• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Vuilnis van milieugroepen gebruikt door grote bedrijven in de Verenigde Staten

    Worden Greenpeace, Milieudefensie en andere milieuorganisaties in Nederland in de gaten gehouden door de bedrijven die zij kritisch volgen? Duidelijke aanwijzingen zijn er niet, maar de Amerikaanse praktijk van de jaren negentig die James Ridgeway in het maanblad Motherjones schetst, plaatst vraagtekens bij deze betrekkelijke rust. Het verhaal van Ridgeway is een moderne variant van de oud papier-affaire die Buro Jansen & Janssen in 1994 onthulde. Marcel Paul Knotter haalde toen jarenlang oud papier op bij verschillende actiegroepen. Het papier was zogenaamd bestemd voor een school, maar in werkelijkheid bracht hij het naar het kantoor van ABC in Vinkeveen. ABC was het particuliere recherchebureau van Peter Siebelt, die de informatie regelmatig deelde met de Telegraaf.

    In het Amerikaanse verhaal gaat het om Beckett Brown International (BBI), in 2000 omgedoopt tot S2i. BBI, werkzaam van 1995 tot en met 2001, was een maatje groter dan ABC. Het bedrijf kon tot zijn klantenkring the Carlyle Group, the National Rifle Assocoation, Wal-Mart, maar ook grote public-relations bedrijven zoals Ketchum en Nichols-Dezenhall Communications rekenen. Ketchum is een internationaal pr bedrijf en heeft in Nederland als zakelijke partner Winkelman en Van Hessen. Ridgeway sprak uitgebreid met de gedesillusioneerde investeerder John C. Dodd III die hem ook verschillende interne documenten van BBI overhandigde.
    Het verhaal van Beckett Brown International begint in 1994 in Easton, Maryland, de Verenigde Staten. Beckett is werkzaam in de adviseringsbranche en introduceert Dodd aan een voormalig medewerker van de geheime dienst Paul Radowski en later nog aan Joseph A. Masonis en een expert in explosieven George Ferris. Het bedrijf Beckett Brown International, vernoemd naar Richard Beckett en Sam Brown, de advocaat van het bedrijf, gaat officieel in augustus 1995 van start met Radowski, Masonis en Ferris als medewerkers. BBI is een allround beveiligingsbedrijf. Het verzorgt in 1997 de beveiliging van de inauguratie van Bill Clinton en heeft in het begin klanten als Phillip Morris. In 1998 telt het bedrijf 22 medewerkers waaronder David Bresset, Phil Giraldi en Vincent Cannistraro drie voormalige CIA officieren. Cannistraro was voormalig hoofd van het Contra-terreur-centrum van de CIA en in de jaren tachtig verantwoordelijk voor de Amerikaanse steun aan de Contra’s.

    Giraldi verliet in 1999 het bedrijf dat toen al met onconventionele middelen zijn pijlen op Greenpeace had gericht. De vuilnis werd doorzocht en infiltranten werden ingezet. In september 2000 vindt het Taco Bell schandaal plaats. GE Food Alert, een coalitie tegen gentechnologie, had al in juli dat jaar ontdekt dat genetisch gemanipuleerde maïs die niet voor de consumptie geschikt was in voedsel terecht was gekomen. BBI wordt door het pr bedrijf Ketchum ingeschakeld om uit te zoeken welke informatie verschillende actiegroepen hebben. BBI doet een poging om de vuilnis van het Center for Food Safety, Friends of the Earth en GE Food Alert te bemachtigen. Bij de eerste groep wordt ook een poging tot infiltratie gedaan. De operatie wordt door Jay Bly, ook een voormalig geheimedienst-man, vanuit BBI gecoördineerd. Tim Ward, een voormalig politieagent uit Maryland, staat ook op de loonlijst en verzorgt de contacten met lokale politiemensen die soms wat bijklussen voor BBI. Citaat uit een email van Bly aan Ward: ‘I got hold of Jim Daron [a Washington police officer working for BBI] yesterday. He was supposed to do Vermont Ave and Penn Ave SE last night. I have not heard from him today …’

    Of de vuilnis operatie deze keer succesvol was wordt niet duidelijk uit de email die Ridgeway boven tafel kreeg. Beckett Brown is er in het verleden wel in geslaagd de notulen van een strategie-bijeenkomst van het GE food netwerk aan Ketchum te overhandigen. In 1999 stelt BBI daartoe het rapport ‘Intelligence Analysis for Dow Global Trends Tracking Team’ op. De praktijk van ‘dumpster diving’ zoals de Amerikanen het vuilnis-kijken voor informatie noemen was niet volledig onbekend bij de leiding van het bedrijf. David Queen, vice -president van BBI, schrijft in 1998 een memo aan Radowski over vuilnis-doorzoeken. De voormalige aanklager uit Pennsylvania memoreert dat dit doorzoeken enkele problematische kanten heeft waartoe BBI buiten het bedrijf advies dient in te winnen met het oog op mogelijke gerechtelijke stappen tegen het bedrijf.

    Een schrale troost voor de milieubeweging is dat Beckett Brown International geen scrupules lijkt te kennen en het vuil van wie dan ook doorzoekt. In combinatie met een ander pr bedrijf, Nichols-Dezenhall Communications, dat werkzaam is voor Nestle, wordt een poging gedaan de vuilnis van de concurrent van Nestle, Whetstone Chocolates, te bemachtigen.

    Greenpeace leek het hoofddoel van de vuilnis-operatie met betrekking tot milieuorganisaties. Jennifer Trapnell, een ex-vriendin van Tim Ward vertelt Ridgeway over enkele nachtelijke operaties. Doel was niet zozeer de strategie met betrekking tot een campagne te bemachtigen, maar zowel de lopende zaken als de organisatiestructuur in beeld te brengen. Financiële rapporten, veiligheidsinstructies van het Greenpeace kantoor en de toegangscodes voor het kantoor waren in het bezit van BBI. Hoewel Greenpeace ruime ervaring heeft met inbraken en infiltratie door pr bedrijven was de observatie door BBI niet opgevallen.

    Een van de BBi-projecten waarbij ook een infiltrant is ingezet is de campagne van Greenpeace in samenwerking met lokale milieuorganisaties rond ‘cancer alley’ in Louisiana. Het traject langs de Mississippi River van Baton Rouge tot New Orleans is een industrieterrein waar onder andere Shell is gevestigd. De milieubeweging heeft het de bijnaam ‘cancer alley’ gegeven, maar de bedrijven, waaronder Shell, betwisten het gevaar van de locatie. BBI verzamelde voor de pr bedrijven Ketchum en Nichols-Dezenhall Communications informatie, maar trachtte ook tweespalt te zaaien in de campagne van lokale milieugroepen en Greenpeace met de inzet van infiltrant Mary Lou Sapone. Sapone infiltreerde de milieugroep CLEAN in Louisiana en gaf informatie door aan BBI. Sapone was al eerder actief als infiltrant in de jaren tachtig. Voor Perceptions International infiltreerde ze toen in een dierenrechtengroep in Connecticut.

    Infiltratie was naast het vuilnisdoorzoeken voor informatie een gebruikelijke werkwijze van BBI. In 1996 en 1997 werd een infiltrant ingezet om het verzet van een lokale actiegroep in Noord California tegen een vuilstortplaats in kaart te brengen voor het bedrijf Browning-Ferris Industries dat de stortplaats wilde exploiteren.

    Een ander bedrijf, Condea Vista, maakte ook gebruik van de diensten van BBI. Investeerder Dodd kwam het bedrijf tegen in het omvangrijke archief dat hij na de beëindiging van Beckett Brown International opsloeg. Bij het doorlezen van dit archief kwam hij stukken tegen die de naam ‘Lakes Charles project’ droegen. Eind jaren negentig was Condea Vista verwikkeld in een juridisch gevecht met werknemers die het bedrijf aanklaagden wegens ziekte ten gevolge van lekkage van pijpleidingen. Ook werden er campagnes gevoerd door milieu-activisten tegen de vervuiling van Lake Charles in Louisiana. Condea Vista huurde het pr bedrijf Nichols-Dezenhall in dat op zijn beurt BBI weer inschakelde. Bij de vervuiling draait het om een 40 jaar oude pijpleiding die door het bedrijf is gebruikt om erg giftige stoffen te transporteren. Van de vele miljoenen tonnen chemische stoffen die door lekkage in het milieu zijn terecht gekomen heeft het bedrijf maar een fractie opgeruimd. In een gerechtelijke procedure van enkele zieke werknemers tegen Condea Vista trad advocaat Tom Filo op. Filo vertelt Ridgeway dat tijdens de zaak tegen het bedrijf verschillende keren in zijn kantoor was ingebroken. Een keer reageerde hij op het alarm en vond politieagenten in zijn kantoor, die de voordeur hadden opengebroken en het alarm hadden uitgezet. ‘Weird shit was going on back then,’ vat hij de gebeurtenissen samen. Dodd nodigde Filo uit om het archief door te kijken. Filo vond vertrouwelijke documenten zoals medische rapportages van werknemers, die volgens hem alleen gestolen konden zijn. Naast inbraken, observaties van lokale milieuactivisten maakt BBI ook gebruik van informanten. Opnieuw komt de naam op van Mary Lou Sapone, maar er was ook een andere infiltrant. Sapone huurde een schoolmeester in die actief werd in CLEAN (Calcasieu League for Environmental Action Now) en in korte tijd mee ging doen aan allerlei belangrijke vergaderingen. Jay Bly was direct bij het Lakes Charles project betrokken door bijvoorbeeld de observatie van Greenpeace medewerker Beth Zilbert. Bly rapporteerde aan Tim Ward over de activiteiten van BBI in deze zaak. Perry R. Sanders, een andere advocaat die zieke werknemers vertegenwoordigt, heeft een getuigenverklaring van Bly en Ward waarin beide mannen bekennen voor Condea Vista in Lake Charles en Washington DC te hebben gewerkt. Tevens bekenden beiden dat het bedrijf op de hoogte was van hun activiteiten, maar ze wilden niet in detail treden.

    Greenpeace onderzoekt de juridische mogelijkheden om de bedrijven die BBI hebben ingehuurd aan te klagen. Het archief van Dodd wordt doorgespit om te doorgronden hoe diep de campagnes van Greenpeace geïnfiltreerd waren. De indruk bestaat dat BBI niet alleen de vuilnis van Greenpeace doorzocht, maar ook andere middelen gebruikte. In het archief van Dodd werden lijsten van donateurs en allerlei persoonlijke gegevens over de werknemers gevonden.

    De hoofdrolspelers in de spionage-operatie van BBI zijn nog steeds actief in de wereld van de ‘beveiliging’. Tim Ward heeft een eigen bedrijf Chesapeake Strategies en Jay Bly werkt voor hem. Het bedrijf beveiligt ook onderzoeksinstituten tegen dierenrechten-activisten. Joseph Masonis werkt voor Annapolis Group een bedrijf dat trots is op zijn 45-jarige ervaring met de United States Secret Service. Richard Beckett leidt het bedrijf Global Security Services dat naast intelligence services en paramilitaire operaties ook senator Barack Obama beveiligd heeft.

    Iinvesteerder John C. Dodd III heeft dozen vol administratie van Beckett Brown International en S2i gered van de vernietiging. Hij wil graag getuigen voor het Amerikaanse Congres of welke instantie dan ook over de vuile praktijken van het bedrijf dat hij mogelijk heeft gemaakt, maar niemand heeft hem nog uitgenodigd.