• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Strafrechtelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting

    Sinds 11 september 2001 wordt door de Verenigde Staten een ‘war against terror’ gevoerd waar ook wij Europeanen in verzeild zijn geraakt. De Nederlandse samenleving lijkt sindsdien definitief veranderd. De dreiging van het islamitisch terrorisme en de angst voor aanslagen in Europa zijn een realiteit geworden. De terroristische aanslag in Madrid op 11 maart 2004 veranderde die dreiging in keiharde realiteit. Het item ‘terrorisme bestrijding’ kwam in veel landen boven aan de politieke agenda te staan. Er werd gediscussieerd over de manier waarop de veiligheid in de toekomst zo goed mogelijk gegarandeerd kan worden. Daarbij is echter essentieel voor het functioneren van een democratische samenleving dat er niet aan de grondbeginselen van de rechtsstaat wordt getornd en dat er ook in alle vrijheid een publiek debat gevoerd kan worden. Een publiek debat kan immers bijdragen aan wederzijds begrip en respect voor elkaars opinies. De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst staan hierbij voorop.

    De moord op Theo van Gogh deed de publieke discussie over vrije meningsuiting weer sterk oplaaien waarbij veel mensen van mening waren dat de vrijheid van meningsuiting een absoluut recht is. Niet iedereen is van mening dat uitlatingen die zeer kwetsend zijn voor medemensen ook strafbaar gesteld moeten worden met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. De Iraanse president Ahmadinejad ventileerde zijn mening dat er onmogelijk zoveel miljoenen Joden omgebracht kunnen zijn in WO II wat onmiddellijk de publieke discussie op gang bracht of het ontkennen van de holocaust strafbaar gesteld moet worden. Het ontkennen door de Turkse regering van de Armeense genocide is voor veel EU landen een reden om de besprekingen rond toetreding in de EU op te schorten. Maar hoe ver kan een land gaan in strafrechtelijke regelgeving zonder de rechtstaat in gevaar te brengen. De politieke en publieke discussie hierover is nog volop gaande.

    Enige tijd geleden diende de Minister van Justitie een wetsvoorstel in dat het verheerlijken en goedpraten van terroristische misdaden strafbaar telt. Dit apologieverbod zou een nieuwe categorie van uitingsdelicten inluiden. Het wetsvoorstel betreffende het apologieverbod heeft in de Tweede Kamer de toets der kritiek niet kunnen weerstaan. Tweede Kamerlid Huizinga van de De Christenunie heeft op 01-06-2006 een wetsvoorstel ingediend dat het ontkennen, op grove wijze bagatelliseren, goedkeuren of rechtvaardigen etc. van volkerenmoord en misdrijven tegen de menselijkheid strafbaar stelt. Deze uitingen worden, als het wetsvoorstel wordt aangenomen, alleen dan strafbaar wanneer ze bewust worden gedaan in de wetenschap dat mensen daardoor op discriminerende wijze worden beledigd of met de bedoeling aan te zetten tot haat of geweld tegen bepaalde bevolkingsgroepen. Mevrouw Huizinga is van mening dat een wettelijk verbod op genocide-ontkenning een helder en niet mis te verstaan signaal naar negationisten is. In een interview geeft ze aan dat ze niet aan de vrijheid van meningsuiting wil morrelen. Dit lijkt een contradictio in terminus. Het strafbaar stellen van een in het openbaar geuite mening, ook al is die mening maatschappelijk gezien verwerpelijk, lijkt in ieder geval op gespannen voet te staan met het grondrecht ‘vrijheid van meningsuiting’. Uitingsdelicten zoals smaad, belediging, opruiing, godslastering en bedreiging zijn in ons Wetboek van Strafrecht reeds opgenomen onder onder meer de artt. Sr. 261, 262, 265-271, 137sub c en e, 147, 147a, en 285. Deze categorie uitingsdelicten zijn wel te beschouwen als een strafrechtelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting.

    Deze scriptie richt zich vooral op de vraag óf en in hoeverre de bezwaren, met name de inperking van de vrijheid van meningsuiting, tegen het formeel strafbaar stellen van zowel apologie als negationisme acceptabel zijn binnen het kader van de rechtstaat. Eerst zal ik ingaan op de betekenis van de termen apologie en negationisme en daarbij de wetsvoorstellen bespreken alsmede de bezwaren tegen het apologieverbod waardoor dit wetsvoorstel niet door de Tweede Kamer kwam. Daarna zal ik de voorwaarden bespreken waaraan een rechtsstaat moet voldoen wil het een rechtsstaat zijn. Ook zal ik aandacht besteden aan de geschiedenis van onze rechtstaat. Vervolgens wordt uiteengezet wat de reikwijdte van de vrijheid van
    meningsuiting is, eerst in een internationaal kader en daarna in het Nederlands kader. Dan komen de reeds bestaande wettelijke beperkingen in het strafrecht aan de orde en wordt onderzocht welke strafrechtelijke beperkingen er in andere EU landen zijn en hoe de toetsing van deze wetten zowel nationaal als internationaal is geregeld. Tenslotte zal ik in de conclusie het antwoord definiëren op de vraag óf en in hoeverre de bezwaren, met name de inperking van de vrijheid van meningsuiting, binnen het kader van de rechtstaat acceptabel zijn bij het formeel strafbaar stellen van zowel apologie als negationisme.

    conclusie

    De vrijheid van meningsuiting is geen absoluut en onaantastbaar grondrecht. Wanneer een Staat echter door middel van wetgeving de vrijheid van meningsuiting van burgers wil inperken is deze gebonden aan strikte (verdrags)regelgeving waarin duidelijk wordt gesteld onder welke omstandigheden een dergelijke inperking is toegestaan. Deze beperkende regels zijn met name neergelegd in het EVRM artikel 10 lid 2 en zijn limitatief. In het EVRM artikel 17 is vastgelegd dat niemand het recht heeft daden te verrichten die tot doel hebben de rechten en vrijheden van anderen verder te beperken dan in het Verdrag is voorzien. Ook in jurisprudentie zijn grenzen van de vrijheid van meningsuiting vastgelegd. Vast is komen te staan dat in ieder geval het publieke debat in alle vrijheid gevoerd moet kunnen worden. Het
    wetsvoorstel apologie heeft het niet gehaald. De indiener van dat wetsvoorstel wilde niet alleen het verheerlijken etc. van terrorisme strafbaar stellen maar trok de strafbaarstelling door tot uitingen die de openbare orde mogelijk kunnen verstoren. De wettekst van dat wetsvoorstel is vaag en biedt veel ruimte voor interpretatie hetgeen de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in gevaar kan brengen. In het
    wetsvoorstel apologie kunnen zelfs onbedoelde gevolgen van een uiting strafbaar zijn. De opzeteis ontbreekt. Hierdoor bestaat onder meer het gevaar dat het publieke debat niet langer in vrijheid gevoerd kan worden. Het toetsingskader zoals neergelegd in artikel 10 EVRM is limitatief en laat daarom niet toe dat de vrijheid van meningsuiting van burgers vooraf wordt ingeperkt op een niet in dat toetsingskader genoemde grond. Het wetsvoorstel apologie beoogt de vrijheid van
    meningsuiting mede in te perken op andere gronden. De grootste bezwaren tegen het wetsvoorstel negationisme liggen naar mijn mening in de wettekst van artikel 137da lid 2. In dit lid wordt de eis ‘het oogmerk om aan te zetten tot haat, etc’., zijnde de opzeteis, verlaten. Alleen al een ‘weten of redelijkerwijs vermoeden’ rechtvaardigt volgens de indiener van dit wetsvoorstel strafrechtelijke vervolging. In hoofdstuk 7 hebben we kunnen lezen dat het daarbij aan de rechter is om vast te stellen of er al dan niet sprake is van een ‘weten of redelijkerwijs vermoeden’; de rechter moet dan bij zijn afweging de context meewegen. Deze wettekst is erg vaag en er bestaat veel ruimte voor interpretatie door de rechter hetgeen ten koste kan gaan van de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid, vooral omdat er geen toetsingscriteria aan de rechter zijn gegeven. Ook de tekst van artikel 266 lid 2 in het Wetboek van Strafrecht biedt hiervoor geen oplossing omdat ook in dit artikel voor strafbaarstelling opzet is
    vereist. Door de term ‘misdaden tegen de menselijkheid’ zoals vastgelegd in het Statuut van Rome ruim uit te leggen wordt de interpretatieruimte alleen maar nog groter. Het toetsingskader van artikel 10 EVRM vermeldt ook niet het ‘weten of redelijkerwijs vermoeden’ als grond voor strafrechtelijke inperking van de vrijheid
    van meningsuiting en laat inperking op deze grond niet toe. Voor ‘misbruik van recht’ zoals dat in artikel 17 EVRM is vastgelegd geldt ook een opzeteis. Lid 2 van het wetsvoorstel staat dan ook op gespannen voet met de tekst van het EVRM. In het EVRM wordt onder meer wel de eis gesteld dat een beperking noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. Dit betekent dat het méér dan wenselijk of redelijk moet zijn. Mogelijk zijn er mensen die vinden dat bepaalde uitingen in verband met misdaden tegen de menselijkheid afkeurenswaardig zijn en strafbaarstelling wenselijk vinden maar ik ben van mening dat het in onze democratische samenleving zeker niet noodzakelijk is om reeds tot strafrechtelijke vervolging over te gaan wanneer niet het oogmerk aanwezig is om haat te zaaien, etc. Het publieke debat kan met een dergelijke strafbaarstelling in gevaar komen. Een recent voorbeeld in dit verband is de veroordeling door een Franse rechter van de voorzitter van het Europese Parlement, Gollnisch. Diens in het openbaar geuite mening is door een rechter geïnterpreteerd als zijnde strafwaardig. Het is heel goed mogelijk dat publicisten in Frankrijk uit angst voor vervolging in de toekomst niet
    meer zullen schrijven over bepaalde onderwerpen wanneer deze uitspraak door het Europese Hof bevestigd zal worden. Ook in Nederland zou door een ongewenste interpretatie van de onderhavige vage wettekst het publieke debat aan banden gelegd kunnen worden. Uitspraken van het Europese Hof en verdragsteksten laten geen enkele twijfel over de noodzaak dat het publieke debat in alle vrijheid gevoerd moet kunnen worden zonder angst voor vervolging. Zowel de tekst van het wetsvoorstel apologie als het wetsvoorstel negationisme kunnen negatieve gevolgen hebben voor de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid en voor het publieke debat in Nederland. Beide wetsvoorstellen beogen de vrijheid van meningsuiting mede in te perken op gronden die niet vermeld staan in artikel 10 EVRM. We hebben gezien dat de begrippen ‘rechtszekerheid’ en ‘rechtsgelijkheid’ fundamenten van een rechtstaat zijn. Wanneer het onderhavige wetsvoorstel negationisme tot wet wordt zal de interpretatieruimte voor een rechter dusdanig ruim zijn dat dit ten koste kan gaan van
    de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid. Ook het publieke debat kan daardoor onbedoeld aan banden worden gelegd. Daarmee worden dan de fundamenten van onze rechtstaat aangetast. Binnen het kader van de rechtstaat is het formeel strafbaar stellen van zowel apologie als negationisme dan ook alleen acceptabel wanneer de formulering van het delict wat de vrijheid van meningsuiting aan banden legt binnen
    het kader van de beperkingen in Europese regelgeving, met name EVRM artikel 10, past en weinig ruimte voor interpretatie overlaat. De gronden voor de strafrechtelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting in lid 2 het onderhavige wetsvoorstel negationisme vallen deels buiten de beperkingen die het EVRM heeft gesteld en laten bovendien veel ruimte voor interpretatie. Ook de gronden voor de
    beperking van meningsuiting in het wetsvoorstel apologie vallen buiten de beperkingen die het EVRM heeft gesteld. Zowel het wetsvoorstel apologie als het ter consultatie liggende wetsvoorstel negationisme zijn naar mijn mening om al de hierboven genoemde redenen onacceptabel binnen het kader van onze rechtstaat.
    scriptie Strafrechtelijke inperking van de vrijhei