• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • De mist van aanslagen

    Terroristische aanslagen zeggen vaak meer over inlichtingen,- en veiligheidsdiensten, de politiek en de media dan over de terroristen zelf. De ‘spin’ die volgt op een aanslag of een mislukte aanslag plaatst de daad in een bepaald politiek kader. Zo ook na de recente ‘mislukte aanslagen in London en Glasgow. Het NRC kopte op 30 juni “Londen ontsnapt aan bloedige aanslag ‘Een ernstige en blijvende’ dreiging”. Maar, pas als de mist is opgetrokken en de aandacht is verslapt, komen de kale feiten aan het licht, zo blijkt uit onderzoek naar eerdere aanslagen in London, Madrid en Parijs. De feiten over die aanslagen zijn verontrustend en zouden moeten leiden tot een kritische blik en een dosis scepsis van de media ten opzichte van de door de overheid gepresenteerde feiten.

    Op 29 en 30 juni 2007 werden twee mislukte aanslagen gepleegd in London en Glasgow, hoewel een daarvan bijna leek te lukken: een groene Jeep Cherokee reed brandend tegen de pui van Glasgow Airport. In enkele dagen tijd werden zeven verdachten aangehouden. Het bewijsmateriaal dat werd vergaard bestond uit beelden van cameratoezicht en forensisch materiaal. Zonder twijfel zullen deze mensen, net als de verdachten van de aanslagen in London op 21 juli 2005 over enige tijd ook worden veroordeeld. Case closed?

    Twee jaar geleden mislukte er een andere aanslag in London. “Londen geen slagveld, wel ‘under attack’” kopte het NRC handelsblad op 23 juli 2005 en. De ontstekingsmechanismen gingen af, maar de bommen explodeerden niet. Op foto’s in de metro is een gele smurrie te zien die op de grond ligt. Deze levensgevaarlijke substantie zou bestaan uit waterstof peroxide (70%) en chapati bloem (30%). Volgens deskundigen die door de autoriteiten waren ingehuurd om de bommen te bestuderen, hadden ze nog nooit zoiets gezien. De vraag is echter explodeert het wel en waarom waren de verdachten in staat om wel een professionele ontsteking aan te schaffen en niet in staat om vervolgens een exploderende bom in elkaar te zetten. De verdachten waren namelijk al een jaar bezig met de voorbereiding want de politie observeerden ze in mei 2004. “It later emerged that the defendants had been photographed by police surveillance officers while on a 2004 camping trip in the Lake District”(BBC website 10 juli 2007). Vier van de zes verdachten werden dit jaar veroordeeld voor pogingen om aanslagen te plegen op het openbaar vervoer in London. Case closed?

    Vele prangende vragen bleven onbeantwoord. Zo ook na de meest recente mislukte aanslagen. De twee dure Mercedes die op 29 juni in London werden gevonden, bevatten gasflessen, benzine, spijkers en een mobiele telefoon volgens de politie. Peter Clarke, hoofd van de antiterreureenheid van Scotland Yard, verklaarde echter met zekerheid: “it is obvious that if the device had detonated there could have been significant injury or loss of life (persconferentie op vrijdag 29 juni).” Sidney Alford, founder of explosives company Alford Technologies gaf in de Guardian van 29 juni echter aan dat: “Patio gas cylinders found by police in the light green Mercedes would have been an unlikely weapon for experienced terrorists unless they wanted to create a fireball for the cameras.” Larry Johnson, een voormalig CIA officier gaat in de talkshow Countdown van de Amerikaanse zender MSNBC op 29 juni zelfs een stap verder: “So you wouldn`t want to be in the car when it happened, but, you know, if somebody was within, you know, 20, 30 feet of it, they would have ear damage, but not much more.” Deze uitspraken roepen de vraag op wat er precies in de auto’s is gevonden. Enkele dagen later blijkt dat de mensen die mogelijk betrokken waren bij de verschillende pogingen tot een aanslag al lange tijd bekenden waren van MI5. “Others were already on MI5’s database with connections to other jihadi suspects,” schrijft de Daily Telegraph op 4 juli 2007. Hadden de inlichtingen en veiligheidsdiensten wellicht voorkennis van de aanslagen en zo ja, waarom werd daar dan niet op geanticipeerd? Wat zijn de achterliggende belangen van de overheid?

    Dergelijke vragen worden nog urgenter als blijkt dat feiten die door de autoriteiten worden gepresenteerd niet blijken te kloppen. In het kader van het onderzoek naar de aanslagen op 7 juli 2005 in London heeft de politie enkele beelden van cameratoezicht en tijden vrijgegeven met betrekking tot het vertrek van de verdachten vanuit Luton Airport naar Kings Cross. De politie heeft bekend gemaakt dat de verdachten met de 7.40 of de 7.48 trein van Thameslink richting London zijn vertrokken. Beide treinen reden echter niet wegens uitval van treinen. Wel reden er treinen om 7.42 en 7.56, maar beide treinen kwamen door vertragingen pas na 8.39 uur in Kings Cross aan. Dit laatste tijdstip correspondeert niet met het tijdstip van vermeende aankomst van de verdachten in Kings Cross, 8.26 of 8.30 (Full police statement on London bombs, Times 12 juli 2005) en met het tijdstip van de aanslagen. Schrijver Nafeez Mosaddeq Ahmed beschrijft in zijn boek the London Bombings, an independent inquiry, de onmogelijkheid van de reis zoals de autoriteiten die presenteren, naast allerlei andere ongerijmdheden.

    Dergelijke feitelijke gegevens leiden tot de fundamentele vraag over het waarheidsgehalte van de informatie die de autoriteiten verstrekken. De media lijkt eveneens een blinde vlek te hebben ontwikkeld voor feiten die sterk de suggestie wekken dat politie en inlichtingendiensten voorkennis hebben over aanstaande aanslagen. Bijvoorbeeld: het dynamiet dat gebruikt is voor de aanslagen op de treinen in Madrid op 11 maart 2004 is eerder aan de verdachten verkocht door informanten van Spaanse politie en inlichtingendiensten. Het zou gaan om twee verdachten, Jose Emilio Suarez Trashorras en Rafa Zouhier, beiden werkzaam voor de overheid. Associated Press Worldstream publiceerde deze gegevens op 27 februari 2007 en Agence France Presse op 1 maart 2007 naar aanleiding van de rechtzaak tegen de verdachten van de aanslagen.

    Waarheidsvinding in geval van terroristische aanslagen is van groot belang aangezien de gevolgen van de aanslagen verstrekkend gevolgen hebben op zowel wetgevingstechnisch terrein als in het dagelijks leven. Daags na de mislukte aanslagen in London van 29 en 30 juni 2007 golden extra veiligheidsmaatregelen op het Live Earth festival in Amsterdam. Bezoekers mochten hun paraplu’s niet meenemen, terwijl de regen elk moment met bakken uit de hemel kon vallen. Sinds de zogenoemde verijdelde aanslagen in Engeland in augustus 2006 mogen passagiers slechts een beperkte hoeveelheid vocht meenemen aan boord van vliegtuigen. Het lijken kleine details, maar het is teken van de in principe onbegrensde bevoegdheden van de overheid om ‘onze’ veiligheid te garanderen door allerlei geboden en verboden.

    Waarheidsvinding bij aanslagen is ook van groot belang omdat terroristische aanslagen vaak de loop van de geschiedenis ingrijpend bepalen. Neem de aanslagen op de metro van Parijs in 1995. Tot voor kort werd er niet aangetwijfeld dat de GIA (Groupe Islamique Armé) uit Algerije hoofdverantwoordelijk was. Maar wie zijn de GIA eigenlijk? Twee gedetailleerde verslagen met informatie van voormalig leden van de Algerijnse geheime dienst en Algerijnse buitenlandse militaire attachés, Chronique des Annees de Sang van Mohammed Samraoui en Françalgerie: Crimes et Mensoges d’etats van Lounis Aggoun en Jean-Baptiste Rivoire laten zien dat de GIA eigenlijk volledig door de Algerijnse geheime dienst was geïnfiltreerd en door hen werd geleid. Deze auteurs tonen aan dat de aanslagen in Frankrijk zelfs een volledig Algerijnse operatie waren, die werden uitgevoerd met medeweten van de Franse overheid. Onschuldige burgers werden hiervan het slachtoffer.

    Nu zijn de zeer gedetailleerde en verifieerbare feiten uit de publicaties terzijde te schuiven. De gepresenteerde informatie roept echter de vraag op of de media zich niet meer moet inspannen de feiten met betrekking tot zogenoemde terroristische aanslagen te onderzoeken en minder de spin te volgen van de autoriteiten. Koppen als “Londen geen slagveld, wel ‘under attack’” en “Londen ontsnapt aan bloedige aanslag ‘Een ernstige en blijvende’ dreiging” zijn niet zorgvuldig. Zeker gezien het gegeven dat er twijfels zijn over de door de autoriteiten gepresenteerde feiten. In de ‘strijd tegen de terreur’ sneuvelt de waarheid als eerste als wordt geconcludeerd dat ‘wij’ onder vuur liggen, zonder een gedegen feitenonderzoek.