• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Ieder volk krijgt de rechtsstaat die het verdient

    Niet terrorisme en maatregelen daartegen zetten de rechtsstaat onder druk, maar de burgers van Nederland zelf. Daarbij lijkt sprake te zijn van een grote eensgezindheid met betrekking tot het aanpakken van deviantie.
    De zucht om uniformiteit en de lage tolerantie voor overlast en deviant gedrag zorgen voor een verscherpte repressie in dit land. Terrorisme en de dreiging van aanslagen zijn weliswaar graadmeter voor het gevoel van veiligheid maar geen instrument voor het oprekken van bevoegdheden en wetgeving.

    De aanslagen van 11 september 2001 vormden geen omslagpunt, hooguit een markeringspunt voor een verhoogd budget van de AIVD, de pathologisering van radicaal denken en een verkrampt optreden op geruchten zonder bewijs en harde feiten van mogelijke terroristische handelingen.

    De rechtsstaat wordt in toenemende mate bedreigd door het verval van de notie van onschuld, de intolerantie van de overheid, het bedrijfsleven en burgers en verdere verbestuurlijking van het strafrecht.

    Nederland en terrorisme

    Op 13 september 2001 werden in Rotterdam vier mannen gearresteerd. In Trouw van 15 september zegt een woordvoerder van het openbaar ministerie dat zij “betrokken zijn bij een internationaal netwerk van islamitische extremisten. Er is genoeg grond voor hun arrestatie”. Later werd in Canada nog een verdachte van de zogenaamde Rotterdamse cel gearresteerd.

    December 2002 werden vier van de vijf verdachten vrijgesproken. Een van deze gevaarlijke ‘terroristen’ vluchtte daarop het land uit. Zijn vertrek van Marseille naar Algerije is het laatste wat van hem vernomen is. De andere verdachten bestempelen hem als provocateur en een agent van een geheime dienst.

    De Rotterdamse rechtbank sprak de verdachten vrij op grond van onrechtmatig verkregen bewijs en slecht onderzoek door de politie. De Volkskrant kopte ‘vrijspraak voor terroristen’, alsof de mannen al veroordeeld waren. Het OM ging in beroep en kreeg haar zin. Het gerechtshof veroordeelde twee van de verdachten voor het lidmaatschap van een terroristische organisatie, maar niet voor medeplichtigheid of het voorbereiden van een aanslag.

    Twee dagen na 11 september 2001 kwam terrorisme plotseling heel dichtbij. Het jaar erop werd Pim Fortuyn vermoord en werden in de jihad-zaak een tiental verdachten gearresteerd. De verdachten zouden strijders rekruteren om in Afghanistan en Irak te vechten tegen ‘geallieerden’. Gedurende de laatste tien jaar speelde Nederland in die landen op de een of andere manier voor militair zoals nu nog bij een politiemissie in het noorden van Afghanistan.

    Vanaf 2003 worden er aanslagen gepleegd in verschillende Europese steden als Madrid, Londen en recentelijk in Oslo. Nederland is vooral in de ban van de moord op filmmaker Theo van Gogh en diens moordenaar Mohammed Bouyeri, de Hofstadgroep en Samir Azzouz, de man die veroordeeld werd voor het beramen van een aanslag. Aanslagen en het woord terrorisme is sindsdien niet meer weg te denken uit ons vocabulaire.

    Extra wetgeving

    In de afgelopen tien jaar zijn er verschillende wetten ingevoerd die betrekking hebben op terrorisme. De Wet Terroristische Misdrijven, de Wet afgeschermde getuigen, Wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven, Wet strafbaarstelling deelneming en meewerking aan training voor terrorisme en de Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid. Ook is er een speciale coördinator terrorisme bestrijding (NCTb) aangetreden via een instellingsregeling van 29 juni 2005 van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie.

    Deze opsomming schept de indruk dat het strafrecht zeer ruim is opgerekt, maar in de praktijk lijkt de reikwijdte van de wetgeving niet een groot deel van de bevolking te raken. Daarnaast is een deel van de wetgeving uit Europa afkomstig. Zowel na 9/11 als de aanslagen van 11 maart 2004 in Madrid is de roep om specifieke terrorisme wetgeving en samenwerking tussen politie- en inlichtingendiensten binnen de Europese Unie sterk toegenomen.

    De NCTb is gericht op de informatie uitwisseling tussen de inlichtingendiensten en de politie in Nederland, uitwisseling die van oudsher moeizaam verloopt. Vraag is echter of de ingevoerde wetgeving, instanties en de praktijk zoals de brute arrestatie van twaalf personen van Somalische afkomst op 25 december 2010 in Rotterdam en omgeving symbool staan voor de Nederlandse rechtsstaat.

    Overhaast en bruut optreden in het kader van terrorisme vindt gemiddeld een tot twee keer per jaar plaats. De media besteden veel aandacht aan de arrestaties, zoals die van de drie mannen op 31 december 2007 in Rotterdam en de verdachten die in maart 2009 het op de IKEA zouden hebben gemunt. Bij deze incidenten vond geen vervolging plaats, terwijl de zaken wel met grote middelen zijn aangepakt. Veelal blijkt de informatie van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) volstrekt onvoldoende voor vervolging door het openbaar ministerie.

    De AIVD hield echter wel vast aan haar oordeel dat het om ‘terrorisme verdachten’ gaat, zelfs nadat was gebleken dat het OM geen vervolging meer instelde. Het OM overwoog ook niet om nieuwe bevoegdheden te gebruiken zoals de Wet afgeschermde getuigen die AIVD-informatie tijdens het strafproces mogelijk maakt. Blijkbaar was er geen grond voor de arrestaties.

    De arrestaties van de Somaliërs op kerstavond van vorig jaar maakten duidelijk dat de inlichtingendienst de plank volledig missloeg. De aanslagen van 9/11, terrorismewetgeving en onterechte arrestaties lijken niet te wijzen op een verscherpt repressie-apparaat. De arrestaties en het label terrorisme dat deze mensen krijgen opgedrukt, is zeer ernstig, maar volstrekt onvoldoende om het verval van de rechtsstaat aan te kondigen.

    Niets aan de hand?

    Is er dan niets aan de hand? Is de repressie niet toegenomen? Waar komt de ongerustheid over onze rechtsstaat dan vandaan? Begrippen als rechtsstaat, repressie en veiligheid zijn complexe begrippen. Doel en middel van zowel bevoegdheden als wetgeving zijn vaak niet scherp geformuleerd, worden niet geëvalueerd en zijn volstrekt onduidelijk.

    Omslagpunten in het denken over veiligheid zijn soms moeilijk aan te geven. De traditionele tegenstelling tussen rechtse en linkse politici gaat niet op bij het veiligheidsbeleid. Zo bepleitte oud-minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid Roger van Boxtel (D66) in 2001 voor een algehele identificatieplicht in de strijd tegen het terrorisme. De WUID (Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht), werd op 1 januari 2005 van kracht, maar heeft een lange geschiedenis die teruggaat naar de jaren ’80 en een eerste identificatieplicht op het werk in 1994.

    Preventief fouilleren komt voort uit een discussie over het onvoldoende benutten van ‘de bestaande wettelijke mogelijkheden ten aanzien van de bestrijding van vuurwapencriminaliteit’ (brief van de toenmalige minister van Justitie en Binnenlandse Zaken aan de Kamer) door de politie. De Rotterdamse politie viel vervolgens willekeurige burgers in de Millinxbuurt lastig.

    De rechter verbood dit optreden en een nieuwe wet was geboren. De strafrecht-variant van de Wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven, waarbij ook mensen rondom de verdachten onderdeel uit kunnen maken van een opsporingsonderzoek, stamt uit begin 2000. De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) kwam voort uit de parlementaire enquête naar ongeoorloofde opsporingsmethoden, uitgevoerd door de commissie Van Traa van midden jaren ’90.

    Deradicalisatie

    Op één terrein is de relatie met de aanslagen op het World Trade Center in New York wel heel duidelijk. Dit zijn de zogenaamde deradicaliseringsprogramma’s van gemeenten en het betrekken van het maatschappelijke middenveld zoals dokters, onderwijzers en ambtenaren bij het herkennen van ‘radicalen’.

    Aanvankelijk waren deze programma’s alleen gericht op radicale moslims, maar in de loop van de afgelopen twee jaar is daar ook de aandacht voor extreem-rechts en dierenrechtenactivisten aan toegevoegd. Bij extreem-rechts bestaat vanuit maatschappelijke organisaties al langer de behoefte tot ‘deradicalisatie’. Dit gaat terug tot in de jaren ’90.

    De notie van deradicalisering vloeit voort uit de gedachte dat radicaal zijn het voorportaal is van terrorisme. Gematigdheid lijkt de regel geworden en elke afwijking van de norm binnen het idioom van ‘radicaal – terrorist’ geplaatst. Juni 2011 kondigde Erik Akerboom van de NCTb aan dat de coördinator haar werkterrein wil verruimen naar dierenrechtenactivisme. Hoewel dit als post 9/11 kan worden beschouwd, kent de overheid een lange traditie in haar poging om dierenrechtenstrijd als terrorisme te labellen.

    De verharding van de samenleving waar de overheid naar verwijst bij maatregelen zoals preventief fouilleren lijkt eerder te komen van die overheid zelf dan van haar burgers. De Nationale Ombudsman schrijft in haar jaarverslag over 2007: ‘De burger ontmoet bij de overheid vaak kilte, onverschilligheid en verruwing.’ Dit heeft niets met de aanslagen in New York te maken, dit is een trend die al langer gaande is.

    In 2006 verscheen het rapport Ruimte voor het recht, onderzoek naar het demonstratierecht in Den Haag in de periode 2000 – 2005 van Buro Jansen & Janssen. Enkele duizenden demonstraties werden onder de loep genomen. Demonstreren in Den Haag is niet een eenvoudige zaak en veel mensen voelen de harde hand van de Haagse gemeente en politie als zij voor hun mening uit willen komen.

    Uit de moeizaam verkregen informatie van politie, college van B&W, openbare bronnen en interviews wordt duidelijk dat er na 2001 niet minder wordt gedemonstreerd. Ook wordt er in 2005 niet harder opgetreden dan in 2000. Wat wél opvalt is dat de overheid zelf niet meer gewend is om adequaat te reageren op demonstranten. Kleine manifestaties van 330 mensen worden al gelabeld als groot. Een eenzame demonstrant bij de Chinese ambassade wordt lastig gevallen. Mensen die folders uitdelen in de winkelstraat tegen vleesconsumptie worden gearresteerd.

    Intolerantie

    De overheid verruwt, maar niet alleen zij. Ook haar burgers willen steeds eerder dat drugsgebruikers, dak- en thuislozen, jongeren, krakers uit hun straat of park worden verwijderd en geweerd. Het adagium van het optreden van de overheid is handhaving in de publieke ruimte, maar ook steeds meer achter de voordeur.

    Voor dergelijk optreden nemen bestuurlijke maatregelen een centrale rol in. Bij deze maatregelen komt de rechter er in eerste instantie niet aan te pas. Een gebruiker krijgt een gebiedsverbod en kan klagen bij de gemeente die het verbod uitvaardigt. Het verbod wordt echter niet opgeschort en bij meerdere verboden kunnen dwangmiddelen volgen.

    Allemaal keurig volgens het bestuursrecht, net als het opsluiten van onschuldige illegalen volgens het vreemdelingenrecht, maar met een rechtsstaat heeft het niets meer te maken. Dat zelfs rond terrorisme bestuurlijke maatregelen worden ingezet, de Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid, geeft aan hoe belangrijk het bestuursrecht in het dagelijks leven is geworden.

    Een duidelijk tegenwicht ontbreekt in zowel het politieke als maatschappelijke veld. Er lijkt sprake te zijn van een grote eensgezindheid met betrekking tot het aanpakken van deviantie. Die ontwikkeling is niet versneld, verbreed of verhard na 11 september 2001. Het is een trend die zich sinds de val van de Muur in 1989 een steeds groter momentum heeft verworven. De rechtsstaat is daar niet bij gebaat.