• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • DTN: Dreigingsbeeld diarree

    Het door de NCTV samengestelde Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) bevatte de afgelopen tien jaar trefwoorden die op het eerste gezicht indruk maken, maar na analyse ons in wezen niets zeggen. Het reduceert DTN’s tot jaarverslagen met als voornaamste doel de dreiging juist in stand te houden.

    Sinds 2013 is het om de drie à vier maanden zover, een kersverse DTN, wat staat voor Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Gewone stervelingen moeten het doen met een samenvatting die in eerste instantie is bedoeld voor de Raad voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en die ook wordt verstrekt aan de Tweede Kamer. Tot 2012 verscheen elk half jaar ook nog een ‘voortgangsrapportage terrorismebestrijding’, die vervolgens werd vervangen door de jaarlijkse voortgangsrapportage Contraterrorisme en –Extremisme.

    Het DTN en de voortgangsrapportages fietsen elke drie maanden door de toestand in de wereld, de belangrijkste brandhaarden in relatie tot Nederland, alle wetgeving tegen terrorisme en radicalisering, de internationale samenwerking en mogelijke gevaren voor Nederland. Dat gevaar schommelt al jaren tussen beperkt en substantieel.

    Geel en oranje

    In principe hanteert de Nationaal Coördinator Terrorisme & Veiligheid (NCTV) vier dreigingsniveaus: minimaal, beperkt, substantieel en kritiek, te vergelijken met de codes groen, geel, oranje en rood van het weeralarm. Groen is het nooit geweest want dan kunnen de verschillende diensten die het DTN produceren worden ingekrompen. Rood ook niet want dan hebben dezelfde diensten niet opgelet.

    Blijven er nog maar twee opties over, beperkt en substantieel, die elkaar de afgelopen tien jaar hebben afgewisseld. Eerst was de dreiging substantieel (7x, DTN #1 t/m 7) vervolgens vier dreigingsbeelden beperkt, zeven keer substantieel, dertien keer beperkt en tot slot was de dreiging de laatste zes DTN’s substantieel. Geen groen noch rood in tien jaar tijd.

    Wie de openbare samenvattingen en voortgangsrapportages doorneemt, kan het verschil tussen beide codes moeilijk ontwaren. Het is semantisch, afhankelijk van de lichtval als het ware is de kleur eerder geel (beperkt) dan oranje (substantieel), of andersom. De driemaandelijkse exercitie is indrukwekkend. Elke keer is de tekst net even anders, de formulering een tikkeltje verschoven. De indruk wordt gewekt dat er een nieuw document ligt, er is iets veranderd, maar wat is moeilijk te achterhalen, blijft duister.

    In het DTN #31 van december 2012 wordt gesteld dat ‘het dreigingsniveau voor Nederland vooralsnog ‘beperkt’ blijft’. Let op het woord ‘vooralsnog’ dat klinkt als een opmaat. In juni 2012 was het dreigingsniveau ook beperkt, maar hadden de ambtenaren het woord zo in de tekst geplaatst: «beperkt». Beperkt in de vorm van guillemet, alsof de schrijver een gevoel wilde meegeven aan het woord. Was dat ook een opmaat?

    In december 2011 werd ‘beperkt’ tussen aanhalingstekens gezet, alsof iemand het woord had geroepen in het ministerie en dat dat de juiste quote was. In maart 2011 wordt ‘beperkt’ in het DTN eveneens tussen aanhalingstekens geplaatst, maar inmiddels is de kans op een aanslag niet gering, maar ‘relatief’ gering. Relatief slaat waarschijnlijk op ‘ontwikkelingen die nog steeds zorgelijk’ zijn zoals DTN #24 vermeldt.

    Nog even niet afhaken nu, wakker blijven want de taalkundige exercitie van de Haagse ambtenaren krijgt een vervolg. Was de dreiging in december 2012 beperkt (‘beperkt’/«beperkt») in maart 2013 is de situatie intussen zorgelijk. Er wordt verwezen naar het dreigingsbeeld van 2012: ‘In de afgelopen DTN’s zijn al diverse zorgelijke ontwikkelingen geschetst die van invloed zijn op het dreigingsbeeld. De voorstelbaarheid van een aanslag tegen Nederland of Nederlandse belangen in het buitenland is in de afgelopen tijd zodanig vergroot, dat het dreigingsniveau is verhoogd naar substantieel.’

    De dreiging was echter in 2012 niet zorgelijk, dat woord kwam in maart 2011 voor in het DTN in relatie tot het woord ‘beperkt’ en ‘relatief’. Nu is zorgelijk onderdeel van substantieel, toen van beperkt, dit terwijl de kans op een aanslag in 2012 gering was ‘maar niet uit te sluiten’. Die vijf woorden zijn onlosmakelijk verbonden met beperkt. Blijkbaar is de ‘voorstelbaarheid’, het idee van een mogelijke aanslag vergroot, terwijl de omstandigheden in 2012 die zorgelijke ontwikkeling niet onderstrepen.

    Bent u er nog?

    We hebben het hier over de eerste zinnen van het dreigingsbeeld. En alleen over de code geel (beperkt) en oranje (substantieel). Wat gebeurt er als de dreiging verlaagd wordt van substantieel naar beperkt. In september 2009 is het ‘dreigingsniveau in Nederland is nog steeds substantieel.’ [DTN #18, september 2009] ‘Nog steeds’ lijkt een soort opmaat, het gevaar ligt nog steeds op de loer, kijk uit! Het impliceert dat de kans op een aanslag in Nederland of tegen Nederlandse belangen in het buitenland reëel is. Het woord ‘reëel’ duidt bijna op code rood, het gaat gebeuren.

    Twee maanden later in DTN #19 valt het allemaal weer mee. ‘Het dreigingsniveau voor Nederland wordt verlaagd van substantieel naar beperkt. Beperkt betekent dat de kans op ‘een terroristische aanslag tegen (belangen van) Nederland betrekkelijk gering is’.’ Niets aan de hand? Nou nee, het is beperkt gering. DTN #19 verlaagt wel de codering, maar het gevaar is ‘zeker niet geheel uit te sluiten’.

    Reëel is aannemelijk, in de zin van voorstelbaar, mogelijk. Het kan allemaal, met of zonder aanhalingstekens of guillemet, maar die mogelijkheid is illusionair. De vraag is voor wie, want het zou ook met de behoefte van de overheid te maken kunnen hebben. Wij willen een aanslag, kom op met die code rood. Bij het woord substantieel lijken steeds de woorden ‘in de afgelopen rapportageperiode geen concrete aanwijzingen voor aanslagplannen tegen Nederland en zijn belangen geconstateerd’ te horen. Terwijl in DTN #19, de eerste keer dat het gevaar beperkt is, wordt gesteld dat ‘het afgelopen half jaar geen nieuwe feiten zijn geconstateerd over de status van Nederland als specifiek «voorkeursdoelwit»’. Was er dan niets aan de hand? Waarom dan de dreiging vaststellen als substantieel, reëel?

    De vaststelling van de alarmfase neemt gemiddeld vijf regels van het dreigingsbeeld in beslag, het is een soort samenvatting. Wat volgt zou de stelling, beperkt/substantieel, niet concreet/reëel, gering/zeker, niet geheel/relatief gering, moeten uitleggen. Althans daar zou je vanuit gaan. Wat hier volgt is niet een analyse van die teksten, zij lezen namelijk als jaarverslagen van inlichtingendiensten jaarverslagen. Te vaag om daadwerkelijk concreet te kunnen vaststellen wat er werkelijk aan de hand is. Te concreet om te denken dat het allemaal onzin is.

    Vergelijkbaar met krantenkoppen. Vreselijk dat ongeluk, maar wat heeft het met mij te maken? Tegelijkertijd zou het mij ook hebben kunnen overkomen. ‘Zou hebben kunnen overkomen’ zijn woordcombinaties waar inlichtingendiensten van smullen. Budgettair moet je ervoor zorgen dat je club blijft voorzien van een continue stroom aan euro’s, maar te duidelijk aangeven dat er niets aan de hand is, resulteert in bezuinigingen. Teveel code rood daarentegen zonder dat er daadwerkelijk iets gebeurt, is niet goed voor het imago.

    Vandaar de bijzondere tussenweg, het gevaar is geweken, maar kan altijd zo weer terugkomen dus pas op. Een soort concrete vaagheid die stelt dat beperkte dreiging reëel kan zijn en substantiële dreiging niet concreet. Het resultaat is een dreigingsbeeld dat lijkt op een soort woorden diarree, waarbij alles tegelijkertijd niets/iets en hetzelfde/het tegenstelde kan betekenen. Niets is zeker, niets is duidelijk. Vandaar hier een poging tot een analyse van het woordgebruik. Welke woorden worden gebruikt en wanneer, en kan daar iets uit afgeleid worden of blijft het concrete vaagheid of vage concreetheid.

    Reële onvoorstelbaarheid

    In het overzicht van gewichtigheid I zijn woorden opgenomen die qua voorstelbaarheid in zekere zin iets duiden. De woorden zijn uit hun zinsverband gehaald, maar wie het woord reëel in een dreigingsbeeld-analyse hanteert, veronderstelt dat er een serieus gevaar is, een echte dreiging. Het woord komt dan ook niet heel veel voor in de DTN’s. Wat opvalt is dat reëel in 2005 en 2006 respectievelijk één en vier keer voorkomt bij een substantiële dreiging en drie keer in 2007 bij een beperkte dreiging. Het echte gevaar maakt dus geen verschil bij substantiële of beperkte dreiging.

    Opvallend is ook dat het woord ‘reëel’ vijf keer voorkomt in 2014 met een echte aanslag op een vliegtuig in Oekraïne, maar dat dat land zelf niet in de dreigingsbeelden van vorig jaar voorkomt. In die zin is ook de toename van het gebruik van het woord ‘potentiële’, wel 21 keer, in 2013 opvallend. ‘Potentiële’ kan worden gezien als een opmaat naar ‘reële’, van potentieel naar echte dreiging. Het feit dat in 2014 een vliegtuig is neergeschoten komt dan overeen met de afname van het woord ‘potentiële’.

    Aan de andere kant laat het woord ‘concrete’, in die zin van concrete aanslag of concrete dreiging, een heel andere trend zien. In 2006 was de ‘dreiging veel concreter’ (19x) dan in 2014 (11x). Ook in 2005 (16x), 2007 (12x), 2009 (13x) en 2013 (13x) was de dreiging concreter dan in 2014. Het gekke is ook dat in de jaren dat de dreiging beperkt was (2010 en 2012) de concrete dreiging gelijk was als in het substantiële jaar 2014 (11x). En dan het woord ‘zeker’, in de zin van ‘het gaat zeker gebeuren’. Toen de dreiging beperkt was, was de kans op een aanslag het hoogst, ‘zeker’ werd zestien keer toegepast.

    We zijn even alert als in 2005 en het ‘substantiële’ in de zin van ‘het substantiële dreigingsniveau’ in 2009 (12x) is bijna even hoog als in 2014 (13x). Dat dit alles eigenlijk niets zegt over de mogelijkheid van een aanslag laten de woorden ‘voorstelbaar’ en ‘voorstelbaarheid’ zien. In 2014 is een aanslag vijf keer voorstelbaar en ook gebeurd. In 2007 bij een beperkt driegingsniveau is de voorstelbaarheid van een aanslag even groot als voorstelbaar in 2014, ook vijf keer.

    Woorden als ‘concreetheid’ en ‘voorstelbaarheid’ bieden geen verduidelijking over de mate van dreiging. Mogelijk zijn het woorden die de beperktheid van de kans op een aanslag kunnen uitleggen. Het woordgebruik ‘van beperktheid van de dreiging’ is klein, alleen ‘klein’ wordt veelvuldig gebruikt. ‘Gering’, ‘relatief’ en ‘kleinschalig’ komen veel minder voor, zie gewichtigheid II. Dat ‘beperkte dreiging’ in de zin van ‘beperkt dreigingsbeeld’ voorkomt, is logisch. Vandaar dat in 2007, 2010, 2011 en 2012 het woord ‘beperkt’ vaak voorkomt. In de jaren 2013 en 2014 komt het echter ook vaak voor, zeker in vergelijking met het beperkte jaar 2007 en de substantiële jaren 2005, 2006 en 2008.

    Of de dreiging beperkt is, valt niet een, twee, drie vast te stellen. Het gevaar is in 2013 en 2014 niet ‘gering’, dat woord wordt niet gehanteerd. Je zou kunnen zeggen dat het gevaar ‘relatief’ is, een woord dat in 2013/2014 wél vaak wordt gebruikt. Het woord werd echter ook veelvuldig toegepast in 2010 toen de dreiging ‘beperkt’ was. Beperkt is een woord dat veel duidelijker is dan relatief. Beperkte dreiging lijkt concreet te slaan op minder dreiging, terwijl relatieve dreiging zowel meer als minder dreiging zou kunnen zijn. Gewichtigheid II biedt ook al geen oplossing voor de door dreiging geobsedeerde burger.

    Als u er nog steeds bij bent en de voorstelbare reële concrete beperkte en relatieve dreigingsdiarree heeft overleefd, dan nu de ‘potentialiteit’ van een aanslag, dus hoe groot is het risico. Zijn er signalen, aanwijzingen en wat zijn de mogelijkheden? Wie het woord ‘risico’ opzoekt in de DTN’s constateert dat 2006 het gevaarlijkste jaar tot nu toe is geweest met 41x risico. Ook 2013 had een hoog risicogehalte en zelfs het beperkte dreigingsniveau in 2010 leidde tot 29x risico. Daar kan het jaar 2014 met zijn 26 risico’s niet aan tippen.

    Als het om ‘aanwijzingen’ gaat, dient het hele palet te worden omgedraaid. In 2012 vermeldden de DTN’s 21x ‘aanwijzingen voor een aanslag’ of potentiële dreiging die kon escaleren. Het dreigingsniveau in dat jaar was beperkt. De DTN’s uit 2014 bevatten de minste aanwijzingen, alleen het substantiële jaar 2008 kende nog minder aanwijzingen, namelijk twee.

    Het woord ‘mogelijk’ laat aan de andere kant weer een heel ander beeld zien. Wie mogelijk in hoedanigheid van ‘een mogelijke aanslag’ analyseert ziet dat in 2013 de mogelijke ellende het grootst was, 71x. Het jaar erop kende wel een sterke daling naar 45x, maar toch aanzienlijk meer dan in de voorgaande jaren. Het woord mogelijk laat een vergelijkbare trend zien als het woord ‘signalen’. Zelfs ‘aanwijzingen’ en ‘risico’ bieden geen soelaas als het om duiding van de dreiging gaat. Zelfs in een beperkt jaar zijn de risico’s substantieel, hoe verwarrend kan dreigingsanalyse zijn.

    Woordthermometer

    Kan het gebruik van dit soort woorden in de DTN’s met een soort ambtelijke woordthermometer worden vergeleken? Woorden die scoren veranderen in de loop der tijd omdat ze op het ministerie anders met elkaar zijn gaan communiceren. Maar tevens door gebeurtenissen waarvan we niet weten, die zich enkel tussen ambtenaren onderling hebben afgespeeld. Is het gebruik van woorden als ‘mogelijk’ en ‘signalen’ soms in de plaats gekomen van woorden als ‘risico’ en ‘aanwijzing’?

    Wie het diagram van ‘potentialiteit’ bekijkt, ziet dat de woorden bijna eenzelfde curve vertonen, links en rechts een berg en een dal ertussenin. Zegt dit iets over de dreiging, of zegt dit iets over de coördinator? Door de eerste coördinator in 2005 werd even flink op de trom geslagen. De NCTb moest zich destijds een plek zien te veroveren veroveren binnen het veld van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In 2013 komt ‘Terror Dick’ aan de macht bij de NCTV en opnieuw wordt er flink aangezet.

    Akerboom lijkt gematigder, maar hoewel dat zeker ook zo is, gaat de curve in 2009 wel iets omhoog zodra hij aantreedt als coördinator. Zoals een nieuwe CEO van een bedrijf die stevige beslissingen neemt, zet de beginnende coördinator het dreigingsniveau even flink aan. Pas na een jaar worden de teugels gevierd en daalt de risicovolle woorden diarree.

    Toch zou de aanstelling van een nieuwe coördinator geen invloed mogen hebben op de dreigingsbeeld analyses, want die zijn er primair op gericht om potentiële gevaar te doorgronden. Althans, dat is natuurlijk de veronderstelling omdat met het doorgronden van de dreiging het gevaar tevens dient te voorkomen, mag je hopen. Om die reden is de absoluutheid van het gevaar van belang.

    Zie hier de opmaat naar een aanslag van 2005 t/m 2014. Wie het gebruik van de woorden doel, strijd, doelwit, activiteit, incident, gewelddadig en dreiging analyseert, ziet een zich langzaam opwaarts gaande curve, ook als 2012 als laatste jaar wordt gezien. De knik bij 2013 lijkt op een dalende trend, maar in 2014 gaat de curve weer omhoog. Deze trend is extra opvallend omdat de coördinator Oekraïne en het neergeschoten vliegtuig niet in de dreigingsbeelden heeft opgenomen.

    Betekent dit nu dat er een aanslag aan zit te komen in 2015 of later, of dat de gehanteerde woorden eigenlijk geen betekenis hebben? Dit laatste zou zomaar kunnen want wie de woorden geweld, explosie (s/ven) en aanslag analyseert, ziet weliswaar een schommelende maar niet echt een opgaande lijn. In die zin lijkt er niets aan de hand in het dreigingsbeeld. De hoeveelheid geweld, het aantal aanslagen en de explosies zijn al jaren constant hetzelfde.

    Tussen de oren?

    Betekent dit dat de dreiging soms tussen de oren van de coördinator en zijn ambtenaren van de terreurdienst zit? Als dat zo is dan moeten woorden over het toegenomen/afgenomen gevaar ook een ondoorzichtig beeld geven. Bij expansie is het aantal keren dat woorden als effectief, grootschalig, bredere, aanhoudend, verhoogde, gegroeide en toegenomen worden gehanteerd te zien. Opnieuw is het opvallend dat de curves op elkaar lijken, maar er is tevens sprake van een groot verschil. ‘Effectief’, ‘grootschalig’ en in mindere mate ‘bredere’ laten in 2014 een verder stijgende lijn zien, alsof de dreiging effectiever, grootschaliger en breder is geworden, terwijl Oekraïne niet voorkomt in de dreigingsbeeld analyses in 2014.

    Het lijkt er echter op dat de dreiging wel degelijk gebaseerd is op reële aannames. De dreiging zou groter zijn door het succes van IS in Syrië, maar dat lijkt weer niet overeen te komen met de andere woorden van expansie. Het gebruik van woorden als ‘aanhoudend’, ‘verhoogde’, ‘gegroeide’ en ‘toegenomen’ nemen juist af in 2014, een teken dat het gevaar is geweken of in ieder geval niet is toegenomen. Dus zit daar de discrepantie van het dreigingsbeeld of duidt het op een tweestrijd binnen de NCTV?

    Is op een andere manier de al dan niet toegenomen dreiging zichtbaar te maken? Valt uit de groei van het gebruik van van woorden als terrorisme, radicalisering en extremisme iets af te lezen, of zijn dat ook woorden die onderhevig zijn aan de mode van de dag. Wie het woord jihadisme (waarschijnlijk bedoeld als een beschrijving van de ideologie van de radicale moslimjongeren) bekijkt, ziet een curve die in 2014 een koerssprong maakte die ongekend is. Sluimerde het woord tot 2012, in dat jaar en 2013 kwam het al enigszins op, maar in 2014 explodeerde het en toornde het boven alle ismen uit. In tegenstelling tot het jihadisme is ‘jihadistisch handelen’ dan al veel langer een trend, opmerkelijk voor een religie of ideologie die meestal een omgekeerd verschijnsel laat zien.

    Eerst komt het communisme en dan communistisch handelen. Misschien heeft het woord jihadisme te maken met de ideologisering van het dreigingsbeeld, want ook het woord ideologie laat in 2014 een piek zien. Het komt al eerder voor in bijvoorbeeld het substantiële jaar 2006 en het beperkte jaar 2010. Het woord ideologisch volgt hetzelfde patroon als ideologie.

    Naast jihadisme wordt ‘radicalisme’ gebruikt dat enkel in 2005 populair was maar vervolgens werd afgeserveerd. Het radicalisme is ook moeilijk te omschrijven als een ideologie. Vandaar dat ‘radicalisering’ wel vaker wordt gebruikt. Het woord laat vanaf 2011 een stijgende lijn zien, daarvoor daalde het juist, maar er is geen enkel verband met radicalisme.

    ‘Extremisme’ vertoonde in 2013 een piek, maar kende voorafgaande 2012 een sluimerend bestaan. Het gekke is dat er niemand ‘extremistisch’ is, dat lijkt al jaren een constante. ‘Terrorisme’ lijkt ook uit de gratie te zijn geraakt, als de dalende lijn in de DTN’s een indicator is. Dit beeld komt niet overeen met het woord ‘terroristische’, zoals in ‘terroristische aanslag’, die een redelijke constante lijn laat zien.

    Ismen

    Wie de ‘ismen’ naast de handelende individuen legt, ziet alleen een relatie tussen jihadisme en jihadistisch, hoewel die eigenlijk pas de laatste jaren aantoonbaar is. Terrorisme en terroristisch lijken niet synchroon te lopen, net als extremisme en extremistisch. Ismen zijn ook eerder modewoorden en delen groepen in als duidelijk aanwijsbaar, een isme dat duidelijk afgezet wordt tegenover het kapitalisme of het neoliberalisme. Beide laatst genoemde ismen komen in de dreigingsbeelden in het geheel niet voor.

    Dan is het logisch dat het jihadisme vooral in 2014 zo populair is, maar dat dit niet hetzelfde is als terrorisme. Of dit betekent dat jihadisme het woord terrorisme heeft vervangen zodra het om het kenbaar maken van gevaar gaat, is niet duidelijk. Jihadisme an sich heeft eigenlijk niets met gevaar te maken. De coördinator en zijn dienst lijken dan ook vooral het woord jihadisme als trend te gebruiken. Het labelt een groep, zoals communisten in de jaren ’50 als groep werden gelabeld. Het labelen van mensen is zinvol als het doel is de wereld verder te verdelen in twee kampen, maar heeft niets te maken met analyse van dreiging.

    Woorden zijn uiteindelijk de taalkundige ondersteuning van dreiging, woorden die het beeld schetsen. De woordthermometer zou ook een dreigingsthermometer moeten zijn, want woorden hebben een lading, veranderen in de loop der jaren in gebruik en betekenis. De gehanteerde woorden in de dreigingsbeelden laten zien hoe weinig waarde dit soort documenten hebben. Zij laten een verwarrend beeld zien dat constant tegenstrijdig is. Dat is ook logisch, dreiging is niet eenduidig.

    Wie de wereld zwart-wit tekent, ziet maar één gevaar maar vergeet dat elders vliegtuigen uit de lucht worden geschoten. Wie geobsedeerd is door jihadisten, vergeet dat er mensen zijn die ook boos zijn en vanuit een ander denkbeeld aanslagen plegen, zoals Breivik in Noorwegen. Wie dan zegt dat het een lone-wolf, een solist, een eenling betreft, heeft geen kennis van het dierenrijk waar eenzame wolven juist op zoek zijn naar een metgezel, niet naar een aanslag.

    Eén ding laten de toegepaste woorden duidelijk zien, namelijk dat ze geen betekenis hebben als zij niet echt zijn. Een echte aanslag als in Oekraïne die niet gezien wordt noch geanalyseerd, reduceert dreigingsbeelden tot een diarree van woorden die deels zijn bedoeld om die dreiging juist in stand te houden en deels om jaar in jaar uit meer maatregelen, wetgeving, middelen en mensen toe te voegen aan het overheidsarsenaal. Een trend die bedreigender is dan alle dreiging die in tien jaar dreigingsbeeld diarree wordt beschreven.
    artikel als pdf
    losse diagrammen uit de tekst niet op de site
    excel dreigingsbeeld diarree
    De jihadistische tunnelvisie van de NCTV (I en II)
    Het verwrongen wereldbeeld van de NCTV I kort NL
    Jihadistische angstvisioenen NCTV (II kort wereld)