• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Wie is gevaarlijker: de sjeik of de staat? Hoe terrorisme een bedreiging is voor de vrijheid van meningsuiting en de rechtsstaat in de Verenigde Staten.

    Op 9 april 2002 advocaat Lynne Stewart is thuis gearresteerd. Zij is de eerste advocaat in de Verenigde Staten die wordt beschuldigd van het ondersteunen van terrorisme en het overtreden van de speciale beperkingen (Special Administrative Measures) die de Amerikaanse instantie die over de gevangenissen gaat heeft opgelegd aan Omar Abdel-Rahman.

    Joost de Haas schrijft de volgende dag in de Telegraaf onder de kop ‘Justitie VS spoort terreurcomplot op’ dat Stewart de Egyptenaar Omar Abdel-Rahman zou hebben geholpen bij het doorgeven van opdrachten aan zijn volgelingen in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Egypte. Wat het ‘terreurcomplot’ precies inhoudt wordt nooit duidelijk. De storm van artikeltjes over de steun van Lynne Stewart aan terroristen luwt de volgende dag al weer. De overheid roept ‘terreurcomplot’, de kranten schrijven het over en daarmee is de kous af, berichtgeving in de 21ste eeuw.

    terreurcomplot

    Wat het terreurcomplot precies inhoudt wordt niet duidelijk, maar wel welk bewijs er door de Amerikaanse justitie is verzameld. De Britse verdachte die deel zou nemen aan het complot wordt op 29 juli 2002 door het Verenigd Koninkrijk niet uitgeleverd. De Britse minister van Binnenlandse Zaken David Blunkett wees een verzoek tot uitlevering van Yasser al-Sirri af. Volgens hem was er te weinig bewijs van zijn betrokkenheid bij terroristische activiteiten. De Amerikanen beweerden dat al-Sirri geld had overgemaakt naar de bankrekening van Al Qaida. Volgens het complot zou dat gebeurd zijn via de zoon van Omar Abdel-Rahman, Ahmed Abdel-Rahman. Yasser al-Sirri werkt voor de Islamic Observation Centre in London. Al-Sirri beschrijft de werkzaamheden van het centrum als mensenrechten-werk en hij heeft veel contacten in de islamitische wereld ook in Egypte en Afghanistan. Ahmed Abdel-Rahman zou zich hebben opgehouden in Afghanistan.

    Lynne Stewart

    Het verhaal van Lynne Stewart, ondertussen 67 jaar oud, is uniek in de Verenigde Staten. Als geen ander weet zij iets van terrorisme, rechtstaat en strafpleiten in de Verenigde Staten. Ze heeft in het verleden groepen als de Ohio Seven, de Black Liberation Army en de Weather Underground verdedigd. In de jaren tachtig en negentig verdedigde zij ook mensen als Salvatore Gravano, alias Sammy the Bull, een lid van de maffia die informant van de politie werd en Larry Davis, een man die van de moord op negen agenten werd verdacht. Het was dan ook niet vreemd dat de verdachten van de aanslagen op het World Trade Center in New York op 26 februari 1993 waarbij 6 mensen omkwamen zich tot haar wendden. Zij kent het klappen van de zweep van het Amerikaanse rechtssysteem. De 67 jaar oude vrouw heeft een bol goedlachs gezicht en houdt van poëzie. Paul Chan interviewde haar in 2005 over haar veroordeling, wetgeving en poëzie (http://www.vdb.org/smackn.acgi$tapedetail?UNTITLEDVI).

    Omar Abdel-Rahman

    De zaak van Omar Abdel-Rahman is opmerkelijk. De man, die ook wel de blinde Sjeik wordt genoemd, werd op 2 juli 1993 in New York gearresteerd voor het overtreden van de Amerikaanse immigratiewet. Abdel-Rahman heeft echter zijn verblijf in de Verenigde Staten te danken aan de CIA die hem in 1990 een inreisvisum verstrekte. Abdel-Rahman vecht zijn uitzetting aan door asiel aan te vragen, dat wordt afgewezen. Abdel-Rahman kan door in beroep te gaan tegen de afwijzing zijn verblijf in Amerika nog verlengen, maar het lijkt een gelopen race, Omar Abdel-Rahman zal uitgezet worden naar Egypte. En dan wordt Abdel-Rahman plots door de federale rechter aangeklaagd voor de bomaanslag op 26 februari 1993 op het World Trade Center, het voorbereiden van een aanslag op het gebouw van de Verenigde Naties en het beramen van een moord op president Mubarak van Egypte. Alle verdachten die tot augustus waren gearresteerd in verband met de bomaanslag waren vaste bezoekers van de Abu Bakr moskee in Brooklyn, ‘de moskee’ van Abdel-Rahman. Zelfs tot na zijn arrestatie werd Abdel-Rahman omschreven als de ‘geestelijke leider van een fundamentalistische islamitische beweging’, maar niet als leider van de groep die de aanslag op het WTC pleegde. De ommekeer van de Amerikaanse autoriteiten is opmerkelijk, helemaal gezien het feit dat op 8 juli 1993 de Egyptische overheid zeven zogenoemde ‘moslim-extremisten’ die aanhangers zouden zijn van de blinde Sjeik liet ter dood brengen. De Sjeik lijkt de dood te ontglippen door in Amerika te blijven. Op 10 januari 1995 begint het proces tegen hem en veertien van zijn volgelingen. Het proces tegen Abdel-Rahman is een aaneenschakeling van onthullingen over voorkennis van de FBI van de ophanden zijnde aanslag op het WTC, een informant die meer dan een miljoen dollar incasseerde van de Amerikaanse overheid en de relatie tussen Omar Abdel-Rahman en de CIA. Het voert te ver hier uitgebreid op in te gaan. In een toekomstig artikel over de aanslag op het WTC van 1993 zal dit aan bod komen. Uiteindelijk wordt de blinde sjeik op 1 oktober 1995 schuldig bevonden door een jury en op 18 januari 1996 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Omar Abdel-Rahman was verbonden aan de Al-Gama’a al-Islamiyya, een organisatie die door de Amerikanen op de lijst van terroristische organisaties was gezet. Volgens het hoofd van het Amerikaanse Openbaar Ministerie, John Ashcroft, is Abdel-Rahman nog steeds leider van die organisatie die nauw verbonden is met Al Qaida.

    SAM

    Advocaat Lynne Stewart verdedigde Abdel-Rahman en bleef Omar Abdel-Rahman ook na zijn veroordeling in de gevangenis bezoeken. De overheid legde Abdel-Rahman vanaf het begin van 1997 speciale beperkingen op die vallen onder de Special Administrative Measures (SAM). De SAM beperken de toegang tot post, de media, telefoon, medegevangenen en bezoek. De naaste familie van Abdel-Rahman mag hem wel bezoeken maar deze woont in Egypte en krijgt geen visum voor de Verenigde Staten.
    Volgens de Amerikaanse overheid zijn de maatregelen sinds 1996 bij ongeveer 40 veroordeelden of verdachten toegepast, waarvan er 25 gerelateerd waren aan terrorisme-zaken. In drie andere zaken ging het om georganiseerde misdaad. Op verdere details wilde het Amerikaanse Justice Department niet ingaan.
    Vanaf 7 april 1999 worden de beperkingen nog scherper. Het wordt Abdel-Rahman verboden om via iemand anders te communiceren en daarmee worden ook mogelijke bezoekers en medegevangenen beperkingen opgelegd. De sjeik mocht niet alleen niet meer met de buitenwereld, waaronder zijn naast familie, communiceren, ook voor de communicatie met zijn advocaat kwamen er beperkingen. Abdel-Rahman mocht twee keer per week zijn advocaten bellen en één keer in de maand met zijn familie in Egypte. Lynne Stewart moest accoord gaan met de maatregelen onder de SAM en daarvoor tekenen anders zou ze geen toegang meer krijgen tot haar cliënt. Abdel-Rahman en Stewart mochten niet praten over onderwerpen die ‘outside the scope of legal representation’ vielen. Wat er buiten viel wordt niet specifiek door de SAM geformuleerd. Advocaten zijn meestal meer dan alleen bezig met de juridische zaak waarvoor de persoon in kwestie vast zit. Volgens punt 1.2 van de Model Rules of Professional Conduct hebben de advocaten de plicht hun cliënten naast de gerechtelijke procedure ook te adviseren over economische, sociale en politieke aspecten die van invloed kunnen zijn op de positie van die cliënt. De maatregelen onder SAM worden opgelegd door de gevangenisautoriteiten in opdracht van de openbare aanklager. Dit kan mede de reden zijn waardoor de regels selectief worden toegepast. Abdel-Rahman heeft namelijk na 1997 nog openlijk kunnen communiceren met de Egyptische media over het staakt het vuren en met Japanse media (televisie) over zijn gezondheid.

    FISA

    Naast de beperkingen die de Amerikaanse overheid kan opleggen onder de beperkingen van de SAM kunnen de gesprekken tussen de advocaat en haar cliënt ook worden afgeluisterd onder de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA). Onder de Amerikaanse wet heet dit de crime-fraud uitzondering waarbij de autoriteiten redenen hebben om af te luisteren omdat er een criminele handeling is begaan. De FISA rechtbank bestaat sinds 1978 en wordt gevormd door een roulerende groep rechters uit een federaal district die geen verantwoording over haar beslissingen hoeft af te leggen en tevens kan besluiten dat, naast het afluisteren, ook de woning van een Amerikaans burger betreden kan worden. Voor het afluisteren onder FISA en andere wetten met betrekking tot afluisteren was tot 31 oktober 2001 toestemming van een speciale FISA rechtbank nodig. De Amerikaanse overheid vond dit echter niet ver genoeg gaan en besloot met het oog op het afluisteren van gesprekken van advocaten en hun cliënten een nieuwe regeling op te stellen. De nieuwe regeling maakt het mogelijk dat het aftappen zonder rechtelijke toets plaatsvindt. De advocaat en haar cliënt krijgen slechts te horen dat ze ‘misschien worden afgetapt’. Volgens John Ashcroft, het hoofd van het Amerikaanse Openbaar Ministerie, worden van 16 van de 158.000 gevangenen de gesprekken met hun advocaten afgeluisterd. De beperking die een verdachte of veroordeelde is opgelegd is niet meer relevant bij de nieuwe regeling. Het kan gaan om een verdachte waartegen nog geen aanklacht is geformuleerd, iemand in afwachting van zijn of haar rechtszaak of een veroordeelde die zijn straf uitzit.
    De gesprekken van advocaten met Abdel-Rahman tijdens bezoekuren werden vanaf februari 2000 gefilmd en afgeluisterd en vanaf juni 2000 werden ook de telefoongesprekken tussen de cliënt en zijn advocaat afgeluisterd. Het aftappen duurde tot het begin van 2002. Tot 31 oktober 2001 met toestemming van de speciale FISA rechtbank, na 31 oktober zonder. De machtiging om de communicatie (telefoon, fax, e-mail) van Sattar (zie verder) af te luisteren werd 15 maanden na de aanvang van de operatie door de FISA afgegeven.

    Anti-terrorisme wetgeving in Amerika

    Van al het verzamelde materiaal (85.000 afgeluisterde telefoongesprekken en faxen en 10.000 e-mails) blijken de tapverslagen van 19 en 20 mei 2000 cruciaal voor de vervolging van Lynne Stewart en de andere verdachten. De advocaat werd op 10 april 2002 samen met de Engelsman Yasser al-Sirri, en twee anderen Mohammed Yousry, de tolk van Omar Abdel-Rahman, en Ahmed Abdel Sattar, een postbode en vroegere naaste medewerker van Abdel-Rahman, beschuldigd van het verlenen van materiële steun aan Al-Gama’a al-Islamiyya, de organisatie van Abdel-Rahman, het oplichten van de Amerikaanse staat en het geven van valse verklaringen.

    Lynne Stewart wordt onder de Amerikaanse antiterreurwet van 1996 vier vormen van ondersteunen en bijstaan van een terroristische organisatie ten laste gelegd evenals het overtreden van de Special Administrative Measures die haar opgelegd waren de US Bureau of Prisons. De beschuldigingen hebben betrekking op de periode van midden 1999 tot midden 2001. Als zij schuldig zou worden bevonden dan kon zij een gevangenisstraf van 40 jaar tegemoet zien.
    De Antiterrorism and Effective Death Penalty Act is vergelijkbaar met de Nederlandse wet met betrekking tot criminele organisaties
    met terroristisch oogmerk en het verschijnsel samenspanning. De Act maakt ‘materiële’ ondersteuning aan groepen die door de Amerikaanse overheid als ‘terroristisch’ zijn bestempeld strafbaar. Of die steun nu was ter ondersteuning van terroristische activiteiten of niet is irrelevant. Het geven van een stoel aan Hamas is daarmee strafbaar volgens die wetg. Voor 11 september 2001 werd de wet weinig gebruikt, maar sinds de aanslagen op het World Trade Center is de wetgeving populair onder openbare aanklagers. Echte betrokkenheid bij terrorisme of de intentie om aan terroristische activiteiten te gaan deelnemen, hoeft onder deze wet niet meer worden aangetoond. ‘Materiële’ steun kan naast een boek ook bestaan uit het bezoeken of deelnemen aan een trainingskamp van Al Qaida maar ook het schrijven van een brief namens een organisatie die door de overheid als ‘terroristisch’ is aangemerkt.
    In de wet wordt een algemene opsomming gegeven wat materiële ondersteuning inhoudt. De lijst bevat financiële ondersteuning, huisvesting, het leveren van valse documenten, het verschaffen van wapens, dodelijke stoffen en explosieven, maar ook communicatiemiddelen, personele ondersteuning en training.
    Niet alleen Lynne Stewart heeft er mee te maken. Ook de zes verdachten uit Lackawanna (New York) die door de overheid werden gezien als en ‘slapende cel’ en die hadden deelgenomen aan een Al Qaida trainingskamp, maar beweerden nooit een aanslag te willlen plegen. Ook andere ‘slapende cellen’ in Portland, Detroit en Seattle zijn onder de wet veroordeeld: James Ujaama die ervan wordt beschuldigd een Al Qaida trainingskamp in Zuid Oregon te willen opzetten, John Walker Lindh die bekende de Taliban te hebben gesteund. Ook Sami Al-Arian, een professor uit Florida is onder de wet uit 1996 veroordeeld voor het steunen van organisaties die zogenoemde Palestijnse ‘terreurgroepen’ financieel bijstaan. Ook de vrachtwagen chauffeur Iyman Faris is veroordeeld voor zijn mogelijke betrokkenheid bij de aanslag op de Brooklyn Bridge die niet heeft plaatsgevonden.

    De Act uit 1996 is vergelijkbaar met wetten uit de tijd van McCarthy toen het strafbaar was op wat voor manier dan ook gelieerd te zijn aan de Communistische partij. De wet is ook vergelijkbaar met de Alien and Sedition Acts uit 1798, de massa-arrestaties uit 1920 op basis van de Espionage Act uit 1917, de Sedition Act uit 1918 en de arrestatie van Amerikanen van Japanse origine na de aanval op Pearl Harbour. Het Hooggerechtshof heeft steeds geoordeeld dat dit soort wetten niet strookt met de traditie van een vrije samenleving.

    Het bewijs

    In de aanklacht staat dat Stewart aantekeningen maakte en willekeurige opmerkingen maakte tijdens gesprekken van Abdel-Rahman en Yousry om hun gesprek, dat in het Arabisch werd gevoerd, voor de bewakers onverstaanbaar te maken. Abdel-Rahman zat sinds maart 1999 vast in het gevangenisziekenhuis in Rochester in Minnesota.
    Tijdens een bezoek van Stewart en Yousry aan Abdel-Rahman op 19 mei 2000 las Mohammed Yousry een verklaring van Rifa’i Ahmad Taha Musa, een van de leiders van Al-Gama’a al-Islamiyya, van 14 mei 2000 voor over demonstraties van studenten van de Al-Azhar universiteit.
    Tijdens hetzelfde gesprek las Yousry een brief voor van Sattar waarin Al-Gama’a al-Islamiyya Abdel-Rahman vraagt om zijn standpunt over het staakt het vuren in Egypte. Soms bestaat er verwarring over welk staakt het vuren. Gaat het nu over de strijd in Egypte of tussen Israël en de Palestijnen. Bij het standpunt over het staakt het vuren gaat het over de strijd in Egypte. Sattar noemt in zijn brief enkele namen van leiders van de organisatie waaronder Rifa’i Ahmad Taha Musa die hij volgens de brief kortgeleden had gesproken. Rifa’i Ahmad Taha Musa vraagt in de brief om de morele steun van Abdel-Rahman voor het opheffen van het staakt het vuren en of hij deze steun in enkele punten kan formuleren en overbrengen in een persconferentie waaraan Lynne Stewart zou moeten deelnemen. Al-Gama’a al-Islamiyya heeft na de aanslag in 1997 op 58 toeristen en 4 Egyptenaren in het Egyptische Luxor, waarvoor ze de verantwoordelijkheid nam, een staakt het vuren afgekondigd. Bij de aanslag in Luxor zijn pamfletten gevonden die oproepen tot de vrijlating van de Sjeik. Abdel-Rahman zou het staakt het vuren in 2000 hebben ingetrokken.

    Volgens de FBI heeft Yousry eerder, op 20 februari 2000 in een gesprek met Abdel-Rahman, over het staakt het vuren gesproken, maar weigerde de toen aanwezige advocaat Abdeen Jabara mee te werken. De FBI concludeert dit op basis van afgeluisterde gesprekken tussen Sattar, Yousry en Musa. Volgens de FBI was Sattar boos op advocaat Abdeen Jabara die Arabisch spreekt.

    De volgende dag, 20 mei 2000, zou Stewart Abdel-Rahman, haar cliënt, de mogelijkheid hebben gegeven een brief met zijn standpunt te dicteren aan Mohammed Yousry, haar tolk.
    Lynne Stewart zou later de verklaring van Abdel-Rahman aan Yasser al-Sirri, of aan Ahmed Abdel Sattar, hebben doorgegeven die haar aan ‘anderen’, naar alle waarschijnlijkheid de leiding van Al-Gama’a al-Islamiyya in Egypte, zou hebben doorgespeeld.
    Tijdens de rechtzaak in 2004 ontstaat er verwarring over wat er nu precies tijdens het gesprek in de gevangenis is gebeurd. Het is duidelijk dat Stewart en Yousry proberen de gevangenisbewaarders af te leiden. Er wordt niet bestreden dat Abdel-Rahman iets dicteert. De vraag is alleen wat en aan wie. Het lijkt erop dat Omar Abdel-Rahman een brief aan zijn advocaat in Egypte, Muntasir Al-Zayat, schrijft, wel over het staakt het vuren maar niet om de wapens op te pakken. ”Brother Muntasir, what use is the initiative where we declared the halt of violence, hah?” dicteert de sjeik aan Yousry.

    Op 14 juni 2000 heeft Stewart een persbericht over het staakt het vuren naar journalist Esmat Salaheddin van Reuters news service gestuurd. Uit het persbericht blijkt dat Abdel-Rahman zijn twijfels heeft over het staakt het vuren en zijn steun daarvoor intrekt. Volgens de openbare aanklagers is in de afgeluisterde telefoongesprekken tussen aanhangers van Al-Gama’a al-Islamiyya in Egypte, New York en Afghanistan te horen dat sommige fracties oproepen tot gewapende strijd.
    Voor het versturen van het persbericht wordt Lynne Stewart door het Justice Department tijdens het presidentschap van Bill Clinton op de vingers getikt. Zij moet opnieuw de SAM ondertekenen en kan haar werk voortzetten
    Hoe de persverklaring die Stewart uitvaardigde precies moet worden geïnterpreteerd is niet duidelijk. De Egyptische media omschrijven Stewart steeds als de officiële woordvoerder van Abdel-Rahman. Het Egyptische weekblad Al-Ahram publiceerde een artikel over de verklaring in juli 2000 waarin aangegeven wordt dat Abdel-Rahman het oordeel over het wel of niet beëindigen van het staakt het vuren geheel overlaat aan de leiding van Al-Gama’a al-Islamiyya.

    Naast deze verklaring, die dus opnieuw tegen Stewart gebruikt wordt, is er in de bewijsvoering ook sprake van een fatwa uit 2000 waarbij Abdel-Rahman zijn volgelingen zou hebben opgeroepen waar mogelijk Israëli of joden te vermoorden. Ook bij het opstellen van deze fatwa in de gevangenis zou Stewart de gevangenisbewaarders hebben afgeleid.
    Met betrekking tot de fatwa is het interessant dat advocaat Abdeen Jabara opnieuw opduikt. Nu zou hij tijdens een telefonisch onderhoud wel een gesprek hebben toegelaten tussen Yousry en Abdel-Rahman. Volgens de FBI heeft Rifa’i Ahmad Taha Musa de fatwa opgesteld en deze ter correctie aan aan Sattar doorgestuurd. Volgens de openbare aanklagers verbleef Rifa’i Ahmad Taha Musa (Abu Yasir) in september 2000 in een Afghaans trainingskamp van Osama Bin Laden. Hij gaf samen met Bin Laden en Ayman al-Zawahiri een interview aan al-Jazeera over de campagne ter vrijlating van Abdel-Rahman.

    Sattar heeft de fatwa aan al-Sirri doorgegeven die uiteindelijk plaatsing verzorgde op de website van het Islamic Observation Centre in Londen. Dit zou allemaal voor het telefonisch onderhoud tussen Yousry, Abdel-Rahman en advocaat Abdeen Jabara hebben plaatsgevonden. Waarom advocaat Abdeen Jabara plots het gesprek over zoiets delicaats als een fatwa en de mening van Abdel-Rahman acht maanden na het vorige gesprek wel zou toelaten is onduidelijk.

    Volgens de aanklacht bediscussieerde Yousry met Abdel-Rahman in juli 2001 in het Arabisch de aanslag op de USS Cole van 12 oktober 2000 in Jemen, waarbij 17 mensen om het leven kwamen. Volgens de FBI vertelde Yousry dat die aanslag bedoeld was om de Sjeik vrij te krijgen.

    Tot slot wordt Lynne Stewart in de aanklacht ook beschuldigd van het uitvaardigen van een onjuist persbericht in januari 2001 over de medische behandeling van haar cliënt.

    De sjeik

    Bij alle beschuldigingen blijft het onduidelijk in hoeverre Abdel-Rahman verbonden is aan en/of leider is van Al-Gama’a al-Islamiyya. Sinds 1989 is hij niet meer in Egypte geweest. Dat er bij aanslagen verwezen wordt naar de Sjeik kan ook geïnterpreteerd worden als een teken dat de plegers hem nog hoog achten, maar of dat betekent dat hij ook op de hoogte was van de planning en organisatie is onduidelijk. Ook de Amerikaanse overheid geeft daar geen eenduidige mening over. Abdel-Rahman wordt ook gezien als de theoloog van Al Qaida mede omdat Osama Bin Laden en Ayman al-Zawahiri hem vaak noemen.
    Zelfs zijn advocaat is hierin niet duidelijk. Stewart zegt over Abdel-Rahman dat hij niet in staat is om leiding te geven en dat het volgens de Koran aan blinden verboden is om aan de jihad mee te doen. Aan de andere kant geeft ze ook toe dat voor zijn arrestatie Abdel-Rahman wel heeft opgeroepen tot een heilige oorlog tegen de Verenigde Staten.
    Al met al is het niet te zeggen hoeveel invloed de Sjeik heeft. Gemeten naar het aantal aanslagen dat na 1997 in Egypte is gepleegd tot de arrestatie van Stewart en het aantal mensen dat na de bekendmaking van zijn standpunt de wapens heeft opgepakt, lijkt zijn rol in Egypte uitgespeeld.

    Op 9 april 2002 werd Stewart op borgtocht vrijgelaten voor een bedrag van een half miljoen dollar. Yousry kwam ook vrij op een borgtocht van 750.000 dollar. Sattar niet. De overheid beschrijft hem als ‘het communicatiecentrum’ van Al-Gama’a al-Islamiyya. Hij zou opdrachten overbrengen via telefoongesprekken met mensen in Egypte door het gebruik van het woord ‘trouwerij’ dat volgens de Amerikaanse overheid voor ‘aanslag’ staat. Hij wordt er ook van beschuldigd fatwas van Abdel-Rahman uit de gevangenis te hebben gesmokkeld. De rechter achtte het vluchtgevaar van Sattar te groot.

    De rechtstaat

    Onmiddellijk na de beschuldiging aan het adres van Lynne Stewart ontstond een verhit debat over de zwaardere beperkingen waar advocaten mee te maken krijgen bij het verdedigen van ‘terroristen’. Aan de andere kant waren er bevriende advocaten van Lynne Stewart zoals Ronald Kuby, een vooraanstaande progressieve advocaat, die beweerden dat haar cliënt misschien gebruik had gemaakt van het feit dat Stewart geen Arabisch verstaat. Dit laatste lijkt niet het geval te zijn bij Lynne Stewart.
    Stewart werd de advocaat van Omar Abdel-Rahman vlak voor het begin van zijn rechtszaak. Abdel-Rahman wordt gezien als de grote bedenker van de aanslag op het World Trade Center in New York in 1993 en plannen voor aanslagen op diverse bruggen en andere gebouwen. In de rechtzaak is een kroongetuige die voorheen deel nam aan de ‘groep van Abdel-Rahman’ de cruciale getuige. Stewart was een betrokken advocaat en ze geloofde in zijn onschuld ook na veroordeling. Abdel-Rahman lijkt ook respect te hebben voor zijn advocaat. Haar optreden in de Egyptische media doet geloven dat zij precies wist wat ze deed. Zij ging misschien een grens over die andere advocaten niet zouden overgaan. In Amerika hebben al verschillende ‘progressieve’ advocaten geweigerd om mensen als Abdel-Rahman (zogenoemde fundamentalistische moslims) te verdedigen. Interessanter is de parallel met verdedigers van de eerste generatie van de Rote Armee Fraktion (RAF). Zij, ook de latere Grüne minister van Justitie Otto Schily, stelden zich pal achter de verdachten en de persconferenties van de advocaten waren ook een mediamoment voor de gevangen RAF leden. Lynne Stewart lijkt zich op vergelijkbare manier te willen manifesteren voor Abdel-Rahman. Zij stelt daarmee een belangrijke vraag in onze democratische rechtsstaat. Kun je mensen zo opsluiten? Afgesloten van de wereld.

    Overwinning?

    In juli 2003 oordeelde federale rechter Koeltl dat er geen grondwettelijke reden voor twee belangrijke beschuldigingen met betrekking tot ‘materiële’ ondersteuning aan terrorisme was. Rechter Koeltl verwijst bij zijn uitspraak naar het gebruik van haar telefoon en fax om te communiceren. Volgens de overheid verleende Stewart bij het overbrengen van standpunten van Abdel-Rahman aan de buitenwereld materiële en personele ondersteuning aan terroristische organisaties. Het personeel was zijzelf en de materiële steun was het gebruik van haar telefoon. Volgens de rechter wordt met die beschuldiging het simpele gebruik van haar telefoon al strafbaar gesteld. Tevens stelt de rechter dat de regering advocaten lijkt te zien als werknemers van hun cliënten waarmee de deur is geopend om deze advocaten strafrechtelijk te vervolgen.

    De twijfels van rechter Koeltl werden later in het jaar bevestigd door U.S. Circuit Court of Appeals for the Ninth District in San Francisco. Drie rechters (twee tegen één) kwamen daar tot het oordeel dat de Amerikaanse antiterrorismewet uit 1996 niet duidelijk genoeg was in het aangegeven dat verdachten bewust ondersteuning boden aan terroristische organisaties. Volgens de rechters, in een zaak met betrekking tot twee organisaties die Koerden in Turkije en Tamils in Sri Lanka ondersteunen, leidt dit gemis ertoe dat een vrouw die koekjes koopt ter ondersteuning van ontheemde Koerden kan worden veroordeeld tot een lange gevangenisstraf voor het ondersteunen van terroristen. Tevens oordeelden de rechters dat het wettelijke verbod op het aanbieden van trainingen of personeel aan terroristische organisaties ‘unconstitutionally vague’ is en dat het ‘could deter protected free speech’ (de vrijheid van meningsuiting zou kunnen verslechteren).

    Hoewel het een overwinning was voor Stewart, Yousry en Sattar werd ze, Stewart, nog wel in staat van beschuldiging gesteld van het overtreden van de maatregelen onder de SAM en het geven van valse verklaringen. Nog steeds hing haar een gevangenisstraf van 10 jaar boven het hoofd. Sattar werd nog beschuldigd van propageren van geweld het wereldwijd aanzetten van mensen tot terroristische acties, een strafbaar feit waar een maximum straf van 20 jaar op staat. Mohammed Yousry wordt van hetzelfde feit als Lynne Stewart verdacht.

    In november 2003 kwamen de federale aanklagers terug met een hernieuwde aanklacht waarin Stewart alsnog werd beschuldigd van steun aan Al-Gama’a al-Islamiyya door het leveren van menskracht. Bij deze nieuwe aanklacht die was gebaseerd op hetzelfde bewijsmateriaal werd met de menskracht de persoon van Omar Abdel-Rahman bedoeld. Stewart en Yousry zouden door hun optreden de sjeik de mogelijkheid hebben geboden in figuurlijke zin mensen buiten de Verenigde Staten te doden en te ontvoeren.

    Het proces

    Voor het proces tegen de drie verdachten werkelijk kon beginnen was er nog een interessante vraag van de advocaten van Sattar. Ter ondersteuning van zijn onschuld wilden zij de zoon van Omar Abdel-Rahman spreken. Deze man, Ahmed Abdel-Rahman, zou volgens de openbare aanklagers in 2000 en 2001 in Afghanistan hebben verbleven en zou hebben gecommuniceerd met Sattar. Berichten in de media melden dat hij eind 2001 werd gearresteerd en sindsdien wordt vastgehouden op Guantánamo Bay. Het verzoek om hem te laten getuigen is afgewezen: de Amerikaanse overheid wil over Ahmed Abdel-Rahman geen informatie verschaffen met het oog op de nationale veiligheid.

    Voordat de zaak voorkwam probeerde Stewart herhaaldelijk haar zaak te scheiden van het proces tegen Sattar. Als argument voor deze splitsing gaf ze aan dat zij niet op de hoogte was van de contacten van Sattar met militanten in de Arabische wereld.

    Op 22 juni 2004 begon het proces tegen Stewart, Yousry en Sattar in New York. De anonieme jury bestond uit acht vrouwen en vier mannen. Onder hen bevonden zich een Vietnam-veteraan, een architect, een eigenaar van een softwarebedrijf, een redacteur, een gepensioneerde illustrator en een medewerker van de Federal Reserve.
    Om de steun die Stewart aan terroristen zou hebben gegeven aan te tonen werd er door het openbaar ministerie vooral geleund op de afgeluisterde gesprekken en niet zozeer op getuigen. Daarnaast is door diverse mensen in de media geopperd dat de openbare aanklagers ook een schat aan informatie hebben aan de talloze spreekbeurten, interviews en verklaringen die Lynne Stewart in de afgelopen jaren heeft gegeven.
    Een van de afgeluisterde gesprekken die de openbare aanklagers afspeelden in de rechtzaal is een gesprek waarin volgens de overheid de advocaat enthousiast is over de ontvoering in maart 2000 van enkele toeristen op de Filippijnen door Abu Sayyaf Group. De ontvoering zou zijn uitgevoerd om de vrijlating van Abdel-Rahman naast twee andere veroordeelden te eisen. Volgens de overheid zegt Stewart ‘a good thing’, maar volgens Tigar, de advocaat van Stewart, zegt zij: ‘it was a good thing the kidnapping was reported.’ Enkele seconden later tijdens het gesprek zegt zij dan: ‘That’s so sad, that’s so sad.’
    In een ander afgeluisterd gesprek gaat het over de aanslag op de USS Cole in 2000. Uit de afgeluisterde gesprekken valt op te maken dat Stewart Omar Abdel-Rahman hielp te informeren over een voorstel om aanslagen als die op de USS Cole te stoppen in ruil voor de vrijlating van de sjeik. Meer dan de sjeik informeren deed Stewart niet, net als de andere advocaten van de sjeik, net zo min als dat Stewart de autoriteiten op de hoogte stelde van de berichten vanuit Egypte.
    Naast de afgeluisterde gesprekken presenteerden de aanklagers ook verklaringen van Osama Bin Laden. Ook de fatwas uit februari 1998 waarin hij oproept om Amerikanen te doden. Hoewel deze bewijzen slechts in de zaak tegen Sattar gepresenteerd werden legden zij in het tijdperk na 11 september 2001 een schaduw over het proces tegen Stewart en Yousry. Zelfs bronnen in de Amerikaanse regering hebben hun twijfels geuit over dit bewijsmateriaal omdat het “a particularly acute danger of unfair prejudice” vormt.
    Een van de getuigen van de overheid was Patrick J. Fitzgerald, de openbare aanklager die ervoor zorgde dat Abdel-Rahman achter de tralies belandde. Stewart noemt Fitzgerald in een van de afgeluisterde gesprekken de duivel. Hij legde de Sjeik ook de zware beperkingen op. Toen Lynne Stewart haar communicatie in juni 2000 deelde met journalist Esmat Salaheddin van het persbureau Reuters wilde Fitzgerald haar daarvoor aanklagen. Naar zijn zeggen heeft de FBI hem daarvan afgehouden hangende het onderzoek naar Sattar.
    Openbare aanklager Dember omschreef het werk van de drie verdachten als de hulp aan het ontsnappen van een gevangene door het voor Abdel-Rahman mogelijk te maken de regels van de gevangenis te ontduiken en te communiceren met zogenoemde terroristen in Egypte.
    Fitzgerald werd door de openbare aanklagers ook gevraagd in te gaan op de medische behandeling van de Sjeik. Stewart zou over deze behandeling valse verklaringen hebben gegeven. Volgens Fitzgerald weigert Abdel-Rahman die diabetisch patiënt is, zijn medicijnen in te nemen, snoept hij en als hij klaagt wordt hij onderzocht. Volgens Fitzgerald zijn er ook beelden van Abdel-Rahman in zijn cel waarop te zien is dat hij tegen zijn bed schopt om zichzelf te verwonden. De conclusie van de openbare aanklager die de Sjeik achter de tralies kreeg was dat de veroordeelde met zijn gezondheid speelt. Dokter David Edwardy van het Federal Medical Center in Rochester, Minnesota, waar Abdel-Rahman verbleef zei dat de Sjeik vooral zout en vet eten kocht terwijl de medische staf hem dat afraadde. Na een hartaanval in 1985 is zijn gezondheid alleen maar achteruit gegaan. Naast hartproblemen en diabetes heeft de Sjeik ook last van onder andere hoge bloeddruk, galstenen, astma en hepatitis. Dat zijn toestand verder verslechtert werd in december 2006 duidelijk toen ook nog een tumor in zijn lever werd ontdekt. Of hij al of niet goed behandeld wordt blijft onduidelijk. De autoriteiten menen dat zijn slechte gezondheid zijn eigen schuld is door slecht te eten en geen medicijnen te nemen, maar de tumor in zijn lever is daarvan waarschijnlijk niet een gevolg.
    Ramsey Clark, in de jaren zestig Attorney General onder President Johnson, vertelde als getuige dat hij als advocaat van Abdel-Rahman in 1997 en in 1999, tijdens een bijeenkomst in Cairo, met journalisten sprak over het standpunt van de Sjeik met betrekking tot het staakt het vuren. Tevens heeft Clark persverklaringen uitgebracht met standpunten van de Sjeik. In een van die verklaringen verklaart de Sjeik zich tegenstander van het oprichten van een politieke partij door zijn volgelingen. Clark heeft dezelfde verklaringen met betrekking tot de SAM moeten ondertekenen voor zijn contact met Abdel-Rahman. In een interview met The Capital Times op 21 februari 2005: “I don’t know of anything that Lynne did that I didn’t do.” Hij vertelde tevens dat hij evenals Lynne Stewart er voorstander van was Abdel-Rahman zijn straf in Egypte te laten uit zitten, iets waar Patrick E. Fitzgerald, de openbare aanklager, groot tegenstander van was.
    Voor Clark de getuigenbank betrad had Lynne Stewart daar zelf negen dagen gestaan. Of haar verklaring de zaak helderder heeft gemaakt voor de jury blijft onduidelijk. Wel probeerde Stewart eerlijk te zijn over haar verhouding tot Abdel-Rahman. Zij gaf aan te weten wat de Sjeik en zijn volgelingen voor aanslagen in Egypte had gepleegd. Zij ging zelfs een stap verder. Zij toonde begrip voor hun acties en het geweld. “I believe that entrenched institutions will not be changed except by violence,” vertelde zij de rechtbank. “I believe in the politics that lead to violence being exerted by people on their own behalf to effectuate change.” In het verhoor door de openbare aanklager zei ze dat ze geloofde in de ‘popular revolution’ om de ‘evils of capitalism’ te overwinnen. “I’m talking about a popular revolution,” Stewart said. “I’m talking about institutions being changed and that will not be changed without violence.”

    De uitspraak

    Op 12 januari 2005 eindigde het proces en trok de jury zich terug om tot een oordeel te komen. Dat oordeel kwam er op 10 februari 2005. De drie verdachten werden schuldig bevonden door de jury. Lynne Stewart werd schuldig bevonden aan het bedriegen van de regering, samenspanning, het verlenen van materiele steun aan terroristen en de onderdelen van de aanklacht met betrekking tot het geven van valse verklaringen. Opmerkelijk was dat na tien en een halve dag beraadslaging door de jury er berichten circuleerden dat de jury niet in staat was tot een besluit te komen. Twee juryleden vroegen een gesprek aan met rechter Koeltl. In het bijzijn van zowel de openbare aanklagers als de verdachten is de situatie naar aanleiding van het vertrouwelijke gesprek geëvalueerd. Het leek erop dat de juryleden niet tot een gemeenschappelijk standpunt konden komen. Dat dit na nog 13 dagen van beraad op 10 februari wel gebeurde was voor de verdachten een grote schok.

    De openbare aanklagers toonden zich verguld met de uitspraak van de jury. De U.S. Attorney General Alberto Gonzales schrijft in een verklaring dat deze veroordeling duidelijk aangeeft dat “this department will pursue both those who carry out acts of terrorism and those who assist them with their murderous goals.” Gonzales benadrukte ook nog dat de uitspraak van de jury een belangrijke stap was in de ‘war on terrorism’. Het openbaar ministerie eiste om zijn woorden kracht bij te zetten 30 jaar gevangenisstraf voor Stewart en 20 jaar voor Yousry en Sattar.

    Na de veroordeling ontstond een verhit debat. Rechts Amerika oordeelde hard. “Traitor” kopte de The New York Post, een Rupert Murdock krant. De Joodse Defensie Liga beschuldigde Stewart van deelname aan het wereldwijde complot om joden te vermoorden en riep haar leden op rechter Koeltl te schrijven en te vragen Stewart voor de rest van haar leven achter de tralies te zetten. Links Amerika toonde zich verbaasd over de uitspraak en riep dat de democratische rechtstaat op instorten stond. Stewart heeft na haar arrestatie Amerika rondgereisd om overal haar verhaal te vertellen. Na haar veroordeling ontstond er controverse over haar persoon. Op de Clara Barton High School in Brooklyn hadden studenten een bijeenkomst met Stewart georganiseerd die twee dagen voordat die zou plaatsvinden door de leiding van de school werd afgelast. Er ontstond een verhit debat over de vrijheid van meningsuiting en in hoeverre die ook voor veroordeelden zou gelden.

    Na de uitspraak van de jury duurde het nog twee jaar eer de rechter een straf oplegde. De datum voor de uitspraak van de rechter werd keer op keer verschoven. De oorzaak van dit uitstel was een brief van een van de juryleden aan rechter Koeltl, ziekte van Stewart en een pleidooi van de advocaten van Stewart naar aanleiding vande ziekte. Stewart lijdt aan borstkanker en moest daarvoor eind 2005 begin 2006 opgenomen worden in het ziekenhuis.
    In een brief van 25 maart 2005, enkele weken na de uitspraak van de jury, schreef een van de juryleden een brief aan rechter Koeltl waarin zij aangaf dat zij en een ander jurylid onder druk waren gezet om met het oordeel in te stemmen en dat zij zich geïntimideerd voelde. De vrouw schreef in haar brief: “My verdict came about only as a result of the fear and intimidation. I was made to fear for my life during the course of deliberations.” Tegen The Washington Post zei de vrouw dat de andere juryleden over terroristische aanvallen spraken en dat ze de verdachten een lesje wilden leren. De vrouw sprak ook met de advocaten van de verdachten die een verzoek indienden voor een hernieuwde rechtzaak mede ook op grond van geruchten dat een ander jurylid had gelogen over haar verleden. Rechter Koeltl wees het verzoek af.
    De openbare aanklagers schreven een 129 pagina’s tellend document om aan te geven dat Stewart zwaar gestraft diende te worden. Volgens openbare aanklager Dember overtrad Stewart bewust de wet en deed zij dat keer op keer. Ze speelde een centrale rol in het naar buiten smokkelen van verklaringen van Abdel-Rahman en loog over haar kennis van de speciale regels die er opgelegd waren aan de Sjeik.
    De advocaten van Stewart schreven daarop een repliek waarin zij verwezen naar de medische toestand waarin Stewart zich bevond, haar leeftijd en dat zij niet de intentie had de sjeik bij te staan in zijn terroristische activiteiten. Tevens geven haar advocaten aan dat de overtredingen waarvoor ze nu veroordeeld is, voor 11 september 2001 geen overtredingen waren.

    De straf

    Lynne Stewart werd op 16 oktober 2006 veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf voor het verlenen van materiele steun aan het terrorisme door het naar buiten brengen van de meningen van Abdel-Rahman over het staakt het vuren van militante moslims in Egypte op een moment dat het de Sjeik verboden was met de buitenwereld te communiceren. Yousry kreeg 20 maanden en Sattar 24 jaar.

    In het hele geweld rond de zaak Lynne Stewart lijkt de zaak van Yousry, de tolk van Lynne Stewart, volledig onder te sneeuwen. Dit in weerwil van het feit dat een door de rechtbank benoemde tolk verantwoordelijk wordt gehouden voor het vertalen van misschien wel strafbare zaken. Voormalig openbare aanklagers stellen zelfs vragen bij de aanklacht tegen Yousry. Kan hij wel verantwoordelijk worden gehouden terwijl hij misschien de totale juridische situatie van Abdel-Rahman niet kan doorgronden.

    Afgeluisterd?

    Na de uitspraak van de jury had Lynne Stewart al aangekondigd in beroep te zullen gaan. Hoe lang dat zal duren is onduidelijk. Ook of haar gesprekken met haar advocaat worden afgeluisterd blijft onduidelijk.
    Dat is al zo vanaf 9 april 2002. Ditzelfde geldt voor gesprekken tussen Sattar en Yousry met hun verdedigers. Alleen onder de SAM dient de verdachte en zijn advocaat op de hoogte te worden gesteld van de mogelijkheid dat de overheid meeluistert.

    Tijdens een hoorzitting met betrekking tot het afluisteren van Stewart betoogde de advocaat van de Amerikaanse regering dat een advocaat die veroordeeld is voor het geven van materiele steun aan terroristen geen recht heeft om te weten of de overheid haar communicatie aftapt zonder gerechtelijk bevel. De advocaten van Stewart hadden de regering gevraagd aan te geven of zij werd afgeluisterd onder het Terrorist Surveillance Program. Volgens de Amerikaanse overheid zijn er 15 rechtzaken geweest om kennis op te doen over het Terrorist Surveillance Program dat door de National Security Agency (NSA) wordt uitgevoerd. Het Terrorist Surveillance Program veroorzaakte enige ophef in de Verenigde Staten. Bedrijven als Verizon, AT&T and BellSouth zouden de NSA toegang hebben gegeven tot het verkeer van meer dan 200 miljoen telefoons die op hun systemen zijn aangesloten.

    Of Stewart afgeluisterd wordt en of zij haar beroep zal gaan winnen is op dit moment niet te zeggen. Duidelijk is wel dat de controverse over het afluisteren van gesprekken tussen een advocaat en zijn of haar cliënt sinds het schandaal van het Terrorist Surveillance Program verbreed is tot het afluisteren van elke Amerikaan. Dat de rechtstaat onder druk staat is zonder het proces tegen Lynne Stewart al duidelijk. Of haar zaak een extra dimensie geeft aan de repressieve spiraal waar Westerse democratieën al sinds enkele jaren onder lijden, ook voor 11 september 2001, is een vraag die, zoals blijkt uit een gedetailleerde analyse van haar zaak, niet een twee drie te beantwoorden is.
    FBI affidavit details Abdel-Rahman’s jailhouse pip
    website van Lynne Stewart
    artikel uit New York Times van George Packer
    Wikipedia over Palmer raids in 1918
    artikel uit de Monthly Review
    Wikipedia over Al-Gama’a_al-Islamiyya
    Amerikaanse anti terrorisme wetgeving van 1996
    Wikipedia over de Amerikaanse antiterrorisme wetge
    Speciale maatregelen met betrekking tot terrorisme
    Wikipedia over de FISA wetgeving
    Uitleg van de FISA wetgeving
    Wikipedia over het afluister project van de NSA
    Interview van Paul Chan met Lynne Stewart