• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Spy Wars

    Fictie en werkelijkheid in de wereld der spionnen

    De voormalig CIA-agent Tennent B. Bagley presenteert zich in het fascinerende boek Spy Wars als de enige die het ware verhaal achter de Russische spion Yuri Nosenko weet te vertellen, zo lijkt het.

    Tennent B. Bagley is een begenadigd Amerikaans schrijver. Hij werkte lange tijd voor de Contra Inlichtingen-afdeling van de CIA. Zijn kennis van de verschillende CIA-projecten, namen van collega’s en leidinggevenden en allerlei Russische overlopers en spionnen vormen geen belemmering. Spy Wars lijkt een kruising tussen fictie en non-fictie. Omdat Bagley zijn betrokkenheid bij het CIA-werk zo precies weet over te brengen, leest het boek als een trein.

    Die trein komt echter abrupt tot stilstand bij het hoofdstuk Head in the Sand. Oud zeer stapelt zich pagina na pagina op. Wat is het geval? In zijn werk als contra-inlichtingen agent was Bagley in de jaren ’50 en begin jaren ’60 van de vorige eeuw belast met het identificeren van Russische spionnen in Amerika, maar ook in Europa. In de Verenigde Staten houden zowel de FBI als de CIA zich bezig met die contraspionage. De term contraspionage is echter een nogal verhullende term die de indruk wekt alsof er geen sprake is van eigen spionage-activiteiten.

    De beschrijving van het werk van Bagley in Wenen en Berlijn gedurende het pre-Koude Oorlog-tijdperk kort na de Tweede Wereldoorlog maakt dat duidelijk. Naast het opsporen van Russische spionnen waren Bagley en zijn collega’s van de contraspionage afdeling belast met het debriefen van Russen die naar het Westen overliepen alsmede met het identificeren van mogelijke overlopers of spionnen. Het ging daarbij vooral om medewerkers van de Russische geheime dienst de KGB en de militaire inlichtingendienst van de Russen, de GRU.

    De leden van de contraspionage-afdeling hadden natuurlijk in de loop der jaren kennis opgebouwd over de positie en werkwijze van de KGB en de GRU. Dit gebeurde deels op basis van de verhoren van de overlopers, maar ook op basis van medewerkers van de KGB of GRU die zijn geworven om voor de CIA te gaan werken. Uitgangspunt bij elke persoon die wil overlopen naar het Westen, of die benaderd werd om te spioneren, was in eerste instantie om te proberen de betreffende persoon te overtuigen om zelf in Rusland te blijven. Voor de CIA was een actieve persoon binnen de KGB van meer waarde dan een overloper.

    Voor de persoon in kwestie was dat levensgevaarlijk. Daarom vermeldt de ondertitel dat het boek over deadly games gaat. Bagley beschrijft zijn werk vanuit het perspectief van de CIA. Om die reden worden de praktijken van de Russen iets bloediger beschreven dan die van de Amerikanen. Het is de tijd van Stalin en de hoogtijdagen van de Koude Oorlog, maar beide partijen deden niet voor elkaar onder in spionage-activiteiten waarbij veel, meestal niet geïdentificeerde personen, het leven lieten.

    De verschillende operaties lijken op games, maar in de bijzinnen komen de werkelijke slachtoffers voorbij. Uiteindelijk vraag je je bij het lezen af waar die diensten eigenlijk precies mee bezig zijn geweest. Met zichzelf en hun tegenstrever? Of was er nog enige zingeving aanwezig? Met in het achterhoofd het feit dat de CIA in 1989 eigenlijk bar weinig wist van de situatie in de Sovjet Unie, wordt deze vraag nog prangender.

    Bagley heeft het boek niet geschreven omdat hij graag en goed schrijft, het publiek wil vermaken met de dodelijke spelletjes van de CIA en de KGB. Nee, hij lijkt alsnog af te willen rekenen met zijn naaste collega’s en leidinggevenden van destijds. Voormalig spion Bagley presenteert zich als de enige die het ware verhaal achter de Rus Yuri Nosenko weet te vertellen, zo lijkt het.

    In de ogen van Bagley van Nosenko geen overloper, maar een Russische spion van de KGB die bij de CIA werd gedropt om de wind uit de zeilen te nemen voor diens collega-spionnen naar wie onderzoek werd gedaan vanwege mogelijke infiltratie in de VS. Nosenko moest de aandacht op zich vestigen en de contraspionage-afdeling van de CIA zien bezig te houden en af te leiden.

    Nosenko kwam in beeld in 1962 tijdens onderhandelingen tussen de Russen en de Amerikanen in Genève. Hij wilde praten met de CIA, waarna er enkele gesprekken volgden. Daarna vertrok de Rus weer naar Moskou. Vervolgens liep Nosenko, net na de moord op Kennedy en in de tijd dat de Warren-commissie die de aanslag onderzocht, over naar het Westen.

    CIA-agent Bagley, die de debriefing van de overgelopen KGB’er verrichtte, geloofde bij de eerste gesprekken in 1962 nog dat Nosenko een ‘echte’ KGB-agent was. Zodra de interviews met Nosenko in 1964 echter enige tijd voortsleepten, ontstond er bij hem twijfel. Nosenko leek niet geïnteresseerd in het Amerikaanse leven, alleen in geld, drank en sex. Hij was ook niet bezorgd om zijn vrouw en kinderen, de reden waarom hij in 1962 niet overliep. Daarnaast waren er veel feiten over de KGB die hij niet wist of ‘verkeerd’ had, klopten allerlei feitelijke data van operaties niet waar hij iets van zou moeten weten en verschilden zijn antwoorden op dezelfde vragen geregeld.

    De CIA was ten einde raad, Nosenko had geen zin meer en wil naar Hawaï. De KGB-agent kreeg zijn zin, maar zodra hij terugkwam werd hij opgesloten in een safe house en aan de leugendetector gelegd. Natuurlijk faalde hij maar, zoals Bagley terecht opmerkt, was het gebruik van de detector toen al omstreden.

    Tot het eerder aangehaalde hoofdstuk Head in the Sand ontrafelt Bagley de twijfel met betrekking tot Nosenko. Hij probeert de mogelijkheid van de overlopende spion te duiden op basis van operaties van de Russen van begin jaren ’20 tot in de jaren ’50. Daarbij schuwt hij niet zijn eigen twijfels en die van zijn collega’s te beschrijven. Want als Nosenko geen echte overloper is, maar een KGB-spion, waarom speelden de Russen de Amerikanen dan een eigen medewerker in handen? Moest Nosenko de CIA bezig houden? Was er een andere mol binnen de gelederen van de Amerikaanse inlichtingendienst die de Russen wilden beschermen? En wie was die mol dan?

    Bagley lijkt er bij het schrijven van het boek bijna vijftig jaar later geheel van overtuigd dat Nosenko een spion is geweest, dit in tegenstelling tot de discussie halverwege de jaren ’60. Er was toen geen twijfel, Nosenko leek te liegen, maar de consequenties van die twijfel en de leugens leken te groot om onder ogen te zien.

    De CIA zat met Nosenko in zijn maag. Hoewel er heel veel bewijs was dat de Rus niet de waarheid sprak of dingen niet wist, was er geen duidelijk bewijs dat hij een spion was. Bagley beweert in zijn boek van wel, maar zelfs zijn zoektocht in Rusland in de archieven van de KGB geeft geen uitsluitsel. Er waren misschien operaties waarbij leden van de Russische geheime dienst naar het Westen werden gestuurd als overloper, maar velen keerden na het leveren van valse informatie snel weer terug naar Moskou.

    Midden jaren ’60 wilde de leiding van de CIA van de Nosenko-zaak af. Er volgde een witwas-operatie. Nosenko werd via allerlei onderzoeken clean verklaard en de dienst kon verder. Hier gingen jaren over heen. Bagley was destijds overduidelijk boos en voelde zich geweld aangedaan. Collega’s schreven rapporten die zijn onderzoek naar Nosenko naar het land der fabelen, of eerder naar het land der paranoïde wanen verwees. Daarbij ging het er hard aan toe. Bagley kon zich in die tijd niet meer verdedigen omdat hij werd overgeplaatst naar het kantoor in Brussel.

    Ondertussen is Bagley reeds lange tijd gepensioneerd en heeft hij de gebeurtenissen van destijds gereconstrueerd. De Amerikaanse spion klinkt overtuigend en heeft ook veel informatie verzameld om Nosenko aan te merken als iemand die door de Russen aan de Amerikanen is overhandigd om de CIA om de tuin te leiden.

    In het hoofdstuk The other side of the moon beschrijft hij het Russische bewijs van zijn gelijk. Op pagina 236 voegt de schrijver een noot toe aan de informatie die hij van de Russen krijgt: ‘Conveniently, Nosenko was standing by, already prepared for a provocative mission.’ Hij wekt hierbij de indruk dat hij het bewijsmateriaal rond heeft, maar twee pagina’s eerder is het nog een mogelijkheid. Hij schrijft dat één van zijn Russische kennissen suggereert dat ‘Yuri Nosenko might have been one of them.’ Met ‘them’ bedoelt de voormalige KGB’er het bestaan van ‘false defector’, van onechte overlopers.

    Bagley lijkt aan het einde van Spy Wars dezelfde weg te bewandelen als de collega-spionnen die het verhaal van Nosenko hebben ontdaan van alle twijfels over zijn echtheid. Bagley probeert als een pleitbezorger van zijn visie op de zaak zijn bewijs rond te krijgen, maar wat was de werkelijke rol dan Nosenko dan? En om welke tuin werd de CIA geleid in het geval van Nosenko? En vooral, wat is zekerheid in een wereld waren fictie en werkelijkheid vermengd zijn? Waar fictie en werkelijkheid eigenlijk niet bestaan als onafhankelijke entiteiten? Als Nosenko een KGB-spion was die de Amerikanen moest afleiden van de echte spion, wie was die echte spion dan?

    Bagley raakt daarmee verstrikt in zijn eigen verhaal. In het hoofdstuk Hiding a mole, KGB’s style beschrijft hij de ontdekking van Aldrich Ames. Ames was een CIA-agent die allerlei CIA-spionnen aan de Russen heeft verraden gedurende de jaren ’80. Ames werd opgepakt en heeft zijn spionage voor de Russen toegegeven. De ironie van het verhaal van Ames was dat hij hoofd van de contraspionage van de CIA was. De contraspion die spion van de tegenpartij was.

    Aldrich Ames werd ontdekt door een niet nader geïdentificeerde bron. Die bron zou een overloper kunnen zijn geweest, maar dat is nog steeds niet duidelijk. Op pagina 226 verzucht Bagley dan ook: ‘Might the KGB have been winning a different one – successfully hiding another mol?’ En daar ligt de essentie van het boek Spy Wars. Elke overloper kan een spion van de tegenpartij zijn, maar in wezen kan elke spion van een inlichtingendienst weer een mol zijn.

    Bagley wekt de indruk dat de KGB alleen maar spionnen naar het Westen stuurde om de CIA en de FBI om de tuin te leiden, maar veel mensen werden geworven door afpersing, voor geld en soms uit idealisme. Spionnen zijn net gewone mensen. En gewone mensen hebben behoeften. De reeks misstappen van Amerikanen, naar waarschijnlijkheid ook mensen uit de Sovjet-Unie, die voor de Russen gingen werken, maakt dat duidelijk. De KGB perste mensen af door ze te fotograferen of te filmen in compromitterende posities met vrouwen die, of Russische spionnen waren of door de KGB werden gebruikt als aas.

    Niet alleen afpersing speelde een rol tijdens de Koude Oorlog. Naast een ideologische overtuiging van een enkeling, waren er vooral ordinaire financiële overwegingen. Amerikaanse spionnen kregen geld aangeboden voor geheimen, of mensen hadden schulden en besloten informatie te verkopen aan de vijand, zoals in het geval van Ames. Dat is een praktijk die in de gehele inlichtingenwereld gewoon is, ook bij eenvoudige informanten.

    Bagley is boos over de wijze waarop de CIA hem en zijn werk destijds heeft weggezet. Hij beseft echter niet dat in een wereld waar fictie en werkelijkheid niet van elkaar te scheiden zijn, en zich uiteindelijk vermengen, fabels en wanen realiteit kunnen worden. Hij kan daarom zijn verhaal goed schrijven en levert een prachtig boek af, bijna fictie, maar mist de moed of de capaciteit om zijn werkzaamheden te reflecteren.

    Spionnen zijn meestal bezig met de eigen organisatie, want in een geheime wereld is het grote gevaar de spion zelf, want wie is te vertrouwen, wie is de mol? Voorbeelden genoeg in de Nederlandse praktijk van een geheime dienst die een rad voor de ogen wordt gedraaid of eerder zichzelf een rad voor de ogen draaide. De moord op Theo van Gogh, waarbij de dienst alle leden van de Hofstad-groep vooraf in kaart had en de brute arrestatie van Somaliërs op kerstavond in 2010 op basis van een ‘betrouwbare bron’ zijn slechts enkele van deze raderen. Misschien waren er geen mollen en mysteries bij deze gebeurtenissen betrokken, maar toch zeker een gebrek aan realiteitszin.

    Geheime diensten zijn daarom per definitie organisaties die zullen falen omdat fictie en werkelijkheid elkaar, in een niet transparante werkelijkheid, niet meer los laten. Bagley is er van overtuigd dat Nosenko een spion is geweest. Nosenko is dood en kan zich niet meer verdedigen en de vete binnen en buiten de CIA gaat voort, want als hij een spion was, wie waren dan de mollen die hij had moeten beschermen? Ames en anderen waren niet voldoende om al het verraad te verklaren. Genoeg werk voor een dienst om zichzelf nog jaren bezig te houden.