaknr: 13/129155-97

    Bron: Rechtbank Amsterdam

    Datum uitspraak: 30-01-2001

    Soort zaak: straf

    Soort uitspraak: vonnis

    ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

    Parketnummer: 13/129155-97

    Datum uitspraak: 30 januari 2001

    op tegenspraak

    VONNIS

    van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, 8e meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats], doch thans uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring ‘Het Schouw’ te Amsterdam.

    De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 en 28 augustus 2000, 21 november 2000, 15 en 16 januari 2001.

    1. Telastelegging. Aan verdachte is telastegelegd dat

    1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1995 tot 1 augustus 1996 te Venlo

    en/of te Rotterdam

    en/of te Amsterdam

    en/of elders in Nederland

    en/of te Jacksonville (Verenigde Staten)

    en/of aan boord van het vaartuig de “Orcadia”, varende in de wateren voor de Westkust van Afrika heeft deelgenomen aan een organisatie welke organisatie ondermeer werd gevormd door hem, verdachte,

    en/of [medeverdachte 1]

    en/of [medeverdachte 2]

    en/of [medeverdachte 3]

    en/of [medeverdachte 4]

    en/of [medeverdachte 5]

    en/of [medeverdachte 6]

    en/of [medeverdachte 7]

    en/of [medeverdachte 8]

    en/of een of meer anderen en tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) opzettelijk binnen

    en/of buiten het grondgebied van Nederland

    en/of een of meer andere staten brengen

    en/of het vervoeren, het aanwezig hebben e

    n/of verstrekken en/of afleveren

    en/of verkopen van (ongeveer) 33.920 lbs, zijnde omgerekend (ongeveer) 15.000 (Nederlandse) kilogram, hashish (met/op het vaartuig de “Orcadia”),

    en/of 40.000 (Nederlandse) kilogram (met/op het vaartuig de “Great Alexzandar”), in elk geval 25.000 (Nederlandse) kilogram hasish(met/op het vaartuig de “Great Alexzandar”), althans een (handels)hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1, lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II

    en/of welke deelneming bestond uit het: maken

    en/of ontwikkelen van plannen om (een of meer van) voornoemde misdrijven te plegen

    en/of – houden van besprekingen en/of – het (doen) vaarklaar maken van het vaartuig de “Orcadia”

    en/of – fungeren als contactpersoon

    en/of tussenpersoon tussen de afnemers en deopdrachtgevers

    en/of – bijeenbrengen van (financiele) middelen

    en/of – bijeenbrengen van en/of het aanwezig zijn bij ontmoetingen

    en/of afspraken

    en/of – onderhouden

    en/of aangaan van contacten met afnemers

    en/of opdrachtgevers en en/ofgeldschieters

    en/of – organiseren van faciliciteiten

    en/of transportmogelijkheden

    en/of – (doen) aanschaffen van het vaartuig de “Orcadia”

    en/of – plegen van (telefonisch) overleg en/of – geven van aanwijzingen/instructies met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven

    en/of – verrichten van hand- en spandiensten met betrekking tot de te plegen misdrijven

    en/of terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld; (artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht)

    2. hij in of omstreeks de maand mei 1996, te Jacksonville (Florida, V.S.), in elk geval in de Verenigde Staten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, althans aanwezig gehad, (met/op het vaartuig “Orcadia”) een hoeveelheid van (ongeveer) 33.920 lbs, zijnde omgerekend (ongeveer) 15.000 Nederlandse kilogram, althans een (handels)hoeveelheid, hashish, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1, lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II; (artikel 3 en 11 van de Opiumwet)

    3. hij in of omstreeks de periode van 1 juli 1995 tot 1 augustus 1996, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd

    en/of aanwezig gehad, in de wateren van de Westkust van Afrika (met/op het vaartuig “Great Alexzandar”) een hoeveelheid van (ongeveer) 40.000 kilogram, althans een hoeveelheid van (ongeveer) 25.000 kilogram, althans een (handels)hoeveelheid, hashish, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1, lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II; (artikel 3 en 11 van de Opiumwet) 4. hij op of omstreeks 19 mei 2000 te Amsterdam, althans in Nederland een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, Browning, type FN, en/of munitie van categorie III, te weten 6 patronen, voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; (Artikel 26 Wet Wapens en Munitie)

    2. Voorvragen.

    2.1. Ontvankelijkheid van de officier van justitie De verdediging heeft ter zitting van 16 januari 2001 andermaal betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Daartoe is -zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

    Ten aanzien van de inzet [burgerinfiltrant] oktober 1998.

    Het gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte is aangevangen in april 1997 en richtte zich op de verdenkingen van de feiten zoals thans aan verdachte telastegelegd onder 1, 2 en 3. Het gerechtelijk vooronderzoek en het opsporingsonderzoek zijn doorgelopen tot de aanhouding van verdachte op 19 mei 2000. Alle in die periode verrichte onderzoekshandelingen en opsporingsmethoden dienen derhalve te worden beoordeeld op rechtmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Ook buitenlands onderzoek en onderzoek in samenwerking met het buitenland zijn daarmee voorwerp van beoordeling door de rechtbank. De rechtbank dient zich een zelfstandig oordeel te vormen omtrent de geoorloofdheid van de inzet van een buitenlandse infiltrant. Naar Nederlands recht is de inzet van een infiltrant een bijzondere opsporingsmethode. Het parlement heeft, mede naar aanleiding van de bevindingen van de commissie Van Traa, geoordeeld dat in Nederland geen gebruik mag worden gemaakt van een burgerinfiltrant ten behoeve van de opsporing, laat staan van een criminele burgerinfiltrant.

    Desondanks heeft het openbaar ministerie in de onderhavige zaak besloten de Amerikaanse criminele burgerinfiltrant [burgerinfiltrant] in juli 1998 te horen. Zijn verklaringen zijn in eerste instantie geheim gehouden; deze zogenaamde kluisverklaringen uit 1998 mochten eerst na toestemming van de Amerikaanse autoriteiten worden vrijgegeven. Kennelijk toen bleek dat het Nederlandse onderzoek tegen verdachte vast zat, is overleg gevoerd tussen het Nederlandse en Amerikaanse openbaar ministerie hetgeen heeft geresulteerd in het verlenen van medewerking aan de uitvoering van een rechtshulpverzoek van 17 juni 1998 van de Amerikaanse autoriteiten aan Nederland om [burgerinfiltrant] op Nederlands grondgebied als burgerinfiltrant in te zetten. Uit de verklaring van [verbalisant] blijkt dat die inzet van [burgerinfiltrant] mede in het kader van het tegen verdachte lopende onderzoek plaats vond.

    De Centrale Toetsingscommissie (CTC) en eventueel achteraf ook de Minister van Justitie hebben hieraan hun goedkeuring verleend. De inzet van [burgerinfiltrant] in oktober 1998 heeft geleid tot nader onderzoek naar het als gevolg van die inzet bekend geworden call max nummer van [medeverdachte 9], doch heeft uiteindelijk niet tot enig bewijs tegen verdachte geleid. In maart 2000 is deze operatie herhaald, ditmaal als gevolg van het rechtshulpverzoek van de Nederlandse aan de Amerikaanse autoriteiten.

    Het standpunt van het openbaar ministerie dat [burgerinfiltrant] toen niet als infiltrant doch als lokvogel is ingezet, wordt bestreden. Ook deze inzet had alle kenmerken van infiltratie. [burgerinfiltrant] is een criminele burgerinfiltrant, het Nederlandse infiltratieteam werd ingeschakeld en het optreden van [burgerinfiltrant] had het karakter van infiltratie. Dat het doel van deze operatie zou zijn om de aanhouding van verdachte mogelijk te maken maakt het voorgaande niet anders.

    Kortom, zowel in 1998 als in 2000 is [burgerinfiltrant] als criminele burgerinfiltrant ingezet, onder regie van het Nederlands openbaar ministerie in de zaak tegen verdachte. Het betreft hier een bijzondere opsporingsmethode die niet in de wet is geregeld en door het parlement is verboden. Teneinde deze te toetsen op rechtmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit dient de rechter bekend te zijn met alle gegevens hieromtrent zoals de verslaglegging van degenen die hiermee gemoeid waren. De volledige verslaglegging van [verbalisant], de stukken van de CTC en de correspondentie met de Minister van Justitie en het Amerikaanse rechtshulpverzoek van 17 juni 1998, dienen aan de rechtbank ter beschikking te zijn, zodat een oordeel kan worden gegeven omtrent de door het openbaar ministerie afgewogen belangen. Dit klemt temeer nu [verbalisant] heeft verklaard dat verdachte in het Amerikaans onderzoek hoofdverdachte was en de inzet in 1998 plaats vond teneinde contact tussen [burgerinfiltrant] en verdachte tot stand te brengen hetgeen in tegenspraak is met de verklaringen van het Nederlandse en Amerikaanse openbaar ministerie die de ontmoetingen tussen [burgerinfiltrant] en verdachte in 1998 betitelen als toevallig. Nu geen sprake is van volledige transparantie kunnen de stukken van de CTC en Minister van Justitie niet buiten beschouwing blijven.

    Voorts heeft het openbaar ministerie obstructie gepleegd bij de verhoren van de getuige [burgerinfiltrant]. Steeds werd belet vragen te stellen aan deze getuige, alsmede aan de getuigen P. Dowling en J.P. Reilly. (Amerikaanse verbalisanten) Al hetgeen hierboven is weergegeven dient, naar het oordeel van de verdediging, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, te leiden tot het oordeel dat zozeer in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde is gehandeld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat zij op de grondslag van de telastelegging dient te oordelen over de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank heeft het ter zitting van 28 augustus 2000 in het belang van het onderzoek nodig geacht dat de rechter-commissaris zich op de hoogte stelt van de inhoud van het rechtshulpverzoek van de Verenigde Staten van 17 juni 1998, op grond waarvan [burgerinfiltrant] in oktober 1998 in Nederland is ingezet, opdat de rechter-commissaris zich een oordeel vormt of dat rechtshulpverzoek al dan niet of mede gericht was op verdenkingen tegen verdachte [verdachte]. Daarbij is opgemerkt dat de rechtbank vooralsnog daarmee wilde volstaan omdat niet duidelijk was of wellicht hogere belangen dan die van de onderhavige strafzaak kunnen worden geschaad door toevoeging van dat rechtshulpverzoek aan de stukken van deze zaak. Inmiddels is gebleken, uit de weigering van de Amerikaanse autoriteiten op het verzoek van het Nederlands openbaar ministerie tot toestemming voor het ter hand stellen van het rechtshulpverzoek aan de rechter-commissaris, dat kennelijk sprake is van dergelijke hogere belangen.

    De rechtbank stelt thans het volgende vast.

    Uit de verhoren van de getuigen Dowling en [verbalisant] afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op respectievelijk 14 en 19 december 2000 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat het Amerikaanse onderzoek door de DEA Long Island, in het kader waarvan het rechtshulpverzoek van 27 juni 1998 is gedaan, zich niet richtte op de verdenkingen tegen [verdachte] zoals hem thans in de onderhavige strafzaak verweten. Immers, uit de verklaring van [verbalisant] kan worden afgeleid dat het Amerikaanse onderzoek zich richtte op een organisatie die doende zou zijn met een partij van 40 tot 60 ton hasj. Zulks vindt bevestiging in de brief van officier van justitie mr. J.S. de Vries van 4 december 1998 gericht aan B. Ryan en A. Scalzo.(officieren van justitie in Amerika)

    Uit het vorenstaande volgt dat de inzet van [burgerinfiltrant] in Nederland in oktober 1998 naar het oordeel van de rechtbank niet heeft plaats gevonden in de onderhavige strafzaak. Het feit dat uit de inzet van [burgerinfiltrant] een call max nummer naar voren is gekomen, dat vervolgens in het kader van de onderhavige strafzaak enige tijd is getapt, maakt dit niet anders. Het is derhalve niet aan de rechtbank om in deze strafzaak een oordeel te geven omtrent de (on)rechtmatigheid van die inzet. Eventueel nader onderzoek naar die inzet gaat eveneens het kader van deze strafzaak te buiten.

    Voor een algemeen oordeel over de inzet in Nederland van een al dan niet criminele burgerinfiltrant, niet gelieerd aan de ten laste gelegde feiten, is in een strafzaak geen plaats. In het geval dat het Amerikaanse onderzoek, waarvan de inzet van [burgerinfiltrant] deel uitmaakt, leidt tot een concrete verdenking jegens [verdachte] kan in dat kader, bijvoorbeeld in een uitleveringsprocedure, door de Nederlandse rechter een oordeel hierover worden gegeven. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer en acht de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte.

    Ten aanzien van de inzet van [burgerinfiltrant] in maart 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

    Deze inzet vond, in tegenstelling tot die in oktober 1998, wel plaats in het kader van de onderhavige strafzaak. Die inzet was het gevolg van medewerking door de Amerikaanse autoriteiten aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek van de officier van justitie mr. A.R.O. Mooy van 21 februari 2000 (RHV 18). Uit de inhoud van het rechtshulpverzoek kan worden afgeleid dat die inzet uitsluitend gericht was op het tot stand brengen van contact tussen [burgerinfiltrant] en [verdachte] teneinde tot aanhouding van laatstgenoemde over te kunnen gaan. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van Dowling, Reilly en [verbalisant], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 14 en 19 december 2000 alsmede door hetgeen daadwerkelijk door [burgerinfiltrant] tijdens diens inzet is verricht, te weten het bezoeken van mr. H.P. Vos, advocaat te Amsterdam, het schrijven van een brief aan mr. Vos en het bezorgen van deze brief. De rechtbank herhaalt haar standpunt, zoals verwoord ter zitting van 15 januari 2001 naar aanleiding van het door de verdediging preliminair op dit punt gevoerde verweer, dat sprake was van een zogenoemde ‘lokvogeloperatie’ en dat de gedragingen van [burgerinfiltrant] niet kunnen worden aangemerkt als infiltratie in de zin van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering. Het feit dat [verdachte] zich sinds 1996 aan zijn aanhouding had weten te onttrekken maakt dat het inzetten van een ‘lokvogel’ uitsluitend ter aanhouding van verdachte, naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is en voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook in dit opzicht is er dus geen aanleiding om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte.

    Nu de raadsman zo nadrukkelijk zijn betoog hierop heeft gericht, merkt de rechtbank in dat verband nog het volgende op. Het is de rechtbank bekend dat de Tweede Kamer naar aanleiding van de bevindingen van de commissie Van Traa een motie heeft aangenomen met de stelling dat in Nederland de inzet van een criminele burgerinfiltrant niet kan worden aanvaard. De rechtbank acht zich echter niet gebonden aan een in de Tweede Kamer aangenomen motie, indien die motie niet is gevolgd door wetgeving op dat punt. Zulke wetgeving is tot op heden uitgebleven.

    Omtrent de door de verdediging gestelde obstructie door het openbaar ministerie bij het horen van de getuigen [burgerinfiltrant], Dowling en Reilly in augustus en december 2000, overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat van obstructie door het openbaar ministerie geen sprake is. Voor zover de officier van justitie zich heeft verzet tegen het beantwoorden van vragen door de getuige en deze vragen inderdaad niet werden beantwoord, heeft de rechter-commissaris, die belast was met het horen, zulks na afweging van de in het geding zijnde belangen kennelijk gesanctioneerd. Onder deze omstandigheden is geen sprake van obstructie door het openbaar ministerie. Voorts merkt de rechtbank op dat het de verdediging uiteraard vrij stond het verzoek te doen deze getuigen ter zitting te doen horen doch dat de verdediging kennelijk daarvan heeft afgezien. Het verweer wordt derhalve verworpen.

    2.2. Dubbele strafbaarheid.

    2.2.1. In het onder 1 telastegelegde feit wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie binnen en buiten het grondgebied van Nederland. Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 augustus 2000 verklaard dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Het gaat hier om een feit, dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop blijkens de toepasselijke wetsartikelen eveneens (als ‘conspiracy’) strafbaar is gesteld in de Verenigde Staten van Amerika, zodat de Nederlandse strafwet ingevolge het bepaalde in artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk op verdachte is.

    De strafbaarstelling van dit feit in Belize, de vlaggenstaat van de vaartuigen de Great Alexzandar en de Orcadia, kan de rechtbank echter niet vaststellen zodat wat dit gedeelte van de telastelegging betreft de Nederlandse strafwet ingevolge het bepaalde in artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is op verdachte, voorzover de Orcadia zich niet op het grondgebied, inclusief de territoriale wateren, van de Verenigde Staten van Amerika bevond.

    2.2.2. In de onder 2 en 3 telastegelegde feiten wordt verdachte verweten dat hij deze geheel of deels buiten het grondgebied van Nederland heeft gepleegd. Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 augustus 2000 verklaard dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Nu het hier gaat om feiten die door de Nederlandse strafwet als misdrijf worden beschouwd en waarop blijkens de toepasselijke wetsartikelen eveneens straf is gesteld in de Verenigde Staten van Amerika en in Belize, de vlaggenstaat van de vaartuigen de Great Alexzandar en de Orcadia, is de Nederlandse strafwet ingevolge het bepaalde in artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk op verdachte.

    3. Waardering van het bewijs.

    3.1. Bewijsverweren

    3.1.1. De verdediging heeft ter terechtzitting van 16 januari 2001 primair betoogd, zoals in het vorenstaande weergegeven onder 2.1, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] dient te worden verklaard. Op grond van die zelfde argumenten, die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd, stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat de verklaringen van [burgerinfiltrant] van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

    De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

    De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet anders kan worden verstaan dan dat de raadsman hierbij doelt op de verklaringen die [burgerinfiltrant] na zijn inzet in oktober 1998 heeft afgelegd. Nu de rechtbank die verklaringen van [burgerinfiltrant] niet voor het bewijs gebruikt, hoeft dit verweer geen verdere bespreking.

    3.1.2. De raadsman heeft aangevoerd dat vanaf het moment dat de hash werd overgeladen op de Orcadia deze volledig in de macht was van de DEA, zodat er door de verdachte en de medeverdachten geen strafbare handelingen meer konden worden gepleegd. Op die grond dient verdachte derhalve van het onder 2 telastegelegde te worden vrijgesproken.

    De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

    Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachten in de periode onmiddellijk voorafgaand aan de overlading op de Orcadia actief betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de hoeveelheid te verschepen hash en het feitelijk overladen van de hash op 27 april 1996. Ook na het overladen van de hash hebben de verdachten nog actieve handelingen verricht, die gericht waren op het verdere vervoer van de hash naar de Verenigde Staten en de verdere doorvoer, voordat de hash op 12 mei 1996 in beslag werd genomen. Verdachte en de medeverdachten hebben namelijk brandstof geleverd aan de Orcadia en hebben contact gelegd met [medeverdachte 10] over wat er na aanlanding verder met de hash moest gebeuren. Voorzover de stelling van de verdediging al juist is dat de Orcadia volledig in de macht van de DEA zou zijn geweest, dan gedroeg de DEA zich tot de formele inbeslagname van de hash in Jacksonville naar de gemaakte plannen. Onder die omstandigheden moet het verweer van de raadsman worden verworpen.

    3.2. Voor zover de telastelegging ten aanzien van feit 1 behelst dat verdachte wordt verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie die tot het oogmerk had het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van een of meer andere staten brengen van hoeveelheden hashish moet de verdachte daarvan worden vrijgesproken. De Nederlandse strafwet heeft niet strafbaar gesteld het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van een of meer andere staten dan Nederland brengen van hoeveelheden hashish, zodat niet kan worden bewezen dat dit oogmerk het plegen van een misdrijf inhoudt.

    3.3.. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

    1. in de periode van 1 juli 1995 tot 1 augustus 1996 in Nederland en de Verenigde Staten en aan boord van het vaartuig de “Orcadia”, heeft deelgenomen aan een organisatie welke organisatie onder meer werd gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens opzettelijk vervoeren en afleveren van ongeveer 33.920 lbs, zijnde omgerekend ongeveer 15.000 kilogram, hashish met/op het vaartuig de “Orcadia”, en 40.000 kilogram met/op het vaartuig de “Great Alexzandar” hashish welke deelneming bestond uit – maken en/of ontwikkelen van plannen om voornoemde misdrijven te plegen en – houden van besprekingen en – het doen vaarklaar maken van het vaartuig “Orcadia” en – aanwezig zijn bij ontmoetingen en – organiseren van faciliteiten en/of transportmogelijkheden en – plegen van (telefonisch) overleg en – geven van aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven, terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld.

    2. hij in de maand mei 1996 in de Verenigde Staten, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd, met/op het vaartuig “Orcadia” een hoeveelheid van ongeveer 33.920 lbs, zijnde omgerekend ongeveer 15.000 kilogram hashish.

    3. hij in de periode van 1 juli 1995 tot 27 april 1996, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd, in de wateren voor de Westkust van Afrika met/op het vaartuig “Great Alexzandar” een hoeveelheid van ongeveer 40.000 kilogram hashish.

    4. hij op 19 mei 2000 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool, Browning, type FN, en munitie van categorie III, te weten 6 patronen, voorhanden heeft gehad. De rechtbank leest het in de 2e regel van feit 3 vermelde “van de Westkust” gelet op de omschrijving van het onder 1 telastegelegde feit, als “voor de Westkust”. Door deze verbetering wordt verdachte niet in de verdediging geschaad. Taal- en/of schrijffouten in de telastelegging zijn verbeterd. Ook hierdoor is verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

    4. Het bewijs.

    De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 4.1.1. Een geschrift, genummerd G-31-01, bestaande uit een Nederlandse vertaling van een proces-verbaal van verhoor van [burgerinfiltrant] op 22 juli 1998 en volgende dagen te Mineola, New York, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven: Ik heb in Parijs een bespreking gehad met JILL en zijn zakenpartner JACK over een boot van JILL, die in problemen verkeerde. JILL is een Nederlander. Hij vertelde mij dat hij ongeveer 40 ton hash per jaar vervoerde. Daarna was ik in september/ oktober 1995 in Amsterdam bij een bespreking op een woonboot over toekomstige zaken. JILL en JACK waren daar ook. JILL vertelde dat hij een transport van ongeveer 40 ton hash had gepland. Mijn partner en ik wilden meedoen door nog eens 30 ton op diezelfde boot te zetten, tegen te delen transportkosten. JILL was toen al halverwege met zijn voorbereidingen. Later hoorde ik van hem dat 17 ton van deze lading in de Verenigde Staten in beslag was genomen.

    4.1.2. Een geschrift, genummerd G-31-02, bestaande uit een Nederlandse vertaling van een proces-verbaal van verhoor van [burgerinfiltrant] op 22 juli 1998 en volgende dagen te Mineola, New York, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven: JACK was JILL’s zakenpartner/ rechterhand. Hij deed voor JILL onder meer dingen, waar je voor moest reizen, zoals geld brengen naar Dubai, wat hij later heeft gedaan. Tijdens de woonbootbespreking heeft JILL uitgelegd dat hij al een transport had georganiseerd. Later hoorden wij van hem dat hij $ 2.000.000 had betaald voor 20 ton hash en dat hij de andere 20 ton op afbetaling zou krijgen van de Pakistani (de rechtbank begrijpt: de Pakistaanse leveranciers). De lading van JILL zou deels naar Canada gaan. Na de woonbootbespreking stuurde JILL JACK naar Dubai. Daar heeft hij voor JILL het schip (de rechtbank begrijpt: voor de geplande operatie) gekocht, naar in mijn herinnering is blijven hangen voor $ 800.000. Ik meen dat dit schip CARMEN heette. JILL heeft uiteindelijk 44 ton hash ontvangen in plaats van de 40 ton, die hij oorspronkelijk had geregeld. Ik heb gehoord dat er namens de groep van JILL een Nederlander aan boord van zijn schip was. [Betrokkene 1] heeft mij verteld dat er een tweede Nederlander aan boord is geweest, die zij hadden opgepikt van het afhaalschip, dat een voor Canada bestemd deel van de lading had opgehaald. Dat deel van de lading is, zoals ik later heb gehoord, in beslag genomen in Jacksonville, Hoewel ik de naam GREAT ALEXZANDAR ken, hoor ik zojuist dat de CARMEN in feite de GREAT ALEXZANDAR was.

    4.1.3 Een geschrift, genummerd G-31-04, bestaande uit een Nederlandse vertaling van een proces-verbaal van verhoor van [burgerinfiltrant] op 22 juli 1998 en volgende dagen te Mineola, New York, voor zover inhoudend, zakelijk weergeven: Uit het fotoboek dossier HA 9708 (opmerking rechtbank: ordner 8) herken ik op de foto’s 1 en 29 de JILL en op de foto’s 2 en 31 de JACK, over wie ik in mijn verklaringen heb gesproken. (het is de rechtbank uit de bij dat fotoboek behorende namenlijst bekend dat op de foto’s 1 en 29 verdachte is afgebeeld en op de foto’s 2 en 31 [medeverdachte 11]

    4.1.4. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr. HA 9708, pv-code V-01-02, opgenomen in ordner 6) op 19 mei 2000 opgemaakt door G.B.M. Geestman en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voorzover inhoudend als verklaring van VERDACHTE, zakelijk weergegeven: Ik ken [medeverdachte 11] van vroeger. Ik herken hem in de fotomap HA 9708 op blz. 2 en 31 (het is de rechtbank uit de namenlijst, behorende bij die fotomap, bekend dat op genoemde pagina’s [medeverdachte 11] is afgebeeld).

    4.1.5. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal, op 14 juni 2000 opgemaakt door P.G.J. Spaansen en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudend als verklaring van VERDACHTE, zakelijk weergegeven: Op uw vraag of het juist is dat [burgerinfiltrant] mij en [medeverdachte 11] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 11]) respectievelijk kent onder de namen JILL en JACK antwoord ik dat ik deze [burgerinfiltrant] niet ken.

    4.1.6. De rechtbank beschouwt de verklaring van verdachte dat hij [burgerinfiltrant] niet kent als leugenachtig, omdat zij geen reden heeft te twijfelen aan de andersluidende verklaringen van deze [burgerinfiltrant], terwijl uit bewijsmiddel 4.2.8. bovendien blijkt dat ook [medeverdachte 6] degene, die hij kende onder de naam JACK, heeft herkend van een foto, waarop [medeverdachte 11] is afgebeeld. De rechtbank leest die leugenachtige verklaring alsof deze luidt: “Ik ken [burgerinfiltrant]’. Ten aanzien van feit 2 voorts: 4.2.1. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr.HA 9708, onder nummer V-2-2 opgenomen in ordner 6), op 2 juni 1997, opgemaakt door J.R.O. Schansman en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voorzover in houdend als verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven: Op verzoek van ene ‘Hans Bennekom’ ben ik omstreeks februari 1996 naar Florida gegaan voor expertise van een schip aldaar op het punt van geschiktheid voor langere reizen. Dat schip, de ORCADIA, bleek in Jacksonville te liggen. Daar heb ik [DEA agent] ontmoet. In enige weken heb ik het schip in orde gebracht. Intussen kwam [medeverdachte 12] aan boord.

    4.2.2. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal ( dossiernr. HA 9708, onder nummer V2-4 opgenomen in ordner 6), op 9 juni 1997 opgemaakt door J.R.O. Schansman en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voorzover inhoudend als verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven: Na 5 dagen op de ORCADIA kreeg ik in de gaten dat er hash mee zou worden vervoerd. Ik had telefonisch contact met een 06-nummer van ‘Hans Bennekom’ en ook 2-3 andere telefoonnummers van hem gekregen om de vorderingen met de ORCADIA door te geven Wanneer ik een van deze nummers belde, kreeg ik een man met Limburgse tongval aan de lijn. Op de mij getoonde foto’s in fotomap HA 9708 herken ik op blz. 10 en 18 [medeverdachte 12] (het is de rechtbank uit de namenlijst, behorende bij die fotomap, bekend dat op genoemde pagina’s is afgebeeld [medeverdachte 12]).

    4.2.3. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr. HA 9708, onder nummer V-2-7 opgenomen in ordner 6), op 12 juni 1997 opgemaakt door J.R.O. Schansman en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voorzover inhoudend als verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven: A. (nadat de verbalisanten hem enige via zijn huisnummer in Amsterdam gevoerde, opgenomen telefoongesprekken op 27 april 1996 in de nachtelijke uren in Florida-tijd tussen hem en [DEA agent] over een over te laden hoeveelheid hash hadden laten horen, waarvan de tekst is afgedrukt op blz. 2 van dat proces-verbaal): Ja, die gesprekken heb ik met [DEA agent] gevoerd. Het klopt ook dat ik in die gesprekken tweemaal de naam ‘AL’, heb genoemd. Ik heb na het gesprek van 03.15 uur met ‘AL’ gebeld en voor extra brandstof voor de ORCADIA gezorgd. Ook heb ik hem verteld over het tekort van 15 ton, waarover [DEA agent] sprak. Gezien het in het gesprek om 03.35 uur Floridatijd door mij aan [DEA agent] gegeven antwoord zal’ AL’ mij dan hebben gezegd dat BIG JOE (het is de rechtbank uit het dossier bekend dat BIG JOE een van de bijnamen van [medeverdachte 13] zou zijn) dit zo zou hebben geregeld. B. (nadat de verbalisanten hem hebben voorgehouden dat hij in het telefoongesprek om ongeveer 03.15 uur Floridatijd 2x tegen [DEA agent] gezegd heeft dat hij, [medeverdachte 2], ‘AL’ zal bellen en dat hij die dag kort daarna, om ongeveer 21.14 uur Nederlandse tijd, heeft gebeld met het nummer 06-53338028, waarmee hij (naar de rechtbank begrijpt: zoals gebleken uit het communicatie-onderzoek) in totaal minstens 50 x heeft gebeld en waarvan het onderzoek doet vermoeden dat het bij [verdachte] in gebruik is geweest en dat op blz. 692 van de uitdraai van de gedecodeerde floppy’s van [verdachte] blijkt dat daar 2 nummers (naar de rechtbank aanneemt van communicatiemiddelen als telefoons, maxers of buzzers) vermeld staan met de aanduiding ‘al’): Mogelijk nam de man, die de telefoon opnam wanneer ik het nummer 06–53338028 draaide, op met ‘AL’. C. (nadat de verbalisanten hem hebben voorgehouden dat zijn naam, adres, telefoon- en faxnummers en zelfs zijn vroegere telefoonnummer 020-6625750, al dan niet met vermelding van een code en/of afspreekplaatsen, in de uitdraai van de gedecodeerde floppy’s van [verdachte] voorkomen, evenals data van mutaties van zijn gegevens in die floppy’s tussen 7 december 1991 en 12 februari 1996, uit welke mutaties volgens de verbalisanten zou blijken dat [verdachte] hem kennelijk vanaf 1991 kent): Ik kan niet verklaren dat ik vele malen op die floppy’s sta.

    4.2.4. Een geschrift, bestaande uit een Nederlandse vertaling van een verhoor (genummerd bijlage G-13-01, opgenomen in ordner 7) van [een getuige] op 11 december 1997 te Montreal (Canada), voorzover inhoudend als zijn verklaring, zakelijk weergegeven: Ik heb op mijn verjaardag op 26 mei 1994 in het Hilton hotel bij Schiphol iemand ontmoet, die zich voorstelde als ‘Ik ben [verdachte]’. Later kwam ik te weten dat zijn naam was [verdachte]. In het fotodossier HA 9708, dat u mij laat zien, herken ik [verdachte] op blz. 1. (het is de rechtbank uit de bij dat fotoboek behorende namenlijst bekend dat op blz. 1 daarvan verdachte is afgebeeld.)

    4.2.5. De rechtbank stelt vast: A. op grond van bewijsmiddel 4.2.3 onder C: dat [medeverdachte 2] reeds lang voordat hij naar Florida vertrok per telefoon en/of buzzer in contact stond met verdachte, alsmede dat verdachte en hij elkaar kennelijk kenden. B. op grond van bewijsmiddel 4.2.4: dat verdachte zich ook wel [verdachte] noemde, bezien in samenhang met het uit bewijsmiddel 4.2.3 onder A en B blijkende feit dat [medeverdachte 2] vele malen telefonisch contact heeft gehad met ‘AL’ ook gedurende en ten behoeve van de overlading van hash en ten behoeve van overlading van extra brandstof van de GREAT ALEXZANDAR op de ORCADIA: dat met’ AL’ verdachte werd bedoeld. 4.2.6. Een geschrift (aangeduid als V10-01 in ordner 6), bestaande uit een verklaring door P.C.T. Priehn en E.G. Lease, respectievelijk brigadier van politie en bijzonder onderzoeksambtenaar bij de FIOD, inhoudend als op 26 juni 1997 aan hen afgelegde verklaring van [medeverdachte 6], voorzover luidend als volgt, zakelijk weergegeven: Ik ben eind 1995 in Dubai op verzoek van ene JACK aan boord van de GREAT ALEXZANDAR gegaan. JACK had gezegd dat dat schip ongeveer 20 ton hash zou ophalen in de Pakistaanse wateren. JACK zei mij dat ik onder meer moest voorkomen dat de bemanning hash vanaf dat schip zou verkopen aan andere schepen. In de Pakistaanse wateren nam de GREAT ALEXZANDAR ongeveer 15 ton hash aan boord en bij zuid India ongeveer 25 ton, in totaal dus om en nabij 40 ton. Vervolgens heeft de GREAT ALEXZANDAR maanden gewacht op de Atlantische Oceaan. JACK heeft tijdens die reis enkele malen met mij gesproken over de satelliettelefoon. Op een gegeven moment werd er over de radio geroepen “supplier”. Toen bleek dat dat door een Nederlander was geroepen, heb ik met die man gesproken. Hij zei dat de GREAT ALEXZANDAR dichter in de buurt moest komen, omdat het schip waarop hij zat, brandstoftekort had. Na ongeveer 2 dagen varen ontmoetten beide schepen elkaar. Na een telefonische discussie over de over te laden hoeveelheid is ongeveer 15 ton hash mede door mij overgeladen op de afhaler. De Nederlander, die zich op dat schip bevond, kwam toen aan boord van de GREAT ALEXZANDAR. Hij bleek [medeverdachte 12] te heten. Van de mij getoonde foto’s in fotodossier HA 9708 (opmerking rechtbank: ordner 8) herken ik op blz. 10 [medeverdachte 12] (het is de rechtbank uit de bij dat fotoboek behorende namenlijst bekend dat op die bladzijde een foto van [medeverdachte 12] is afgebeeld). JACK wilde een Nederlander aan boord van de GREAT ALEXZANDAR hebben, die de Nederlandse organisatie vertegenwoordigde en die zo nodig, wanneer het schip een haven zou moeten aandoen, samen met de kapitein kon besluiten de hash overboord te gooien. (nadat de verbalisanten [medeverdachte 6] de inhoud van 3 tijdens het overladen op het afhaalschip op 27 april 1996 opgenomen telefoongesprekken tussen [DEA agent] en [medeverdachte 2], waaruit onder meer blijkt dat er telefonisch overleg is geweest met ‘AL’ en/of anderen of een ander in Nederland over de hoeveelheid over te laden hash, hadden voorgehouden): Ik ben aan boord van de afhaler gegaan en heb telefonisch met JACK over de over te laden hoeveelheid hash gesproken. Ik herkende hem aan zijn stem. Hij zei dat ik maar 15 ton moest overladen en dat heb ik gedaan. Ik was de contactpersoon van JACK op de GREAT ALEXZANDAR. 4.2.7. Een geschrift (dossiernummer HA 9708, opgenomen tussen de verklaringen onder nummer V10-01 in ordner 6), bestaande uit een op 27 juni 1997 opgemaakte verklaring van P.C.T. Priehn, brigadier van politie, en E.G. Lease, bijzonder onderzoeksambtenaar van de FIOD, voor zover inhoudend als aan hen op die dag afgelegde verklaring van [medeverdachte 6], kort en zakelijk weergegeven: Na het overladen kreeg de ORCADIA 40 ton brandstof.

    4.2.8. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernummer HA 9708, pv-code V-10-3 in ordner 6), op 28 augustus 1998 opgemaakt door L.P.A. Kouwenberg en N.J.M. Janssen, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudend als aan hen op die dag afgelegde verklaring van [medeverdachte 6], kort en zakelijk weergegeven: Ik herken nu in fotomap HA 9708 op foto 31 JACK. (het is de rechtbank uit de bij dat fotoboek behorende namenlijst bekend dat op die foto is afgebeeld [medeverdachte 11], die in bewijsmiddelen 4.1.1. en 4.1.2. de zakenpartner/ rechterhand van verdachte wordt genoemd.)

    4.2.9. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen 4.2.6. en 4.2.7. vast: – dat [medeverdachte 6] wat hij noemt ‘de Nederlandse organisatie’ vertegenwoordigde als toezichthouder op de lading hash aan boord van de GREAT ALEXZANDAR; – dat hij aan boord van de GREAT ALEXZANDAR telefonische contacten onderhield met JACK die bij het vervoer van hash met dat schip betrokken was in een hogere positie dan hijzelf; – dat hij tijdens het overladen van hash van de GREAT ALEXZANDAR op de ORCADIA via JACK heeft deelgenomen aan telefonisch overleg over de hoeveelheid over te laden hash, bij welk overleg ook ‘AL’ (de rechtbank begrijpt uit het in bewijsmiddel 2.1.5 vermelde: verdachte) betrokken is geweest.

    4.2.10. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal dossiernummer HA 9708, pv-code V-07-02 in ordner 6), opgemaakt door I.C. Klaver en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudend als op 3 februari 1998 aan hen afgelegde verklaring van [medeverdachte 12], zakelijk weergegeven: In februari 1996 vroeg een man, die ik NR. 1 zal noemen, mij in Rotterdam voor een klus van ongeveer 6 weken op een schip, dat een lading van een ander schip op de Atlantische Oceaan moest halen en naar de VS zou brengen. Ik kon er fl. 30.000-35.000,- mee verdienen. NR. 1 zei dat ik in Florida ene [medeverdachte 2] zou ontmoeten, met wie ik naar het schip zou gaan. Deze [medeverdachte 2] zou volgens hem met mij meevliegen naar Florida, maar dat is niet doorgegaan. Ik accepteerde de klus en NR. 1 gaf mij een GSM, waarmee ik hem kon bereiken. In Florida aangekomen, ontmoette ik in het [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]). Wij werden per auto naar een schip in een haven bij Jacksonville gebracht en voorgesteld aan ene captain BOBBY (het is de rechtbank uit het dossier bekend dat daarmee [DEA agent] werd bedoeld). Ik zag dat dit schip ORCADIA heette. De ORCADIA was nog niet vaarklaar, maar is onder leiding van [medeverdachte 2] in de daarop volgende weken vaarklaar gemaakt. Begin april 1996 vertrok de ORCADIA uit Jacksonville. Na wat pech zijn we op de Atlantische Oceaan naar de coördinaten gegaan, die ik in Rotterdam al van NR. 1 had gekregen op een briefje, waarop ook de radiofrequenties van het moederschip stonden. Uiteindelijk vond de ontmoeting plaats tussen de ORCADIA en het moederschip, waarvan ik nu weet dat het de GREAT ALEXZANDAR was. Bij de overlading kreeg ik door dat het om hash ging. Er was discussie over de over te laden hoeveelheid. Ik heb toen gebeld naar het GSM-nummer van NR. 1, maar kreeg een ander, die ik NR. 2 noem en een Limburgse tongval had, aan de lijn. Na de overlading was mijn klus klaar en ben ik op de GREAT ALEXZANDAR overgestapt, hetgeen tevoren met NR. 1 was afgesproken. Tijdens de overlading maakte ik kennis met [medeverdachte 6], die al op dat schip zat. Daar aan boord was nog ongeveer 20 ton hash (de rechtbank begrijpt dat dit moet zijn: ongeveer 40 ton geladen door de GREAT ALEXZANDER minus ongeveer 15 ton overgeladen op de ORCADIA doet overblijven ongeveer 20 ton). Na ongeveer een maand is deze partij overgeladen op een zwarte supplier. Begin juni 1996 zijn [medeverdachte 6] en ik in Abidjan (Ivoorkust) van boord gegaan. Ik herken van de mij getoonde foto’s in fotomap AH 9708 op blz. 3 [medeverdachte 2] en op blz. 20 [medeverdachte 6] (het is de rechtbank uit de bij dat fotoboek behorende namenlijst bekend, dat op die bladzijden resp. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] zijn afgebeeld). Als ik NR. 1 belde, kreeg ik vaak NR. 2 aan de lijn. Voor mijn vertrek naar Florida had een man, die ik NR. 5 noem, mij in Rotterdam gevraagd een GSM voor hem te regelen. Op mijn verzoek heeft [betrokkene 2] dat gedaan.

    4.2.11. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr HA 9708, pv-code V-07-04, zich bevindend in ordner 6), op 4 februari 1998 opgemaakt door I.C. Klaassen en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudend als verklaring van [medeverdachte 12] , zakelijk weergegeven: (nadat de verbalisanten hem hadden voorgehouden dat in de uitdraai van de gedecodeerde floppy’s van [verdachte] diverse malen een telefoonnummer op naam van [betrokkene 2] te otterdam voorkomt (opmerking rechtbank: op blz. 692 in ordner 4) en achter de vermelding “[medeverdachte 12]” dat nummer als het nummer van het huisadres van [medeverdachte 12]): Ik denk dat NR. 5 mogelijk een contract of formulier, waarop mijn toenmalig adres en de naam [betrokkene 2] stond, en de bijbehorende SIM-kaart, die ik aan NR. 5 gegeven had, en PUK-code aan [verdachte] gegeven zou moeten hebben.

    4.2.12. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr. HA 9708, pv-code V07-07, zich bevindend in ordner 6), op 23 februari 1998 opgemaakt door I.C. Klaassen en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voozover inhoudend van [medeverdachte 12], zakelijk weergegeven: (nadat de verbalisanten hem hadden voorgehouden dat in de uitdraai van de gedecodeerde floppy ‘s van [verdachte] op 2 februari 1996, dus eerder dan [medeverdachte 12]S beweerde vertrek naar Florida, is gemuteerd “[medeverdachte 12] [medeverdachte 12] – 55 jaar oud”): Ik heb er geen verklaring voor dat ik diverse keren in die floppy’s voorkom.

    4.2.13. De rechtbank stelt vast: A. op grond van bewijsmiddel 4.2.10.: dat [medeverdachte 12], gelet op de hem voorgehouden duur van en de betaling voor de hem aangeboden scheepsreis, door die reis te accepteren zich (tenminste) bewust blootstelde aan de niet te verwaarlozen kans dat die reis vervoer van (een grote partij) hashish betrof; B. op grond van de bewijsmiddelen 4.2.11. en 4.2.12: dat de feiten, dat [medeverdachte 12] geen overtuigende verklaring geeft voor het feit dat zijn in eerstgenoemd bewijsmiddel aangeduide gegevens in de floppy’s van [verdachte] terechtgekomen zijn, noch voor het feit dat hij diverse keren voorkomt in die floppy’s, bewijzen dat er contacten – al dan niet via derden – bestonden tussen [medeverdachte 12] en verdachte, vanaf omstreeks 2 februari 1996.

    4.2.14. Een geschrift (opgenomen in ordner 11 als bijlage nr HA 9708 AH 18), bestaande uit een Nederlandse vertaling van een op 1 april 1997 gehouden verhoor van[DEA agent], voor zover inhoudend als diens verklaring, zakelijk weergegeven: De ORCADIA is op II mei 1996 in Jacksonville aangekomen en onder mijn toezicht werd er 33.290 Ibs., ongeveer evenveel als 15 metrische ton of ongeveer 17 U.S. ton, hashish uitgeladen.

    4.2.15 Een geschrift, bestaande uit een schriftelijk stuk, ‘proces-verbaal’ genoemd (nr. -AH J 00, bijlage 1/ AH- 74, opgenomen in ordner 12) doch niet de naam, politierang of de opsporingsbevoegdheid van de opstellers vermeldend, voorzover inhoudende als verklaring van de ‘verbalisanten’, zakelijke weergegeven: Wij hebben op 17 juni 1997 van de Drugs Enforcement Administration in Jacksonville, Florida, vier rapporten ontvangen van het laboratoriumonderzoek van de te Jacksonville inbeslaggenomen hashish. Zij zijn als bijlage bij deze verklaring gevoegd. De rechtbank leest op twee van die rapporten, genummerd resp. bijlagen 2 en 4, onder de kop ‘Active drug ingredient’ telkens “Marijuana Resin (Hashish)”.

    Ten aanzien van feit 2 en 3 voorts:

    4.3.1. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernummer HA 9708,onder nummer 1/AH -74 opgenomen in ordner 12 ) opgemaakt op 17 juni 1997 door verbalisanten 23039 en 23076 beiden werkzaam bij het kernteam Randstad Noord & Midden voorzover inhoudend als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op 17 juni 1997 hebben wij op het kantoor van de Drug Enforcement Administration( DEA) Jacksonville, Florida, kopieën ontvangen van weegbrieven betreffende de weging van een vrachtauto onbeladen en beladen met de hashish afkomstig van het schip “Orcadia” en kopieën van politierapporten betreffende het laboratoriumonderzoek van de inbeslaggenomen hashish te Jacksonville, Florida. Wij hebben deze rapporten gevoegd bij het proces-verbaal. en voor zover inhoudend -zakelijk weergegeven- als inhoud van genoemde rapporten: – bijlagenummer 3 pv nummer 0-AH-100 dd 17.697 dat van het motorschip Orcadia onder nummer 96060902 in beslag is genomen een hoeveelheid van ongeveer 33.920 lbs hashish; – bijlagenummer 4 pv nummer 0-AH-100 dd 17.6.1997 dat op 12 mei 1996 in Jacksonville is ontvangen een aantal monsters van nummer 96060902 zijn verstuurd naar het DEA Southeast Regional Laboratory met als conclusie van het rapport dat de “active drug ingedient”Marijuana resin (hashish) is; – bijlagenummers 5 en 6 pv nummer 0-AH 100, van 12 mei 1996 te 09.14 uur inhoudend dat het totale gewicht van een vrachtauto bedraagt 30920 LB G T en van 12 mei 1996 te 12.21 uur inhoudend dat het totale gewicht van een vrachtauto bedraagt 64840 LB G T; met als vaststelling van de rechtbank dat dit een verschil oplevert van 33.920 lbs.

    Ten aanzien van feit 3 voorts:

    4.3.2 De bewijsmiddelen 4.2.1 tot en met 4.2.9 in onderling verband en samenhang bezien met 4.3.3. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossier HA 9708, bijlage 1a, opgenomen in ordner 1), op 8 juli 1997 opgemaakt door M. Pheiffer, buitengewoon opsporingsambtenaar, voorzover inhoudend als zijn verklaring, zakelijk weergegeven: (pagina 4): Op 23 april 1996 heeft [DEA agent] telefonisch gesproken met [medeverdachte 2]. zei dat het moederschip voor 27 april 1996 de ORCADIA ergens 1200 mijl uit de kust van Afrika zou ontmoeten om hashish over te laden en de ORCADIA bij te tanken. Volgens andere telefonische contacten van [DEA agent] heeft het overladen plaatsgevonden op 27 april 1996.

    Bewijsoverweging inzake floppy’s [verdachte].

    1. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr. HA 9708, pv-code 1/AH/-2, opgenomen in ordner 3), op 19 september 1997 opgemaakt door L.P.A. Kouwenberg, buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudend als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven: Op 5 februari 1997 heb ik op grond van een rechtshulpverzoek van 30 januari 1997 van de Gerechtelijke Politie te Tongeren in ontvangst genomen 5 floppy’s. Dit waren kopieën van de originelen. Deze originele floppy’s waren tijdens een huiszoeking in de woning [adres en woonplaats] in april 1996 inbeslaggenomen.

    2. Een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr. HA 9708, bijlage 2, opgenomen in ordner 3), op 3 juni 1997 opgemaakt door H.M. Denkers, buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudend als zijn verklaring, zakelijk weergegeven: Ik heb de op de (de rechtbank begrijpt: van de Gerechtelijke Politie in Tongeren ontvangen) floppies opgeslagen bestanden uitgeprint. Zij zijn opgenomen in bijlage 1 bij dit proces-verbaal. De bladzijden van deze bijlage zijn genummerd 1 tot en met 1577 (opmerking rechtbank: in de ordners 3 tot en met 5).

    3. Uit een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr. HA 9708, pv-code G-1.-1, opgenomen in ordner 7), op 23 januari 1997 opgemaakt door L.P.A. Kouwenberg en M.G.B. Grimbergen, beiden buitengewoon opsporings-ambtenaar, blijkt als verklaring van M.G.F.J. Kuijpers, zakelijk weergegeven: (op een vraag van de verbalisanten: u heeft verklaard dat u met [getuige 1] in opdracht van [verdachte] eens iets moest ophalen in de woning in [woonplaats]. Wat betrof dit?) Dit betroffen stukken van [verdachte], die hij in de woning verstopt had. [verdachte] had [getuige 1] verteld waar hij (de rechtbank begrijpt: [getuige 1]) moest zoeken, namelijk in een convectorput in de woning. Toen er in april 1996 een inval in deze woning was geweest, hoefden wij niet meer te kijken.

    4. In een voor fotokopie conform gewaarmerkt afschrift van een ambtsedig proces-verbaal (dossiernr. HA 9708, pv-code G-29-01, opgenomen in ordner 7), op 25 januari 1999 opge- maakt door L.P.A. Kouwenberg en E.G. Lease, beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, is van mevrouw [getuige 2], de voormalige echtgenote van verdachte, als haar verklaring opgenomen, zakelijk weergegeven: dat zij op de expliciete vraag of de op 17 april 1996 tijdens een huiszoeking in haar woning te [woonplaats] in een convectorput aangetroffen computerfloppy’s van [verdachte] waren, deze vraag bevestigend beantwoordde.

    5. Het is de rechtbank bij kennisneming van de uitdraai van voormelde floppies gebleken dat op de bladzijden 1082 t/m 1086 indexen voorkomen van videofilms, die betrekking hebben onder meer op verdachtes vroegere woning in [woonplaats], op zijn vroegere echtgenote, zijn kinderen en op verdachte zelf, op de woning van zijn gezin in [woonplaats] en op andere gebeurtenissen kennelijk in verdachtes privé-sfeer. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen 1 tot en met 4, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat die floppies de persoonlijke administratie van verdachte bevatten en dat hij het is geweest, die deze inhoud op de floppies heeft gezet en waar nodig gemuteerd.

    Ten aanzien van feit 4:

    4.4.1. Een ambtsedig proces-verbaal van aanhouding d.d. 19 mei 2000 opgemaakt door K34 en K25 behorende tot de regiopolitie Amsterdam/Amstelland, Dienst Centrale Recherche. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als verklaring van K34 en K25 voornoemd: Wij hebben op 19 mei 2000 te Amsterdam de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] aangehouden. Bij de verdachte is een vuurwapen, zijnde een pistool, en 6 patronen aangetroffen.

    4.4.2. Een ambtsedig proces-verbaal omschrijving vuurwapen en munitie d.d. 19 oktober 2000 opgemaakt door R. de Vroome, brigadier-rechercheur van regiopolitie Amsterdam/ Amstelland. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant voornoemd: Op 19 mei 2000 werd bij [verdachte] een vuurwapen en munitie in beslaggenomen. Het in beslaggenomen vuurwapen is een pistool van het merk FN, type Browning. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, lid 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III van de Wet wapens en munitie. De munitie betreft: 6 kogelpatronen. Dit is munitie in de zin van artikel 1, lid 1, onder 4, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

    4.4.3. Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor tijdens voorgeleiding d.d. 19 mei 2000 opgemaakt door G.J.C.M. Bakker, buitengewoon opsporingsambtenaar (V-01-01). Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte: Het vuurwapen is van mij.

    5. De strafbaarheid van de feiten.

    De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

    6. De strafbaarheid van verdachte.

    Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

    7. Motivering van de straf.

    De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat alle aan verdachte verweten gedragingen bewezen zijn en gevorderd hem voor die feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en een geldboete van fl. 100.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een jaar hechtenis. Het standpunt van de verdediging houdt in een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie; dan wel vrijspraak van de feiten 1, 2 en 3, met voor feit 4 een straf gelijk aan het voorarrest. Uiterst subsidiair heeft de verdediging oplegging van een aanmerkelijk lagere straf dan gevorderd bepleit. Naar opvatting van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de bewezen geachte feiten zodanig ernstig zijn dat slechts een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Verdachte heeft een leidinggevende rol vervuld binnen een internationaal opererende criminele organisatie welke zich op grote schaal bezig hield met het inkopen, vervoeren, aanlanden, en (doen) verkopen van grote hoeveelheden hash. Daarbij was er sprake van een professionele aanpak waarbij niet alleen de hele keten van handelingen onder controle werd gehouden, maar ook sprake was van risico- spreiding. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij kennelijk kon beschikken over hoeveelheden van soms tientallen tonnen hash en daarbij zoveel winst maakte dat hij in staat was zich voordoende verliezen te dekken. De aan verdachte op te leggen gevangenisstraf vloeit voort uit de aan hem te verwijten gedragingen.

    Daarnaast is het verdachte te verwijten dat hij is doorgegaan met zijn strafbare gedragingen kort nadat hij was veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar voor soortgelijke feiten als thans bewezen zijn verklaard. Daaruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte er kennelijk de voorkeur aan geeft op deze manier in zijn levensonderhoud te voorzien. Dat is op zichzelf al een omstandigheid die zich verzet tegen het verzoek van de raadsman een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf op te leggen dan geëist. De rechtbank weegt ook nadrukkelijk ten nadele van verdachte mee dat hij bij zijn aanhouding in bezit was van een doorgeladen vuurwapen. Dat wijst op een bereidheid in een voorkomend geval dat vuurwapen te trekken en te gebruiken, met alle mogelijke gevolgen voor anderen van dien. De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat er een aanmerkelijke tijd is verstreken tussen het plegen van de strafbare feiten en het tijdstip van berechting, en in ogenschouw genomen de straffen, die aan de medeverdachten zijn opgelegd. De rechtbank ziet geen reden naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een geldboete op te leggen omdat naar te verwachten valt in de aangekondigde ontnemingprocedure het openbaar ministerie zal vorderen het financieel voordeel dat verdachte heeft behaald af te romen. De rechtbank volgt tenslotte de officier van justitie in zijn standpunt dat in deze, gelet op de wetshistorie van de daarop betrekking hebbende jurisprudentie (NJ1986,369 en NJ1989,189) aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht geen betekenis toekomt.

    8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

    De op te leggen straf is gegrond op de artikelen – 47, 57 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht; – 3 en 11 van de Opiumwet; – 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

    9. Beslissing:

    Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

    Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

    Het bewezenverklaarde levert op:

    Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij bestuurder van die organisatie was.

    Ten aanzien van het onder 2 en 3 telastegelegde: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

    Ten aanzien van het onder 4 telastegelegde: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerst lid, van de Wet wapens en munitie.

    Verklaart het bewezene strafbaar.

    Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

    Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 JAAR.

    Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

    Dit vonnis is gewezen door mr.F.G. Bauduin, voorzitter, mrs. A.N.A. Josephus Jitta en C.P.E. Meewisse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Kooiman, griffier, en uitgesproken op de f openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2001.