• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Justitie en Veiligheid

  • Nieuwsblog

  • Openbaarheid

  • Nationaal Veiligheidsarchief

  • Publicaties

  • Crisis en Onveiligheid

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Cijfers jongleren voor preventief fouilleren

    De gemeente Amsterdam zet steeds vaker preventief fouilleren in bij de bestrijding van wapenbezit en geweldsincidenten. De evaluaties die jaarlijks aan de gemeenteraad worden gepresenteerd laten een positief beeld zien van de maatregel. Mede door de gepresenteerde resultaten over het fouilleren in het centrum en zuidoost wordt er nu ook gefouilleerd in Amsterdam Oost.
    Op zijn zachtst gezegd zijn de cijfers niet eenduidig. Het lijkt er zelfs op dat er met de cijfers gegoocheld wordt. Dat is ernstig, zeker bij een maatregel als preventief fouilleren. In een zogenoemd veiligheidsrisicogebied kan namelijk iedereen door een ambtenaar in functie staande gehouden, gefouilleerd en zijn bezittingen doorzocht worden. De maatregel tast de onschuldpresumptie van iedere burger aan. Iedereen die zich in het gebied bevindt kan onderworpen worden aan een fouilleeractie. Een aanleiding, aanwijzing of verdenking is niet noodzakelijk. Deze aantasting van het adagium ‘onschuldig tenzij het tegendeel is bewezen’ is de reden geweest voor Buro Jansen & Janssen om een onderzoek naar de uitvoeringspraktijk en de effectiviteit van de maatregel in te stellen.

    Sinds eind 2008 voert Buro Jansen & Janssen dat onderzoek naar preventief fouilleren in Nederland uit. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de officiële evaluaties van de verschillende steden en wordt geprobeerd om met behulp van de Wet Openbaarheid van Bestuur interne evaluaties, processen-verbaal en andere politiestukken boven tafel te krijgen. In Amsterdam is in eerste instantie gekozen om de evaluaties van het Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement (COT) van de afgelopen vijf jaar naast elkaar te leggen. De evaluaties van het COT vormen de basis van het besluit om jaarlijks te door te gaan met preventief fouilleren in de veiligheidsrisicogebieden. We hebben gekeken naar de effectiviteit van het preventief fouilleren zelf. Worden in de loop der jaren in hetzelfde gebied meer of minder wapens gevonden, is dit wapenbezit vergeleken met andere stadsdelen of steden en welke conclusies zijn daaraan te verbinden. Daarnaast is gekeken naar het effect van het fouilleren op de geweldsincidenten en het wapenbezit in de gehele stad. Hiermee proberen wij te achterhalen of preventief fouilleren de geweldscriminaliteit in de stadsdelen vermindert.
    In Amsterdam zijn sinds 2002 twee zogenoemde veiligheidsrisicogebieden (VRG) aangewezen. Deze gebieden, het centrum van Amsterdam en een deel van Amsterdam Zuid Oost, zijn aangewezen omdat daar veel geweldsincidenten zijn gebeurd en wapenbezit aangetroffen. Jaar in jaar uit worden de Amsterdamse binnenstad en Amsterdam Zuidoost aangewezen als VRG. Ondertussen is daar een deel van Amsterdam Oost bijgekomen. Er is wat afgefouilleerd. Bijna 100.000 mensen zijn gefouilleerd, 10.000 auto’s doorzocht en meer dan 500 keer bezocht de politie de kroeg om daar preventief te fouilleren.
    Een forse maatregel die, naar men zou verwachten, het COT serieus en gedegen zou moeten onderzoeken. Maar juist bij hun onderzoek zijn de nodige vraagtekens te zetten.

    Elk jaar schrijft het COT op basis van gegevens van de politie een evaluatie en formuleert aanbevelingen voor het voortzetten van de maatregel. Deze conclusies zijn overwegend positief over de effectiviteit van preventief fouilleren, zowel als het gaat over het werk dat de politie aflevert als over de effecten van het preventief fouilleren op de criminaliteit in de veiligheidsrisicogebieden.
    Hieronder volgen de passages uit de aanbevelingen van de rapporten uit 2004 tot en met 2008:
    “Het is verstandig de aanwijzing van de twee veiligheidsrisicogebieden te verlengen. Dit wordt gerechtvaardigd door de geconstateerde daling in de twee veiligheidsrisicogebieden, alsmede door de absolute en relatieve omvang die de wapenincidenten in deze gebieden nog altijd hebben.” (2004)
    “We raden aan om in de twee veiligheidsrisicogebieden door te gaan met preventief fouilleren. Dit wordt gerechtvaardigd door de absolute en relatieve omvang van het aantal wapenincidenten in deze gebieden, alsmede door de afname in een periode van twee jaar.” (2005)
    “We raden aan om niet te stoppen met preventief fouilleren vanwege a. de gunstige ontwikkelingen wat wapenincidenten betreft in de twee huidige VRG’s en b. de absolute en relatieve omvang van het aantal wapenincidenten op hot spots, die (nog altijd) met name binnen de huidige VRG’s liggen.” (2006)
    “We raden aan om de aanwijzing van de twee huidige VRG’s met nog een jaar te verlengen. Dit wordt nog steeds gerechtvaardigd door zowel de geboekte vooruitgang als de absolute en relatieve omvang van het aantal wapenincidenten.” (2007)
    “Op basis van de aard en omvang van de wapenincidenten in VRG Zuidoost en VRG Binnenstad, in combinatie met de behaalde effecten, is het verstandig in de gebieden door te gaan met preventief fouilleren.” (2008)

    De effecten waren echter nog niet zodanig dat een van de gebieden van de lijst is gehaald. Al moet de burgemeester de risicogebieden jaarlijks aanwijzen, ze lijken een permanent karakter te hebben gekregen. Mede dankzij de evaluaties van het COT is een deel van Amsterdam Oost toegevoegd aan de risicogebieden en worden de bewoners daar getrakteerd op preventief fouilleren.
    Enkele passages uit de twee rapportages die leiden tot de aanwijzing van het veiligheidsrisicogebied in Amsterdam Oost
    “Voor tenminste twee hot spots ‘buiten de VRG’s’ geldt dat de wapenincidenten zo systematisch zijn, bij uitstek een straatprobleem vormen en met bestaand beleid niet zijn teruggedrongen. We raden dan ook aan om over te gaan tot preventief fouilleren op de volgende hot spots: Javastraat – Insulindeweg en omgeving, in combinatie met de hot spots Pontanusstraat en omgeving, alsook Transvaalstraat en omgeving.” (2007)
    “We hebben in eerdere rapportages reeds aangeraden om op de hot spots in Amsterdam-West en Amsterdam-Oost over te gaan tot preventief fouilleren, omdat in deze gebieden relatief veel wapenincidenten plaatsvinden. De lichte daling van het aantal wapenincidenten in het afgelopen jaar in deze twee gebieden veranderen dit niet, te meer omdat met preventief fouilleren een gunstig effect valt te bereiken.” (2008)

    De cijfers die het COT en de politie presenteren roepen echter vragen op over de effectiviteit van de maatregel. De cijfers zijn allerminst overtuigend. Jaar in jaar uit verandert het aantal wapenincidenten. In de rapportage uit 2004 bijvoorbeeld zijn er 690 wapenincidenten over de periode 1 juli 2002 tot 1 april 2003, maar twee jaar later in de rapportage van 2006 is het aantal wapenincidenten in dezelfde periode (1 juli 2002 tot 1 april 2003) gestegen naar 747. En niet alleen over deze periode zijn verschillende cijfers te vinden. De cijfers in de verschillende rapportages komen in bijna geen enkel geval overeen. Een foutje in de statistieken kan gebeuren. Dat kan komen door een veranderde interpretatie, andere berekeningen of schrijffouten. Bij een consequente wisseling van de cijfers is dat niet meer vol te houden.
    Waarom worden deze cijfers steeds bijgesteld?

    Om de effectiviteit van preventief fouilleren aan te tonen is het noodzakelijk om een sterkere daling van de geweldsincidenten te laten zien. Een daling van 690 wapenincidenten over de periode 1 juli 2002 tot 1 april 2003 (rapportage 2004) naar 667 over de periode 1 juli 2003 tot 1 april 2004 (rapportage 2006) is een geringere daling dan 747 over de periode 1 juli 2002 tot 1 april 2003 (rapportage 2006) naar 667. In het eerste geval gaat het om een daling van iets meer dan 4%, maar in het tweede geval gaat het over bijna 11%. Bij een daling van 4% kan het gaan om een landelijke trend van de daling van criminaliteit, een tijdelijke daling in de buurt of statistische onzuiverheden. Een forse daling van 11% kan duiden op een positief effect van preventief fouilleren.

    Naast het jongleren met cijfers worden allerlei feiten op een hoop gegooid. Zo worden bijvoorbeeld vuurwapenbezit op een lijn gesteld met het meedragen van een schroevendraaier of een aardappelschilmesje. Hoewel in de strikte zin van de wet een schroevendraaier misschien als steekwapen is te omschrijven is dit van een andere orde dan een stiletto of een automatisch geweer. Dit levert geen waarheidsgetrouw beeld van de opbrengsten van het preventief fouilleren op. Periodes zijn niet met elkaar te vergelijken omdat die zowel qua lengte als qua specifieke periode verschillen. Het aantal maanden dat wordt geëvalueerd bij de fouilleeracties loopt uiteen van 9, 10, 11, 12 en 13. De metingen van het aantal wapenincidenten bestrijken meestal 12 maanden van bijvoorbeeld 1 april 2005 tot 1april 2006. De preventief fouilleer evaluaties lopen echter van 1 juni 2005 tot 1 juni 2006 of 1 juli 2006 tot 1 juli 2007 of 1 juni 2004 tot 1 april 2005. Tevens worden bepaalde gegevens, het fouilleren in horecagelegenheden, wel verstrekt over het ene jaar en niet over het andere jaar. Het aantal uren effectief fouilleren op straat bijvoorbeeld is na 2006 niet meer terug te vinden in de rapportages, maar geven een goede indicatie van het daadwerkelijke politiewerk.

    Als je de evaluaties afzonderlijk bekijkt, dan lijken zij solide. Bij het naast elkaar plaatsen van de diverse rapportage ontstaat echter een ander beeld. Men claimt dat de maatregel effectief is, maar de cijfers geven volstrekt geen eenduidig beeld. Het jongleren met cijfers lijkt als doel te hebben het nut van preventief fouilleren te ondersteunen, maar daarmee wordt de onschuldpresumptie aangetast zonder dat er een steekhoudend argument is . De gepresenteerde cijfers geven slechts ruimte aan één conclusie, namelijk dat er niets te zeggen valt over de effectiviteit. De cijfers zijn niet eenduidig, er worden feiten en gegevens op een hoop gegooid waardoor een schroevendraaier een vuurwapen wordt en in de loop der jaren worden niet dezelfde gegevens bijgehouden.
    Preventief fouilleren is vergelijkbaar met de wet op de uitgebreide identificatieplicht. De overheid wil haar gezag herstellen door aanwezig te zijn op straat en de burger aan te spreken. Bij ons onderzoek naar de uitvoering van de WUID hebben wij al aangetoond dat dit leidt tot willekeurige identiteitscontroles. In 2005 en 2006 was er in 40% van de WUID boetes geen sprake van een andere overtreding of strafbaar feit. Deze controles waren gewone identiteitscontroles.
    Bij preventief fouilleren in Amsterdam leidt het tot een inbreuk op de onschuldpresumptie van de burger zonder dat deze daarvoor iets terugkrijgt. Dit noemt men in Amsterdam dan eufemistisch Respectvol Fouilleren. Criminaliteitsbestrijding is gebaat bij goed onderzoek en transparante evaluaties, niet bij Oostblokachtige positieve rapportages.