• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Selectieve aandacht is in zichzelf een beperking van het recht op meningsuiting

    Mevr. de Vree schrijft in het NRC van 5 december 2007 dat ‘ons land écht vrijheid van meningsuiting kent’. Dhr. Philipse is het met haar eens. Hij plaatst daarbij wel een aantekening. Volgens hem onderschat de redactie van het NRC “de uitdaging die de aanwezigheid van bepaalde groepen moslimimmigranten stelt aan een open samenleving”. Maken mevr. De Vree en dhr. Philipse zich alleen druk over het voorgenomen film van dhr. Wilders en de twee foto’s van mevr. Hera omdat die een aanklacht zijn tegen de islam? Of maken zij zich echt hard voor het recht op de vrijheid van meningsuiting? En moet de overheid zich eigenlijk niet veel terughoudender opstellen?
    Terecht protesteren mevr. Hera en dhr. Wilders tegen de bemoeienis van de overheid of semi-overheid met hun al dan niet artistieke uitingen en de beperking in hun vrijheid. Maar wat Philipse en de Vree over het hoofd zien is dat de overheid al jaren ingrijpt bij meningsuitingen in de publieke ruimte. Die pogingen van mensen om hun mening te uiten op de openbare weg gaan vaak stilzwijgend voorbij. Soms wijdt een nationale of regionale krant enkele zinnen aan de enkeling of het groepje mensen, die met borden, spandoeken, stencils of kunstvoorwerpen hun mening over een actueel politiek maatschappelijk onderwerp geven.

    In ons onderzoek ‘Ruimte voor het recht’ van 2006 hebben wij de pogingen van burgers om hun mening te uiten in de residentiestad van 2000 tot en met 2005 onderzocht. Het ingrijpen van de overheid is eerder regel dan uitzondering. Mensen die hun ongenoegen uiten over de Amerikaanse aanwezigheid in Afghanistan of Irak en die zich in de buurt van de Amerikaanse ambassade begeven om te protesteren worden in de regel lastig gevallen door de politie of verwijderd. Mensen die opkomen voor de Falun Gong en protesteren bij de Chinese Ambassade worden aan dezelfde behandeling onderworpen. Volgens de wet mag de burgemeester ingrijpen als de openbare orde in het gevaar is. Bij individuele betogers is dit nooit het geval. Zoals in het geval van de demonstrant die werd verwijderd omdat ze protesteerden bij een vestiging van ABN Amro in verband met de steun van die bank aan het Britse defensiebedrijf INSYS die clusterbommen produceert. Anderen werden aangehouden voor het uitdelen van folders als protest tegen het eten van vlees. Ook de betoger bij het paleis Noordeinde op 30 maart 2001 die protesteerde tijdens de naturalisatie van prinses Maxima wordt aangehouden. Ook buiten de hofstad is het vaak raak. Een spandoek tegen mevr. Verdonk werd na de Schipholbrand in november 2005 met bruut geweld uit een pand aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam verwijderd door dezelfde ME die mevr. de Vree vraagt om het museum of dhr. Wilders te beschermen. De ruiten van een pand in Nijmegen gingen aan diggelen omdat agenten een affiche over mevr. Verdonk te aanstootgevend vonden en in beslag namen. Een man werd op 9 september 2005 in het centrum van Rotterdam aangehouden omdat hij een spandoek toonde met de tekst “Opsporing verzocht – George W. Bush – Terrorist”. Twee vrouwen van 19 jaar die wilden gaan demonstreren tegen de G8 top in Heiligendamm, Duitsland, werden op 4 juni 2007 bij de grensovergang Bunde tegengehouden, opgehouden en niet doorgelaten omdat zij volgens de Nederlandse politie tot het linkse spectrum behoren. En de vele andere betogers van uiteenlopende pluimage die in Nederland in de publieke ruimte hun mening proberen te geven. Dit is de stand van de vrijheid van meningsuiting en expressie in Nederland.

    Het optreden van de directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag heeft dan ook veel weg van de politieagenten en de gemeente die in de Den Haag tegen betogers optreden. Nog voor er sprake is van een verstoring van de openbare orde worden de foto’s van mevr. Hera verwijderd. Van Krimpen zegt in NRC-next van 3 december “wij zijn een gemeentemuseum – dus een openbare ruimte.” Het museum, voor het merendeel financieel overeind gehouden door een jaarlijkse subsidie van 9 miljoen euro van de gemeente Den Haag, heeft een publieke functie. In die ruimte misstaat elke inmenging in al dan niet kunstzinnige meningsuitingen.

    De selectieve aandacht voor de vrijheid van mevr. de Vree en dhr. Philipse doet het recht geen goed. Het creëert het idee dat uitingen die de islam aanklagen van groter belang zijn dan andere. Het recht op vrijheid van meningsuiting is echter voor éénieder geldig. De overheid dient zich daarom juist terughoudend op te stellen en het meningsrecht voor éénieder te waarborgen. Zowel het EVRM als de Grondwet geven aan dat de overheid slechts dan passende maatregelen mag nemen als het ‘verkeer’, de volksgezondheid of de openbare orde werkelijk in gevaar is. Proactief optreden is niet gepast aangezien dat altijd een belemmering van de uiting inhoudt.

    Natuurlijk kunnen mensen die zich door mevr. Hera en dhr. Wilders beledigd voelen naar de rechter stappen evenals mevr. Hera en dhr. Wilders zelf omdat hun recht is ingeperkt. De eenzame demonstrant die verwijderd wordt kan dat natuurlijk ook, maar zijn recht is hem ontnomen en geen enkele krant, journalist of wetenschapper zal een vlammend opiniestuk schrijven. Sinds de moord op dhr. Fortuyn is de nadruk komen te liggen op het kunnen zeggen wat je denkt. Van de overheid wordt verwacht dat zij de vrijheid van meningsuiting garandeert. Maar men ziet over het hoofd dat diezelfde overheid zeer regelmatig gewone onbekende burgers belemmert in die vrijheid. Waarom hebben we het eigenlijk niet over hun rechten en over de plicht van de Nederlandse overheid, niet alleen om de voorwaarden te scheppen waaronder de vrijheid van meningsuiting kan floreren in de maatschappij, maar ook over de plicht van de overheid zich te onthouden van inmenging?